De afstamming van den mensch Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt
Part 4
Beschouwen wij voor een oogenblik niet alleen de steenen werktuigen, maar ook de menschelijke overblijfselen uit dien voorhistorischen tijd, dan zien wij, afgezien van de eigenaardigheden dier overblijfselen zelf, die ons het vraagstuk van de afstamming helpen oplossen, ook daarin een bepaalde ontwikkeling. Terwijl van de oudste skeletten slechts enkele fragmenten (waarover in het volgende hoofdstuk nader) los in den grond gevonden zijn, zien wij al spoedig dat een bepaalde begrafenis moet hebben plaats gevonden. Het lijk ligt, zooals uit fig. 6 en 9, die trouwens uit lateren tijd stammen, duidelijk blijkt, in een bepaalde houding, door steenen omgeven, dus in den grond ingegraven. Dit wijst op een doodencultus. Eveneens zeer spoedig blijken steenen wapenen aan de dooden te worden medegegeven, en men vindt zelfs, zooals wij later uitvoeriger zullen bespreken, uit de vroegste perioden van het palaeolithicum skeletten met fraai bewerkte steenen wapenen in de hand of om het hoofd gerangschikt. Dit wijst op een geloof aan een voortbestaan na den dood. In iets later perioden vinden wij de lijken versierd, kransen van kleine doorboorde (blijkbaar derhalve oorspronkelijk aaneengeregen) schelpjes of beenstukjes aan hoofd, hals en polsen. Ook dat wijst op een doodencultus, en het is eigenaardig dat wij dan vooral kinderskeletten zeer rijk versierd vinden. Dat geeft den indruk van liefde en zorg voor kinderen. Kortom, uit dergelijke gegevens, hoe schaarsch ook en hoe weinig beteekenend op zichzelf, kan men zich toch eenigszins een denkbeeld vormen omtrent de geestelijke eigenschappen en het peil van beschaving dezer vroegste menschen uit den grijzen voortijd. Zoo heeft men uit dezelfde periode ook eenige skeletten gevonden, waarvan de schedel een groot gat vertoonde, hetwelk echter, zooals uit de structuur van het been duidelijk bleek, voor driekwart genezen was. Dat wijst op een goede zorg voor zieken en gewonden, daar anders een dergelijke wond onfeilbaar tot een onmiddellijken dood zou hebben geleid.--Maar laat mij hierop niet verder ingaan, wij zouden te ver in het gebied der speculatie verzeild raken.
"Revenons à nos moutons." [11]--Keeren wij terug tot onze bespreking van de gegevens, welke ons in staat stellen, den ouderdom van het menschelijk geslacht in 't algemeen en van bepaalde vondsten in het bijzonder te bepalen. Voor dit laatste komt drieërlei in aanmerking: 1°. de aard van de steenlaag of afzetting, waarin de overblijfselen worden gevonden, zoogenaamde stratigraphische bijzonderheden; 2°. de dierlijke overblijfselen, die te zamen met de menschelijke skeletdeelen in dezelfde laag zijn aangetroffen; 3°. de aard der steenen werktuigen, die bij het menschelijk skeletdeel uit dezelfde steenlaag zijn opgedolven. Deze laatsten kunnen, als door menschenhanden vervaardigde artefacten, ook op zichzelf, zonder daarbij gevonden menschelijke skeletdeelen, getuigenis van den ouderdom van het menschelijk geslacht in het algemeen afleggen.
Daar nu juist deze werktuigen in hun scherp getypeerden vorm en licht herkenbare gedaanten, zich gemakkelijk in verschillende groepen laten samenbrengen van telkens fijner bewerking en geringeren ouderdom, wordt de groepeering der steenen werktuigen meestal als onderverdeeling van den geheelen tijd der ontwikkeling van het menschelijk geslacht vóór den aanvang der geschiedenis, in den voorhistorischen tijd dus, aangenomen, ook waar de ouderdom van de gevonden overblijfselen door middel van daarbij opgedolven dierlijke beenstukken wordt bepaald. Daar wij dus de namen dier onderafdeelingen in de volgende hoofdstukken telkens zullen moeten gebruiken, geef ik hier in een tabel een opgave dier onderverdeeling van het palaeolithicum, evenwel slechts zeer in 't kort, daar dit eigenlijk meer tot het gebied der archaeologie behoort, en daar een uitvoerige beschrijving der verschillende groepen van steenen werktuigen alleen met behulp van een aantal afbeeldingen belangwekkend en vruchtbaar is te maken, waarvoor mij hier de gelegenheid ontbreekt.
Gedurende nagenoeg het geheele oude steenen tijdperk is de steensoort, waarvan de steenen werktuigen in steeds toenemende fijnheid van bewerking werden vervaardigd, de "vuursteen" geweest. Wel zijn zoo nu en dan ook andere harde steensoorten daarvoor gebruikt, en vindt men vooral in het nieuw-steenen tijdperk een grootere keuze van gesteenten, maar de vuursteen blijft toch het meest geliefde materiaal. Zooals men weet, is de vuursteen een kiezelzuurverbinding, die in den vorm van grootere of kleinere afgeronde stukken, zoogenaamde "knollen," bij voorkeur in die steenlagen gevonden worden, die als afzettingen uit het zeewater van vroegere geologische perioden ontstaan zijn. Vooral de krijtlagen uit het laatste gedeelte der secundaire periode zijn bijzonder rijk aan dergelijke vuursteenknollen. Het eigenaardige van den vuursteen is nu, dat men, door er met een zekere kracht een hard voorwerp tegen te slaan, er lange splinters en blussen af kan slaan, (zie fig. 8) klein of groot, naarmate van de kracht en handigheid waarmede geslagen werd. Door het afspringen dier splinters ontstaan dan scherpe kanten, lijsten en punten aan den harden steen. Hoe beter en voorzichtiger men den steen leerde bewerken, des te fijner van vorm, des te meer gedetailleerd van gedaante werden de werktuigen. Men vergelijke bijvoorbeeld de ruw toegeslagen steenen van Fig. 7 met de beter bewerkte van Fig. 8 en de buitengewoon fijne en elegante werktuigen van Fig. 5. Bij de oudste steenen werktuigen werd eenvoudig ruw tegen een of andere zijde van de vuursteenen geslagen, en eerst langzamerhand leerde men met bewustheid een bepaalden vorm aan den vuursteen te geven. De voorstanders der eolithen-theorie beweren nu juist, dat reeds in het tertiaire tijdperk door menschelijke wezens vuursteenen werktuigen werden gemaakt, maar dan nog eenvoudig door ruw tegen elkaar slaan van twee steenen zonder bepaalde richting of krachtaanwending. Dat zijn dan de zoogenaamde eolithen. Het spreekt vanzelf, dat daarbij slechts ruw afgesplinterde steenstukken worden verkregen, waaruit dan de beste stukken voor verder gebruik zouden zijn uitgezocht. Het behoeft ons dan ook evenwel niet te bevreemden dat een aantal archaeologen deze eolithen uiterst wantrouwend bekeken en ze eenvoudig voor brokstukken hielden, die door natuurkrachten (watergeweld, verweering) uit de vuursteenknollen waren ontstaan. Daar ook nu nog deze strijd niet is uitgestreden en juist deze eolithen, die het bestaan van den tertiairen mensch moesten bewijzen, vooral nu van groot belang voor het praehistorisch onderzoek zijn, nu ook van andere gezichtspunten het bestaan van den mensch reeds gedurende een gedeelte van de tertiaire periode meer en meer waarschijnlijk wordt geacht, [12] ja dikwijls als vaststaand wordt aangenomen, heb ik juist van deze eolithen eenige typische voorbeelden in fig. 7 afgebeeld. Het is natuurlijk moeilijk zich in deze kwestie een oordeel te vormen, en oppervlakkig beschouwd maken die ruw afgebrokkelde vuursteenen volkomen den indruk van uit een massa vuursteensplinters uitgezochte, ietwat regelmatige stukken, die met door menschenhanden bewerkte artefacten niets te maken hebben, maar als men de talrijke afbeeldingen, door Rutot, den uitnemenden kenner der palaeolithische werktuigen, van tertiaire eolithen gegeven, beschouwt en ze vergelijkt met de nagenoeg identische afbeeldingen van tertiaire vuursteenstukken uit Portugal, door Ribeiros beschreven, of van de exemplaren uit Puy-Courny van de Mortillet, dan wordt men wel gedwongen te erkennen, dat in hunne argumenten veel waars ligt opgesloten en dat de theorie der tertiaire vuursteenwerktuigen lang niet zoo op losse schroeven staat als men bij oppervlakkige kennismaking er mede geneigd zou zijn aan te nemen.
Rutot en zijn volgelingen gaan nu echter nog verder, en meenen dat de tertiaire mensch ook geheele vuursteenknollen, die door hun toevalligen vorm gemakkelijk te hanteeren waren, en door natuurkrachten afgebrokkelde splinters zou hebben gebruikt, die dan hoogstens een beetje gefatsoeneerd, bijgewerkt, werden. Dat zouden dan de echte typische "eolithen" zijn. Nu, dat zal waarschijnlijk ook wel zoo geweest zijn, maar hoe dergelijke stukken met zekerheid van andere, hier en daar verspreide vuursteenstukken te onderscheiden? Hierop is ook in de talrijke geschriften van Rutot zelf een afdoend antwoord niet te vinden. En dit zal wel eerst uitgemaakt kunnen worden, als werkelijk zeker te herkennen menschelijke overblijfselen uit de tertiaire periode te zamen met een groot aantal van dergelijke vuursteenstukken worden gevonden.
Hoe veel ons ook de studie der voorhistorische steenen werktuigen heeft geleerd, nog steeds blijft, wat dit betreft, het woord van Broca gelden, dat de tertiaire mensch den drempel der wetenschap nog niet heeft overschreden.
Over het hier volgende tabellarisch overzicht der verschillende onderdeelen van het oude steenen tijdperk nog een enkel woord.
Het gebouw der moderne praehistorische anthropologie is opgetrokken op de basis van het werk, door Fransche onderzoekers in deze richting gedaan. In Parijs bestaat de eenige academische school voor voorhistorische wetenschap. In Frankrijk zijn de meeste en meest typische voorhistorische werktuigen en verdere overblijfselen opgedolven en bestudeerd. Door Fransche onderzoekers is dan ook het systeem van onderdeelen der voorhistorische periode opgebouwd, en daarbij zijn de verschillende onderafdeelingen genoemd naar de plaatsen waar de meest typische voorbeelden van dat bepaalde type zijn opgedolven. Zoo spreekt men ook buiten Frankrijk van de "acheulien" periode, omdat de voor die periode typische vorm der steenen werktuigen het eerst en het meest gevonden werden in de kiezelafzettingen bij St. Acheul. Evenzoo van de "moustérien" periode, naar de beroemde vindplaats van voorhistorische overblijfselen van den voor deze periode typischen vorm bij Le Moustier, al zijn ook bepaalde voorwerpen uit die periode bij Krapina in Hongarije of in Noord-Amerika gevonden. Zoo spreekt men van de Azilien-periode naar de grot le Mas d'Azil in 't Zuiden van Frankrijk, van de Chellien-periode naar de vindplaats bij Chelles (Seine-et-Marne) enzoovoort. Wil men een internationalen vorm aan deze namen geven, dan kan men er een latijnschen uitgang achter zetten en spreken van het Mousterium, het Acheulium, het Chelleum, het Azilium enz. Door deze onderverdeeling wordt een gemakkelijke en overzichtelijke klassificatie van het palaeolithicum verkregen.
Maar men hoede zich, een al te groote absolute waarde aan een dergelijke onderverdeeling toe te kennen.
Evenals nog in onzen tijd op bepaalde plaatsen, in bepaalde streken, oude kleederdrachten en oude gewoonten, de vorm en inrichting der boerenbehuizing, van voorwerpen voor huiselijk gebruik, enz. met groote hardnekkigheid gedurende eeuwen wordt vastgehouden, zoo zal ook in voorhistorischen tijd het vervaardigen van steenen werktuigen van een bepaalden vorm in de eene plaats veel langer zijn volgehouden dan in een andere plaats, zullen verbeteringen in de bewerking, van een bepaald centrum uitgaande, zich dikwijls slechts met de uiterste langzaamheid verder hebben uitgebreid, zullen verschillende vormen naast elkaar hebben bestaan, en zoo vinden wij dan bijvoorbeeld hier in Holland nog steenen werktuigen uit het oude steenen tijdperk, stammende uit een tijd, waarop in Frankrijk reeds bronzen werktuigen werden vervaardigd. [13] De verdeeling naar den aard der werktuigen heeft dus slechts een zeer betrekkelijke waarde als tijdsbepaling. Komt zij in conflict met stratigraphische gegevens, en met wat de dierlijke overblijfselen ons leeren, dan zal men mijns inziens aan deze laatste, mits met zekerheid vastgesteld, de voorkeur moeten geven. Waar bijvoorbeeld door Gorganovic-Kramberger op grond van het feit, dat met bepaalde menschelijke overblijfselen, bij Krapina gevonden (zie 't volgende hoofdstuk) resten van den rhinoceros van Merck werden opgedolven, aan die overblijfselen een zeer hooge ouderdom toegekend wordt, Rutot daarentegen op grond van de daarbij gevonden steenen werktuigen meent, dat de ouderdom niet zoo hoog kan zijn, daar zou ik mij met volle overtuiging aan de zijde van Kramberger plaatsen.
In de volgende tabel zijn de verschillende perioden, onderafdeelingen van het oude steenen tijdperk, volgens de namen der voornaamste vindplaatsen der voor die periode typische steenen werktuigen gerangschikt. De verdeeling der geologische tijdperken vergelijke men met de tabel in hoofdstuk I.
De oudste groep is in de tabel bovenaan geplaatst, de jongste onderaan. Ook de eolithen zijn, volgens het schema van Rutot, in de tabel opgenomen.
TABEL VAN DE ONDERVERDEELINGEN VAN HET OUD-STEENEN TIJDPERK
====================+=======================+========================================= GEOL. | | TIJDPERK | NAAM | BESCHRIJVING ====================+=======================+========================================= { Tertiair | 1. Thenay | Eerste gebruik van vuursteenen als { ,, | 2. Cantalin | werk-tuigen, nog geen op een bepaalde { | (Aurillac, Cantal, | wijze gefatsoeneerde werktuigen, doch Eolithen { | Puy-Courny) | reeds verschillende vormen (volgens { ,, | 3. Kentum (plateau | Rutot "percuteurs, couteaux, racloirs, { | van Kent) | grattoirs, perçoirs"). { Oudste { 4. Reutélien | Uitgezochte en reeds eenigermate { Quartair { 5. Mafflien | doch zonder bepaalde methode { 6. Mesvinien | gefatsoeneerde werktuigen van { 7. Strepyin | verschillenden vorm. Voor het eerst { | met een bepaald doel gefatsoeneerde { | werktuigen van bepaalden vorm. { 8. Chelléen | Grof geslagen, aan beide zijden met { | grove blussen uitgeslagen werktuigen. { 9. Acheuléen | Fijner geslagen werktuigen, aan beide { | zijden met kleine blussen uitgeslagen, { | verschillend van vorm. {10. Moustiérien | Steenen werktuigen van bepaalden { (grotte du | vorm, doorgaans slechts aan ééne Palaeolithen { Moustier) | zijde toegeslagen, of puntvormig, { | zoodat zij aan een lans konden { | worden bevestigd, of meer rond, met { | scherpe randen (zoogen. schrappers, { | racloirs, volgens de Mortillet om { | de huiden van gevangen dieren te { | bewerken). Nog geen beenen of { | ivoren werktuigen. {11. Aurignacien of | Naast fijn toegeslagen regelmatige { praesolutréen | steenen werktuigen vindt men de { | eerste sporen van bewerking van been { | en ivoor, en de eerste kunstuitingen. { | Begin van het rendiertijdperk. {12. Solutréen | Zuiver toegeslagen pijlpunten, { | laurierbladvormig of gesteeld, steenen { | messen en boren. Paard en rendier { | in talrijke overblijfselen gevonden. {13. Magdalénien | Prachtig bewerkte steenen wapenen { | en werktuigen, nog niet gepolijst. { | Pijlpunten en harpoenen uit rendierhoorn { | met weerhaken, ivoren naalden, stijlvol { | geboetseerde voorwerpen uit rendierhoorn { | of ivoor, steenen messen { | en zagen, teekeningen op rendierhoorn { | of op rotswanden (grotten). {14. Azilien | Vermoedelijke doch slechts zeer locaal { | bekende overgangsperiode naar het { | nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, { | naar het tijdperk van de gepolijste { | steenen werktuigen, van het { | aarden huisraad, de paalwoningen, { | de dolmen en menhirs. ====================+=======================+=========================================
V DE OVERBLIJFSELEN VAN DEN VOORHISTORISCHEN MENSCH ZELF
"L'homme fossile n'existe pas."
Cuvier (1813).
Het behoeft geen betoog, dat de eigenlijke vraag naar de afstamming van den mensch, de vraag, of men ook in de geschiedenis van het menschelijk geslacht eene ontwikkeling, eene evolutie van den vorm vindt, die ons van dierlijke voorvaderen geleidelijk voert tot den modernen mensch, den homo sapiens, slechts aan de fossiele overblijfselen van den praehistorischen mensch zelf bestudeerd kan worden. De kennis hiervan is niet oud, ja zij verkeert nog in haar eerste stadium van ontwikkeling. Nog geen 100 jaren geleden kon de groote Cuvier nog zijn als motto boven dit hoofdstuk geplaatste uitspraak met oogenschijnlijk krachtige argumenten verdedigen, en de belangrijkste vondsten op dit gebied zijn in de laatste 10 tot 20 jaren gedaan.
Dit behoeft ons niet te verwonderen. Wat de vroegere tijden betreft, vindt het wel voor een groot deel zijne verklaring daarin, dat toen ter tijde aan dergelijke toevallige vondsten geen waarde werd gehecht. De leer der catastrophen van Cuvier, die de schepping van den mensch na de laatste catastrophe stelde en leidde tot het bovengenoemde dogma, werd algemeen aangenomen, en dit te meer, toen Cuvier kon aantoonen, dat overblijfselen van een geraamte, als "homo diluvii testis" aan een voorhistorischen mensch toegeschreven, van een reuzensalamander afkomstig waren, en hij zoo het geheele vraagstuk van den voorhistorischen mensch aan den lachlust kon prijsgeven. Hoe vele jaren heeft het niet geduurd, voordat Boucher de Perthes, die in 1841 in Picardië diep onder grintlagen en kalksteenafzettingen, steenen werktuigen vond te zamen met de overblijfselen van mammoeth en holenbeer, de geologen en anthropologen er zelfs maar toe brengen kon, zijne vondsten met eenige belangstelling te beschouwen en die beddingen zelf te onderzoeken.
Maar ook al volgen in de laatste helft der 19de eeuw de vondsten van overblijfselen van voorhistorische menschen steeds sneller op elkaar, juist de oudste overblijfselen van menschen uit het ijstijdperk en onmiddellijk daarvoor en daarna zijn ook nu uiterst schaarsch, hoe er ook naar gezocht wordt. Hiervoor zijn verschillende redenen aan te voeren.
In de eerste plaats hebben dergelijke overblijfselen gedurende zoo ontzaglijk lange tijden den invloed van verweering enz. moeten ondergaan, en dien invloed moet men niet onderschatten. Zoo werd bijv. een skelet uit de vroegste tijden van het palaeolithicum, den later nader te bespreken homo mousteriensis Hauseri, door Hauser in 1908 in het Vézèredal in een hol gevonden, met de uiterste zorgvuldigheid door deskundigen uitgegraven. Een groot gedeelte van het skelet viel echter toch als poeder uiteen en slechts enkele stukken konden worden gered. De schedel, gaaf uitgegraven, viel bij het transport in een groot aantal kleine stukken uiteen. En dan bedenke men, dat dit een unicum was, en dat verreweg de meeste der voorhistorische skeletten niet door deskundigen voorzichtig uitgegraven, maar toevallig door bergwerkers of arbeiders in leemgroeven of grintbeddingen bij het graven worden gevonden. En de invloed van de verweering, van de humuszuren uit den bodem, van de vochtigheid, kan zoo groot zijn, dat van het geheele skelet niets overblijft. Zoo vertelde mij o. a. Dr. Holwerda, die bij zijn zorgvuldige uitgravingen hier te lande het eenige, oude voorhistorische skelet heeft gevonden dat in Nederland bekend is (vóór den terpentijd), dat zelfs de in grafheuvels begraven voorhistorische skeletten in onzen vochtigen bodem meestal zoo volkomen vergaan zijn, dat slechts een geringe verkleuring van het zand op een bepaalde diepte de plaats aanwijst, waar de doode oorspronkelijk was begraven.
In de tweede plaats is de levenswijze der eerste menschelijke wezens hiervoor aansprakelijk. Oorspronkelijk moet de mensch een bewoner geweest zijn der uitgestrekte wouden, die Europa ten tijde van het begin van de ijsperiode bedekten. Ook in de warme interglaciale perioden moet dit het geval geweest zijn. De lijken werden niet begraven, bleven liggen, waar zij gevallen waren, en bleven dus ten prooi aan alle schadelijke invloeden van weer, wind, overstroomingen, enz., die zoovele fossiele overblijfselen hebben verloren doen gaan.
Toen de toenemende koude het vasteland van Europa meer en meer ging beheerschen, werd de mensch, zooals wij reeds zagen, tot holbewoner, en wij vinden dan ook zijne overblijfselen in holen, in "abris sous roche," enz., waar zij minder aan schadelijke invloeden waren blootgesteld, en waar wij ze vinden te midden van de overblijfselen van de dieren, die hem tot voedsel dienden of die hij bestreden had. Maar eerst toen de mensch zoover ontwikkeld was, dat hij zijne dooden ging begraven, en vooral toen uit eerbied voor de dooden boven hunne graven grafheuvels, monumenten, steenen bedekkingen, hunnebedden enz. werden opgericht, bleven zijne overblijfselen beter bewaard, en werd de kans, dat het geraamte heelhuids werd opgedolven, grooter, omdat men juist door die grafheuvels en andere bedekkingen er op opmerkzaam werd gemaakt, dat zich daar ter plaatse een voorhistorisch graf bevond, en men dus met de grootste zorgvuldigheid kon gaan graven, terwijl het vinden der alleroudste skeletten der holbewoners, in verreweg de meeste gevallen een zaak van het toeval was, en ook als het skelet niet door verweering bros was geworden of uiteengevallen, er vaak al zeer veel verloren gegaan en gebroken was, vóór men er opmerkzaam op werd en voorzichtig verder ging graven. Zoo werd bijv. de beroemde Neanderdal-schedel, die wij later uitvoerig zullen bespreken, bij het uitgraven van een hol gevonden door eenige arbeiders, die in een leemgroeve daar ter plaatse werkten. Het skelet was gaaf, doch werd door de arbeiders, die niet wisten dat hun vondst belangrijk kon zijn, eenvoudig weggeworpen. Toevallig hoorde Dr. Fuhlrott van de vondst, doch toen hij ter plaatse kwam, kon hij van het oorspronkelijk gave skelet slechts zeer enkele, door het houweel sterk beschadigde brokstukken nog redden. En met andere vondsten is het niet veel beter gegaan.
Hoe beter men evenwel leert uitzien en opletten, hoe meer men de waarde van de lage, bijna geheel onder den grond bedolven oude holen en "abris sous roche" voor het anthropologisch onderzoek leert inzien, hoe meer ook belangstelling voor deze zaken in alle klassen van de bevolking doordringt, des te meer kans verkrijgt men om de overblijfselen slechts weinig beschadigd of volledig in zijn bezit te krijgen.