De afstamming van den mensch Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt
Part 2
V. Quaternaire (quartaire) periode { Pleistocaene periode. (Vierde levenstijdperk) { (palaeolithicum) { oud-steenen tijdperk. { Holocaene periode { (neolithicum { bronstijdperk { ijzertijdperk { geschiedkundig { tijdperk.)
II DE PLAATS VAN DEN MENSCH IN DIT ONTWIKKELINGSPROCES
"Man still bears in his bodily frame the indelible stamp of his lowly origin." [5]
Darwin.
Staat de mensch nu buiten dit evolutieproces? Of moeten wij ook hem een plaats in het geheel aanwijzen, waarvoor dezelfde wetten gelden die de ontwikkeling van het dieren- en plantenrijk hebben beheerscht? En zoo dit laatste als juist wordt aangenomen, welke zal dan die plaats zijn?
Wij naderen hier een gebied, dat tot de meest doorwerkte doch ook tot de felst omstreden gebieden behoort, welke de denkende menschelijke geest heeft trachten te ontginnen. Immers hier kwam de moderne bioloog ten slotte in open conflict met de oude anthropocentrische wereldbeschouwingen, met de mozaïsche scheppingsverhalen, met zoo veel van wat door alle eeuwen heen voor waar en heilig werd gehouden. Nu is langzamerhand in den loop der jaren de strijd wel minder heftig geworden en heeft men leeren inzien, dat een vast geloof in de geestelijke waarde van den mensch gepaard kan gaan met de overtuiging, dat de mensch zich, als een integreerend deel van de dierenwereld, uit die dierenwereld heeft ontwikkeld, heeft losgemaakt, en dat een diep godsdienstig gevoel samen kan gaan met een geloof in de idee der evolutie, ook wat den mensch betreft, doch men houdt toch nog maar al te dikwijls aan een afzonderlijk staande plaats van den mensch in de schepping vast, ook daar waar de evolutie voor het dierenrijk als een juist beginsel wordt erkend.
Voor den denkenden bioloog, die steeds er naar streeft, te trachten de dingen om hem heen objectief te beschouwen, ze op hun juiste waarde te schatten, en zich streng aan datgene te houden wat binnen de grenzen van zijn waarnemingsvermogen, van zijn wetenschap valt, die steeds zooveel mogelijk zich rekenschap tracht te geven van den samenhang van de verschillende feiten, die hij leert kennen, is mijns inziens slechts één antwoord op de bovengestelde vraag mogelijk, n. l. dat ook de mensch één is met de levende wereld om hem heen, daarvan een integreerend deel uitmaakt, en dat ook aan den mensch een plaats in dit voor de dieren- en plantenwereld geschetste evolutie-proces toekomt.
Deze overtuiging wordt ons onafwijsbaar opgedrongen door hetgeen drie takken van de morphologische wetenschap ons leeren, de palaeontologie, de leer der fossielen, de vergelijkende ontleedkunde en de ontwikkelingsgeschiedenis.
Wat ons de palaeontologie omtrent het probleem van de afstamming van den mensch leert, zullen wij in de volgende hoofdstukken nader uiteenzetten. Wat de beide andere wetenschappen ons leeren, zij hier kort vermeld.
Als wij de groote verschillen in aanmerking nemen, die bijv. tusschen de verschillende zoogdiersoorten bestaan, dan kan het ons niet verwonderen, dat zelfs tusschen de hoogst ontwikkelde zoogdieren en den mensch nog een aantal verschillen in bouw bestaan, al zijn ook de hoofdlijnen van den bouw bij beide dezelfde. Als wij van dit standpunt uit den bouw van het menschelijk lichaam beschouwen, dan treft ons in de eerste plaats telkens weer de wondervol harmonische ontwikkeling van het menschelijk organisme. Bij geen diersoort vindt men (en dit is vermoedelijk juist het geheim van zijn snelle ontwikkeling) een anatomischen bouw, die zulke primitieve eigenschappen vertoont, en waarvan alle deelen zich zoo in volkomen harmonie met elkaar, zoo gelijkmatig hebben ontwikkeld, als juist bij den mensch. Hier geen gebit, in een bepaalde richting sterk gedifferentieerd, hier geen bovenmatig sterk ontwikkelde spiergroepen voor bepaalde bewegingscombinaties, geen bovenmatig verlengde extremiteiten in aanpassing aan een bepaalde levenswijze, hier geen darmkanaal ingericht en uitsluitend geschikt voor het opnemen en verteren van een bepaald soort voedsel; neen, een volkomen harmonische ontwikkeling van alle organen, en daardoor een volledig aanpassingsvermogen aan de meest verschillende omstandigheden, en, anatomisch gesproken, een vereeniging van primitieve, niet sterk gedifferentieerde vormen en kenmerken, zooals geen tweede diersoort ons kan aanwijzen.--Wij zullen later zien, hoe dit juist het waarschijnlijk maakt, dat de lijn van ontwikkeling van het latere menschelijke geslacht zich al zeer spoedig losgemaakt moet hebben van de lijn van ontwikkeling der overige zoogdieren.
Maar tevens leert ons de vergelijkende anatomie, dat in de hoofdlijnen van den bouw er een volkomen overeenstemming bestaat, een overeenstemming, die te grooter blijkt te zijn, naarmate men door het nauwkeurig leeren kennen van een steeds grooter aantal verschillende diervormen meer en meer onder de voor bepaalde diersoorten kenmerkende eigenaardigheden de groote hoofdlijnen, men zou kunnen zeggen de compositie van den geheelen bouw, leert onderscheiden.
Het zou nu evenwel nog niet voldoende geacht kunnen worden om op grond van deze overeenstemming van een werkelijke verwantschap te spreken. Maar wij kunnen feiten, die voor dit laatste pleiten, wel degelijk direct zien.
Evenals bij de verschillende diersoorten, komen ook bij den mensch zoogenaamde individueele variaties voor, waarbij zich bij enkele individuen bepaalde organen vertoonen, die bij normale menschen niet voorkomen, of organen die steeds aanwezig zijn, bepaalde, niet bij den gewonen mensch voorkomende veranderingen in bouw, grootte of samenstelling vertoonen. En nu is het uiterst merkwaardig, dat bij dergelijke variaties bijna steeds veranderingen optreden, die een toestand verwezenlijken, zooals die bij de hoogere diersoorten als regel, als norma, bestaat. Zoo hebben wij bijvoorbeeld een aantal spieren aan hand en arm om de verschillende zoo samengestelde en talrijke bewegingen van ons grijp- en tastorgaan te kunnen uitvoeren. Bij dat samenstel van grootere en kleinere spieren treden nu nog al eens variaties op, en als zich dan bij een bepaald individu een spier vertoont, die bij normale menschen niet voorkomt, of een wel steeds voorkomende spier een anderen vorm dan in normale gevallen vertoont, dan is bij eene dergelijke variatie bijna altijd een geval verwezenlijkt, dat bij de hoogste zoogdieren (bijv. bij de apen of bepaalde aapsoorten) als normaal geval steeds aanwezig is.
Zoo bezit de mensch twee borstklieren, die bij het vrouwelijk geslacht sterk ontwikkeld zijn en de voor de voeding van den zuigeling noodzakelijke melk afscheiden. Terwijl de hoogstaande zoogdieren ook twee dergelijke borstklieren bezitten, zijn bij de meeste overige zoogdieren een reeks van dergelijke klieren aanwezig, in een lijn (de zoogenaamde melklijn) aan weerszijden langs den buik gegroepeerd. Indien nu, wat nog al eens voorkomt, bij den mensch zoogenaamde overtollige borstklieren gevonden worden, dan liggen deze altijd op die lijn, m. a. w. dan zijn dat altijd organen, die bij de lagere zoogdieren als regel, als norma, optreden, die bij den mensch echter als slechts zoo nu en dan voorkomende variatie nog weer eens zich vertoonen.
Ook in veranderingen, variaties, die bij andere organen van het menschelijk lichaam zoo nu en dan gevonden worden, vindt men steeds weer hetzelfde verschijnsel terug, ziet men telkens en telkens weer eigenaardigheden in bouw en vorm optreden, die herinneren aan vormingen, die bij de hoogste zoogdieren als constante, altijd voorhanden zijnde kenmerken gevonden worden. In den vorm der oorschelpen zien wij zich somtijds de toegespitste oorschelp van de hoogste zoogdieren afspiegelen, sterke beharing van het geheele lichaam of het gelaat (men denke bijv. aan de eertijds zoo beroemde danseres Juliana Pastrana) brengt ons in rangschikking en richting van de haren dierlijke vormen in de herinnering, afwijkingen in de rangschikking van verschillende deelen, van het bloedvaatstelsel, in rangschikking, vorm en aantal van de neusschelpen, in de grootte van het zoogenaamde orgaan van Jacobson in den neus, in den bouw van het strottenhoofd, van de geslachtsklieren, van verschillende deelen van het skelet, geven ons even zoovele aanknoopingspunten te zien aan vormingen die in het dierenrijk als normale kenmerken optreden, kortom, men kan, zooals o. a. Wiedersheim in zijn beroemd geworden boek "der Bau des Menschen als Zeugnis für seine Vergangenheit" [6] deed, alle organen van het menschelijk lichaam nagaan, en overal vindt men verschijnselen, die ons onweerstaanbaar dwingen, een nauwe verwantschap met, een afstamming uit het dierenrijk voor den mensch aan te nemen.
En nog sterker dringt deze overtuiging zich aan ons op, als wij de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch nagaan en haar vergelijken met die van de zoogdieren.
Dank zij de groote verbeteringen van de microscopische techniek is in de laatste 50 jaren een helder inzicht verkregen in de ontwikkelingsgeschiedenis van tal van diervormen, zoodat wij dikwijls tot in de fijnste bijzonderheden den verwonderlijk mooien ontwikkelingsgang van de verschillende organen, die het dierlijk lichaam opbouwen, hebben kunnen nagaan. Voor bepaalde diervormen heeft men dien ontwikkelingsgang stap voor stap, bijna van uur tot uur, kunnen bestudeeren. Het bleek nu hierbij hoe langer hoe meer, dat voor de verschillende diervormen de ontwikkeling, uitgaande van hetzelfde uitgangspunt, de ongedifferentieerde eicel, in groote trekken geteekend, hetzelfde verloop had, en dat, hoe dichter de dieren, wat hunne kenmerken betreft, bij elkander stonden, des te meer de ontwikkelingsgang voor die vormen evenwijdig liep. En hierbij bleek tevens, hoe juist in de ontwikkelingsgeschiedenis de duidelijkste bewijzen opgesloten lagen voor den samenhang en de verwantschap der dieren onderling, voor de idee der evolutie, voor het ontstaan der soorten uit elkaar, door langzame verandering, aanpassing, volmaking. Wij zien organen, lichaamsdeelen, die bij lagere dieren gedurende het geheele leven in een primitieven vorm blijven bestaan, zich bij de embryonen der hoogere dieren eerst in denzelfden vorm aanleggen, waarin zij bij die lagere dieren zijn aangelegd. Doch dan zien wij bij den voortgang van het ontwikkelingsproces in die organen verdere veranderingen optreden, die langzamerhand den toestand inleiden, waarin dat orgaan gedurende het leven van die hoogere diersoort zal blijven verkeeren. Wij zien bij het embryo van alle zoogdieren zich kieuwspleten aanleggen, al hebben de kieuwen hun reden van bestaan eigenlijk verloren, sinds de voorvaderen der zoogdieren uit het water op het land overgingen en tot landdieren werden. Wij zien het bloedvaatstelsel in aanleg ook bij de zoogdieren bloedvaten vormen, die bij hunne nog in het water levende voorvaderen langs de kieuwspleten liepen om voor de opname van de zuurstof uit het water, de ademhaling dus, te zorgen, al hebben om dezelfde reden ook deze bloedvaten bij de zoogdieren hun reden van bestaan verloren. Wij zien uit deze kieuwspleten en uit de stevige beschutsels daarvan, de kieuwbogen, zich allerlei organen ontwikkelen, zooals de schildklier, het strottenhoofd, de gehoorbeentjes etc., die eerst bij de zoogdieren tot volle ontwikkeling komen en een belangrijke rol in het leven van het dier krijgen te vervullen. Wij kunnen vaststellen, hoe in het algemeen die kenmerken, die alleen eigen zijn aan de hoogst ontwikkelde diervormen, en die dus bij de evolutie van de soort eerst laat moeten zijn opgetreden, ook in de individueele ontwikkeling dier hoogst ontwikkelde diersoorten, eerst laat, eerst in het laatste tijdperk van het embryonale leven, zich kenbaar maken. Kortom, wij zien bij het bestudeeren van de ontwikkelingsgeschiedenis van een of ander zoogdier zich een beeld ontrollen van de duizenden en duizenden jaren, gedurende welke die bepaalde soort zich bij den ontwikkelingsgang van de aarde door langzame evolutie uit laagstaande vormen in duizenden op elkaar volgende, uit elkaar voortgekomen, individuen trapsgewijze heeft opgewerkt, ontplooid, ontwikkeld, volmaakt, totdat de vorm bereikt was, waarvan wij nu aan het levende dier de fijne, harmonische organisatie, de volkomen aanpassing aan de omstandigheden, waaronder het verkeert, het samengestelde van de zoo nauwkeurig aan elkaar aansluitende levensverrichtingen bewonderen. En naarmate wij van meerdere diervormen een nauwkeurig beeld van de ontwikkelingsgeschiedenis verkrijgen, naarmate wij dus beter en beter de waarde van de verschillende détails, de plaatselijke aanpassingen der verschillende vormen kunnen beoordeelen en de hoofdlijnen daarvan kunnen losmaken, in die zelfde mate wint het beeld van het geheele proces der evolutie van het dierenrijk, dat wij zich zien ontrollen uit die individueele ontwikkelingsprocessen der verschillende diervormen, aan duidelijkheid en volledigheid.
De ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch vertoont ons nu een beeld, dat volkomen in dit kader past. In de groote lijnen is het de zoogdierontwikkeling, die ons het wordingsproces van het menschelijk embryo te zien geeft. Juist als bij het zoogdierembryo zien wij zich bij de zich uit de eicel vormende menschenkiem kieuwspleten vormen. Dezelfde organen, die bij de zoogdieren uit die kieuwspleten en uit de zich tusschen de spleten bevindende kieuwbogen ontstaan, zien wij ook bij het menschelijk embryo zich op dezelfde wijze, langs denzelfden weg, volgens dezelfde methode, daaruit vormen. Dezelfde samengestelde ontwikkelingsgang, die door het zoogdierembryo moet worden gevolgd, zien wij ook het menschelijk embryo doormaken. Dat er in bijzonderheden verschillen bestaan, spreekt natuurlijk vanzelf. Evenals wij bijvoorbeeld reeds op een zeer jong stadium van ontwikkeling een varkensembryo met zekerheid kunnen onderscheiden van een embryo van een kat of een konijn, zoo kan de geschoolde embryoloog op elk stadium van ontwikkeling met volkomen zekerheid zeggen, of hij met een menschelijk embryo dan wel met het embryo van een of ander zoogdier te doen heeft, maar de gang, het verloop van het ontwikkelingsproces, het op elkaar volgen van de verschillende stadiën, de wijze van aanleg van de verschillende organen en orgaanstelsels is bij beiden zoo volkomen gelijk, dat de overtuiging, dat slechts een gemeenzame afstamming, een door den mensch en door de zoogdieren doorgemaakte evolutie, een dergelijke overeenstemming kan doen ontstaan, zich met onweerstaanbare kracht aan ons opdringt. Het is verwonderlijk om te zien, hoe bijvoorbeeld een bepaald gedeelte van het nierapparaat, dat wij slechts bij de visschen en de tweeslachtige dieren op een bepaalde wijze tijdens het leven zien functioneeren, toch bij het menschelijk embryo evenals bij de zoogdieren duidelijk wordt aangelegd, om echter bij de verdere ontwikkeling weer spoorloos te verdwijnen, als een reminiscentie aan den grijzen voortijd, alleen omdat de uitvoergang van dat apparaat nog in de verdere ontwikkeling een bepaalde rol speelt, de aanleg van het apparaat zelf dus noodig was. Het geslachtsapparaat zien wij in een uiterst samengestelden ontwikkelingsgang de verschillende phasen doormaken, waarop wij het bij de lagere dieren gedurende het geheele leven zien blijven staan; de beharing van het lichaam, bij den volgroeiden mensch grootendeels verloren gegaan, zien wij bij het menschelijk embryo op volkomen dezelfde wijze tot ontwikkeling komen als bij de zoogdieren, ja men heeft zelfs aan de rangschikking van de haren in het begin hunner ontwikkeling bij het menschelijk embryo nog de duidelijke sporen kunnen terugvinden van de huidbekleeding met schubben, die onze voorouders in den grijzen oertijd eenmaal moeten hebben bezeten. De mensch is staartloos; dat hij zich echter moet hebben ontwikkeld uit voorouders, die wel een dergelijk aanhangsel bezaten, blijkt behalve uit het feit, dat zoo nu en dan als variatie, als terugslag, nog een staart bij een voldragen kind wordt gevonden, daaruit, dat in een vroeg stadium van ontwikkeling bij het menschelijk embryo een zeer duidelijke staart wordt aangelegd, die evenwel na eenigen tijd weer verdwijnt. Bij de ontwikkeling van de menschelijke borstklier zien wij de reeds op een vorige bladzijde genoemde "melklijn" zich als een normaal verschijnsel vertoonen, de oorschelp zien wij zich ook bij den mensch uit de huidplooien in de omgeving der kieuwspleten, de gehoorbeentjes zich ook bij den mensch uit bepaalde gedeelten der oorspronkelijke kieuwbogen vormen, kortom, er is geen detail van den ontwikkelingsgang van het menschelijk embryo, of wij kunnen het alleen dan begrijpen, als wij ons den mensch voorstellen in volkomen samenhang met de dierenwereld voortgesproten uit dierlijke voorvaderen.
Staat de mensch, de "kroon der schepping," aan de spits van het dierenrijk? Zeer zeker niet. In vele opzichten is in materieelen zin de menschenvorm minder bevoorrecht dan vele zijner natuurgenooten. In kracht van spieren zijn wij achteruitgegaan, in gezichtsvermogen, gehoor en reuk doen wij ver onder bij de hoogere zoogdieren, het aannemen der rechtopstaande houding heeft ons menig nadeel bezorgd, van specialisatie in deze of gene richting is weinig te merken, en, zooals boven reeds werd opgemerkt, juist daarin ligt de kracht van den menschenvorm, juist daarin ligt het geheim zijner snelle ontwikkeling en vooral van zijn vermogen zich harmonisch in alle richtingen tegelijk te kunnen ontwikkelen.
III DE POSTPLIOCAENE IJSTIJD IN EUROPA
In het eerste hoofdstuk werd reeds in groote trekken beschreven, hoe wij aan het einde van de tertiaire aardperiode een meer algemeenen zoogenaamden "ijstijd" zien optreden, d. w. z. een periode in de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, waarin de gemiddelde temperatuur zoo verlaagd wordt dat een groot gedeelte van Europa, ja van de geheele wereld, met ijs en sneeuw bedekt wordt.
Daar wij later zullen zien, dat de eerste als zoodanig herkenbare sporen van den mensch juist in de formaties uit dien ijstijd worden gevonden, zoo is het niet ondienstig, verschillende eigenaardigheden, die dien ijstijd hebben gekenmerkt, en vooral de dieren, die toen ter tijde Europa bevolkten en die dus als tijdgenooten van de eerste menschen optreden, wat nader te beschouwen.
Wij zagen reeds, dat de aan het einde der tertiaire periode optredende ijstijd niet de eerste afkoelingsperiode is, doch slechts die eerste periode van afkoeling, waarbij de gemiddelde temperatuur over groote uitgestrektheid zoo laag wordt, dat het water gaat bevriezen en dus ijs en sneeuw in kolossale massa's een groot deel van Europa gaan bedekken.
Geweldige ijsmassa's, dikwijls honderden meters dik, bedekten meer en meer, bij de voortgaande daling van de temperatuur, van het noorden van Scandinavië zich verder en verder naar het zuiden van Europa uitstrekkende, het vasteland van Europa. Evenals wij nu nog aan de gletschers in het alpengebied het zoogenaamde "stroomen" van het ijs, het langzaam naar beneden voortschuiven der plooibare ijsmassa zien kunnen, zoo moeten wij ons ook voorstellen dat gedurende den ijstijd die geweldig dikke ijsmassa's zich eveneens voortschoven, waarbij geheele bergtoppen werden afgeslepen (aan de gladde, ronde bergtoppen in den Eifel is dit bijvoorbeeld nog zeer duidelijk te zien), en het afgeslepen en afgebrokkelde materiaal dikwijls in den loop der tijden duizenden kilometers ver werd medegenomen, om, als in een interglaciale periode de temperatuur iets hooger werd en de ijsmassa's smolten, op het daaronder gelegen land te worden gedeponeerd, zoodat wij in aangeslibde rotslooze streken zooals bijvoorbeeld Holland, rotsblokken, zoogenaamde zwerfblokken vinden liggen, die volgens den aard van het gesteente, waaruit zij bestaan, uit Skandinavië moeten afkomstig zijn. Bij het smelten dier geweldige ijsmassa's ontstonden waterstroomen, die als reusachtige rivieren zeewaarts stroomden, de diepe dalen als bijvoorbeeld het Neckardal langzamerhand uitgroeven, en het afslijpsel van het stroomende gletscherijs, tot kiezelsteenen rondgeslepen, of tot zand vermaald, op verschillende plaatsen in dikke lagen afzetten.
Door het zich in vasten vorm afzetten van de reusachtige hoeveelheden water, die als ijs en sneeuw een groot gedeelte van het vasteland bedekten, daalde de zeespiegel vermoedelijk zeer sterk, tientallen van meters. Eerst langzamerhand werd dit, als na het smelten van het ijs het water weder naar de zee was teruggestroomd, hersteld, doch een gevolg hiervan was, dat de vorm van het vasteland door den ijstijd sterk werd veranderd, dat ondiepe zeeën droog lagen, landbruggen zich vormden, waarlangs de dieren zich van het eene werelddeel naar het andere konden begeven, zoodat zij op deze wijze het leven konden redden, dat bedreigd werd door het alle leven vernietigende, alle voedsel bedekkende ijs en de uitgestrekte doodsche sneeuwvelden.
Konden zij dat niet, dan stierven zij eenvoudig uit, en zoo zien wij dan ook juist door dien ijstijd het karakter van de dierenwereld sterk veranderen. Men kan aan de fossiele overblijfselen der dieren uit den ijstijd duidelijk aantoonen, hoe zij door de in het verloop van den ijstijd steeds meer en meer naar het zuiden voortdringende ijs- en sneeuwmassa's naar het zuiden werden gedrongen, hoe zij, bij het teruggaan van de sneeuwlijn in eene interglaciale periode weer mede noordwaarts trokken, omdat op het vruchtbare vochtige gebied van de door het smelten van het ijs vrijgekomen eindmorainen een weelderige plantengroei, overvloedig voedsel derhalve, ontstond. Men kan nagaan, hoe de dierenwereld zich trachtte te verdedigen tegen, aan te passen aan de alles vernietigende ijzige koude, die hun bestaan bedreigde, en zoo zien wij juist gedurende dien ijstijd die eigenaardige dichtbehaarde vormen optreden als de langbehaarde mammoeth, de langharige neushoorn, en die vormen die in holen beschutting zochten tegen de koude, de holenbeer, de holenleeuw, de holenhyæna, de holenwolf.
Kortom, er is geen periode denkbaar, die meer heeft ingegrepen in de bestaansvoorwaarden der dieren- en plantenwereld, in de gesteldheid van onze aarde, die grooter veranderingen heeft teweeggebracht in alle mogelijke opzichten, als juist die reeks van tijdperken die wij als den postpliocaenen ijstijd samenvatten.
Laten wij even vooruitloopen op wat wij later moeten behandelen en ons afvragen: is het wonder, dat juist in dien tijd de voorloopers van het menschelijk geslacht, bij dien steeds feller wordenden strijd om het bestaan hunnen geest scherpten, hunne vindingrijkheid ontwikkelden, wapenen (knotsen, werptuigen) gingen gebruiken, en niet slechts defensief, doch ook offensief gingen optreden, en zoo den heerschersrang in het dierenrijk veroverden, die hen sedert door geen dier is betwist, zoo tot werkelijke menschen werden?
Juist de ijstijd heeft vermoedelijk den grooten aanstoot tot de laatste, volledige ontwikkeling van het menschelijk geslacht gegeven, toen de mensch de steeds toenemende koude, het steeds schaarscher worden van het voedsel, door nieuwe middelen, door zich met beschuttende omhulsels te bedekken, door betere wapens te gebruiken, door zich als "sociale" wezens te vereenigen tot grootere groepen met bepaalde arbeidsverdeeling en toch met individueele vrijheid van handelen, moest bestrijden. Slechts in dien voortdurenden strijd is het geheim van zijne snelle ontwikkeling gelegen.