De afstamming van den mensch Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt
Part 5
Zoo bestaat er dus groote waarschijnlijkheid, dat de vondsten van gave skeletten, ook uit de vroegste perioden van het bestaan van het menschelijke ras, minder en minder tot de zeldzaamheden zullen gaan behooren, en men dus binnen niet al te langen tijd een duidelijker beeld dan tot nu toe van de ontwikkelingsgeschiedenis van dat ras zal kunnen construeeren. De door Boule zoo voortreffelijk bewerkte vondst van la Chapelle-aux-Saints toont ons, wat hier dan bereikt zal kunnen worden.
Tot op dit oogenblik evenwel wordt in de allermeeste gevallen het onderzoek in die richting hierdoor nog ten zeerste belemmerd. Men heeft slechts kleine afgebrokkelde beenstukken te zijner beschikking, soms zelfs niet meer dan een tand of kies, zooals bij de vondst van Taubach, of een klein stuk been, en men moet eerbied hebben voor de groote scherpzinnigheid, waarmede de onderzoekers van dergelijk materiaal nog zooveel mogelijk voordeel weten te halen uit de enkele maten, die zij aan een dergelijk stukje been kunnen nemen. Dat juist waar het onderzoek de ontwikkeling van den mensch, het "hersendier" bij uitnemendheid geldt, vooral de schedel daarvoor het meest belangrijk is, behoeft geen betoog. En zoo kan men aan het schedeldak, het eenige bewaard gebleven stuk van den Neanderdal-schedel, wel 16 verschillende maten en hoeken bepalen, die men dan elk voor zich weer kan vergelijken met analoge cijfers van schedels van verschillende menschenrassen en apensoorten, en die voor het ons hier bezighoudend vraagstuk belangrijk zijn (Fig. 10).
Met behulp van bepaalde daarvoor geconstrueerde instrumenten wordt de kromming van de lijn, die van het punt, waar neus en voorhoofd aan elkaar grenzen, van voren naar achteren over het midden van den schedel verloopt, de zoogenaamde mediaanlijn van den schedel, nauwkeurig gemeten, omdat de kromming van die lijn een scherp beeld geeft van de welving van het voorhoofd en de hoogte van den schedel en dus samenhangt met, ja in zekeren zin een maat aangeeft voor den ontwikkelingsgraad van de hersenmassa door dien schedel omsloten. (Fig. 11). Daarnaast is de kaakstreek, onder- en bovenkaak, van groot belang. Onder alle zoogdieren is de mensch het eenige wezen, bij hetwelk niet de gelaatstreek tot een snuit, met vooruitstekenden mond en min of meer plat daarboven liggenden neus, is uitgegroeid. Reeds als wij den modernen Europeër met lagere volksstammen (negers bijv.) vergelijken, valt het ons op, dat bij die laatsten de mond veel meer naar voren uitsteekt dan bij den mensch van het Kaukasische ras. Het spreekt van zelf, dat ook op dit kenmerk steeds de aandacht van den onderzoeker gericht is. Verder is de mensch het eenige wezen dat een vooruitstekende beenige kin heeft, en ook dit verschijnsel, dat zoo klaarblijkelijk met een iets anderen vorm van de onderkaak, grootere en vrijere bewegelijkheid van de tong en daardoor met de ontwikkeling van ons spraakvermogen in het nauwste verband staat, is bij de hoogere rassen sterker ontwikkeld dan bij de lagere, en is van groote beteekenis voor het anthropologisch onderzoek. En niet alleen dat men aan schedel en onderkaak een aantal maten bepaalt, doch ook de overige beenstukken, die vroeger altijd voor vrijwel waardeloos werden gehouden, onderzoekt men op dezelfde wijze systematisch, men zoekt de kleinste bijzonderheden er van op, om die onderling te kunnen vergelijken, het bekken en de onderste ledematen om daaraan na te gaan, of men verschijnselen kan vinden die er op zouden wijzen, dat de rechtopgaande houding bij de eerste menschelijke wezens nog niet zoo volledig bereikt was als bij den tegenwoordigen mensch, hand en arm om ook daaraan punten van vergelijking met de hoogere zoogdieren op te sporen. Met behulp der Röntgen-stralen wordt de beenstructuur dier fossiele overblijfselen onderzocht, de vorm van de tandkassen, de lengte der tandwortels, de samenstelling en vorm der tanden en kiezen zelf nagegaan, en zoodoende heeft men, zooals wij later uitvoeriger zullen nagaan, zelfs met zulke gebrekkige en onvolledige gegevens nog zeer veel weten te bereiken.
Dat men hierbij uiterst voorzichtig te werk moet gaan behoeft geen betoog. Men betreedt een gebied, waar overal voetangels en klemmen verborgen liggen. Na den dood kunnen, in die duizenden jaren van aan verweering blootgesteld zijn, door druk van de er boven op liggende aardlaag de schedelfragmenten eenigszins vervormd zijn; men weet, dat dit kan voorkomen, en men moet er dus rekening mede houden. Een reconstructie van een in stukken gebroken schedel kan verkeerd verricht worden en de aan den moeizaam ineengezetten schedel gewonnen maten en lengteverhoudingen zijn dan natuurlijk waardeloos. Het rassen-onderzoek heeft ons geleerd, dat bij verschillende volksstammen de gewoonte heerscht, den schedel van de pasgeboren kinderen door omsnoering op een bepaalde wijze te vervormen (ook in ons land is dit in bepaalde streken in vroegere tijden in zwang geweest). Deze verandering blijft dan gedurende het geheele leven tot op zekere hoogte bestaan, en zou, als men fragmenten van een dergelijken schedel zou onderzoeken, tot geheel foutieve gevolgtrekkingen kunnen leiden. Wij weten dat door verschillende kinderziekten de schedel op een bepaalde manier kan vervormd worden. Ook daarmede moet men rekening houden.
Kortom, men tast, om eene vergelijking van Schwalbe te gebruiken, bij dit onderzoek als het ware rond in een doolhof, waarin men geen weg kan vinden, en waarin slechts enkele wegwijzers op grooten afstand van elkaar zijn opgesteld. Van die wegwijzers is nog een gedeelte onleesbaar, terwijl andere slechts met groote moeite en met hoogstens eenigen graad van waarschijnlijkheid kunnen worden ontcijferd. En elke nieuwe vondst kan ons dwingen, die wegwijzers weer te verplaatsen, kan ons doen inzien, dat wij van den rechten weg waren afgedwaald,--maar ook, bij elken nieuwen vondst wint het bepalen van den juisten weg aan zekerheid.
VI DE VOORNAAMSTE ANTHROPOLOGISCHE VONDSTEN
"We are far from knowing how long ago it was when man first diverged from the Catarine (Simian) Stock; but it may have occurred at an epoch as remote as the eocene period."
Darwin. [14]
Welke zijn nu de wegwijzers in dien doolhof? Kennen wij tusschenvormen tusschen dier en mensch, of bestaat nog steeds de "break in the chain," waarover Darwin klaagde? Wat leeren ons hieromtrent de fossiele menschelijke overblijfselen?
Het zou de ruimte, mij door den uitgever voor dit boekje toegestaan, verre overschrijden, zoo ik een volledige opsomming en beschrijving wilde geven van al de vondsten van praehistorische menschelijke overblijfselen, welke bekend geworden zijn. Die opsomming zou daarbij bijzonder vervelend worden, nutteloos zijn en niet op haar plaats in dit werkje. Ik wil dan ook slechts de voornaamste noemen, en slechts van die vondsten een iets meer uitvoerige beschrijving geven, die nieuwe gezichtspunten hebben geopend of bepaalde vragen nader tot hunne oplossing hebben gebracht. Voor een overzichtelijke rangschikking der gegevens is natuurlijk de chronologische volgorde daarbij niet de meest gewenschte. Want dan weer wordt een zeer oude vorm ergens gevonden, eenigen tijd later een overblijfsel van veel geringeren ouderdom, dan weer een overblijfsel uit de vroegste perioden der menschelijke historie opgedolven, enz. Wil men in staat zijn, bij de beschrijving der verschillende vondsten tevens een beeld te geven van de wordingsgeschiedenis van het menschenras, voor zoover men die kent, dan is de eenige weg die, dat men eerst die overblijfselen beschrijft, die zich het nauwste aan de dierenwereld aansluiten, dan de overblijfselen met iets minder inferieure kenmerken, om te eindigen met die vormen, die geheel en al de typische kenmerken van den homo sapiens, den tegenwoordig levenden mensch vertoonen.
Beginnen wij dus met de meest dierlijke overblijfselen.
1. Pithecanthropus erectus Dubois.
Zelden is wel over een vondst van fossiele overblijfselen zoo veel gestreden, heeft een ontdekking zooveel twijfel, ergernis, wantrouwen, vreugde en opgewondenheid--al naarmate het standpunt, dat men tegenover de descendentieleer en het vraagstuk van de afstamming van den mensch innam--veroorzaakt, als toen Eugene Dubois in 1893 van uit Batavia het bericht de wereld inzond, dat hij de overblijfselen van een op den mensch gelijkenden overgangsvorm had gevonden, dien hij pithecanthropus erectus, den rechtopgaanden aapmensch noemde. Wel waren het luttele overblijfselen--een schedeldak, een dijbeen, een kaakfragment en twee kiezen (Fig. 12) maar zij vereenigden zoovele menschelijke en dierlijke kenmerken in zich, herinnerden zoo sterk aan de eene zijde aan de hoogst staande apen, aan de andere zijde aan het menschelijke skelet, dat men hier den tusschenvorm, den "missing link" van Darwin, meende voor zich te hebben. De verschillende beenstukken (schedeldak en dijbeen) lagen wel bij het vinden 15 meter van elkaar verwijderd, maar zoo volkomen in dezelfde steenlaag (men vergelijke de doorsnede van de lagen in fig. 13), en zonder eenige verdere bijmengselen, dat het van verschillende zijde geuite bezwaar, dat de stukken niet tot hetzelfde dier zouden hebben behoord, doch het dijbeen van een mensch, het schedeldak van een grooten aap afkomstig zou zijn, wel ongegrond mag genoemd worden. Waar is, dat het dijbeen verrassend veel op dat van een mensch gelijkt, de schedelkap meer op die van een grooten aap, dan op die van een mensch, hoewel in vele opzichten meer ontwikkeld dan de tegenwoordig levende menschapen. Dubois gaf daarenboven aan, dat volgens de bij de overblijfselen in dezelfde steenlaag gevonden fossielen de geheele laag van tertiairen oorsprong zou zijn. Men had hier dus den langgezochten tertiairen voorvader van het menschelijk geslacht voor zich. Nu is door de resultaten van latere opgravingen op dezelfde plaats wel eenige twijfel hierover ontstaan. De bewerking der door de expeditie van Mevrouw Selenka in 1906 op dezelfde plaats verzamelde fossielen en geologische gegevens door Volz, Elbert en anderen in 1908 en 1909 schijnt niet alleen met groote waarschijnlijkheid te hebben aangetoond, dat de laag gesteenten, waarin de overblijfselen van den pithecanthropus waren gevonden, van veel lateren datum is dan de jongste tertiaire periode, het plioceen, waartoe Dubois ze meende te kunnen brengen, een resultaat waartoe, onafhankelijk van Volz, ook K. Martin op grond van het systematisch onderzoek der gevonden fossielen kwam, doch schijnt ook er op te wijzen, dat daar ter plaatse de pithecanthropus met den mensch te zamen moet hebben geleefd. Men vond tenminste sporen van vuur en een menschenkies in dezelfde steenlaag.
De laag van Trinil, die de fossiele overblijfselen van den pithecanthropus bevatte, schijnt niet tertiair, doch diluviaal te zijn, en moet volgens Volz zelfs ongeveer in het midden van de diluviale periode (men vergelijke de tabel in hoofdstuk I) gesteld worden. [15] Zelfs als men dus van het eolithen-vraagstuk geheel afziet, en zich uitsluitend houdt aan de werkelijk gevonden menschelijke overblijfselen, zelfs dan is, zooals uit de hierna te bespreken vondsten blijken zal, de pithecanthropus niet ouder, doch eer jonger dan de oudste menschelijke overblijfselen, en heeft hij dus waarschijnlijk gelijktijdig met den mensch geleefd, wellicht zelfs naast hem, want in Indonesië, in Zuid-Sumatra, in Celebes en ook op Java zijn sporen van menschen uit den palaeolithischen tijd gevonden.
Van den "missing link" is dus geen sprake, en zoo geeft dan ook zelfs Schwalbe, die den pithecanthropus zoo uiterst nauwkeurig en systematisch heeft onderzocht, toe, dat hoe dicht ook de pithecanthropus bij den mensch moet hebben gestaan, het toch volstrekt niet noodzakelijk is, hem als directen voorvader van het menschengeslacht aan te nemen.
Toch blijft deze vondst m.i. van uiterst groote beteekenis, en aan Dubois de onvergankelijke eer, bij een doelbewust onderzoek er naar, deze overblijfselen te hebben gevonden, en er de groote waarde direct van te hebben ingezien. Zelfs al schakelt men den pithecanthropus volkomen uit de reeks van voorvaderen van den mensch uit, dan toonen toch zijne overblijfselen, zoo opvallend menschelijk, tot welk een hooge ontwikkeling de hoogste zoogdieren, de menschapen, de primaten, in het begin der quartaire periode zijn gekomen, en het blijft zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een directe, niet veel verder ontwikkelde, misschien zelfs iets gedegenereerde afstammeling is van denzelfden vorm, die in nakomelingen, die zich in reeksen van opvolgende generaties wel ontwikkelden, het menschelijk geslacht heeft voortgebracht. Moge ook, zooals uit fig. 11 blijkt, de schedelwelving van den pithecanthropus met die van den chimpansee nagenoeg overeenstemmen, de schedelcapaciteit (d. w. z. de schedelinhoud, door de hersenen ingenomen, het volumen van de hersenen dus), volgens Dubois 870 c. M.3, tegen 550 c. M.3 bij de grootste menschapen (gorilla en orang oetan), 1230 c. M.3 bij den neanderdal-schedel, en 1450 tot 1550 c. M.3 bij de blanke rassen, verheft den pithecanthropus ver boven de menschapen. Hetzelfde zou volgens Dubois gelden voor hetgeen men aan de binnenzijde van den schedelkap van het relief der hersenoppervlakte heeft kunnen zien, nl. een ontwikkeling speciaal van dat gedeelte van de hersenen, dat met het spraakvermogen samenhangt, sterker dan bij eenigen anderen menschaap.
2. Eoanthropus Dawsoni. In het laatst van 't jaar 1912 werd in een kiezelafzetting (een zoogenaamde "gravel pit") bij Piltdown in Sussex een gedeelte van de onderkaak en van het schedeldak van een menschelijk wezen uit de eerste tijden der pleistocene periode gevonden, volgens de nog eenigszins onvolledige gegevens [16] het oudste menschelijke overblijfsel, dat tot dusverre in Engeland gevonden werd. Ter eere van den ontdekker werd het de eoanthropus Dawson gedoopt. Niettegenstaande maanden lang met de grootste zorgvuldigheid werd gezocht, werden geen verdere gedeelten van het skelet gevonden. Volgens de beschrijving, van de overblijfselen door Mr. Smith Woodward gegeven, stammen de overblijfselen uit de "Chelléen" periode. Steenen werktuigen van het "Chelléen" type en overblijfselen van een hippopotamus werden in dezelfde laag aangetroffen.
De menschelijke overblijfselen bestonden uit de rechterhelft van de onderkaak met twee kiezen en ongeveer 2/3 van het schedeldak. Dit laatste was in stukken gebroken, doch kon volkomen goed gereconstrueerd worden. Het was buitengewoon dik en stevig gebouwd. Het merkwaardige van deze overblijfselen is, dat de onderkaak verrassend veel gelijkt op die van een aap, vooral van een chimpansee, terwijl de in de onderkaak bewaard gebleven kiezen geheel en al menschelijke kenmerken vertoonen, alleen iets grooter zijn. (Wij zullen ditzelfde verschijnsel later wedervinden in de kaak van den homo heidelbergensis 4). De kinstreek is afgebroken en de verdere tanden zijn verdwenen. Aan de nog aanwezige tandkassen kan men echter duidelijk nagaan, dat ook de niet voorhanden tanden en kiezen iets grooter moeten geweest zijn dan die van den tegenwoordigen mensch.
Van den schedel was voldoende bewaard gebleven om den schedelinhoud te kunnen berekenen. De schedelcapaciteit bleek ongeveer 1070 c. M.3 te zijn. Vergelijkt men dit cijfer met de hierboven in verband met den pithecanthropus genoemden, dan ziet men, dat de eoanthropus grooter hersenen moet hebben bezeten dan deze, doch minder dan de werkelijke mensch. Het nauwgezette onderzoek van de beide fragmenten bracht dan ook Dr. Smith Woodward tot de slotsom, dat wij hier met een werkelijken tusschenvorm te doen hebben, die, hoewel reeds dicht bij den mensch staande, toch nog niet den naam homo verdient, en daarom door hem de eoanthropus, "het wezen staande aan den dageraad der menschwording" gedoopt is. Voor het probleem der afstamming en vooral van de verbreiding van den mensch over de aarde, is het nu zeker uiterst merkwaardig, dat twee dergelijke intermediaire vormen als de pithecanthropus en de eoanthropus, de een in Java, de andere in Europa zijn gevonden. [17]
3. De vondst van Taubach. In 1895 werden door Nehring twee menschelijke kiezen beschreven, die bij Taubach in Saxen-Weimar gevonden waren, meer dan 5 meter onder den beganen grond in steenlagen uit het allereerste gedeelte der quartaire periode, te zamen met primitieve steenen werktuigen uit de "Chelléen" of "Acheuléen" periode en met overblijfselen van den elephas antiquus en den rhinoceros van Merck. Meer dan die twee kiezen werd niet gevonden, maar toch was de vondst, vooral toen ter tijde, belangrijk, omdat toen dergelijke oude sporen van menschelijk bestaan nog niet bekend waren. De beide kiezen zijn een eerste linker melkkies en een eerste linker blijvende kies, beiden uit de onderkaak. Het eigenaardige van deze kiezen ligt vooral in de grootte, welke die van menschelijke kiezen overtreft, in het sterk afgesleten zijn en in den vorm, die verschillende eigenaardigheden vertoont, welke meer aan apentanden dan aan een menschelijk gebit doen denken. Om het belang van deze vondst juist te kunnen waardeeren, moet men bedenken, dat van alle beenstukken juist de tanden en kiezen tot de meest kenmerkende en voor de verschillende diersoorten het scherpst van elkaar te onderscheiden deelen van het menschelijk en dierlijk organisme behooren, zoodat men dikwijls de soort, waartoe gevonden fossiele overblijfselen behoorden, heeft kunnen vaststellen aan één tand, die van een dergelijk dier gevonden was. En in de tweede plaats blijkt juist de buitengewone grootte van de kiezen een kenmerk te zijn, dat ook bij de later gevonden oudste menschvormen, zooals bij den zooeven genoemden eoanthropus en vooral bij den straks nader te beschrijven homo heidelbergensis tot de op den voorgrond tredende eigenaardigheden behoort. Daarom werden dan ook de "tanden van Taubach" hier vermeld.
4. Homo heidelbergensis. De onderzoekingen van Dubois op Java werden in 1891 en 1892 verricht. Veertien jaar later werd de tweede uiterst belangrijke vondst gedaan. Waarlijk, 21 October 1907 is de datum, die met gulden letteren in het boek der anthropologische wetenschap verdient te worden opgeteekend, als van den dag waarop de fossiele onderkaak van den "heidelberger mensch" werd gevonden. En het is merkwaardig, dat, evenals Dubois doelbewust de Kendeng-lagen bij Trinil was gaan onderzoeken, omdat hij overtuigd was, daar den langgezochten overgangsvorm te vinden, ook hier het vinden van de heidelberger kaak door Schoetensack jaren lang was verwacht. In een zandgroeve bij het dorp Mauer, dicht bij Heidelberg, die sinds 1872 wordt afgegraven, waren reeds telkens belangrijke fossielen gevonden, o. a. uit het laatste gedeelte der tertiaire periode. Dr. O. Schoetensack, de anthropoloog uit Heidelberg, reeds gedurende meer dan 20 jaren een getrouw onderzoeker der zandgroeve, had, onder den indruk van de groote overeenkomst, die bestond tusschen de lagen van de zandgroeve en de aan fossielen zoo rijke beddingen van Taubach in Weimar, en in de verwachting, dat ook hier wel eens belangrijke overblijfselen konden worden aan het licht gebracht, bij zijne bezoeken aan de groeve telkens weer de arbeiders en opzichters gewaarschuwd en hun op 't hart gedrukt, als zij iets vonden niet eigenhandig verder te graven, doch hem direct te roepen. En zoo werd, na jaren wachten, zijn geduld beloond, en werd hij den 21sten Oct. 1907 er dadelijk van verwittigd, dat in de diepste lagen van de zandgroeve, meer dan 24 meter onder den beganen grond, een menschelijke onderkaak was gevonden. Zoodoende kon Dr. Schoetensack direct na het vinden van de kaak de vindplaats inspecteeren, en photographeeren, hij liet een notarieele akte van de omstandigheden, waaronder de vondst plaats had gegrepen, opmaken en door den opzichter en den arbeider, die er bij aanwezig geweest waren, onderteekenen, hij liet op de vindplaats een gedenksteen aanbrengen, kortom, alles werd zoo uiterst nauwkeurig vastgesteld, dat geen twijfel meer mogelijk was. De vondst van deze kaak dan ook vrijwel de eenige anthropologische vondst, waarvan door geen enkelen geleerde ooit eenigen twijfel omtrent de echtheid en den hoogen ouderdom is geopperd. Daarna is door Schoetensack de kaak beschreven in een voortreffelijke, uitvoerige, rijk geïllustreerde monographie, zoodat naast de meesterlijke beschrijving door M. Boule van den een jaar later in Frankrijk gevonden voorhistorischen mensch van la Chapelle-aux-Saints het werk van Schoetensack als een voorbeeld van exact anthropologisch onderzoek mag gelden.
Belangrijk is nu in de eerste plaats de ouderdom van het fossiel. In de photographie van fig. 14 ziet men duidelijk in de afgegraven zandgroeve de verschillende zand- en steenlagen boven elkaar en rechts onder bij den bodem het witte kruisje, dat de plaats aangeeft, waar de kaak werd gevonden, 24 meter onder de oppervlakte. In dezelfde laag werden gevonden overblijfselen van den elephas antiquus, den etruscischen neushoorn, voorloopers van den holenbeer, een soort van paard, dat in het laatste gedeelte van de tertiaire periode voorkomt, een fauna, derhalve, die in zijn geheel wijst op een zeer hoogen ouderdom van de steenlaag, in het einde van de tertiaire periode. De bij de kaak in dezelfde laag gevonden vuursteenen zijn volgens Rutot eolithen uit de "Mafflien"-periode, einde tertiaire of begin quartaire periode. Kortom, de kaak van Mauer is verreweg het oudste der stratigraphisch volkomen nauwkeurig bekende menschelijke fossielen, en zijn drager moet nog vóór het begin van de ijsperiode, in het allerlaatste gedeelte der tertiaire periode geleefd hebben. Alleen hierom zou de homo heidelbergensis al het volste recht op onze groote belangstelling kunnen doen gelden, doch daarbij is de vorm van deze onderkaak allermerkwaardigst. Men vergelijke de beide afbeeldingen in fig. 15 en 16 met den omtrek van een modernen onderkaak van den homo sapiens, of beter nog, men neme het voortreffelijke gipsafgietsel van de kaak ter hand, dat tegenwoordig in de meeste musea te vinden is. Met verbazing beschouwt men het kolossaal massieve karakter van de kaak, met zijn breed massaal achterstuk voor de kauwspieren, met zijn volkomen ontbrekende kin, met zijn geheelen vorm, die volkomen op een orang- of gorilla-kaak gelijkt, en daarbij het absoluut menschelijke gebit. Ware deze onderkaak gevonden zonder gebit, men zou niet aarzelen hem aan een voorwereldlijken aap toe te schrijven. Het gebit evenwel vertoont zoo volkomen menschelijke kenmerken, is zoo harmonisch en regelmatig gebouwd, zonder sterk vergroote hoektanden, met regelmatig gebouwde kiezen van volkomen menschelijken vorm, dat men geen oogenblik twijfelen kan, deze kaak als een onderdeel van een menschelijk skelet te beschouwen. Ditzelfde bleek ook bij het röntgenologisch onderzoek van het fossiel. Ook de vorm van de tandwortels, door de röntgenstralen in het inwendige van de kaak zichtbaar gemaakt, bleek overeen te komen met die van het menschelijk gebit, niet met die van een of anderen apensoort.
Hoe de drager van deze kaak er moet hebben uitgezien, is natuurlijk niet te zeggen, maar wel kan men met zekerheid uit het gevonden fossiel afleiden, dat de drager een mengeling van dierlijke en menschelijke kenmerken moet hebben vertoond. Wil men van een "missing link," van een overgangsvorm spreken, dan heeft men hier den typischen overgangsvorm voor zich. Wellicht brengt de zandgroeve van Mauer ons nog eens andere deelen van het geraamte, waaruit wij den verderen lichaamsbouw van den homo heidelbergensis kunnen afleiden. Dat hij in het laatste gedeelte der tertiaire periode bestaan heeft, dat hij de kenmerken van een tusschenvorm moet hebben vertoond, daarvan is de door Schoetensack beschreven fossiele onderkaak ons een zeker bewijs.