De afstamming van den mensch Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt

Part 3

Chapter 33,287 wordsPublic domain

Zoo vinden wij dan ook den mensch beurtelings als holenbewoner, als troglodyte, wiens overblijfselen in holen, in "abris sous roche," bewaard gebleven zijn, of in de warmere perioden tusschen de verschillende ijsperioden in als vrij levenden oeverbewoner aan den oever van de groote rivieren of van de meren. Werden de holen door de groote watermassa's, die door het ontdooien van het ijs gevormd werden, bij overstroomingen dichtgeslibd, dan werden zijne overblijfselen onder die beschermende sliblaag goed bewaard. De holen liepen weer droog, bij een volgende afkoelingsperiode werden, duizenden jaren later, de nazaten der oeverbewoners wellicht weer tot holbewoners, zij zochten de oude holen weer op, hunne overblijfselen bleven daar weer liggen, werden bij een warmere periode weer door overstroomingen met slib of kiezel bedekt, en zoo vinden wij in dergelijke holen dikwijls zeer regelmatige lagen aangeslibden grond boven elkaar, met daartusschenin bewaard gebleven overblijfselen van menschen en dieren uit verschillende perioden [7] (Fig. 24). Hierover later meer.

Daar wij nu evenwel zullen zien, dat voor het onderzoek van dergelijke overblijfselen juist de daarbij gevonden overblijfselen van dieren uiterst belangrijk zijn, geef ik hier ten slotte nog een korte opsomming van de voornaamste diervormen, die gedurende den ijstijd en de interglaciale perioden Europa bevolkten.

Eerst evenwel nog een andere vraag. Kan men, waar men van ijstijden en interglaciale perioden spreekt, eenigszins den duur dezer perioden aangeven?

Nauwkeurige opgaven, met allerlei factoren rekening houdend, worden wel door verschillende onderzoekers gegeven, maar de cijfers, die ons door de berekenaars als de eenig ware worden voorgedragen, loopen zoozeer uiteen, dat men verstandig doet, zich van elke vaste tijdsopgave hierbij te onthouden. Er zijn te veel factoren van onberekenbaren invloed hierbij in het spel, dan dat een vaststaand geloofwaardig resultaat te verwachten is. Ik wil dan ook slechts enkele cijfers noemen, die een denkbeeld kunnen geven van den geweldig langen duur dezer perioden.

Volgens astronomische berekeningen is de vermoedelijke oorzaak van de regelmatig op elkaar volgende afkoelingsperioden gelegen in een regelmatig weerkeerend verschil van den afstand van de zon tot de aarde. De zon zou buiten het middelpunt der bijna kringvormige aardbaan liggen, en in een regelmatige schommeling van ongeveer 100.000-jarigen duur zou dit telkens veranderen en tot zijn vorige waarde terugkeeren. Voor een ijstijd en een interglaciale periode rekent men dus voor elk 50.000 jaar. Dat dit zeker niet te weinig gerekend is, blijkt uit het volgende: wij zagen reeds, dat de groote gletschers van de hoogvlakten van Skandinavië in den ijstijd naar het Zuiden doordrongen en een groot gedeelte van Duitschland, Nederland, Engeland en Ierland bedekten. Door die gletschers werden van de rotsen, waarlangs en waarover het ijs gedreven werd, "stroomde," grootere en kleinere stukken afgebroken, en deze rotsstukken werden langzamerhand tot ronde en afgeronde rolsteenen afgeslepen, door den gletscher verder gevoerd, en als dan eindelijk het ijs smolt, bleven zulke steenen op den bodem liggen. Zoo vindt men dergelijke uit Skandinavië stammende rolsteenen in het vlakke gebied van Nederland en Duitschland. Uit de steensoort kan men in vele gevallen de herkomst dezer rolsteenen afleiden, en daar men de snelheid kent, waarmede het ijs in dergelijke gletschers stroomt, heeft men kunnen berekenen, dat sommige dier rolsteenen of zwerfblokken, die door de groote gletschers der ijsperiode naar de lage landen werden gevoerd, tienduizend of meer jaren noodig moeten gehad hebben om dien weg af te leggen. De ijsperiode zelf moet dus nog langer geduurd hebben. Zoo kan men uitrekenen, dat de Niagara-waterval in Amerika meer dan 30.000 jaar moet hebben noodig gehad, om de lange rotsgeul, die den waterval met het Ontario-meer verbindt, door afslijping uit te graven. In de bovenste lagen dier rotsgeul vindt men nu echter overblijfselen van de morainen der laatste ijsperiode. Er moeten dus meer dan 30.000 jaren verloopen zijn, sinds de laatste ijsperiode door de warmere periode (dezelfde, waarin wij ons nog bevinden) werd onderbroken.

De voor den ijstijd in zijn geheel en voor de warmere interglaciale perioden in Europa meest kenmerkende dieren, waarvan de overblijfselen tegelijk met menschelijke resten, en, zooals wij later zullen zien, voor een deel zelfs afbeeldingen, door hun menschelijke tijdgenooten vervaardigd, gevonden zijn, zijn nu de volgende:

1°. de mammoet, elephas primigenius, de groote, dichtbehaarde, met geweldige tot 4 meter lange gekromde stoottanden voorziene olifant der ijsperiode, waarvan zoo voortreffelijk bewaard gebleven resten (zelfs met nog herkenbaar voedsel in maag en bek!) en geraamten in het ijs van Siberië gevonden zijn. De beste afbeeldingen zijn nog steeds de hier in fig. 2 weergegeven omtrekteekeningen op ivoor van mammoettanden, door een menschelijken tijdgenoot uit den ijstijd ingekrast. Ik heb juist deze beide afbeeldingen gekozen, omdat zij een alleraardigst bewijs opleveren van de echtheid dier afbeeldingen. Deze ivoorstukken werden nl. gevonden en door de Mortillet beschreven, toen men van den mammoet nog slechts enkele skeletresten kende. Op de beide ingekraste teekeningen nu was een eigenaardige plaatvormige verbreeding van den staart geteekend, die bij geen enkele bekende olifant voorkwam, en waarvan aan de geraamten absoluut niets te zien was. En ziet, toen men meer dan 30 jaren later uit het eeuwige ijs in Siberië bevroren lijken van mammoeten uithakte, waaraan de weeke deelen nog voorhanden waren, bleek dat de staart wel degelijk een plaatvormige, uit vetweefsel bestaande verbreeding vertoonde van precies denzelfden vorm, als die op de ingekraste teekeningen aangegeven was. Hierdoor was dus met absolute zekerheid de "echtheid" van de teekeningen bewezen, want alleen een ooggetuige, een mensch uit den ijstijd zelf, die tegelijk met den mammoet had geleefd, had een dergelijke juiste afbeelding kunnen maken.

2°. De oerolifant, de elephas antiquus, verreweg de grootste der fossiele olifanten, meer dan 5 meter hoog, met nog weinig gebogen reusachtige stoottanden (tot 5 meter lang), iets vroeger optredend dan de mammoet, en meer een dier uit het laatste gedeelte van het tertiaire tijdperk en van de warmere interglaciale perioden. Tot in Engeland gevonden. Vermoedelijk zeer weinig behaard, evenals de tegenwoordige olifantensoorten.

3°. Andere olifantensoorten (el. meridionalis en el. trogontherii), vermoedelijk evenzeer begeleiders van de menschen der ijsperiode, doch ook alleen in de warmere interglaciale perioden meer naar het noorden (tot in Engeland) doordringend.

4°. De Siberische neushoorn (rhinoceros tichorhinus), met twee achter elkaar staande horens op den kop, eveneens een der reusachtige dikhuidige dieren, die in het laatste gedeelte van den ijstijd geheel Europa tot in Siberië toe bevolkten, dichtbehaard evenals de mammoet.

5°. De rhinoceros merckii, evenals de elephas antiquus meer een dier der interglaciale perioden, die, toen het weder kouder begon te worden, zich meer naar het Zuiden van Rusland en Hongarije terugtrok.

6°. Het groote nijlpaard, hippopotamus major, in reusachtige exemplaren in lagen uit de interglaciale periode tot in Engeland gevonden.

7°. Het elasmotherion, aan de neushoorns verwant, voorzien van één langen hoorn midden tusschen de oogen op het voorhoofd, ongeveer van de gestalte van een paard en de grootte van een olifant. Uit Zuid-Azië tot in Rusland en in het Rijndal doorgedrongen.

8°. Zeer belangrijke begeleiders van den oermensen gedurende den ijstijd zijn de herten, die in een aantal soorten van dikwijls reusachtige afmetingen geheel Europa bevolkten. De reuzenherten (cervus euryceros) uit Ierland, de reuzenelk uit Duitschland en Zwitserland, de edelherten, de rendieren, die voor den praehistorischen mensch van zoo groot belang werden, dat men een geheele periode uit de menschelijke praehistorie naar hen als de rendierperiode heeft onderscheiden (men vergelijke de uit een oogpunt van kunst voortreffelijke afbeelding in fig. 3).

9°. De verschillende beersoorten, waarvan vooral de holenbeer (ursus spelaeus) voor de laatste koude periode van den ijstijd kenmerkend is, en waarvan de overblijfselen in reusachtige exemplaren te zamen met menschelijke overblijfselen in de holen der ijsperiode zijn gevonden.

10°. De tijdgenooten van den holenbeer, de holenkat (felis spelaea), de holenhyaena, de holenwolf, dieren, die de tegenwoordige tijgers in grootte overtroffen of evenaarden en wier overblijfselen, hoewel veel zeldzamer dan die van den holenbeer, in afzettingen uit de laatste koude periode van den ijstijd over geheel Europa verspreid, te zamen met menschelijke overblijfselen gevonden zijn.

11°. Onder de overige metgezellen van den mensch uit den ijstijd moeten in de eerste plaats nog genoemd worden de wisent (bison priscus), waarvan de overblijfselen in Noord- en Zuid-Europa, in 't eeuwige ijs van Noord-Siberië en ook in Noord-Amerika in ijstijd-afzettingen gevonden zijn, verder de aueros (bos primigenius), die vooral in de warmere interglaciale perioden en na afloop van den ijstijd tot in het noordelijk gedeelte van Europa doordrong, en die als de voorvader van het rund der Zwitsersche paalwoningen en van ons huisrund wordt beschouwd. Als typische gestalten uit de warmere interglaciale periode kunnen wij nog noemen het wilde zwijn, een soort van schaap, het over geheel Europa toen ter tijde verspreide stekelvarken, en verwant daarmede, het trogontherium, doch daarmede kunnen wij onze lijst sluiten, omdat het niet het doel was, een ijstijd-fauna te beschrijven, doch alleen, om die dieren te noemen, waarvan de overblijfselen later in verband met het probleem van de afstamming van den mensch zullen moeten worden ter sprake gebracht.

IV OUDERDOM DER MENSCHELIJKE OVERBLIJFSELEN.

"l'Homme tertiaire n'est encore que sur le seuil de la science." [8]

Broca.

Indien wij nu als grondslag voor ons verder onderzoek aannemen, dat de mensch uit de dierenwereld, uit dierlijke voorvaderen dus, is ontstaan, dan kan men onmiddellijk drie hoofdvragen stellen: 1e. hoe oud is dan het menschelijk geslacht? 2e. is aan de overblijfselen van den voorhistorischen mensch het meer dierlijk karakter, dat men op grond van zijne afstamming uit dierlijke voorvaderen zou verwachten, te zien, en zijn er tusschenvormen tusschen mensch en dier gevonden? 3e. van welke diersoorten stamt de mensch af?

Het spreekt van zelf, dat wij voor het beantwoorden der beide laatste vragen de overblijfselen van den voorhistorischen mensch en zijne voorloopers zelf moeten kunnen bestudeeren.

Voor het beantwoorden der eerste vraag is dit niet noodzakelijk.

Immers, wij moeten ons steeds voor oogen stellen, dat wij hier juist de vroegste sporen van menschelijke wezens nagaan, d.w.z. van wezens, die niet alleen een bepaalden lichaamsvorm bezaten, maar daarnaast zich door geestelijke eigenschappen moeten hebben onderscheiden van de tegelijkertijd met hen levende dieren.

Het bestaan van sommige voorwereldlijke dieren kennen wij alleen uit de voetsporen, die hunne pooten bij het loopen in de weeke klei hebben achtergelaten. Zijn dergelijke voetsporen scherp en duidelijk herkenbaar, dan heeft men daaraan volkomen voldoende, om tot het bestaan van die dieren daar ter plaatse op het oogenblik, dat die kleibeddingen aan de oppervlakte lagen, te kunnen besluiten. En men denkt hierbij terstond aan het aardige verhaal van Robinson Crusoe, die volkomen terecht de aanwezigheid van menschen op zijn oogenschijnlijk onbewoond eiland aannam, toen hij in het zand den afdruk van een blooten menschenvoet vond.

Waar het menschelijke wezens geldt, kunnen wij nu echter nog verder gaan. Al vinden wij in steenlagen of formaties van een bepaalden ouderdom geen spoor van menschelijke overblijfselen zelf, dan is het aantoonen daar ter plaatse van werktuigen, die voor hunne vervaardiging en hun gebruik menschelijke intelligentie, zij het dan ook in hare meest primitieve ontwikkeling, vereischen, van woonplaatsen, overblijfselen van vuur of door menschenhanden bewerkte artefacten, ingekraste teekeningen, steenen wapenen, ja zelfs alleen overblijfselen van dierlijke beenderen, die blijken op een bepaalde "menschelijke" manier te zijn behandeld, gespleten (om het merg er uit te halen) of iets dergelijks, al volkomen voldoende om tot het bestaan van menschen te kunnen besluiten. Dit wordt niet door iedereen toegegeven. Zoo zegt Gabriel de Mortillet, de vader van het moderne praehistorisch onderzoek, in zijn beroemd boek Le Préhistorique, dat er in het tertiaire tijdperk wezens zouden hebben bestaan, "Assez intelligents pour faire le feu," [9] maar dat "ces êtres n'étaient pas et ne pouvaient pas être encore des hommes," [10] doch dit schijnt mij een volkomen onjuiste redeneering. Vindt men op een aantal plaatsen in tertiaire lagen gesteenten, die door hun vorm en bewerking blijk geven voor bepaalde doeleinden te zijn gebezigd en met vuur te zijn bewerkt, dan moet men aannemen, dat gedurende die perioden menschelijke wezens op aarde bestonden. De groote moeilijkheid bestaat nu evenwel daarin, dat het juist waar het die allereerste, uiterst primitieve werktuigen (de zoogenaamde eolithen) (Fig. 4) betreft, uit den aard der zaak dikwijls lastig is, menschelijke artefacten te herkennen van door de natuurkrachten zelve veroorzaakte blussen en afgesplinterde kanten van de steenen. Ik kom hierop later bij de beschrijving der verschillende steenen werktuigen (bl. 47) nader terug, en kan hier volstaan met te doen uitkomen, dat van dezelfde eolithen, die door archaeologen van grooten naam voor primitieve steenwerktuigen, door menschelijke wezens gebruikt, worden gehouden, door andere, niet minder ervaren deskundigen, met dezelfde overtuiging wordt beweerd, dat het niet anders zijn dan uit een hoop door de natuur (door bergstroomen, watervallen, steenstortingen enz.) afgeslepen en afgesplinterde kiezelsteenen uitgezochte exemplaren, die toevallig wel wat op steenen werktuigen geleken. Door de voorvechters der eolithen-theorie wordt dit met diepe verachting aangehoord, en gezegd dat een in deze kwestie wezenlijk ervaren archaeoloog dergelijke door de natuur geboetseerde steenstukken nimmer zal verwarren met de echte eolithen, en hoe dit ook zijn moge, men moet hun toch toegeven, dat het dan toch wel uiterst merkwaardig zou zijn, als juist en alleen in het laatste gedeelte van het tertiaire tijdperk, vóór het begin van de periode der direct als zoodanig herkenbare steenen werktuigen, dergelijke "vervalschingen" door de natuurkrachten zouden zijn gemaakt, en later niet meer.

Voor op stukken ivoor, beenstukken, hoorn, of op den wand van grotten ingekraste teekeningen geldt dit natuurlijk niet. Vindt men eene als zoodanig herkenbare teekening van een of ander dier, dan kan men niet anders aannemen dan dat een dergelijke teekening het werk van menschen is geweest. En als wij van dergelijke teekeningen vinden, ingekrast op uit oude steenlagen opgedolven stukken fossiel ivoor, of fossiele rendierhoornen, of op den wand van grotten, die, geheel en al dichtgeslibd, eerst in den laatsten tijd weer "ontdekt" en door voorzichtig uitgraven toegankelijk zijn gemaakt, dan is aan de echtheid dier teekeningen niet te twijfelen.

Zoo heeft men bijvoorbeeld teekeningen van mammoets en andere voorwereldlijke dieren aangetroffen op den wand van druipsteengrotten, diep bedolven onder de kalkafzettingen. Als men nu bedenkt, hoe uiterst langzaam zulk een kalklaag zich afzet, en hoe vele duizenden jaren het dus moet geduurd hebben voor zulk een teekening, oorspronkelijk op ongeveer manshoogte in den rotswand gekrast, zoo geheel onder de steeds aangroeiende kalklaag van den bodem bedolven is geworden, dan kan men zich eenigszins een denkbeeld maken van de vele eeuwen, die verloopen moeten zijn, sinds de oude holbewoner daar met een scherp stuk steen in diep ontzag voor het geweldige dier, dat hij wellicht met zijne makkers had nagejaagd, diens omtrekken in den rotswand kraste.

Al hadden wij dus geen enkel menschelijk overblijfsel uit den voortijd opgedolven, dan zouden wij ons toch door deze dingen een denkbeeld kunnen vormen van den ouderdom van het menschelijk geslacht. Ja wij kunnen ons zelfs eenigermate eene voorstelling er van maken, hoe die menschen uit den voortijd moeten hebben geleefd, van hunne beschaving (sit venia verbo), van hunne eigenschappen, van hunne omgeving.

Aan die steenen werktuigen bijvoorbeeld is een duidelijke vooruitgang in de bewerking, naarmate men jongere steenlagen onderzoekt, niet te miskennen.

Het diepst onder den beganen grond, in de oudste steenlagen, te zamen met overblijfselen van dieren die in het begin van den ijstijd moeten hebben geleefd, vindt men slechts ruw behouwen vuursteenstukken, die ternauwernood den naam van werktuigen kunnen dragen en slechts aan het geoefend oog van den ervaren onderzoeker als zoodanig herkenbaar zijn; maar langzamerhand zien wij, naarmate wij jongere steenlagen of afzettingen onderzoeken, de techniek der bewerking beter en fijner worden, de steenen werktuigen nemen een bepaalden vorm aan, die in typische gestalten voor bepaalde doeleinden geschikt gemaakt schijnt te worden; wij vinden steenen bijlen, priemen, messen, pijlspitsen, wiggen, van scherp omschreven, steeds als zoodanig herkenbaren vorm. In steenlagen van denzelfden ouderdom, herkenbaar aan de daarin gevonden dierlijke overblijfselen, treedt dan steeds dezelfde voor die periode karakteristieke vorm der steenen werktuigen op. Onderzoeken wij jongere steenlagen, wederom herkenbaar aan de daarin voorkomende overblijfselen van dieren uit het laatste gedeelte van den ijstijd of uit een der warmere tusschenperioden, dan zien wij den vorm der steenen werktuigen weer anders worden, regelmatiger, beter bewerkt, in grooter verscheidenheid. Zoo wordt ook in deze werktuigen een beeld ontrold van langzamen vooruitgang en ontwikkeling. Maar er is meer. Als wij een bepaald type van steenen werktuigen (men vergelijke de lijst aan het einde van dit hoofdstuk) uitsluitend in holen vinden te zamen met overblijfselen van dieren als de holenbeer, de holenleeuw, de mammoeth, dieren dus, die in de koude perioden van den ijstijd hebben geleefd, dan moeten wij wel daaruit de gevolgtrekking maken dat die werktuigen door typische holbewoners, door troglodyten, werden vervaardigd. Vinden wij dan beter bewerkte steenen werktuigen van een bepaald type nooit in die holen, maar in kiezelbeddingen aan den oever der groote rivieren, te zamen met overblijfselen van dieren, die in de warmere tusschenperioden hier hebben geleefd, van het nijlpaard, van den rhinoceros van Merck, van den aueros, dan moeten wij wel tot het besluit komen, dat de menschen, toen zij den trap van ontwikkeling hadden bereikt, waarop zij werktuigen van dat bepaalde type vervaardigden, niet in holen leefden, doch in het vrije veld, aan den oever der grootere rivieren, in een zachter klimaat derhalve. Vinden wij dan verder in dezelfde holen, waarin wij diep (bijvoorbeeld 8 meter) onder den grond de bovengenoemde eenvoudige, ruw bewerkte steenen werktuigen vonden, op een veel hooger niveau, bijvoorbeeld 1 meter onder den beganen grond, (men vergelijke bijv. het in fig. 24 geteekende profiel van een dergelijk hol met een aantal verschillende grondlagen boven elkaar) een steenlaag, waarin wij veel fijner bewerkte en anders gevormde steenen werktuigen vinden, te zamen met overblijfselen van dieren, die eerst in het laatste gedeelte van den ijstijd hier in Europa voorkwamen, dan ligt de slotsom voor de hand, dat op de minder koude periode, waarin de mensch de holen verliet en als oeverbewoner aan den rand der groote rivieren leefde (wellicht daartoe gedwongen, doordat de geweldige waterstroomen, die het gesmolten ijs der ijstijdgletschers naar zee voerden, de holen hadden overstroomd, waarin zijne voorvaderen hadden geleefd), weer een tijdperk van hernieuwde koude gevolgd was, waarin de gletschers weer bevroren en weer naar het Zuiden verder voortdrongen, de groote stroomen ophielden te vloeien en het barre klimaat den mensch weer terugdreef naar de nu gedeeltelijk dichtgeslibde holen, waarin wellicht, nu diep onder den aangeslibden grond, zich nog de overblijfselen van zijn voorouders van voor duizenden jaren bevonden.

Niet slechts de bewerking van den vuursteen ontwikkelt zich. In het laatste gedeelte van den ijstijd zien wij de overblijfselen van den mammoeth schaarscher worden. Het rendier treedt op, en in steeds grooter en grooter aantal vinden wij de overblijfselen van dit dier naast de steenen werktuigen bij de menschelijke overblijfselen. Naast den vuursteen leert de mensch het rendierhoorn gebruiken, tot wapens versnijden, voor huiselijk gebruik dienstbaar maken. Naast spitse dolken van rendierhoorn vinden wij nu fijne pijlpunten met weerhaken voorzien, hoornen haken en naalden om de kleederen vast te maken, doorboorde en met figuren bekraste hoornstukken om als versiering, wellicht als amulet, aan den hals te dragen, in steeds beter afgewerkten vorm, terwijl ook de techniek van de bewerking van den vuursteen de hoogte bereikt, waarop voorwerpen als in fig. 5 naar Deensche vondsten zijn afgebeeld, stonden. Daarmede is dan evenwel het zoogenaamde oud-steenen tijdperk, het palaeolithicum, afgeloopen en zijn wij in het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, gekomen, op een tijdstip derhalve, waarop de mensch al een zekere hoogte van ontwikkeling bereikt had, in een aantal rassen de geheele aarde bevolkte, en de kinderschoenen dus al ontwassen was. Daarop ga ik hier dus niet verder in.

Er is evenwel nog een ander feit, waarop ik hier bij deze algemeene bespreking de aandacht wil vestigen, omdat het ons over den aard van den praehistorischen mensch zooveel leert.