Part 10
En Jan de straat op, trotsch als een haan. Hij rinkelde met zijn prachtig blinkende bel, dat het een aard had en bereikte zijn doel: als musschen schoten een paar jongens op hem af.
"Is die van jou? Is dat jouw kar? Waar haal je die zoo gauw vandaan?" Van allerlei vragen warrelden door elkaar.
"Ja, da's nou de mijne en wat zeg je er wel van?"
Eenparig luidde het oordeel: "'n fijne beweging."
"En kijk 'm 's mooi blinken. Zie 's wat een zadel en hoor 's! Da's effen een bel hè?"
Van alle kanten werd de nieuwe fiets bekeken en betast.
"Ga d'r eens op."
"Ik dank je lekker, op mijn klompen! Zal ik zeker 's gauw dat mooie nikkel van de trappers bekrassen."
In optocht arriveerde de fiets thuis, waar moeder van pure verbazing de handen in elkaar sloeg. Ze was uit alle woorden en toen vader thuis kwam, steeg de feestvreugde ten top. Jan raakte niet uitverteld over zijn gesprek met den burgemeester.
"En 'k ga direct nog naar baas Kooiman om hem te bedanken," zei Jan.
"Natuurlijk; dat spreekt vanzelf," beslisten vader en moeder en zoo gebeurde 't ook.
Toen Jan in de hem wel bekende boerenkamer voor den goeien baas Kooiman stond en bijna geen woorden kon vinden om zijn dankbaarheid te betuigen, zei deze eenvoudig:
"Ja Jantje, 'k wou óók graag wat doen en de burgemeester bracht me op een goed denkbeeld. 'k Vind je een aardig jonk onder ons gezeid. Zelf heb ik geen kinders, zoo je weet en... van die geit vond ik mooi van je. Daar, nou weet je 't. Doe maar goed je best, jonkie; pas braaf op en als je dan later thuiskomt als je eens zeeman bent, mot je altijd even bij ons aanwippen hoor!"
"Ja Jan, dat moet je doen hoor," voegde vrouw Kooiman er bij. "Zul je?"
"Zeker, en graag ook! Och baas, och vrouw, 'k ben toch zoo blij."
"En mondje dicht weer hoor!"
"Dat beloof ik je!"
Ze bleven nog een poosje met z'n drieën wat napraten en toen Jan afscheid nam voelde hij, dat hier twee harten warm voor hem klopten; echte vriendenharten.
En als ge weten wilt, of Jan ook vast van plan is om zijn goede voornemens ten uitvoer te brengen; om zijn belofte, aan kapitein Smit gedaan, gestand te doen; vraagt ge, of hij ook uitstekend zijn best doet op de mulo, waar hij nu al eenigen tijd leerling is, hoor dan naar het gedeelte van den brief, die kapitein Smit de laatste maal uit Valencia schreef:
't Doet me veel genoegen, dat het laatste rapport zooveel zevens en achten vertoonde en maar twee zessen. Dat is de ware manier, Jan. Flink gewerkt, mijn jongen. Zonder werken wordt men niets. En je weet ook: niets zonder moeite. Vergeet niet, dat je lijfspreuk moet zijn en blijven: Steeds hooger. Vooruit is de weg.
Hou zee! Hou moedig zee!
INHOUD.
Hoofdst. Blz.
1. Jan speelt Natte Sies een poets 5 2. Jan verwisselt de etenspannen en Teun Driedijk krijgt keisteenen als diner 14 3. Jan loopt straf op en speelt voor toovenaar of zoo iets 23 4. Een rook-proef met jammerlijke gevolgen 34 5. Verloren en teruggevonden 46 6. Een extra vacantie-dag met een voetreis, een hond en een vechtpartij en zoo al meer 53 7. Een vitterige veldwachter dreigt alle plezier te bederven. De kleerenroof leidt tot vredesonderhandelingen 70 8. De onderwijzers-vergadering blijkt een nasleep te krijgen 88 9. Jan komt op een uitmuntend denkbeeld.--Maar zal 't gaan?! 99 10. Het gaat.--Het oordeel der menschen is niet altijd juist 109 11. Waarin Toon en Geertje een geit krijgen en waarin geurende verf voorkomt 119 12. Een jongens-plaag aan 't werk 130 13. De uitvoering van het plan.--Boontje komt om zijn loontje 144 14. De gevolgen van den mist 154 15. Kapitein Smit komt bij Kees Kodde op bezoek 164 16. De storm.--Een beteekenisvolle oudejaarsavond.--Een geknipte strandroover 175 17. Besluit 195