De afstamming van den mensch Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt

Part 6

Chapter 63,273 wordsPublic domain

5. De Neanderdal-schedel. In een vorig hoofdstuk beschreef ik reeds in korte trekken de geschiedenis van den vondst van dezen beroemden schedel, waarvan alleen 't bovenste gedeelte, het schedeldak, is bewaard gebleven, die, jaren lang een unicum, tegenwoordig slechts één van een groote groep van gelijkwaardige fossiele vormen is. In 1856 door eenige arbeiders bij het uitgraven van een leemgroeve gevonden in een kleine grot in het Neanderdal bij Elberfeld, doch weggeworpen, door Fuhlrott met nog eenige andere deelen van het skelet (de grootste helft der lange beenderen, een stuk van het bekken en eenige andere fragmenten) van den ondergang gered, en door hem en Schaaffhausen het eerst beschreven, heeft deze schedel (of liever dit schedeldak) jaren lang het voorwerp van levendige discussies uitgemaakt. Terwijl men in Frankrijk, het klassieke land van de praehistorische vondsten en van de anthropologie, al spoedig tot het resultaat was gekomen, dat dit schedeldak met zijn eigenaardigen vorm, met zijn laag, wijkend voorhoofd, zijn overhangende, sterk verdikte wenkbrauwen, zijn langgerekt achterhoofd, een overblijfsel van een bijzonder, zeer laagstaand menschenras was (hoewel dit ook in Frankrijk niet zonder tegenspraak was gebleven), was in Duitschland door niemand minder dan Virchow en Ranke de ban er over uitgesproken. De diluviale ouderdom van den schedel werd in twijfel getrokken, de eigenaardige eigenschappen er van werden voor pathologisch verklaard, en de schedel werd nu eens voor een schedel uit den tijd der Merovingers, dan weder voor dien van een Russischen kozak of van een soldaat uit den 30-jarigen oorlog gehouden, of wel in verband gebracht met de in zeker opzicht een dergelijken eigenaardigen ("neanderthaloiden") vorm vertoonende Marker- en Friezenschedels, met den Batavus genuinus van Blumenbach. Zoo werd aan den Neanderdal-schedel elke waarde ontzegd voor het probleem van de afstamming van den mensch. Volgens Virchow, die juist op de oogenschijnlijk groote overeenkomst tusschen den Neanderdal-schedel en de Marker-schedels den nadruk had gelegd, kon men nog heden ten dage menschen met dergelijke schedelvormen (de Marker visschers) in den Haag zien rondloopen.

Dat de eigenaardige vorm van het Neanderdal-schedelfragment niet direct als normaal en als kenmerkend voor een bepaald menschenras met nog zeer inferieure kenmerken en van zeer hoogen ouderdom werd aangezien, was begrijpelijk, zoolang de Neanderdal-schedel nog een unicum was, vooral daar de eigenaardige omstandigheden van de vondst van de overblijfselen alle stratigraphische gegevens hadden doen verloren gaan, en de studie van dierlijke fossielen of steenen werktuigen uit dezelfde steenlaag als waarin de menschelijke overblijfselen hadden gelegen, waaruit de ouderdom had kunnen worden bepaald, onmogelijk hadden gemaakt. Toen echter in 1886 door Fraipont en Lohest in België in de grot van Spy twee schedels met een onderkaak en een aantal andere beenstukken werden opgedolven en beschreven, waarvan de beide schedels een verrassende overeenkomst met het schedeldak van Fuhlrott en Schaaffhausen vertoonden, werd dit anders, en toen in 1893 Dubois den hier boven vermelden pithecanthropus, die zoo vele punten van vergelijking met het Neanderdaler fossiel aanbood, beschreef, toen in de laatste jaren der 19e eeuw Schwalbe zijne klassieke onderzoekingen over deze groep van fossiele schedels deed verschijnen, was de ban gebroken, en in 1901 op het Duitsche anthropologen-congres te Metz moest Virchow het helaas nog beleven, dat hij ook door de Duitsche anthropologen verlaten werd, en dat, zooals Klaatsch, zijn heftigste bestrijder, het uitdrukte, "der so lange verkannte Homo neanderthalensis seine wissenschaftliche Auferstehung feierte." [18]

6. De bovenvermelde vondst van de skeletten bij de Grot van Spy in België door de Puydt en Lohest in 1885 [19] was in twee opzichten belangrijk. De beide skeletten, doorgaans onderscheiden als Spy I en Spy II, werden door deskundigen uitgegraven, die de bijzonderheden van de steenlagen, waarin de overblijfselen waren ingesloten, van de daarbij aanwezige dierlijke overblijfselen en steenen werktuigen konden beoordeelen en die dus voor den hoogen ouderdom van de menschelijke overblijfselen konden instaan. Daarbij waren de verschillende beenstukken wel gebroken, maar konden toch een groot aantal er van gered worden en bleek vooral van de schedels veel bewaard gebleven te zijn.

De dierlijke overblijfselen, o.a. mammoeth en rhinoceros tichorinus, en de bij de skeletten gevonden steenen werktuigen wezen op een hoogen ouderdom, ongeveer in de "moustérien"-periode. De beenstukken zelf waren in drieërlei opzicht merkwaardig. In de eerste plaats vertoonde vooral de eene der beide schedels, die het meest volledig bewaard gebleven was, volkomen dezelfde eigenaardige kenmerken, het lage wijkende voorhoofd, het lange, uitpuilende achterhoofd, de geweldige wenkbrauwbogen, als de schedel uit het Neanderdal. In de tweede plaats was bij deze skeletten een nagenoeg volledig bewaarde onderkaak voorhanden, en ook deze onderkaak vertoonde verrassend dierlijke kenmerken, die zich geheel en al aan het inferieure karakter van den schedel zelve aansloten. Men moet bedenken dat men toen de zooveel later gevonden fossielen als den homo heidelbergensis en den later nader te bespreken schedel van la Chapelle-aux-Saints, die ons zooveel omtrent den vorm van de onderkaak bij de overgangsrassen geleerd hebben, niet kende. De vorm daarvan kon men eigenlijk alleen eenigermate afleiden uit een fragment van een fossiele menschelijke onderkaak, in 1866 in de grotte de la Naulette bij Dinant in België gevonden, en die merkwaardig was om het nagenoeg geheel ontbreken van de vooruitstekende kin, het breede massieve karakter van het achterste opstijgende gedeelte en de groote tanden. De kaak van het skelet uit de grot van Spy bleek nu nog massiever te zijn, breed en zwaar gebouwd, met groote aanhechtingsplaatsen voor de kauwspieren, groote tanden, en een beenige vooruitstekende kin ontbrak hier geheel en al. Wij kunnen er echter nu bijvoegen dat al deze eigenschappen hier nog lang niet zoo sterk ontwikkeld zijn als bij de geologisch zooveel oudere kaak van den homo heidelbergensis. In de derde plaats kon men bij de skeletten van Spy ook de lange beenstukken, het dijbeen en het scheenbeen onderzoeken. In overeenstemming met den primitieven bouw van het verdere skelet bleek nu het kniegewricht zoo gevormd te zijn, dat, evenals bij de menschapen (gorilla, orang, chimpansee) het geval is, het evenwicht bij het staan slechts bij half gebogen knieën en voorovergebogen lichaam kon worden bewaard. Ook dat wijst dus op een aan de apen herinnerenden lichaamsbouw.

Afgezien van een aantal fossiele fragmenten (van Cannstadt, van Eguisheim, van Brünn, van Sipka, Brüx, Predmost enz.) die ik hier verder onbesproken wil laten, zijn nu vooral in de laatste 6 jaren een aantal uiterst belangrijke vondsten gedaan, die zich volkomen aan de boven beschreven fossielen aansluiten, en de sterke verbreiding van het laagstaande menschenras, waarvan de Neanderdal-schedel het type vormt, aantoonen. In de eerste plaats:

7. De vondst van Krapina. Reeds in 1899 en 1901 waren door een Hongaarsch anthropoloog, Gorjanovic-Kramberger korte mededeelingen gedaan omtrent een belangrijke vondst van fossiele menschelijke overblijfselen in een rotshol bij het dorp Krapina aan den oever van de Krapicina-beek. In 1906 volgde de uitvoerige beschrijving, nadat gedurende meer dan 6 jaren de onderzoekingen waren voortgezet. Het rotshol, waarin de overblijfselen werden gevonden, was geheel en al met aarde en steenen opgevuld, en was merkwaardig om de regelmatigheid waarmede de afzettingen in lagen boven elkaar voorkwamen, telkens afgewisseld door donkere dunne lagen, waarin houtskool en verkoolde beenderen de vroegere aanwezigheid van haardvuren aantoonden. Blijkbaar was het hol in overoude tijden, toen de bedding van het riviertje nog zooveel hooger lag dan nu, telkens overstroomd, en keerden, nadat het weer droog geworden was, telkens weer bewoners in het hol terug. In de onderste (dus oudste) steenlagen werden nu naast tal van steenen werktuigen uit de oudste palaeolithische periode (meer dan 600 stuks) en dierlijke overblijfselen, waarvan vooral de resten van den rhinoceros Merckii op een zeer hoogen ouderdom van de lagen wijzen, een zeer groot aantal menschelijke beenstukken gevonden, van 9 verschillende skeletten. Terwijl de steenlagen onaangetast waren, bleken de skeletstukken alle gebroken, verbrijzeld te zijn. In fig. 17 zijn de grootste stukken afgebeeld. Zelfs deze stukken moesten nog met groote voorzichtigheid in elkaar gezet worden om voor verdere studie bruikbaar te zijn. Daarbij vertoonden de meeste beenstukken, vooral de lange pijpbeenderen, het eigenaardig voorkomen, dat beenderen krijgen als zij met vuur in aanraking zijn geweest, en vooral deze beenderen waren in de lengte gespleten, zooals dierlijke botten, waar men het beenmerg uitgehaald heeft. Het vermoeden ligt dus voor de hand, dat men hier met kannibalisme te doen heeft, dat dus die oudste bewoners van Kroatië menscheneters waren. Verder vertoonden de schedelbeenderen de eigenaardige kenmerken van de Neanderdalschedels in sterke mate. In fig. 17 zijn aan het van terzijde geziene schedeldak (boven in de figuur) het lage wijkende voorhoofd en de sterk ontwikkelde wenkbrauwbogen, aan de onderste figuur links de groote holle oogkassen (vergelijk fig. 18 en 21) duidelijk zichtbaar. Dat wijst dus op een sterke verbreiding van 't Neanderdalras over een groot deel van Europa. Maar daarnaast is 't voor het probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, van groot belang, dat onder de 9 verschillende cadavers, waarvan hier de beenstukken bij elkaar gevonden zijn, twee typen voorkomen, die van elkaar op dezelfde wijze verschillen als de langhoofden (dolichocephalen) en rondhoofden (brachycephalen) onder de latere menschenrassen. Ook bij het Neanderdalras (om op het oogenblik dezen naam te blijven gebruiken) bestonden dus reeds langhoofdige en rondhoofdige "neandertalers." Later zullen wij hierop nog terug moeten komen. Hier wil ik er slechts nog op wijzen, dat deze zelfde eigenaardigheid ook bij de overblijfselen van de beenderen der ledematen der Krapina-skeletten werd gevonden. Naast zeer korte, stevige arm- en dijbeenderen werden lange, slanke beenstukken gevonden. Ook hierin dus hetzelfde verschil als bij de schedels. Naar aanleiding van de tanden en kiezen, bij de Krapina-skeletten gevonden, heeft zich een zeer levendige discussie ontsponnen, waarop ik hier niet wil ingaan. Slechts zij hier vermeld, dat vooral de kiezen uitmunten door hunne grootte, die in enkele gevallen de afmetingen van de kiezen uit de onderkaak van den homo heidelbergensis nog overtreft.

8. Werden dus tot in Kroatië vertegenwoordigers van het Neanderdaltype gedurende den ijstijd aangetroffen, aan de andere zijde van Europa werd in een steengroeve Forbes Quarry bij Gibraltar een fossiele schedel van hetzelfde laagstaande type gevonden, bekend als de Gibraltar-schedel. Hoewel in 1843 reeds gevonden, geraakte deze schedel in vergetelheid, en is eerst in 1907 door Sollas uitvoerig en nauwkeurig beschreven. De schedel behoort zeer duidelijk tot het Neanderdaltype, en is merkwaardig, omdat 1°. het gelaatgedeelte van den schedel, dat door de groote holle oogkassen, de zware massieve wenkbrauwbogen en de wijde neusopening een eigenaardigen "bestialen" indruk maakt (fig. 18), beter bewaard is gebleven dan in de overige tot nu toe beschreven schedels, omdat 2°. de schedelcapaciteit, m. a. w. het volume van de door den schedel omsloten hersenmassa, 1100 c.M3., kleiner is dan die van de overige neandertaloide schedels, doch iets grooter dan het cijfer van den boven vermelden eoanthropus (1070), en omdat 3°. de eigenaardige vorm van de ook juist bij dezen schedel goed bewaard gebleven schedelbasis zeer sterk aan dierlijke formaties herinnert.

9. Homo Mousteriensis Hauseri. Dit skelet, in 1908 in Frankrijk opgedolven, had een groote aanwinst voor de anthropologische wetenschap kunnen zijn, zoo niet de omstandigheden waaronder, en de wijze waarop het werd uitgegraven, een donkere schaduw over de geheele vondst hadden geworpen en de beteekenis er van verkleind. Een Zwitsersch handelaar in oudheden, O. Hauser, die reeds meermalen op Franschen bodem naar voorhistorische relicten had gezocht, vond in Maart 1908 bij het graven in een hol bij le Moustier in Dordogne, den klassieken bodem der belangrijkste voorhistorische vondsten, sporen van een menschelijk skelet. Inplaats van nu de Fransche archaeologen daarmede in kennis te stellen, werd alles weer zorgvuldig met takkebossen en planken toegedekt; eenige Duitsche anthropologen werden er bij genoodigd, en in Augustus van hetzelfde jaar werd door Hauser en Klaatsch in alle stilte het skelet verder uitgegraven, de overblijfselen in een kist gepakt en weggevoerd, en eerst toen de vondst veilig over de grenzen was, werd er ruchtbaarheid aan gegeven. Hauser verkocht toen het skelet voor de som van 125000 mark aan het Museum te Berlijn. Het skelet was zeer broos en viel reeds bij het uitgraven voor een gedeelte uiteen. De schedel echter kon geheel gaaf worden te voorschijn gebracht. Of toen echter het transport wat te snel en niet met de noodige omzichtigheid geschiedde, de schedel viel gedurende het overbrengen in een aantal stukken uiteen, en de stukken zijn toen later door Klaatsch met behulp van plasticine op zoo klaarblijkelijk onjuiste wijze weer in elkaar gezet, dat een monstrueuze schedel het resultaat van deze bewerking was, waarvan het gipsafgietsel, later in den handel gebracht, voor verder anthropologisch onderzoek vrijwel waardeloos is. [20] Daarbij zijn door deze wijze van uitgraven de stratigraphische bijzonderheden van de vondst in het geheel niet tot hun recht gekomen. Wel zijn fraai bewerkte steenen werktuigen uit de "moustiérien"-periode en eenige overblijfselen van den aueros (bos primigenius) in de omgeving van het skelet gevonden, doch het ontbreken van nauwkeurige en betrouwbare gegevens omtrent het op elkaar volgen der verschillende steenlagen onder den beganen grond, enz., heeft ook in dit opzicht aan de vondst veel van hare waarde ontnomen. En dit is des te meer te betreuren, omdat de verschillende kenmerken van het skelet zelf op een hoogen ouderdom en op een laagstaanden primitieven bouw van het geheele lichaam wijzen. Het skelet is dat van een jeugdig persoon (ongeveer 16 jaren oud), met een grooten schedel, laag wijkend voorhoofd, groote holle oogkassen, vooruitstekende kaken en kinlooze onderkaak (type Neanderdal), terwijl ook hier weer dezelfde eigenaardige bouw van het kniegewricht blijkt te bestaan, die bij het skelet uit de grot van Spy te vermelden viel, en die er op wijst, dat de rechtopstaande houding nog niet geheel en al bereikt was, en ook de mensch van le Moustier het evenwicht bij het loopen slechts bij half gebogen knieën en voorovergebogen lichaam kon bewaren.

10. l'Homme de la Chapelle-aux-Saints. Daar deze vondst, naast die van den homo heidelbergensis de meest volledige en best bewerkte anthropologische vondst uit den laatsten tijd is geweest, wil ik de bijzonderheden er van iets meer uitvoerig behandelen dan de voorgaande. Door ervaren deskundigen met de meeste zorgvuldigheid en zaakkennis uitgegraven, nagenoeg volledig, vooral wat de schedel betreft, bewaard gebleven, met volkomen betrouwbare stratigraphische gegevens, en daarna op voortreffelijke wijze door M. Boule, den directeur van het Palaeontologisch Museum te Parijs, bewerkt, [21] kan deze vondst als voorbeeld van anthropologisch werk van den eersten rang gelden en zal steeds de basis blijven vormen voor later praehistorisch-anthropologisch onderzoek.

In Augustus 1908, toevallig juist een paar dagen vroeger dan de zooeven besproken vondst van Hauser, werd door drie Roomsch-Katholieke geestelijken--in Frankrijk telt de praehistorische anthropologische wetenschap vele en zeer bekwame beoefenaars onder de R. K. geestelijkheid--de abten J. en A. Bouyssonie en L. Bardon, in een kleine ondiepe grot bij de Chapelle-aux-Saints, in het Corrèzedal, die bijna geheel met aarde en steenlagen was opgevuld, diep onder deze steenlagen, op den rotsigen bodem een nagenoeg gaaf skelet uitgegraven (fig. 19). Het skelet lag in een regelmatig gevormde, rechthoekige uitholling van den bodem van de grot op den rug, met den eenen arm op de borst gevouwen en de knieën sterk opgetrokken, een houding dus die aan de latere hurkgraven (Höckergräber) herinnert. Een aantal steenen werktuigen, in de steenlagen gevonden, waren van het Moustérien-type. Dierlijke overblijfselen van rendieren, een soort van paard, een bovine vorm, rhinoceros tichorinus en eenige andere dieren, wezen op een zeer hoogen ouderdom. Het had den schijn, alsof deze bepaalde grot alleen als begraafplaats had gediend. Voor andere doeleinden was zij, ook als alle steenlagen werden opgeruimd, veel te laag. De steenlagen bleken volkomen onaangetast te zijn nadat het skelet was begraven; vlak boven het hoofd van het geraamte lagen in de steenlaag de voetbeenderen van een bison nog in hunne natuurlijke ligging tegen elkaar aan. Behalve de regelmatig gevormde uitholling in de onderste laag, waarin het menschelijk skelet lag, waren de steenbeddingen en aardlagen van de grot regelmatig de eene boven de andere gerangschikt. In die bovenste lagen werden de steenen werktuigen en dierlijke overblijfselen gevonden. De groote ouderdom van het skelet kan dus niet in twijfel getrokken worden.

Het skelet zelf is dat van een man, op rijperen leeftijd, ongeveer 1.60 meter lang. De verschillende beenstukken van den romp en de ledematen vertoonen een aantal primitieve kenmerken, die wij niet of slechts in geringen graad bij het skelet van den modernen mensch, daarentegen in verhoogde mate bij de hoogste apen terugvinden. Vooral de bijzonder stevig gebouwde beenderen der ledematen, en de kleine beenderen van hand en voet vertoonen een reeks zoogenaamde "pithecoïde" (bij de apen terug te vinden) kenmerken.

Het merkwaardigste gedeelte van dit skelet is evenwel de schedel, waarvan door Boule een voortreffelijk gipsafgietsel is vervaardigd. Van het gebit zijn slechts twee tanden, een in de boven- en een in de onderkaak bewaard gebleven, doch daar deze juist tegenover elkander staan, is het mogelijk, de onderkaak volkomen in haar natuurlijken stand te brengen (fig. 20 en 21). Men kan zich dan moeilijk een schedel denken waarin meer dierlijke en menschelijke trekken tot een grotesk geheel vereenigd zijn. Het platronde, zeer lage, wijkende voorhoofd, boven de groote ronde holle oogkassen verdikt tot geweldige vooruitstekende wenkbrauwbogen, de groote, wijde neusopening en de breede kaken, sterk naar voren uitstekend, de afwezigheid der eigenaardige beiderzijdsche inzinkingen onder de oogholten ter zijde van neus en mond, de zoogenaamde fossae caninae, die juist aan het menschelijk gelaat zijn typisch humaan karakter verleenen, de zware massieve onderkaak met zijne kinlooze afronding, het naar beneden als het ware afzakkende achterhoofd, dat alles geeft een dierlijk, onmenschelijk karakter aan dezen schedel, zooals het bij geen enkelen menschelijken schedel tot dusver is gevonden. Hetgeen den menschelijken schedel zoozeer verheft boven de dierlijke schedels, ook van de hoogst ontwikkelde apen, het predomineeren van het gedeelte dat de hersenen omsluit, het intellectueele element, boven de kaakstreek, het onderste gedeelte van het gelaat, als 't ware het materieele element, ontbreekt hier geheel en al. Men beschouwe slechts de verschillende aspecten van den schedel in fig. 21. De verhoudingen zijn hier bij dezen schedel juist omgekeerd.

Het best komen deze eigenaardigheden tot hun recht, als men den schedel van la Chapelle-aux-Saints photographeert naast een schedel van een chimpansee (als voorbeeld van een hoog ontwikkelden menschaap) en een moderne menschenschedel. In de figuren 22 en 23 zijn de 3 objecten naast elkaar gephotographeerd, van voren en van terzijde gezien. De afbeeldingen spreken duidelijker dan een lange beschrijving. Men lette slechts op de groote oogkassen, op neus- en kaakstreek, op den vorm van het achterhoofd en van de eigenaardige beenige vooruitstekende wenkbrauwbogen bij den chimpansee en den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints in fig. 23, om een duidelijken indruk te verkrijgen van het merkwaardig aspect van dezen schedel. En van welke zijde men de objecten beschouwt, aan welke bijzonderheden men zijne aandacht schenkt, steeds krijgt men denzelfden indruk van het overgangskarakter, van de mengeling van dierlijke en menschelijke eigenschappen, die dezen schedel kenmerkt, waarbij de dierlijke eigenschappen de overheerschende zijn.

Dit geldt zelfs niet alleen voor den beenigen schedel. Het is aan de bekwame preparateurs van het Parijsche Museum zelfs gelukt, een volkomen nauwkeurig afgietsel van de holte van den schedel te vervaardigen, waaraan nog zoovele bijzonderheden van den oppervlakkigen vorm der eertijds door dien schedel omsloten hersenen te zien was, dat Boule door vergelijking van dit afgietsel met een reeks van dergelijke afgietsels van menschen- en van apenschedels met zekerheid kon aantoonen, dat ook in den vorm der hersenen eene mengeling van dierlijke en menschelijke kenmerken aanwezig was. Het merkwaardige is nu hierbij, dat de hersenmassa als geheel genomen groot en zwaar is, slechts iets geringer van volume dan de hersenen van den modernen mensch. Ook bij den neanderdal-schedel en den schedel van Gibraltar was dit reeds opgevallen, voor zoover men bij die schedels den inhoud met eenige mate van waarschijnlijkheid had kunnen berekenen.