Part 9
Ten overvloede wijs ik den Heer VAN VEEN op het in dit jaar verschenen "Verslag der onderzoekingen van het Bureau voor het opmaken van een meer uitgewerkt plan met begrooting voor den aanleg van een gedeelte van de afsluiting der Zuiderzee en indijking en droogmaking van de Wieringermeer, samengesteld door den ingenieur van den Rijks-Waterstaat DE BLOCQ VAN KUFFELER." Hij zal daaruit zien hoe in bijna alle onderdeelen is afgeweken (in sommige zeer veel!) van het globale plan der Staatscommissie, o. a. ten opzichte van de plaats der buitendijken en van hunne samenstelling en afmetingen, van de afwaterings- en scheepvaartkanalen ten behoeve der aangrenzende landen, van de verdeeling in polders en van hunne bemaling, vooral ook ten aanzien van de bestrijding der kwel uit de diluviale gronden van Wieringen, welke quaestie door de Staatscommissie in 't geheel niet onder de oogen is gezien. Enz., enz.
Laat men toch nu niet gaan strijden over de technische uitvoering der onderdeelen, die nog volstrekt niet vaststaat. Dat is immers vechten tegen windmolens!
* * * * *
"De drooglegging der Zuiderzee. Het plan J. ULEHAKE contra het plan C. LELY."
Aldus luidt de bescheiden titel van een in dit jaar verschenen boekje van iemand die zijn naam niet noemt (maar blijkbaar ook een niet-technicus), waarin hij op geestdriftige wijze het plan aanbeveelt van den Heer ULEHAKE, onderwijzer in den Grooten IJpolder, dat deze een jaar of negen geleden aan H. M. de Koningin heeft aangeboden en waarvan de resultaten "veel schitterender zullen zijn dan die van 't plan LELY".
Dat plan komt in hoofdzaak neer op het afsluiten der zeegaten van den Helder tot de Eems, zoodat ook al het inktkokerzand achter de eilanden zal worden drooggelegd. Die zeegaten zijn wel diep, o. a. dat van den Helder tot 41 M., maar men schrikt daarvan alleen zoo erg, omdat in de nota's der Zuiderzee-Vereeniging de hoogteschaal veel grooter is genomen dan de lengteschaal. Alsof dit het feit wegneemt dat het gat toch 41 M. diep is!
Onze bescheiden onderwijzer, die een afsluitdam door zulk een diepte toch ook wel wat bar schijnt te vinden, heeft er wat op gevonden: hij legt dien meer naar buiten in een gebogen vorm, zoodat hij dan 2 of 3 gaten heeft af te sluiten, waar hij ook nog met diepten van 10 à 11 M. te doen heeft, maar waarin "natuurlijk de strooming veel minder sterk zal zijn dan in de Helsdeur"--waarom dit "natuurlijk" is schijnt niet recht duidelijk. Dat werkje in volle zee--een sprong in 't duister, waarvan zeker niemand kan zeggen of het 30 of 300 millioen zal kosten--is "een natuurlijk plan", omdat het "van de bestaande banken en eilanden profiteert."
Er moeten dan nog minstens zes andere zeegaten worden gedicht en een afsluitdijk langs de Eems worden gemaakt, maar daaromtrent verneemt men slechts de teleurstellende mededeeling: "Het spreekt van zelf, dat de zeegaten en Waddengedeelten, als vallende buiten het plan LELY, niet in _die_ mate en richting werden onderzocht, om voldoende gegevens voor het plan U. te verschaffen. Wel verklaarde een ervaren waterbouwkundig ingenieur, dat de technische bezwaren, aan het dempen (_sic_) der zeegaten verbonden, _enkel_ "geldelijke" waren, en het dus volstrekt niet onmogelijk blijkt, dat de resultaten van 't plan U. veel schitterender zullen zijn dan die van 't plan LELY." Als die ervaren ingenieur werkelijk dien volstrekten onzin heeft uitgesproken, dat nl. de _technische_ bezwaren enkel _geldelijke_ waren, dan is 't maar goed dat zijn naam niet genoemd wordt.
Maar toch heeft onze plannenmaker al die afsluitingen aangeduid door streepjes op een schetsje, waarop de eigenlijke Zuiderzee de grootte heeft van een rijksdaalder.
Daarop staan ook veel dunne en dikke lijntjes die de verlenging van den IJsel naar het zeegat van den Helder en daarop uitkomende kanalen voor de afwatering en de scheepvaart schijnen te moeten voorstellen. Deze zullen dus, voor zooveel het verlengde van den IJsel en de daarmee in open verbinding staande kanalen betreft, ter weerszijden van dijken moeten worden voorzien, gemiddeld 10 M. hoog en samen zeker eenige honderdduizenden meters lang. Dat de vele groote en zeer diepe geulen in het noordelijk deel der Zuiderzee en tusschen Enkhuizen en Stavoren doorgaande tot t. W. van Urk (de Texelstroom b. v. is 15 à 30 M. en de Vliestroom 6 à 20 M. diep) totaal worden genegeerd, toont ons den bewonderenswaardigen durf van den voor niets terugdeinzenden ontwerper.
Hij heeft blijkbaar 't land aan een IJselmeer tot voorloopige waterberging, want 't is hem in de eerste plaats om _Land_ te doen, land, dat dan beschikbaar zal komen voor de werkmenschen, die nu "met bloote kaken hunne ruggen krom moeten werken in den turfkuil en den modderbak." Maar het gemis van zulk een meer is zoo erg niet, want de bescheiden Heer ULEHAKE "meende gerechtigd te zijn eenigszins critiek uit te oefenen op het plan LELY en bestudeerde het IJselmeer." En daar komt de minister LELY maar treurig af! Hoor, hoor!
"De Heer U. wil trachten alle rivieren uitloozende in de Zuiderzee te kanaliseeren, ten einde den watertoevoer te beperken en te beheerschen."
Onze dillettant-civiel-ingenieur, die blijkbaar niet weet wat kanaliseeren is, schijnt zich te verbeelden dat zoo'n rivier na de kanalisatie minder water afvoert! Maar hij wil bovendien dien lastigen IJsel nog op een andere wijze klein krijgen, door nl. door werken bij Westervoort een deel van zijn water langs den Rijn af te voeren en, omdat hij waarschijnlijk noodkreten voorziet uit de landen langs die rivier, gaat hij den Krommen Rijn-Ouden Rijn-Vecht weer openen, dus den middelsten Rijnarm uit den Romeinschen tijd herstellen. Al wordt aldus ons gansche rivierstelsel, waaraan wij nu anderhalve eeuw gewerkt hebben, in de war gebracht en al zullen die veranderingen honderden millioenen kosten, deze waterstaatsdictator ziet niet daartegen op. Is er niet iets grootsch, iets geniaals in zulke denkbeelden?
De bescheiden Heer ULEHAKE "gevoelt als onderwijzer zeer goed het ongelijke van den strijd dien hij aanbond tegen den Minister-ingenieur." Maar door zijn studie over het IJselmeer verslaat hij zijn tegenstander toch totaal. Hoor maar naar zijn bewonderaar. "Daar de Minister de uitmonding van 't Zwarte Water van Kraggenburg uit wenscht te verlengen tot ongeveer de Zuidpunt van Schokland (en dat werk is lang geen peulschilletje), roept hij aldaar een toestand in 't leven, die veroorzaakt dat het westelijk deel van Overijsel tot verre t. O. van Dalfsen van tijd tot tijd in een bare zee verandert, of de N.O. polder verdrinkt." Die onnoozele minister, die nog wel zoo netjes had uitgerekend dat de standen op het IJselmeer 1,5 à 2 M. lager zouden blijven dan die op de open Zuiderzee! Ware hij toch eerst maar met zijn plan bij den Heer ULEHAKE gekomen met verzoek om consideratie en advies!
Maar nu dit helaas niet geschied is, maakt de bescheiden Heer ULEHAKE in zijn ongelijken strijd zijn tegenstander totaal af.
Zijn vernietigende uitspraak berust op deze twee axioma's:
a. De waterbouwkunde, voorgelicht door de scheikunde kreeg te beschikken over gewapend en cementbeton, eene specie, die uitnemend geschikt is tot het leggen van den afsluitdijk en de bijkomende werken.
b. De landbouw kreeg, voorgelicht en geschraagd door de scheikunde, te beschikken over de hulpmeststoffen, waarmede men zelfs "heide maakt tot weide."
En deze twee grondwaarheden geven volgens den Heer ULEHAKE "den doodsteek aan 't plan L. en doen (ze) het zijne zegevieren."
The villain dies! Wij kunnen nu gerustgesteld naar huis toe gaan.
De auteur van 't stuk beoogt "als voorloopig doel", dat zijn plan door de Regeering worde onderzocht.
Wie weet!?
* * * * *
In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 17 Januari ll. komt de Heer D. R. MANSHOLT op tegen het plan van den Minister van Waterstaat om "een bijna waardeloos moeras met ontzaglijke kosten onder water weg te pompen, om daarentegen en daardoor de vruchtbare en met groote kosten door de ingelanden ingedijkte polders langs onze Noordzeekusten te verzuipen." De Heer MANSHOLT tracht dan voornamelijk aan te toonen, dat de voorgestelde afsluiting der Zuiderzee de stormvloedhoogten langs de Friesche en Groningsche kusten zoo zal doen stijgen, dat voor deze groote gevaren te duchten zijn.
In zijn repliek van 31 Jan. d.a.v. op het ingezonden stuk van den Voorzitter der Zuiderzee-Vereeniging in het Handelsblad van 25 Januari wordt ongeveer hetzelfde betoogd. De zoon van den Heer D. R. MANSHOLT, de Heer L. H. MANSHOLT, heeft daarna in eene Juni 1916 verschenen brochure "De afsluiting der Zuiderzee, een ernstig gevaar voor Friesland en Groningen" ongeveer dezelfde denkbeelden verdedigd.
Hoewel ik in de oogen van den Heer MANSHOLT Sr. slechts een "zoogenaamd deskundige" ben, durf ik mij verstouten zijne meeningen te bestrijden en te bewijzen dat die geheel onjuist zijn. De hoofdfout in zijne redeneering,--dezelfde trouwens die door nagenoeg alle niet-deskundigen gemaakt wordt,--is gemakkelijk aan te wijzen en toch is het eenigszins moeilijk de heeren MANSHOLT Sr. en Jr. te weerleggen, omdat zij blijkbaar het verschijnsel der getijden langs onze Noordzeekusten en de wijze waarop het zich in de Zuiderzee voortplant niet voldoende kennen, terwijl ook de oorzaken van de stormvloeden tegen de kusten van die binnenzee niet juist worden ingezien: volloopen, opstuwen en opwaaien, drie _verschillende_ verschijnselen, worden daarbij telkens met elkaar verward.
Ik moet daarom wel eerst even het volgende in herinnering brengen.
De getijden op onze kusten worden veroorzaakt voornamelijk door twee indirecte getijwerkingen die van den Atlantischen Oceaan uitgaan en waarvan de eene, het zoogenaamde Zuidtij, tot ons komt door het Kanaal tusschen Engeland en Frankrijk en de andere, het Noordtij, t. N. om Schotland heen zich voortzet in de Noordzee en tot onze kusten doordringt. Nog een derde getijwerking, als van minder belang, laten wij nu maar buiten beschouwing. Het Zuidtij veroorzaakt te Calais nog een verschil tusschen gemiddeld hoog water (H. W.) en gemiddeld laag water (L. W.)--dit _verschil_ heet de hoogte van de vloedgolf--van 5,60 M., aan de Wielingen van 3,67 M. en dat verschil neemt noordwaarts natuurlijk meer en meer af tot een eind t. N. van Petten; bij deze plaats bedraagt het nog 1.34 M. Maar voorbij dat punt gaat dat verschil toenemen langs onze Noordzeekust (d. i. langs de _buitenzijde_ van de eilanden) onder den meer en meer toenemenden invloed van het Noordtij tot aan den mond van de Elbe, volgens de waarnemingen MOENS-NOLTHENIUS:
============================+=============+======================= Plaatsen | buiten | binnen ============================+=============+======================= Texel | 1,25 M. | 1,05 M. ----------------------------+-------------+----------------------- Eierlandsche Gat | 1,45 " | ----------------------------+-------------+----------------------- Vlieland | 1,65 " | 1,40 " ----------------------------+-------------+----------------------- Terschelling | 1,80 " | 1,70 " ----------------------------+-------------+----------------------- Ameland | 1,90 " | 1,70 " ----------------------------+-------------+----------------------- Schiermonnikoog | 2,15 " | 2,10 M. (Friesche Gat) ----------------------------+-------------+----------------------- Rottum | 2,30 " | ----------------------------+-------------+----------------------- Borkum | 2,50 " | ----------------------------+-------------+----------------------- Cuxhaven (volgens H. Lentz) |ong. 2,80 M. |
Om dezelfde reden stijgen ook de stormvloeden _buitengaats_ noord- en oostwaarts tot de Elbe en dus ook de _hoogste_ zeestanden binnengaats op geringen afstand achter de zeegaten, b.v. bij den stormvloed van 13/14 Januari 1916:
Helder +1,75 N.A.P. Texel (Oude Schild) +1,98 " Vlieland (Oost-Vlieland) +2,21 " Terschelling (West-Terschelling) +1,98 " Roptazijl +2,86 " Nieuw Bilt +2,90 " Ameland +3,20 " Schiermonnikoog +3,46 "
Hierbij echter in het oog te houden, dat op eenige van deze plaatsen afwaaiing op de andere opwaaiing van water plaats had, zooals hierna zal worden verklaard. Met deze werking der getijen schijnen de Heeren MANSHOLT onbekend te zijn, althans de Heer MANSHOLT Jr. zegt, naar aanleiding van door hem geconstrueerde lijnen van stormvloedhoogten: "op 't eerste gezicht ziet men, dat het een _normaal_ verschijnsel is, dat juist op de plaats waar het zeewater door drie groote diepe zeegaten de Zuiderzee kan binnenstroomen, de vloedhoogte ook bij de eilanden aanzienlijk lager is dan naar het N.O. en naar 't Z.W. Ligt het nu weer niet voor de hand, voor dit merkwaardig verschijnsel als oorzaak aan te nemen, dat de vloed bij Texel, Vlieland en Terschelling slechts _gedeeltelijk_ gestuit wordt en verder in ontzaggelijke massaas in de Z.Z. wordt gestuwd? Wanneer we straks globaal nagaan van welke beteekenis deze watermassa is, zal daaruit m. i. noodzakelijk moeten volgen, dat ook hier de Z.Z. dien opmerkelijk lageren plaatselijken vloedstand veroorzaakt".
De schrijver meent dus dat de vloeden tusschen den Helder en Terschelling buitengaats minder hoog stijgen, omdat het vloedwater "in ontzaggelijke massaas" binnen de Zuiderzee gestuwd wordt. Och herm! Zouden de vloedhoogten op onze Noordzeekusten werkelijk onder den invloed staan van het waterverlies in dat kleine binnenzeetje, de Zuiderzee, dat dan 2 à 3 M. hooger dan gewoonlijk wordt opgezet? Waarmee natuurlijk niet gezegd is, dat in de onmiddellijke nabijheid der zeegaten en in deze zelve niet eenige plaatselijke daling ontstaat door het naar binnen vloeien van het Noordzeewater.
Door de zeegaten vloeit Noordzeewater in de daarachter gelegen zeeboezems. Wordt de zeeboezem naar achteren nauwer, dan wordt het vloedwater daarin opgestuwd, waardoor achterin hoogere H.W.- en lagere L.W.-standen voorkomen dan aan den mond, zooals b.v. op de Wester-Schelde, in het Friesche Gat-Lauwerszee en in de Eems-Dollart. Terwijl b.v. in het Friesche Gat het verschil tusschen H.W. en L.W. 2,10 M. bedraagt, is het te Zoutkamp 2,38, terwijl het aan den Eemsmond bij Borkum 2,50 M. is, is het te Delfzijl toegenomen tot 2,78 M. en zou te Emden, waar het ongeveer 2,70 M. bedraagt, grooter zijn dan te Delfzijl, als het vloedwater zich tusschen die beide plaatsen niet over de Dollart kon verspreiden. Het is daarom niet geoorloofd om, zooals de H.H. MANSHOLT doen, onder de standen langs de noordelijke Friesche en Groningsche kusten die te Ezumazijl, aan de Friesche Zijl en te Zoutkamp en die te Delfzijl en Statenzijl op te nemen. En evenmin mag dit geschieden met de stormvloedshoogten aldaar. Men krijgt dan een valsch beeld van de zeestanden langs die kusten.
Blijft de zeeboezem naar binnen ongeveer dezelfde wijdte behouden als aan den mond, dan blijft de hoogte van de vloedgolf ook dezelfde.
Maar is de zeeboezem wijder dan het zeegat waardoor de vloed naar binnen komt, dan wordt de grootte van de vloedgolf al minder en minder naarmate de ruimte achter het zeegat toeneemt. Dit heeft o. a. plaats bij de Zuiderzee, waarin de getijen werken door verscheidene zeegaten, die nauw zijn met betrekking tot de groote ruimte daarachter, zoodat b.v. H.W. en L.W. buiten vóór het zeegat van den Helder +0,38 en -0,87 N.A.P. en vóór het Vlie +0,65 en -1,00 N.A.P. zijn, terwijl die cijfers te Enkhuizen +0,32 N.A.P. en -0,23 en te Stavoren +0,21 en -0,28 N.A.P. bedragen.
Zien wij dus dat de waterstanden in de zeeboezems niet alleen van hunne grootte maar ook van hun vorm afhangen, als zij groot zijn en hun gedaante nog al grillig is, zooals bij de Zuiderzee met haar nauwen hals tusschen Enkhuizen en Stavoren, dan is de getijwerking--ik bedoel nu in normale omstandigheden, dus zonder wind--nog samengestelder. Daar verspreidt zich nl. het vloedwater dat door de zeegaten naar binnen dringt vrij snel over de noordelijke kom, zoodat als 't bij springtij H.W. te Nieuwediep is te ong. 7,25 u., dit te Texel (Oude Schild) te 7,59 u., te Oost-Vlieland te 8,19 u., te Harlingen te 8,47 u. en te Stavoren te 9,20 u. het geval is,--in de gedeeltelijk afgesloten Wieringermeer echter te Medemblik eerst te 10.14 u. en voorbij het nauwe gedeelte van Stavoren eerst te 10.20 te Enkhuizen. Het dringt dan (dus zonder harden wind of storm) in de zuidelijke kom niet verder naar het Zuiden door dan tot ongeveer een lijn Enkhuizen-Ketel, dus tot iets t. Z. van Urk. Het water in die kom wordt dan alleen als 't ware eenigszins teruggeduwd en daarop komen dan nog gemiddelde getijverschillen voor van hoogstens een halven meter (in den Z.W. hoek); de plaatsen langs de zuidelijke en oostelijke kusten hebben dan hoog water te 12¾ à 1 uur.
De genoemde verschillen in tijd nu waarop de hoogwaterstanden voorkomen zijn oorzaak, dat als de noordelijke kom op 't hoogst gevuld is, het in de zuidelijke laagwater is, terwijl de noordelijke kom het minste water bevat als de zuidelijke hoog water heeft.
Een gevolg hiervan is dat de noordelijke kom van twee zijden, van uit het Noorden en uit het Zuiden, zij het ook niet in gelijke mate, gevuld wordt en ook dat zij na het tijdstip van H.W. zich naar twee zijden, nl. door de zeegaten en naar de zuidelijke kom ledigt.
Maar bij sterken wind of storm wordt de geschetste toestand zeer gewijzigd.
Hooge waterstanden in de Zuiderzee kunnen nl. worden veroorzaakt door:
1º inloopen van Noordzeewater door de zeegaten,
2º opwaaien van het Zuiderzeewater naar een of andere zijde.
3º beide oorzaken onder 1º en 2º te gelijk.
Deze oorzaken hangen niet alleen af van de sterkte doch ook van de richting van den wind.
Begint het, zooals meestal bij ons te lande, uit het Z.W. te stormen, dan komt daardoor weinig of geen water binnen de Zuiderzee. Blijft de storm aanhouden en draait, zooals gewoonlijk, de wind naar W., waardoor veel van het eerst uit het Z.W. langs onze kusten gejaagde water hoog daartegen wordt opgezet, dan gaat meer water naar binnen komen en blijft de storm dan nog langer doorgaan, terwijl de windrichting N.W. wordt, dan komen groote massa's Noordzeewater binnen de Zuiderzee. Dit water blijft dan niet ten N. van Urk, maar verspreidt zich weldra over de geheele zuidelijke kom. Hooge standen langs de kusten aldaar worden daardoor veroorzaakt.
Maar ook zonder dat een droppel Noordzeewater binnen de Zuiderzee is gekomen, kunnen langs de kusten daarvan zeer hooge zeestanden voorkomen en wel door het verschijnsel van op- en afwaaiing.
Als het nl. hard waait of stormt, wordt de bovenste laag van een of ander water van eenige uitgebreidheid voor den wind uit naar ééne zijde voortbewogen, stel ter diepte van 2, 3, 4, 5 M.--dit hangt van de kracht van den wind af. In diep water nu wordt de leegte, ontstaan door het wegwaaien van water op zeker punt, onmiddellijk aangevuld door het water daaronder, waarin dan een tegenstroom ontstaat, en dus blijft de wateroppervlakte overal nagenoeg op dezelfde hoogte, m.a.w. neemt geen helling aan. Maar bij ondiepe wateren ontbreekt het water onder de voortgejaagde massa grootendeels of geheel, daar kan dus weinig of geen aanvulling plaats hebben en dus neemt de waterspiegel daar een helling aan. De grootte van die opwaaiing hangt af van de windkracht en van den afstand waarover de opwaaiing plaats heeft. Bij den bekenden Pinksterstorm van Mei 1860, die uit het Z.W. woei, woei het IJ vóór Amsterdam zoo laag _af_ dat hier en daar de bodem droog lag, terwijl het water tegen de oostelijke kusten der Zuiderzee zoo hoog _op_woei, dat er tusschen Amsterdam en Dronten een verschil in stand was van 4,30 M. En bij den vloed van Januari 1884, ook door Z.W. storm veroorzaakt, werd een verschil tusschen gelijktijdige standen aan de Oranjesluizen en te Blankenham waargenomen van 4,60 M. Toch was er in deze beide gevallen weinig Noordzeewater binnen de Zuiderzee.
Een voorbeeld van inloopen _en_ opwaaien biedt de stormvloed van 13/14 Januari 1916. In de 2½ etmaal nl., die voorafgingen aan den storm, die den 13en te 11 uur begon, had het den meesten tijd uit N.W. richting stormachtig gewaaid met vlagen van storm, behalve gedurende 20 uur dat de wind W. en Z.W. was. Daardoor was de Zuiderzee reeds grootendeels volgewaaid met Noordzeewater, toen de eigenlijke storm begon. En deze woei ook uit het Noordwesten en tegen het einde (6 u. voorm. 14 Jan.) zelfs uit noordelijke richting en deed dus uit die richting het water opwaaien in de zuidelijke kom en vooral tegen de zuidelijke kusten, zoodat daar zeestanden voorkwamen, die op eenige plaatsen zelfs hooger waren dan die van den beruchten stormvloed van Febr. 1825. In de noordelijke kom waren de standen ook wel hoog, doch bleven beneden die van sommige voorafgaande stormvloeden,--wat uit de afwaaiing van dat gedeelte te verklaren is.
Ik heb gemeend deze eigenschappen van de ons begrenzende zee en van de Zuiderzee hier nog eens te moeten uiteenzetten, omdat bij de beschouwingen van sommigen daarmee geen rekening gehouden wordt. Dit leidt dan natuurlijk tot verkeerde gevolgtrekkingen, zooals een enkele die ik hierboven reeds aanwees en zooals ik er hierna nog een paar zal noemen.
* * * * *
De Heer MANSHOLT Sr. zegt: "Met het oog op deze feiten ligt het m. i. toch voor de hand, dat de Z.Z. als bergplaats van het vloedwater van groot belang is. Wanneer wij een blik op de kaart slaan, dan zien wij direkt, dat de oppervlakte der Z.Z. binnen den afsluitdijk, die, zooals men weet geprojecteerd is van het eiland Wieringen op de Friesche kust, minstens zoo groot is als de oppervlakte van het wad binnen de eilanden. Bij den tegenwoordigen toestand zijn deze beide ruimten te beschouwen als bergplaatsen van het vloedwater dat in den korten tijd, dat de stormvloeden opkomen, door de zeegaten kan binnenstroomen. Indien wij nu deze bergplaats de helft verkleinen, zooals bij afscheiding van de Z.Z. zal geschieden, dan ligt het toch voor de hand, dat deze verkleinde bergruimte--alle andere factoren gelijk gerekend--precies, in de helft van den gewonen tijd zal volstroomen.
Niet alleen dat daardoor de golven onze dijken dubbel zoo lang zullen beuken--'t geen op zich zelf reeds bedenkelijk is--het water zal ook ongeveer zooveel hooger rijzen als geborgen kan worden in de Z.Z. verdeeld over de oppervlakte der wadden.
Ik zou niet weten wat op deze redeneering is af te dingen en daarom moet het des te meer bevreemden dat noch de Staatscommissie van 1892 noch de minister van waterstaat eenige aandacht schenkt aan dit belangrijke punt!"
En toch is op deze redeneering alles af te dingen!
Zij is fout en doordat de Heer MANSHOLT dit niet bemerkt heeft, bemerkte hij ook niet, dat de 2e alinea in tegenspraak is met de eerste.
Zeker! Het is volkomen juist dat een bergruimte die half zoo groot is als een andere in de helft van den tijd "volstroomt."
Maar hoe komt dat? Waarom wordt een bakje van een halven liter inhoud gevuld in de helft van den tijd die noodig is om een bakje van een liter inhoud te vullen (natuurlijk door dezelfde opening, met dezelfde snelheid van instroomen, enz.)?
Het antwoord kan niet anders luiden dan:
_Omdat om dat half zoo groote bakje te vullen slechts de helft door de opening naar binnen behoeft te loopen._