De afstamming van den mensch Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt

Part 8

Chapter 83,478 wordsPublic domain

Reeds Linnaeus rangschikte de dieren in een opklimmende reeks, d. w. z. hoe hooger hunne organisatie hem toescheen, des te hooger werd de plaats, hun in zijn systeem toebedeeld. Bovenaan stonden de gewervelde dieren; van de verschillende groepen dezer gewervelde dieren kregen wederom de zoogdieren de hoogste plaats, en onder de zoogdieren stonden de apen, boven de halfapen geplaatst, aan de spits. Onder die apen waren het weder de 4 soorten, die het meest op den mensch geleken, de gorilla, de chimpansee, de orang oetan en de gibbon, welke als menschapen, als anthropoiden, het hoogst geplaatst waren, ja zij werden zelfs te zamen met den mensch als "primaten," als "eerste onder de levende wezens," in een zelfde orde vereenigd. In den tijd van Linnaeus paste deze voorstelling geheel en al in den kring der toen heerschende denkbeelden. Men was algemeen overtuigd van de groote gelijkenis, die tusschen de menschapen en den mensch viel op te merken. "Simia quam similis, turpissima bestia, nobis" schreef Ennius [23]. Galenus bestudeerde de anatomische verhoudingen van het menschelijke lichaam aan apen. Het was een reformatorische daad, toen Vesalius beweren dorst, dat Galenus gefeild had in dit volkomen gelijk stellen van mensch en aap. In de afbeeldingen uit de 18e eeuw worden de apen (bijv. de chimpansee) als behaarde menschen voorgesteld, met een intelligent, menschelijk gezicht, staande op de achterste ledematen, een stok of een bloem in de hand; "ik moet bekennen," schreef Buffon, "dat als men slechts op den vorm van den orang oetan let, men hem voor een variëteit van den mensch kan houden, omdat hem, behalve een ziel, niets ontbreekt van wat wij aan het lichaam van den mensch kunnen onderscheiden." De la Mettrie hoopte, dat het toch eenmaal zou mogen gelukken, ook aan de apen het spreken en goede manieren te leeren, Lord Monboddo leerde reeds, dat de mensch van de apen afstamt, Huxley stelde als resultaat van een voor den tijd, waarin het ontstond, voortreffelijk onderzoek, vast, dat de anatomische verschillen, waardoor zich de mensch van den gorilla of den chimpansee onderscheidt, niet zoo groot zijn, als die, welke tusschen den gorilla en de lagere apen bestaan, terwijl reeds in 1824, onder den invloed van de theorieën van De Lamarck, Vizey de opvatting verdedigde, dat Homerus psychologisch even ver van een Hottentot verwijderd was, als deze laatste van den orang oetan.

Dergelijke stellingen blijven natuurlijk vaag en zijn niet vrij te maken van persoonlijke, niet nader te controleeren, waardebepalingen, maar het is ontegenzeggelijk waar, dat onder alle dieren de menschapen, de anthropoiden (gorilla, chimpansee, orang oetan en gibbon) het meest op den mensch in vorm en in anatomische kenmerken gelijken.

Staat nu de mensch in genetisch verband met een dezer 4 menschapen? Zoo ja, met welke, of wellicht met meerdere?

Deze vraag is in verschillenden zin beantwoord. Men heeft (en dit zelfs nog in den laatsten tijd) den mensch met den gorilla en vooral met den orang oetan in verband gebracht, en naar kenmerken gezocht, die op een nauwere verwantschap met dezen menschaap zouden wijzen, ja, men heeft zelfs gemeend, dat verschillende menschenrassen van verschillende aapsoorten zouden afstammen. Zoo is bijvoorbeeld volgens Melchers (1910) het menschelijk geslacht in vier groepen van rassen te verdeelen. Elk van deze groepen stamt van een der vier anthropoïde apen af. Zoo zouden de negers van de Congo, de bewoners van Guinea, de Soedan, de Bantoes en Zoeloes, de blond- en roodharige noordelijke rassen van het gorilla-type zijn. Met den chimpansee zouden in verband staan de Boschjesmannen, de Scythen, de Berbers, sommige rassen in Spanje, Portugal en de Pyreneën, de Lappen. Van den orang oetan zouden afstammen de Vuurlanders, Australiërs, de Papoea's, de rondhoofdige alpine rassen, terwijl Mongolen, Siberiërs, Maleiers en Polynesiërs met de gibbons verwantschap zouden bezitten.

Men zou dit in dien zin moeten opvatten, dat zich in overoude tijden eerst de vier groepen der anthropomorphe apen ontwikkeld hebben en dat dan uit die vier groepen, behalve de nakomelingen, die zich verder slechts weinig ontwikkeld hebben (de 4 menschapen), door voortgezette ontwikkeling de verschillende menschenrassen gevormd zijn.

Iets dergelijks zegt de door Klaatsch in de laatste jaren (na 1908) verdedigde opvatting, dat het neanderdalras van Afrikaansche herkomst is en afstamt van op den gorilla gelijkende voorvaderen, het aurignac-ras daarentegen uit Azië Europa zou zijn binnengedrongen en van een op den orang oetan gelijkenden voorvader afstamt.

Wetenschappelijk is hier nu wel wat op af te dingen.

Door Darwin is, zooals ik als citaat boven dit hoofdstuk plaatste, het reeds zoo scherp en duidelijk gezegd, hoewel in populaire geschriften doorgaans juist het tegendeel wordt beweerd, dat men toch niet in de dwaling moet vervallen, te meenen, dat de voorvaderen van den mensch identisch moeten geweest zijn of zelfs ook maar sterk moeten hebben geleken op eenige nu nog bestaande aapsoort. Van de tegenwoordig levende aapsoorten, ook zelfs de hoogst ontwikkelde anthropoïde apen, zijn de menschen zeer zeker niet afgestamd, wij staan er zelfs slechts in een verwijderd genetisch verband mede.

Als wij n.l. de anatomische kenmerken van de verschillende aapsoorten,--en wij kunnen ons dus daarbij beperken tot de 4 het meest op den mensch gelijkende menschapen--nauwkeurig bestudeeren en ze vergelijken met de overeenstemmende kenmerken bij den mensch, dan blijkt ons, dat in allerlei opzichten de menschapen meer gespecialiseerd zijn of in andere richting verder gespecialiseerd zijn dan de mensch zelf. De zooveel langere armen, die zich vooral bij den gibbon zoo sterk gespecialiseerd hebben, dat het volwassen dier, als het rechtop staat, bijna met de handen op den grond steunt, het rudimentair worden van den duim, die bij de anthropoïde apen niet alleen minder ontwikkeld is dan bij den mensch, maar in ontwikkeling achteruit gegaan is, de sterke ontwikkeling van het gebit met zijn groote zware hoektanden, zijn eigenaardig gevormde voorste kiezen (zoogenaamde praemolaren), en vooral met zijn zoo verschillend gebouwd melkgebit, dat van het menschelijk melkgebit, speciaal wat den vorm der melkkiezen betreft, zoo zeer afwijkt, dat men volgens sommige anthropologen, die daarvan een bepaalde studie hebben gemaakt, alleen al uit den vorm der melkkiezen bij den mensch en de tegenwoordig levende anthropomorphe apen een nader genetisch verband zou moeten uitsluiten, de met het zware gebit in verband staande sterke ontwikkeling van den snuit (men verg. bijvoorbeeld de 3 schedeldoorsneden in fig. 26) bij de menschapen, dat alles maakt, dat men niet den mensch in direct genetisch verband met de tegenwoordig levende menschapen brengen kan, in dien zin, dat de mensch zich uit een of meerdere dier vormen ontwikkeld heeft.

Wij denken hierbij direct aan de in een vorig hoofdstuk behandelde wet van Dollo, dat een in een bepaalde richting verder ontwikkelde specialisatie niet weer terug gaat, zoodat de oorspronkelijke vorm weer wordt bereikt. Waar wij zien dat alle anthropoïde apen op een zelfde wijze van den mensch verschillen (door de veel langere armen) als bijvoorbeeld de giraffe, de vledermuizen, vliegende hond, enz. van de andere viervoetige dieren, daar kunnen wij evenmin ons voorstellen, dat uit voorvaderen met dergelijke gespecialiseerde voorste ledematen weer menschen met normaal lange ledematen voortgekomen zijn, als wij ons uit giraffe- of vleermuisachtige voorvaderen weer normaal gebouwde viervoeters ontstaan kunnen denken. Zoo is het dijbeen van alle menschapen, behalve van den gibbon, korter en dikker en anders gevormd dan bij den mensch. Was nu de mensch met zijn rechtopstaande houding uit een dier menschapen voortgekomen, dan zou men eer meenen, dat onder den invloed van de veel zwaardere belasting het dijbeen van den mensch, dat nu den last van het geheele lichaam te dragen krijgt, waar het eerst slechts alleen het achterste gedeelte van den romp droeg, nog korter en dikker zou worden. Overal waar wij een dergelijke verandering van belasting voor bepaalde beenstukken zien optreden, zien wij wel dit verschijnsel. En toch heeft de mensch lange en slanke dijbeenderen.

Dat deze zienswijze de juiste is, wordt door twee feiten geïllustreerd.

Zooals wij zagen, hebben de menschapen allen een sterk gespecialiseerd gebit met sterk ontwikkelde uitstekende hoektanden en eigenaardig gevormde kiezen. Ware nu de mensch oorspronkelijk uit een dergelijken vorm ontstaan, dan zou men verwachten dat men bij de nog zoo talrijke dierlijke kenmerken vertoonende fossiele overblijfselen van de oudste menschen, tenminste veranderingen in het gebit zou vinden, die in de richting van het gebit der menschapen zouden wijzen. Toch is dat in geenen deele het geval, en inplaats daarvan vinden wij bijvoorbeeld in de heidelberger onderkaak, die wij als een der oudste en meest primitief gebouwde menschelijke overblijfselen hebben leeren kennen, een gebit, waarvan de tanden wel, in verband met de grootte van de kaak zelf, iets grooter zijn dan de normale menschelijke tanden, doch dat overigens volkomen menschelijke kenmerken vertoont. Van een grooteren, verder uitstekenden hoektand, van eene verandering van de kiezen in de richting van het gespecialiseerde gebit der anthropoïde apen geen spoor. En hetzelfde verschijnsel zien wij bij de pas gevonden onderkaak van Piltdown, den eoanthropus Dawsoni. Ook hier een beenstuk, dat verrassend veel op de onderkaak van een aap (vooral van een chimpansee) gelijkt, doch daarin een volkomen menschelijk gebit. Daarbij is het gebit van den homo heidelbergensis eigenlijk te zwak voor de kolossale grootte en massiviteit van de onderkaak zelf. Juist die wanverhouding in verband met het menschelijk karakter van de tanden en kiezen, sluit elke gedachte aan een afstamming van den mensch van op menschapen gelijkende voorouders uit.

Wel wijst de vorm van het gebit en van de onderkaak zelf der oudste menschelijke overblijfselen op eene afstamming van een gemeenschappelijken voorvader, d. w. z. zij brengen ons tot het vermoeden, dat eenzelfde oorspronkelijke vermoedelijk tertiaire aapvorm zoowel den mensch als de verschillende vormen der menschapen, heeft doen ontstaan. Van de nakomelingen van dien oorspronkelijken stamvorm heeft een gedeelte zich in den loop der eeuwen door langzame harmonische ontwikkeling zonder bepaalde specialisatie van deze of gene kenmerken tot de stamvaders van het menschelijk geslacht verheven, terwijl een ander gedeelte door eene ontwikkeling in een andere richting, door een specialisatie van bepaalde kenmerken en een daardoor zich aanpassen aan een bepaalde levenswijs, het in den loop dier zelfde duizenden van jaren tot de tegenwoordig levende menschapen bracht.

Dit wordt nu geïllustreerd door het tweede feit, waarop ik zoo even doelde. In een vorig hoofdstuk zagen wij reeds, dat er een zekere evenwijdigheid bestaat tusschen de ontwikkeling van een bepaalde soort door langzame verandering in den loop der duizenden jaren, en de ontwikkeling van een individu dier soort uit de eicel. Zijn nu in den loop van het ontwikkelingsproces van de soort bepaalde specialisaties opgetreden, dan ziet men die ook ontstaan in de ontwikkeling van het individu zelf, en wel eerst in de latere periode van het embryonale leven, als de specialisatie zelf ook eerst laat is ontstaan, doch reeds vroeg, als de specialisatie zelf van een ingrijpend karakter is en al vroeg in de ontwikkelingsgeschiedenis van de soort is opgetreden. Zoo is bijv. het uitgroeien van de vingers der voorste ledematen en het vormen van de vliegvliezen daartusschen bij de vleermuizen een specialisatie van zeer ingrijpenden aard, al vroeg in de ontwikkelingsgeschiedenis van de groep opgetreden (d. w. z. men vindt de eerste sporen van vleermuizen al in vroege geologische perioden) en men vindt dan ook al bij heel jonge embryonen van vleermuizen de eerste teekenen van het uitgroeien en breed worden der voorste ledematen. De specialisatie-kenmerken, waardoor de anthropoïde apen zich van de overige apen en van den mensch onderscheiden, zijn natuurlijk eerst in latere geologische perioden opgetreden, en wij zien ze dan ook bij de ontwikkeling van het individu eerst laat, ja gedeeltelijk zelfs na het einde van het embryonale leven, als dus het jonge aapje reeds geboren is, zich langzamerhand ontwikkelen. Zijn nu twee diervormen, die in bepaalde kenmerken van elkaar verschillen, in een der latere geologische perioden uit een gemeenschappelijken stamvorm ontstaan, zoodat dus die afwijkende kenmerken eerst na de splitsing van den oorspronkelijken stamvorm zijn opgetreden, dan zullen de embryonen van die beide soorten of de jonge dieren veel minder van elkaar verschillen dan de volwassen dieren, bij welken de specialisatiekenmerken eerst recht tot uiting zijn gekomen. Dat ziet men nu bij de anthropoïde apen en den mensch. Een pasgeboren anthropoïde aap, bijv. een chimpansee, gelijkt in allerlei kenmerken veel meer op een pasgeboren mensch dan de oudere of volwassen dieren. Vergelijkt men bijvoorbeeld in fig. 27 de schedels van een menschelijken pasgeborene (links) met het schedeltje van een pasgeboren chimpansee (rechts), dan ziet men, dat afgezien van den verderen graad van ontwikkeling, waarop de jonge chimpansee zich bevindt, de gelijkenis in vele opzichten verrassend groot is, grooter dan men zou verwachten als men den schedel van een volwassen mensch met dien van een volwassen chimpansee heeft vergeleken. Hetzelfde blijkt ook uit fig. 26, waar onder elkaar geplaatst zijn een in de middellijn gehalveerde menschelijke schedel, een dito schedel van een zeer jonge orang oetan en een dito schedel van een volwassen orang-oetan. Men lette bijv. op het veel hooger gewelfde voorhoofd en den veel minder ontwikkelden snuit van den jongen orang-oetan in vergelijking met zijn volwassen soortgenoot.

Met deze enkele beschouwingen moet ik hier volstaan. Wij kunnen er dus als eerste stelling uit concludeeren, dat de mensch niet uit een der tegenwoordig levende aapsoorten, zelfs niet uit de hoogst ontwikkelde, is voortgekomen. Toch wijzen de eigenaardigheden van de voorhistorische menschen uit de vroegste geologische perioden, waarin wij den mensch door zijne fossiele overblijfselen hebben kunnen aantoonen, er op, dat onze voorvaderen, meer dan wij, op de apen in het algemeen moeten hebben geleken. Indien wij een genetisch verband van den mensch met de dierenwereld aannemen,--en dat hebben wij juist als punt van uitgang aangenomen--dan moet onze stamvader wel uit de groote groep der apen, der fossiele apen-stamvaders wel te verstaan, zijn voortgekomen. Kennen wij nu onder de fossiele apen vormen, waaruit de mensch zou kunnen zijn voortgekomen? Of nog algemeener de vraag gesteld: kennen wij onder de fossiele overblijfselen van de hoogste zoogdieren vormen, die wij met zekerheid of met groote waarschijnlijkheid tot den rang van voorvader van het menschelijk geslacht kunnen promoveeren? Het antwoord op deze vraag kan slechts negatief zijn. Noch onder de fossiele apen, noch onder de verdere fossiele overblijfselen van zoogdieren kennen wij een vorm, die wij tot de directe voorvaderen van den mensch kunnen rekenen. In groote lijnen kunnen wij de afstammingsrichting van den mensch aangeven; wat de directe tusschenvormen zelf betreft, moeten wij den mensch nog steeds beschouwen als een "homo novus," een "parvenu" (Branco), d. w. z. niet iemand, die geen voorvaderen heeft, doch iemand, wiens voorvaderen niet bekend zijn. Wel hebben ons de vondsten van den homo heidelbergensis, van den eoanthropus Dawsoni geleerd, hoe het menschelijk geslacht, tot in de vroegste perioden van zijn ontwikkeling nagespoord, meer en meer gaat gelijken op dierlijke, pithecoïde, aapachtige vormen; wel heeft ons de vondst van den pithecanthropus doen zien, tot welk een verrassende hoogte de apenstam het in de achter ons liggende perioden heeft gebracht, wel heeft dus het geheele overgangsproces een zeer groote mate van zekerheid voor ons verkregen, maar een reeks overgangsvormen, de stations waarlangs de lijn van de ontwikkeling van het menschelijk geslacht heeft geloopen, kennen wij niet. De mensch is en blijft nog steeds een homo novus.

Dat behoeft ons niet te verwonderen. In de eerste plaats weten wij van fossiele apen nog bedroevend weinig, vooral wat de hoogste aapsoorten betreft. Het aantal fossiele hoogere apen, hetwelk wij kennen, is uiterst gering. Van deze vormen zijn een aantal slechts door enkele tanden, die alles voorstellen wat er van is overgebleven, bekend. Van andere vormen kennen wij slechts een stuk van een onderkaak met eenige tanden, of een stuk van de bovenkaak, of slechts een dijbeen, kortom, de overblijfselen, waaruit men het bestaan van de verschillende soorten heeft afgeleid, zijn wel voldoende om te kunnen uitmaken, dat men met een of andere apensoort te doen heeft, waaraan dan een of andere naam is gegeven ter onderscheiding van de andere vormen, maar zijn absoluut onvoldoende om ons ook maar eenigszins een denkbeeld te verschaffen van de eigenaardige kenmerken van het verdere lichaam dier fossiele apen. En dat hebben wij toch noodig, om uit te maken, in hoeverre die dieren als voorvaderen van het menschelijk geslacht in aanmerking kunnen komen.

In de tweede plaats is het volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat, zelfs als al deze fossiele aapsoorten door volledige skeletten bekend waren, die men dus direct met de verschillende overblijfselen van den voorhistorischen mensch zou kunnen vergelijken, men onder die skeletten geen enkel zou vinden, dat met het menschelijk skelet voldoende punten van overeenkomst bezat, om voor een der tusschenstations in de lijn der ontwikkeling van het menschelijk geslacht in aanmerking te komen.

Men moet bedenken, dat eigenlijk slechts een gedeelte van Europa grondig op de fossiele overblijfselen is onderzocht. En verder, dat de periode, waarin de menschvorm zich van de dierenwereld heeft losgemaakt, zeer vroeg in de wordingsgeschiedenis van de aarde moet worden geplaatst. Het is dus niet alleen mogelijk, dat de eigenlijke overgangsvormen in nog niet doorvorschte gedeelten van den aardbol begraven liggen, in de binnenlanden van Afrika, in Achter-Indië, in Australië, waar zij dus wellicht nog eenmaal gevonden kunnen worden, maar het is ook mogelijk dat zij reeds voor altijd verloren gegaan zijn en nooit gevonden zullen worden. In die vroege perioden van de aardontwikkeling zag de aarde er geheel anders uit dan nu. Van het groote vroegere vasteland, dat Patagonië, Australië, Indië omvatte, is in den tegenwoordigen tijd nog slechts een klein gedeelte over. Het grootste gedeelte is onder den zeespiegel weggezonken. Zoo is van de groote landverbinding, die in vroegere tijden tusschen Amerika en Europa moet hebben bestaan, niets overgebleven. Verder heerschte toen ter tijde ook aan de poolstreken een tropisch, later een subtropisch klimaat. Welk een ontzaglijk veld van onderzoek is hier, door het eeuwige ijs der poolstreken bedekt, voor ons verloren gegaan. Kan niet de stamvader van het menschelijk geslacht, kunnen niet juist die overgangsvormen, die ons den sleutel tot de geschiedenis van het wordingsproces van het menschelijk geslacht zouden geven, daar onder ijs en sneeuw verborgen liggen, voor elk onderzoek ten eeuwigen dage ontoegankelijk? Waarschijnlijk is dit niet, waar de pithecanthropus in Java is gevonden, waar de hoogste apen juist op Java, Borneo en in Afrika gevonden worden, en waar de inboorlingen van het tegenwoordig Australië nog zoovele primitieve kenmerken vertoonen die aan het Neanderdalras herinneren, dat sommige anthropologen reeds Australië de bakermat van het menschelijk geslacht hebben genoemd, doch zekerheid heeft men hieromtrent nog in geen enkel opzicht. Ook de Eskimo's, ook de Laplanders, vertoonen inferieure, primitieve kenmerken. Dat de mensch oorspronkelijk uit de polaire streken is voortgekomen, is dan ook eveneens reeds van verschillende zijden beweerd.

Zekerheid heeft men dus in elk geval hier allerminst.

Laten wij de vraag naar de dierlijke voorvaderen van den mensch rusten en wenden wij ons tot het vraagstuk van de verdere ontwikkeling van het menschelijk geslacht uit de primitieve menschvormen van den ijstijd en het laatste gedeelte der tertiaire periode, dan vinden wij ook hier onzekerheid. Wij zagen in het vorige hoofdstuk, dat uit de laatste gedeelten der tertiaire periode en uit de vroegste tijden der quartaire periode, van den ijstijd, in Centraal en West-Europa menschvormen gevonden zijn, wier overblijfselen in zeer sterke mate dierlijke, aan de apen herinnerende kenmerken vertoonen. En die kenmerken vermeerderden zich, naarmate de fossiele overblijfselen uit vroegere perioden afkomstig waren. In Engeland de schedelfragmenten van Piltdown (1912), die zoo sterk aan dierlijke vormen herinneren, dat men zelfs den geslachtsnaam homo er niet aan heeft wagen te geven, en er den naam "eoanthropus," "het wezen, staande aan den dageraad der menschwording," voor verzon. En al moge men nu de opgaven omtrent den schedel van Piltdown op het oogenblik nog slechts onder een zeker voorbehoud aanvaarden, dit geldt zeer zeker niet voor den zoo uiterst merkwaardigen onderkaak van den homo heidelbergensis, reeds menschelijk in de hoofdkenmerken van het gebit, maar in zijn vorm nog typische pithecoïde (aapachtige) kenmerken vertoonende. Dan in Frankrijk, Duitschland, België, Spanje, Kroatië de talrijke representanten van het neanderdal-ras, waarvan de fossiele mensch van la Chapelle-aux-Saints het best bewaarde exemplaar vormt, reeds geheel en al menschelijk van vorm en gestalte, maar toch nog zoo zeer afwijkende van den tegenwoordigen mensch, den homo sapiens, dat, op het voetspoor van Wilser, Schwalbe en zijn volgers hem als een andere menschensoort, den homo primigenius, den "eerstgeboren" mensch, opvatten. Daarna de vondsten van den Aurignac-mensch, en van het cro-magnon-ras, vormen die reeds geheel en al het karakter van den homo sapiens, zij het dan ook de eerste in nog eenigszins onvolmaakten vorm, bezitten. Ziedaar dus een opklimmende reeks, die, naar men zou meenen, niets aan duidelijkheid en volledigheid overlaat, en die ons langs den weg van verschillende soorten, ja zelfs van verschillende geslachten, voert van bijna nog geheel dierlijke overblijfselen naar den mensch, zooals hij in historische tijden hier in Europa leefde. En die geheele ontwikkeling zich afspelend in Europa, in het, vooral in onze oogen, van oudsher meest beschaafde en ontwikkelde werelddeel!