De afstamming van den mensch Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt

Part 9

Chapter 93,468 wordsPublic domain

Maar hoe komt het dan, dat er nog steeds een onoverbrugde kloof tusschen de verschillende overblijfselen van den neanderdalmensch en de menschelijke skeletten uit de latere perioden, den aurignac-mensch, het cro-magnon-ras bestaat; hoe komt het, dat wij bij de overblijfselen van neanderdalmenschen, bij Krapina gevonden, reeds twee verschillende rassen, langhoofden en rondhoofden, met lange, slanke, en korte, gedrongen ledematen vinden? Hoe komt het, dat wij in de Grotte des Enfants bij Grimaldi overblijfselen van menschen uit denzelfden tijd als den neanderdalmensch vinden, maar nu van een geheel ander type, met het hooge gewelfde voorhoofd van den homo sapiens? En stel, dat de pithecanthropus niet zoo oud is als Dubois meende, doch in het begin van de quartaire periode tegelijk met menschelijke vormen op Java heeft geleefd, hoe komen dan die vormen daar op Java, terwijl het menschelijk geslacht, om zoo te zeggen, nog bezig is zich hier in Europa te ontwikkelen? Hoe komt het, dat wij onder de inboorlingen van Australië, dat merkwaardige werelddeel, dat reeds in het begin der quartaire periode van de overige vastelanden geïsoleerd is geraakt, menschvormen vinden die zeer sterk op de typen van het neanderdalras gelijken? Hoe komt het, dat wij ook elders buiten Europa, palaeolithische werktuigen vinden van hetzelfde karakter, als die welke in afzettingen uit dezelfde tijden hier in Europa zijn gevonden?

Op al deze vragen kan de anthropologische wetenschap bij den huidigen stand harer ontwikkeling, nog geen antwoord geven. Dat wij die vragen, in de scherpe formuleering, die ik er aan gaf, kunnen stellen, is reeds een groote stap in de richting van de oplossing er van. En de feiten, die aanleiding gaven deze vragen zoo geformuleerd te stellen, geven ons zeer zeker al het recht, te zeggen, dat de oplossing van het vraagstuk van de afstamming van den mensch niet zoo eenvoudig is als zoo juist werd aangegeven. Dat wij de reeks pithecanthropus--eoanthropus--homo heidelbergensis--mensch van La Chapelle-aux-Saints (neanderdalmensch) kunnen opstellen, bewijst dat de bioloog terecht den mensch in genetisch verband met de dierenwereld brengt, en geeft ons de lijn aan, waarlangs die ontwikkeling van dier tot mensch kan hebben geloopen. Dat zij zoo geloopen heeft, wordt er niet door bewezen.

Het schijnt mij toe, dat wij ons, met al deze feiten rekening houdende, den ontwikkelingsgang van het menschelijk geslacht op de volgende wijze kunnen voorstellen: als wij ons denken den uiterst langzamen ontwikkelingsgang van de dierenwereld en wij rekening houden met het feit, dat een vorm als de homo heidelbergensis reeds in het laatste gedeelte van de tertiaire periode hier in Europa voorkwam, dat tusschenvormen als de pithecanthropus en de homo heidelbergensis (en wellicht daar nog tusschen gevoegd de eoanthropus Dawsoni) in zoo ver uit elkaar liggende streken als Java en West-Europa zijn gevonden, dan moeten wij wel aannemen, dat de menschvorm, die aan het einde der tertiaire periode dus al de betrekkelijk hooge ontwikkeling van den heidelberger mensch hier in Europa had verkregen, en waarvan de minder ontwikkelde vormen reeds een zoo groote verbreiding bezaten, zich niet in het einde, doch reeds in het begin der tertiaire periode uit primitief gebouwde, niet gespecialiseerde, tot de groote groep der aapachtige dieren behoorende, voorvaderen in een nog zeer primitieven aapachtigen overgangsvorm heeft ontwikkeld.

Dit kan plaats hebben gevonden in Azië, in Australië, in warme landen in elk geval. Het niet behaard zijn van den mensch, ook daar waar een ras, zooals de van oudsher in de poolstreken aan de strengste koude blootgestelde Eskimo's, Lappen, enz., zich duizenden en duizenden jaren tegen die koude heeft moeten beveiligen, en het waarschijnlijk ook tijdens de ijsperiode niet behaard zijn (waar op de ingekraste teekeningen uit dien tijd menschelijke figuren voorkomen, worden zij steeds als niet behaard voorgesteld, terwijl de haarbekleeding der hun vergezellende dieren zeer duidelijk wordt weergegeven) wijst er wel op, dat zijne eerste ontwikkeling uit dierlijke voorvaderen in een warm klimaat heeft plaats gevonden.

Deze overgangsvorm, de oorspronkelijke menschelijke stamvorm, die dus in ontwikkeling stellig nog ver onder den pithecanthropus moet hebben gestaan, kan zich nu vrij snel in een aantal iets van elkaar verschillende rasvormen gesplitst hebben, zooals wij dat ook zien gebeuren bij in een zoogenaamde "mutatie-periode" gerakende plantensoorten. Met "vrij snel" bedoel ik dan hier in den loop van weinige duizenden jaren, met "rassen" (of ondersoorten of hoe men dergelijke iets van elkaar verschillende vormen noemen wil) bedoel ik nog niet de tegenwoordig levende menschenrassen, maar eenvoudig iets van elkaar verschillende vormen. Zoo ontstaat een groep van "hominiden," (menschachtige wezens) van sterk op elkaar gelijkende, doch in een of ander kenmerk van elkaar iets verschillende vormen. In den loop der zoo ontzaglijk langen tijd durende tertiaire periode ontwikkelt deze groep van vrijwel gelijkstaande vormen zich en verspreidt zich tevens over de geheele bewoonbare aarde. Als wij bedenken, dat men de verspreiding van een zoo langzaam dier als het nijlpaard gedurende een der interglaciale perioden van uit het zuiden over bijna geheel Europa heeft kunnen vervolgen, dan behoeft ons een dergelijke verspreiding van de stamvaders van het menschelijk geslacht niet te verwonderen. Het is mogelijk, dat juist de harmonische ontwikkeling, die den mensch kenmerkt (vergel. Hoofdstuk II) deze snelle verspreiding, die natuurlijk het weerstand bieden aan tal van zeer verschillende uitwendige invloeden en omstandigheden met zich bracht, mogelijk heeft gemaakt. Zeker is het, dat wij juist alleen bij het menschelijk geslacht die snelle verspreiding vinden, dat juist het menschelijk geslacht in staat is geweest hinderpalen te overwinnen, koude te trotseeren, en daardoor voor andere vormen ontoegankelijke gebieden te bezetten en zich daar verder te ontwikkelen, terwijl de meer gespecialiseerde anthropoïde apen slechts een gering verspreidingsvermogen toonden en in tal van gebieden weer zijn uitgestorven. Bij die verspreiding werd de kiem der eerste ontwikkeling mede over de geheele aarde verspreid. Wij vinden steenen werktuigen, gelijkende op de eerste voortbrengselen van het Europeesche palaeolithicum, in allerlei streken, in Egypte, in den Oost-Indischen archipel, op Ceylon, in Amerika. Een tak van deze groote hominidengroep kwam naar Europa, ontwikkelde zich daar tot den homo heidelbergensis en den neanderdalmensch. Het is zeer goed mogelijk, ja met het oog op hetgeen wij uit de dieren- en plantenwereld weten, zelfs zeer waarschijnlijk dat verschillende takken dier hominidengroep in den loop der ontwikkeling weer degenereerden en uitstierven, of in langzamer ontwikkeling bij andere takken achterbleven. Zoo is het zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een vertegenwoordiger van een dergelijken achterblijvenden tak was, die in den O. I. Archipel nog tegelijk met zijne oorspronkelijke soortgenooten, welke zich sneller hadden ontwikkeld en al tot typische menschvormen waren geworden, heeft geleefd, doch in het begin der quartaire periode reeds is uitgestorven. Zoo is het ook waarschijnlijk, dat op de eerste invasie van een nog zeer weinig ontwikkelden tak dezer homonidengroep in Europa, die langs den weg van den eoanthropus en den homo heidelbergensis door langzame ontwikkeling voerde tot den neanderdalmensch, later, bijvoorbeeld in het laatste gedeelte van den grooten ijstijd en in de postglaciale perioden, andere invasies van reeds verder ontwikkelde takken der hominidengroep van uit het Zuiden en Zuid-Oosten zijn gevolgd. Deze latere invasies behoeven niet alle even sterk en duurzaam geweest te zijn, maar kunnen tot locale nederzettingen geleid hebben, die wellicht later weer werden teruggedreven of vernietigd door de inboorlingen zelf. Een op zichzelf staande vondst als die van de overblijfselen van het "negroide" type van Verneau in de Grotte des Enfants bij Grimaldi, uit de laatste perioden van den ijstijd, kan zeer goed het bewijs zijn van een dergelijke invasie van een kleine groep, uit Afrika langs den toen ter tijde nog bestaande landverbindingen tusschen Tunis--Sicilië--Italië tot in Zuid-Europa doorgedrongen, maar na eenigen tijd weder spoorloos verdwenen.

Wel moet echter in het laatste gedeelte van den ijstijd een grootere invasie van een beter ontwikkelden tak der homonidengroep van uit Azië in Europa hebben plaats gevonden, die een ander menschelijk type hier in Europa bracht, waar tot dien tijd het neanderdalras heerschte. Zoo zien wij dan hier het Aurignac-ras optreden, dat het neanderdalras òf reeds gedeeltelijk uitgestorven vindt en verder vernietigt, òf zich er ten deele mede vermengt, en zoo het iets later in zoo groote verbreiding optredende cro-magnon-ras vormt; het neanderdalras verdwijnt, de cultuur van de moustérien-periode maakt plaats voor de op een hoogere trap staande, aan het aurignac- en cro-magnon-type gebonden cultuur der latere perioden van het palaeolithicum, de "solutréen" periode en het magdalenium met zijn prachtig bewerkte steenen werktuigen, zijn kunstvol geboetseerde voorwerpen uit rendierhoorn en ivoor, zijn teekenen van hooger beschaving en sterker ontwikkeld kunstgevoel.

Het einde van het palaeolithicum geeft tevens het einde van het cro-magnon-ras aan. Wij zien een nieuwe cultuur, die van het neolithicum, optreden met gepolijste wapenen, met doorboorde en van een houten steel voorziene bijlen, met steenen werktuigen van een langzamerhand volmaakt wordende techniek. Ook deze neolithische cultuur zien wij eerst weer in onvolkomen, technisch laagstaanden, nog met overblijfselen uit het palaeolithicum vermengden vorm optreden en zich langzaam hooger opheffen. Ook de dragers van deze cultuur moeten een ander ras, van Aziatischen oorsprong, geweest zijn, wellicht weer vermengd met de overblijvenden van het cro-magnon-ras als overwonnen volk. Ook voor dezen overgang nemen wij dus een invasie van buiten, van uit het Zuid-Oosten aan.

Door deze wijze van beschouwing wordt dus het probleem van de afstamming van den mensch eer verdiept en verbreed, dan eenvoudiger gemaakt. De eenheid van het geheele menschelijke geslacht over de geheele aarde, ook daar waar het gebieden, werelddeelen betreft, ver uit elkaar gelegen en reeds in zeer ver achter ons liggende geologische perioden geïsoleerd, wordt hierdoor bewaard. Het zwaartepunt der ontwikkeling, der menschwording, wordt achteruit gedrongen en wordt buiten Europa verlegd; de ontwikkelingsgang die wij in Europa konden gadeslaan, is slechts gedeeltelijk, slechts een tijdperk uit de ontwikkelingsgeschiedenis van een bepaalden tak der groote menschgroep, door invasies van buiten gestoord en onderbroken. De eigenlijke tusschenvormen, die de laagstaande vormen als de pithecanthropus, de eoanthropus, de homo heidelbergensis met de dierenwereld uit het begin der tertiaire periode moeten verbinden, zijn nog niet bekend.

Hiermede zou ik onze beschouwingen over het vraagstuk van de afstamming van den mensch kunnen eindigen. Doch ik zou onvolledig zijn, zoo ik niet van eene andere opvatting gewag maakte, die mijns inziens wel niet de oplossing van het probleem ons geeft, doch die door de eigenaardige wijze, waarop het geheele vraagstuk eigenlijk wordt omgekeerd, doet inzien, hoezeer alles bij dit vraagstuk nog op losse schroeven staat.

Dat is de opvatting, die aan de zoogenaamde "pygmeeën" een groote waarde voor de studie van de wordingsgeschiedenis van den mensch toeschrijft.

Kollmann, een bekend Duitsch embryoloog, die deze beschouwing het eerst heeft uitgewerkt, nu eenige jaren geleden, brengt twee feiten met elkaar in samenhang. In de eerste plaats is het een in de palaeontologie dikwijls goed geconstateerd feit, dat groote diersoorten zich dikwijls uit kleinere soorten ontwikkelen. Als voorouders van het paard zien wij des te kleiner diersoorten optreden, naarmate wij in de reeks van vormen, die den stamboom van het paard vormen, meer en meer naar de vroegere geologische perioden opklimmen. Ook elders zien wij dikwijls grootere diersoorten zich uit kleinere ontwikkelen. Datzelfde zou volgens Kollmann nu ook voor den mensch gelden. Ook hier zouden wij naar kleine voorvaderen moeten zoeken. In de tweede plaats zien wij onder de tegenwoordig levende menschenrassen op tal van plaatsen eigenaardige groepen, stammen optreden, die zich door kleinheid kenmerken, niet veel grooter dan een meter tot anderhalf meter zijn, en onder den naam "pygmeeën," dwergen, worden samengevat. Ieder kent (al was het alleen maar uit het titelvignet van Stanley's in Darkest Africa) de dwergstammen van de binnenlanden van Afrika. De akka's, de wedda's, de pas ontdekte dwergstammen op Nieuw-Guinea, op de Philippijnen enz., vormen volgens Kollmann's opvatting een sterk verspreid, op zichzelf staand ras, dat vroeger een grootere uitgebreidheid moet hebben gehad, doch nu zich slechts op bepaalde, eenigszins geïsoleerd liggende gebieden staande heeft kunnen houden. Reeds in oude tijden, zelfs in den voorhistorischen tijd, zijn pygmeeën bekend geweest. In voorhistorische graven, bijvoorbeeld bij Schweizersbild, komen dergelijke dwergskeletten voor, naast grootere vormen; door de gebroeders Sarasin zijn op Ceylon overblijfselen van voorhistorische pygmeeën te zamen met palaeolithische steenen werktuigen gevonden, in verschillende neolithische en latere graven zijn dwergskeletten naast skeletten van gewone menschelijke lengte gevonden, kortom, volgens Kollmann, die al deze dwergvormen tot de groep der pygmeeën brengt, vormen deze pygmeeën een scherp omschreven ras, dat vroeger globair, over den geheelen aardbol verspreid, voorkwam.

Dit brengt Kollmann nu in samenhang met het eerstgenoemde verschijnsel, dat groote diersoorten zich zoo dikwijls uit kleine voorouders hebben ontwikkeld. Ook bij den mensch zou dat zoo geweest zijn. Ook de mensch zou zich uit voorvaderen hebben ontwikkeld, die niet veel meer dan ruim een meter hoog zouden zijn en die een sterke overeenkomst zouden hebben vertoond met de zooeven genoemde pygmeeën. Het ras der pygmeeën zou reeds in zeer oude tijden uit een onbekende kleine anthropoïdenstam zich hebben ontwikkeld en moet als de eerst optredende menschvorm worden beschouwd. Uit deze pygmeeën ontwikkelden zich dan langzamerhand de groote rassen, doch zoo, dat een gedeelte van den oervorm bewaard bleef; dat zijn juist de pygmeeën die overal verspreid in de neolithische en latere graven zoo nu en dan naast de grootere rassen werden gevonden, en ook nu nog onder verschillende namen in Afrika, in Indië, op de Philippijnen enz. worden aangetroffen. Ook de dwergen, die door de geheele geschiedenis heen telkens worden gevonden en die ook in onze tegenwoordige samenleving genoegzaam bekend zijn, zouden niet tengevolge van eenig pathologisch proces zoo klein gebleven zijn, doch zouden aan een soort van atavisme, van terugslag naar den oervorm, hun ontstaan te danken hebben.

Nu bezitten al die pygmeeën schedels met goed gewelfd voorhoofd en relatief groote schedelcapaciteit, d. w. z. een groote hersenmassa. Waar juist zij, volgens Kollmann, den oervorm voorstellen, zou men veeleer het tegendeel verwachten, n.l. menschvormen, met nog tal van inferieure kenmerken, laag voorhoofd, geringe schedelwelving en kleinen schedelinhoud. En hierin ligt nu juist het zwakke punt van de voorstelling van Kollmann, dat hij dit verschijnsel aan zijne theorie tracht dienstbaar te maken, en juist de hoog-gewelfde ruime schedel als den meest primitieven vorm gaat beschouwen. Hij wijst er op, dat jonge en nog embryonale apenschedels veel menschelijker vorm bezitten dan die van oudere exemplaren, en concludeert daaruit dat de anthropoïde apen oorspronkelijk afstammen van meer menschelijke voorouders, en slechts een gedegenereerden, niet voor verdere ontwikkeling vatbaren zijtak van den grooten oorspronkelijken stam vormen. Niet de menschen zouden dus van de apen, doch de apen van de menschen afstammen. Zoo zouden volgens Kollmann ook de verschillende vormen van het Neanderdalras met hun platten langen schedel en laag wijkend voorhoofd slechts een divergeerenden, gedegenereerden tak van de groote rassen voorstellen, en eveneens uit pygmeeën met hoog gewelfd voorhoofd zijn voortgekomen.

In deze geheele redeneering ligt, en dit is natuurlijk, anders ware zij niet als basis voor een bepaalde theorie gekozen, een kern van waarheid, doch zij wordt door Kollmann tot het absurde doorgevoerd. Het is zeer waarschijnlijk dat de menschvorm oorspronkelijk uit kleinere vormen is ontstaan. De eerste menschen waren ook nog vrij klein, de verschillende vertegenwoordigers van het neanderdalras, waarvan de overblijfselen voldoende waren, om de lengte van het lichaam ten naastenbij te bepalen, hadden een lengte van ongeveer 1 meter 60. Ook gelijken de jonge apen, wat hun schedelvorm betreft, ongetwijfeld meer op jonge menschenschedels dan de volwassen vormen. Ik kan in dit verband nog eens wijzen op fig. 26 en fig. 27, waarin die gelijkenis duidelijk zichtbaar is. Eenige bladzijden vroeger hebben wij van deze afbeeldingen juist als illustratie gebruik gemaakt van het feit, dat de specialisatie-kenmerken van de anthropoïde apen zich zoo laat ontwikkelen, en de jonge apen veel meer op de jonge menschen gelijken dan later, om te bewijzen, dat de menschen en de anthropoïde apen oorspronkelijk uit denzelfden stamvorm zijn ontstaan. Meer kan men uit een dergelijke gelijkenis dan ook niet afleiden. Want als men er uit zou willen besluiten, dat de anthropoïde apen oorspronkelijk een even hoog gewelfd voorhoofd en een even grooten en ruimen schedel bezaten als de homo sapiens, dan zou men er even goed uit kunnen afleiden, dat onze vroegere voorvaderen geweldig groote waterhoofden moeten hebben bezeten, want als men jonge embryonen zoowel van menschen als van apen onderzoekt, blijkt de aanleg van het hoofd bij beide vormen op een bepaald stadium ongeveer even groot te zijn als de geheele romp. Wil men bij dergelijke dingen te veel bewijzen, dan wordt het absurd. En hetzelfde geldt voor de bewering van Kollmann, dat de neanderdalmenschen een gedegenereerden tak voorstellen, uit pygmeeën-voorouders met hoog gewelfd voorhoofd ontstaan. De kern van waarheid is, dat het neanderdalras waarschijnlijk wel een degenereerenden zijtak van de groote hominiden-groep voorstelt; maar dat dat ras niet uit voorouders, die in vorm van den schedel met den tegenwoordig levenden mensch overeenkomt, is voortgekomen, wordt ten eerste bewezen door de geheele reeks van dierlijke, "aapachtige" kenmerken, die met het lage voorhoofd van den neanderdalmensch samengaan en die eerst duidelijk aan het licht gekomen zijn door de vondst van den fossielen mensch van La Chapelle-aux-Saints, en ten tweede door de ook in den laatsten tijd gevonden nog lager staande vormen van den homo heidelbergensis en wellicht ook de vondst van Piltdown, den eoanthropus.

Ook is de geheele voorstelling van Kollmann, volgens welke de pygmeeën de oervorm zouden zijn, van waaruit het menschengeslacht is ontstaan, niet gelukkig gekozen. Juist de wijze, waarop zij voorkomen, op geïsoleerde eilanden, in gebieden door andere factoren (bergketenen, ondoordringbare wouden enz.) door de natuur met een scheidsmuur omgeven, brengt hun veeleer in verband met de "Kümmerrassen," die wij bij zoovele dieren, die in dezelfde omstandigheden verkeeren, zich zien vormen. Overal daar, waar een groote diersoort op een klein, scherp begrensd gebied is besloten geraakt, zien wij uit die diersoort zich een klein dwergras ontwikkelen. Zoo kennen wij de Shetland-ponies, dwergvormen van den mammoeth en van den Europeeschen neushoorn op de eilanden in de Middellandsche Zee, enz., locale dwergrassen, ontstaan in aanpassing aan zeer ongunstige levensvoorwaarden als een laatste poging om het te gronde gaan van het ras te verhoeden. Het ligt veel meer voor de hand de pygmeeën op dezelfde wijze te beschouwen. De dwergvormen daarentegen, die zoo nu en dan onder de volken van normale grootte optreden, bijvoorbeeld in gezinnen met overigens normaal groote kinderen, zijn van zoovele pathologische processen afhankelijk, dat zij zeer zeker niet maar eenvoudig allen over één kam geschoren en als atavismen gestempeld kunnen worden.

Zoo heeft dus de voorstelling van Kollmann weinig waarschijnlijkheid op hare creditzijde. Toch wilde ik haar hier vermelden, omdat daardoor op het geheele probleem weer van een andere zijde licht wordt geworpen.

Hiermede zijn wij dus aan het einde van onze beschouwingen gekomen. De taak, die ik mij bij het bewerken van dit boekje had gesteld, is afgewerkt. Men ziet het, een afdoend antwoord kan de bioloog op de vraag naar de afstamming van den mensch nog in geen enkel opzicht geven. Wij bevinden ons nog overal op onzeker terrein; maar waar de laatste jaren ons zooveel hebben gebracht, wat ons in staat gesteld heeft de verschillende vragen juister en scherper te formuleeren, daar mogen wij verwachten, dat ook de komende jaren ons in nieuwe vondsten en ontdekkingen meer en meer licht over dit probleem, zonder twijfel het belangrijkste van de problemen, die de levende wereld om ons heen ons stelt, zullen verschaffen.

Er is echter nog een ander vraagstuk, voortkomende uit het hier behandelde probleem, vooral niet minder aantrekkelijk voor den onderzoeker, dan hetgeen ik u in deze bladzijden schetste. Waar dit laatste ons leerde, dat de mensch oorspronkelijk uit dierlijke voorvaderen langs een uiterst geleidelijk en langzaam omhoog voerenden weg van ontwikkeling is ontstaan, daar kunnen wij ons afvragen: welke zijn de veranderingen, die daarbij het menschelijk organisme heeft moeten ondergaan? Die vraag bestaat eigenlijk uit een reeks van problemen, elk voor zich aantrekkelijk, elk voor zich wel eene bespreking waard. Zoo bijvoorbeeld de veranderingen, die de menschelijke hand, het skelet er van, de spieren, hebben moeten ondergaan, toen de hand van een steunwerktuig, een "voorpoot," langzamerhand tot een grijporgaan werd; veranderingen, die alle haren eigenaardigen stempel hebben gedrukt op de samenstelling van onze hand, zooals wij die nu bezitten.

Zoo rust bijvoorbeeld het hart bij de viervoetige dieren op den voorsten borstwand. Toen de mensch van viervoetig, tweevoetig werd, zich ophief, verloor het hart in dezen nieuwen stand zijn steunvlak en hing als het ware aan de groote bloedvaten, moest dus een nieuw steunvlak zoeken op het middenrif. Daarmede hangen nu weer verschillende eigenaardigheden van den bouw van het menschelijk lichaam samen; zelfs is de rechtshandigheid, die typisch menschelijke eigenschap, met deze verandering in verband gebracht.

Zoo is de veranderde stand van het onderlijf, de buikholte en het bekken bij den rechtopstaanden mensch voor een aantal pathologische afwijkingen aansprakelijk, en heeft men, om slechts enkele zaken te noemen, het bij den mensch zoo veelvuldig voorkomen van breuken en haemorhoiden hiermede in verband meenen te kunnen brengen.