De afstamming van den mensch Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt
Part 7
Wij hebben dus hier een menschenvorm voor ons, een representant van een in de oudste praehistorische tijden over een groot deel van Europa verspreid ras, dat in zijn bouw in zoo hooge mate dierlijke en menschelijke kenmerken vereenigt, dat zoozeer zich nauw aansluit aan de hoogst ontwikkelde bekende diersoorten, en zoozeer afwijkt van den gewonen mensch, den homo sapiens, dat men zich zou afvragen, of men hier wel met menschen te doen heeft. Zeker is het, dat als het niet menschen, doch dieren gold, geen palaeontoloog zou aarzelen, den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints tot een andere soort te rekenen dan den tegenwoordig levenden mensch of zelfs den praehistorischen mensch uit latere perioden. Ook voor de representanten van het neanderdal-ras is dat dan ook reeds geschied, en door Schwalbe, Kramberger en een aantal andere anthropologen wordt de neanderdal-mensch als homo primigenius tot een andere soort gerekend dan de homo sapiens. Wij komen hierop later bij onze algemeene beschouwingen nog nader terug, maar één zaak moet ik als behoorende bij het geschetste beeld van den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints nog hier memoreeren. De fossiele overblijfselen vertoonen ons een menschvorm, uit de vroegste praehistorische periode, waarin men den mensch als zoodanig heeft aangetroffen, in wiens bouw de dierlijke, aapachtige kenmerken in vele opzichten meer op den voorgrond treden dan de typisch menschelijke eigenaardigheden, zoodat men zelfs gemeend heeft, het ras, waartoe hij behoorde, tot een andere soort te moeten brengen. En toch ziet men, dat wat de geestelijke eigenschappen betreft, de mensch van la Chapelle-aux-Saints midden in den geestelijken ontwikkelingsgang van het menschdom staat. Wij zagen dat het skelet lag in een gedolven grafholte. Zooals uit de plattegrond van de grot in fig. 19 (links) blijkt, had deze uitholling van de bodemlaag van de grot een bepaalden zeer regelmatigen rechthoekigen vorm. En als wij nagaan, hoe die grafuitholling ligt, dan zien wij dat de lange as van den rechthoek juist west-oost is georienteerd, zoodat ook het lichaam in de richting van den zonsloop ligt. Daarbij lag het skelet in de voor de latere "Höckergräber" zoo typische houding met sterk opgetrokken knieën, waardoor, zooals men meende, de ziel verhinderd werd het lichaam te verlaten. Een aantal steenen wapenen liggen om de grafuitholling verspreid, blijkbaar als wapenen aan den doode medegegeven. Trekken wij uit al deze feiten de gevolgtrekking, dan had het volk of de stam, die dezen doode hier voor zoovele duizenden jaren begroef, eerbied voor de dooden. Immers, zij werden begraven. Voorts een zekere mate van cultuur, getuige de regelmatige vorm van de grafholte, een godsdienstig gevoel, vermoedelijk een soort van zonaanbidding, getuige de nauwkeurige orientatie van het graf in de richting oost-west, en een geloof in een voortbestaan na den dood, getuige de houding van het skelet en de aan den doode medegegeven wapenen.--Een ervaren archaeoloog zou wellicht uit de hierboven genoemde feiten nog verdere conclusies trekken, maar het hier gezegde schijnt mij voldoende, om te doen uitkomen, dat men dezen gedachtengang niet mag verwaarloozen, waar men op zuiver morphologische gronden aan een bepaalden vorm een zekere waarde wil toekennen. Zooals ik zeide, komen wij op dit alles bij de algemeene slotbeschouwingen nog nader terug.
11. Andere, nog niet voldoende beschreven skeletvondsten uit den laatsten tijd, zooals bij la Ferrassie (1909-1910), la Pech de l'Azé (1909), la Quina (1911), Saint-Brelade (1911), ga ik hier met stilzwijgen voorbij. Voor zoover men uit de korte nota's die er van gepubliceerd zijn, kan nagaan, werden ook hier skeletten van het neanderdal-ras opgedolven.
12. Naast deze vondsten zijn echter nog enkele van grooter belang te vermelden; in de eerste plaats de zoogenaamde vondst van Grimaldi. Reeds gedurende een aantal jaren werden op aansporing van Albert I van Monaco de zoogenaamde Grottes de Grimaldi, bij Mentone, systematisch op den inhoud hunner steenbeddingen onderzocht door eenige Fransche archaeologen, met name Verneau, Boule, Villeneuve en vroeger door Rivière. Een aantal skeletten werden opgedolven die allen tot de jongere pleistocene periode (vooral de "aurignac"-periode en later) behoorden en allen het die periode kenmerkende zoogenaamde "Cro-magnon" type (zie pag. 99) vertoonden met al de kenteekenen van den homo sapiens. Maar nu werd in Juni 1901 door den abt Villeneuve in de zoogenaamde Grotte des Enfants, waarin reeds vroeger in de bovenste steenlagen (zie fig. 24) een skelet van het "Cro-magnon" type was opgedolven, in de diepste lagen een nieuwe vondst gedaan van twee skeletten, die op een diepte van meer dan 8 meter onder de oppervlakte gevonden werden. Deze beide skeletten, in de hierbij gevoegde doorsnedeteekening van de grot met zijn verschillende boven elkaar liggende steenlagen (fig. 24) duidelijk zichtbaar, vertoonden nu een ander type dan het neanderdal-ras, nl. een schedeltype, zooals het in fig. 25 afgebeeld is, met hoog, gewelfd voorhoofd, zonder de vooruitspringende wenkbrauwbogen van den fossielen mensch der vorige vondsten, met gewelfden, fraai afgeronden schedel, doch met vooruitstekende kaken, platten neus, bijna geen kin en een aan het negerras herinnerende vorming van het gezichtskelet. Vandaar dat dit type door Verneau, die deze vondst uitvoerig heeft beschreven, het "negroïde" type genoemd werd. Boven de laag, waarin deze beide skeletten begraven waren (er was een duidelijke steenbedekking om de beide skeletten aangebracht, een graf derhalve), werd op ongeveer 7 meter diepte nog een skelet gevonden, dat evenals het reeds vroeger in de bovenste steenlagen van dezelfde grot gevonden, geheel en al het karakter van den homo sapiens vertoonde. Dit laatste skelet zou volgens de in dezelfde laag aangetroffen steenen werktuigen en dierlijke overblijfselen tot het laatste gedeelte van de "aurignac"-periode behooren, de beide skeletten van het negroïde type zouden tot de "moustier"-periode behooren, dus ongeveer van denzelfden ouderdom zijn als de zooeven beschreven skeletten van het neanderdalras. Nu is wel door latere opgaven van M. Boule gebleken, dat de ouderdom van deze "negroïde"-skeletten niet zoo groot is als men eerst meende, maar er blijkt toch wel uit, dat niet zoo heel veel later dan de periode, waarin wij hier in Europa een ras met zeer inferieure kenmerken aantreffen, er in hetzelfde werelddeel menschen werden gevonden die een ander, hooger type vertegenwoordigden. Het toont tevens aan, hoe voorzichtig men zijn moet met conclusies, getrokken uit fragmenten van schedels. Had men van deze negroïde schedels van Verneau slechts het schedeldak met het hooge gewelfde voorhoofd zonder vooruitspringende wenkbrauwbogen gevonden, men zou niet geaarzeld hebben, de dragers dier schedels tot den normalen homo sapiens te rekenen. Had men slechts de kaken en het gezichtskelet gevonden, men zou ongetwijfeld de dragers bij het neanderdalras hebben ingedeeld, tenminste ook voor den verderen schedel inferieure kenmerken hebben verondersteld. De schedel, in zijn geheel beschouwd, toont aan, dat dit niet het geval behoeft te zijn. Zoo maant ons dus een dergelijke vondst tot voorzichtigheid.
13. Zoodra wij in de jongere perioden van het oude steenen tijdperk, in de aurignac-periode en in het Magdalenium komen, houden merkwaardigerwijze alle sporen van het voor de oudere tijdperken, het Moustierium, de "acheuléen" en "chelléen" periode, zoo typische neanderdal-ras op. Het lage, wijkende voorhoofd met de groote zware wenkbrauwbogen en den naar achteren uitgezakten zwaren schedel verdwijnt en een nieuw ras treedt op, met smalle slapen, hoog, gewelfd voorhoofd, langen schedel, kleinere fijn gevormde oogkassen zonder de zware wenkbrauwbogen, kortom een ras treedt op, dat zich volkomen aansluit aan de tegenwoordig levende menschenrassen, aan den homo sapiens. Overgangsvormen tusschen de beide rassen kennen wij niet. Wel zijn bij de verschillende skeletvondsten uit deze laatste perioden (Aurignac, Magdalénien) minder ontwikkelde skeletvormen naast meer ontwikkelde gevonden, doch er blijft een diepe klove tusschen de beide typen bestaan.
Vondst van Cro-magnon in Dordogne, Frankrijk. Aan deze vondst ontleent het menschenras uit de latere perioden van het palaeolithicum zijn naam. In 1868 werden nl., bij het aanleggen van een spoorweg, in een "abris sous roche" daar ter plaatse vijf skeletten gevonden, in een steenlaag uit de aurignac-periode. Door Lartet, die de vondst nauwkeurig onderzocht heeft, werd van begraven der skeletten geen spoor gevonden. Uit de in dezelfde laag gevonden steenen werktuigen, versierselen (een groot aantal doorboorde schelpjes, blijkbaar oorspronkelijk tot kettingen aaneengeregen) en dierlijke overblijfselen bleek, dat de skeletten uit de aurignac-periode, het rendiertijdperk, stamden. De vorm van den schedel en van het verdere beenstelsel is typisch gelijkend op dien van den tegenwoordig levenden homo sapiens.
Andere vondsten van blijkbaar wel begraven skeletten van hetzelfde type van cro-magnon, liggende in de van nu af aan gedurende langen tijd voor begraven lijken vrijwel typische houding met gebogen armen en sterk opgetrokken knieën (men vergelijke bijv. fig. 9, Egyptisch graf uit het neolithicum), zooals die van Laugerie-Basse in Dordogne, in 1872 door Massénat uitgegraven, van Chancelade, eveneens in Dordogne, in 1888 gevonden, uit de grot van Hoteaux, bij Rossillon, allen uit de bovengenoemde latere perioden van het palaeolithicum, ga ik hier met stilzwijgen voorbij, omdat zij ons, hoe belangrijk zij ook mogen zijn voor de rassen-anthropologie van Europa, voor het probleem van de afstamming van den mensch weinig leeren. Men ziet uit deze vondsten, dat gedurende de latere perioden van het oude steenen tijdperk, dus nog in het diluvium, in Europa zich een menschenras ophield, dat een schedelvorm bezat, die zich in de hoofdpunten volkomen aansloot aan die van den tegenwoordig levenden mensch, van den homo sapiens. Dit ras moet toen ter tijde een groote verbreiding gehad hebben. In Frankrijk, in Italië, in Spanje, in België, in Noorwegen en Zweden is het bestaan er van door verschillende vondsten aangetoond. Directe overgangsvormen, die dit ras verbinden met het boven beschreven neanderdal-ras, kennen wij niet.
14. Door sommige, vooral Duitsche, anthropologen wordt in dit opzicht, m. i. ten onrechte, een groote beteekenis toegekend aan het in 1910 door Hauser en Klaatsch gevonden skelet van Combe Capelle, den zoogenaamden aurignac-jager, bij het dorp van dien naam (dicht bij Montferrand-Périgord in Frankrijk) uitgegraven. De schedelvorm is reeds volkomen als die van een hedendaagschen Europaeer, met hoog gewelfd voorhoofd, kleine neusopening, sterk dolichocephalen (langen) schedel, geen vooruitstekende kaken. Een laag kenmerk zou evenwel zijn, dat de vooruitstekende kin ontbreekt. Beschouwt men nu evenwel nauwkeurig de verschillende afbeeldingen van dezen "homo aurignaciensis Hauseri," zooals het skelet genoemd wordt, dan blijkt de kin volstrekt niet afwezig te zijn, doch slechts iets minder sterk ontwikkeld dan bij de tegenwoordig levende Europaeers. Een dergelijke gering ontwikkelde kinvorming kan men tegenwoordig nog bij een aantal volksstammen vinden, bij de eskimo's, om in Europa te blijven, en wat den praehistorischen mensch betreft, bij het reeds jaren geleden bij Raymondes gevonden, uit de magdalénien-periode stammend skelet, in het museum van Périgueux bewaard, is precies hetzelfde te zien.
Met dit ras van Cro-magnon kunnen wij onze beschrijving van de verschillende vondsten afsluiten. Slechts die vondsten hebben wij opgesomd, die voor de vraag, die wij ons gesteld hadden, belangrijk waren. Een archaeologische beschrijving, een historie van het voorhistorische tijdperk der menschelijke ontwikkeling te schrijven, ligt buiten de grenzen van dit boekje en volkomen buiten mijn bereik. Slechts zij nog het volgende opgemerkt:
Met de rendier- en bisonjagers van het Cro-magnon-ras sluit het oude steenen tijdperk af. Uit het zoo uiterst bescheiden begin der eolithen heeft zich in de duizenden jaren van zijn duur een beschaving ontwikkeld, een techniek van fijn bewerkte steenen instrumenten en wapenen, van kunstvol gesneden voorwerpen uit rendierhoorn en been, zooals wij die vinden in de laatste periode van het palaeolithicum, het magdalenium.
Met het eindigen van den ijstijd sluit nu evenwel ook deze cultuurperiode af, wordt het einde van het rendiertijdperk bereikt. Bij het langzamerhand weder warmer worden van het klimaat schijnt het rendier naar het noorden getrokken te zijn. Of een deel van de menschen het voor hun bestaan zoo belangrijk geworden dier volgde, of de zich langzaam veranderende klimatologische verhoudingen een nomadenleven met zich brachten, de mensch schijnt de oude nederzettingen gedurende vele eeuwen verlaten te hebben. In dat gedeelte van West-Europa, waar overal de overblijfselen uit den ijstijd zoo talrijk en in zoo groote verscheidenheid te vinden zijn, in Zuid-Frankrijk, is de steenlaag, die de overblijfselen van de laatste periode van het palaeolithicum, de magdalénienperiode, inhield, overal bedekt door een dikke steen- en aardlaag, die volkomen steriel, volkomen vrij van voorhistorische overblijfselen, zij het steenen of hoornen of beenen werktuigen, zij het menschelijke of dierlijke skeletdeelen, is.
Zien wij den mensch weer optreden, dan is hij een andere geworden in een andere omgeving. De uitgestrekte steppen, die na den afloop van den ijstijd waren ontstaan, zijn verdwenen, dichte wouden bedekken het grootste gedeelte van Europa, met een rijke dierenwereld, uit andere vormen bestaande dan de ijstijd-fauna van het palaeolithicum. Ook den mensch vinden wij in anderen vorm, hoewel vermoedelijk gemengd met de overblijvende menschen van het cro-magnon-ras ras. Zijne raskenmerken zijn anders geworden, zijne beschaving eveneens. Wij komen in het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, met werktuigen uit hertshoorn inplaats van uit rendierhoorn en steenen wapenen van een nieuwe techniek, eerst ruw en onbeholpen, langzamerhand meer en meer verfijnd, tot het steenen tijdperk, ook in den technisch zoo volmaakten vorm van het latere neolithicum, plaats moest maken voor het tijdperk der metalen werktuigen, het bronzen, het ijzeren tijdperk.
Overgangsvormen tusschen het neanderdalras en het cro-magnon-ras vonden wij niet, zooals wij vroeger reeds zagen. Hier vinden wij dus nu een tweede onderbreking. Bij deze onderbreking, die reeds meer in het bereik der archaeologische studie ligt, nemen wij een indringen van nieuwe elementen uit het Zuid-oosten, uit Azië, aan. Ligt het niet voor de hand, ook bij de eerste onderbreking aan een invasie van buiten Europa te denken?
Is nu met betrekking tot het vraagstuk van de afstamming van den mensch buiten Europa, in Azië, in Australië, in Amerika iets van belang gevonden?
Daarover kunnen wij kort zijn. Op de groote beteekenis van den pithecanthropus uit Java legden wij reeds den nadruk. Wij kunnen er evenwel aan toevoegen, dat wel in onze Oost, in Ceylon, in Engelsch-Indië, sporen van palaeolithische werktuigen gevonden zijn, maar bij de tot nu toe nog vrij groote onzekerheid, die wat die gebieden betreft, over hunnen geologischen ouderdom heerscht, kan men daaromtrent nog weinig zeggen en wordt in elk geval een vergelijking van die sporen met de in Europa zelf gevonden voorwerpen en de bepaling van hunnen ouderdom uiterst moeilijk. Ook is het onderzoek hier, naar het schijnt, niet steeds met de noodige nauwkeurigheid verricht. Zoo werd van de tertiaire menschelijke overblijfselen, die door Noethling in Opper-Birma gevonden waren, reeds spoedig (1902) door Swinhoe Redway, een Engelsch onderzoeker, aangetoond, dat zij niet in het uit tertiaire gesteenten bestaande plateau lagen, zooals door Noethling was gemeend, doch er bovenop, en dat zij dus zeer zeker niet van tertiairen oorsprong kunnen zijn.
Zoo werden door Alsberg in 1892 in tertiairen zandsteen, bij Warnambool in Australië, in den nog weeken steen afgedrukte en daarna verharde voetsporen van menschelijke wezens gevonden. Klaatsch, die deze voetsporen ook bestudeeren kon, hield ze voor ontwijfelbaar van menschelijke wezens afkomstig en meende zelfs bij deze voetsporen den indruk van een menschelijk zitvlak(!) te vinden. Door Branco werd reeds in 1905 tot voorzichtigheid in dezen gemaand, en door Noethling werden dan ook later in afgelegen streken van Australië in de sneeuw(!) dergelijke voetsporen gevonden, die evenwel door kangoeroe's waren achtergelaten. Ging zulk een kangoeroe zitten, dan werd een dergelijke indruk in de sneeuw achtergelaten als door Klaatsch in geniale fantasie voor den afdruk van een menschelijk zitvlak werd gehouden. Wie te veel bewijst....
Dezelfde moeilijkheden, die ik boven aangaf voor de vergelijking van den ouderdom van bepaalde steenlagen en afzettingen in Oost-Azië en in Europa, gelden voor Amerika. De lagen, die door Amerikaansche onderzoekers (met name Ameghino) voor tertiair worden gehouden, worden door Europeesche geologen die ze hebben kunnen bestudeeren, voor quartair gehouden. Het spreekt van zelf, dat een dergelijk gemis aan zekerheid, juist voor het probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, zeer gevaarlijk is. Zoo men in Amerika menschelijke schedels met inferieure kenmerken had gevonden, die uit de tertiaire periode stamden, zouden dergelijke schedels oneindig veel belangrijker zijn dan wanneer zij uit de quartaire periode afkomstig zijn. En ook verder schijnen de geologische verhoudingen van dat groote continent nog niet in die mate nauwkeurig bestudeerd te zijn, dat zij tot vaststaande gegevens omtrent den ouderdom der verschillende steenlagen en afzettingen hebben kunnen voeren. Zoolang dat niet het geval is, doet men beter, de opgaven in die richting met een zeker scepticisme te beschouwen. Zoo is bijv. van den beroemden Calaveras-schedel uit Mexico, die van zeer hoogen tertiairen ouderdom heette te zijn en een aantal inferieure kenmerken vertoonde, later gebleken, dat het een indianen-schedel uit den tegenwoordigen tijd is. Van eenige andere schedels, die door Ameghino beschreven zijn, en waarvan hij de afwijkingen van den normalen menschelijken schedel zoo groot vond, dat hij meende, ze tot een andere soort (den homo pampaeus en homo pliocaenicus) te moeten rekenen, is later bij nader onderzoek gebleken, dat het schedels waren, die van gewone menschen, normale exemplaren van den homo sapiens afkomstig waren, doch die kunstmatig waren vervormd, zooals dat bij een aantal Indianen-stammen nog heden ten dage stelselmatig bij jonge kinderen wordt gedaan. Andere schedels met laag, wijkend voorhoofd, door Hrdlicka beschreven, zijn ongetwijfeld van jong-diluvialen ouderdom en vertoonen ook de inferieure kenmerken in geenen deele zoo sterk en zoo algemeen als de neanderdal-groep.
Zoo hebben ook de vermeende voorloopers van het menschelijk geslacht, waarvan Ameghino in de oude geologische formaties van Argentinië de fossiele overblijfselen meende te hebben ontdekt, de tetraprothomo en de diprothomo, bij nader nauwkeurig onderzoek geen stand kunnen houden en zijn naar het rijk der fabelen terugverbannen. En hetzelfde geldt, ten minste wat den naam betreft, voor de fossiele apensoorten, die door Ameghino in geologisch oude steenlagen zijn gevonden, en door hem met de tendentieuze namen homunculus, homocentrus, anthropops bestempeld zijn. Fossiele apensoorten zijn het wel; van eenige verwantschap met den mensch, die in de namen, hen door Ameghino gegeven, ligt opgesloten, is geen sprake.
Alles te zamen genomen zijn dus op het oogenblik geen feiten bekend, die er op zouden wijzen, dat wij in Amerika de bakermat van het menschelijk geslacht moeten zoeken. Het spreekt vanzelf, dat daaruit niet direct mag worden afgeleid, dat de mensch in de praehistorische tijden van het quartaire tijdperk niet ook in Amerika bestaan heeft. Maar dan is hij van elders geïmmigreerd.
Met Australië staat het anders gesteld. In dat groote eilandenrijk, in vroegere geologische perioden door groote landbruggen met de overige werelddeelen verbonden, doch reeds in lang achter ons liggende perioden geïsoleerd, hebben een aantal diersoorten zich in den strijd om het bestaan kunnen handhaven, die in de andere werelddeelen reeds vroeg zijn uitgestorven. Ook de oorspronkelijke inboorlingen vertoonen inferieure kenmerken, die eenigszins aan het Neanderdal-ras doen denken en die verschillende anthropologen er toe gebracht hebben daar de plaats te zoeken, waar het menschelijk ras zich uit dierlijke voorvaderen heeft ontwikkeld, en van waar het door langzame emigratie en verspreiding de geheele wereld heeft bevolkt. Eenige zekerheid hieromtrent heeft men evenwel geenszins.
VII GEVOLGTREKKINGEN EN ALGEMEENE BESCHOUWINGEN.
"We must not fall into the error of supposing that the early progenitor of man was identical with, or even closely resembled, any existing ape or monkey." [22]
Darwin.
Gaan wij nu, nadat wij hebben gezien, wat aan positieve feiten omtrent het vraagstuk van de afstamming van den mensch bekend is, na, wat wij voor gevolgtrekkingen uit deze feiten kunnen afleiden, dan blijkt dat, als wij slechts van die bouwsteenen gebruik willen maken, die nauwkeurig gecontroleerd zijn en hecht en sterk zijn bevonden, het gebouw, dat wij er mede kunnen optrekken, verre van solide is. Wij zijn er nog zeer ver van verwijderd, een aaneengeschakeld beeld van de wordingsgeschiedenis van het menschelijk geslacht te kunnen geven. De lacunes zijn op het oogenblik nog grooter dan de hechte, aaneengesloten gedeelten, ja het schijnt wel, alsof met elken stap, door het wetenschappelijk onderzoek in deze richting gedaan, het veld van onderzoek grooter, de horizon vager wordt en meer aanrakingspunten krijgt met het onbekende, alsof met elke nieuwe vondst het probleem verdiept en verzwaard wordt, de oplossing verder verschoven schijnt te worden. Is dit een bezwaar? Behoeft het de anthropologie in discrediet te brengen? Zeer zeker niet. Het gaat met elken tak van wetenschap zoo. Hoe meer wij onzen blik verruimen, des te meer zien wij achter de hinderpalen die wij hebben overwonnen, weer nieuwe bezwaren zich opdoen, staan wij voor nieuwe vragen, voor nieuwe raadselen. Doch het is goed, het eens te zeggen, eens te doen uitkomen, dat wij van dit vraagstuk ten slotte nog zoo weinig weten, omdat, juist waar het de afstamming van den mensch geldt, in populaire werken doorgaans zoo veel voor nauwkeurig bekend, voor wetenschappelijk vaststaand wordt uitgegeven, wat slechts toevallig goed past in het kader van het beeld, dat de schrijver zich nu eenmaal van den gang van het ontwikkelingsproces heeft gevormd, en wat dan, overgoten met een sausje van persoonlijke fantasie, den lezer als voedzaam gerecht wordt voorgezet. En dat is 't, wat ten slotte het wetenschappelijk onderzoek in discrediet zou brengen.
In het tweede hoofdstuk bespraken wij de gronden, die ons er toe brengen, ons dwingen, den mensch in genetisch verband te brengen met de overige dierenwereld, ons den mensch als ontstaan uit die dierenwereld voor te stellen. Het spreekt vanzelf, dat wij bij het zoeken naar verbindingsschakels allereerst het oog vestigen op de zoogenaamd hoogst ontwikkelde dieren, de apen.