Part 8
=======================+========================+======================== | Ram. St. Comm. 1892. | Ram. St. Comm. 1914. +-----------+------------+-----------+------------ Uit te voeren werken. | Benoodigd | Gezamenlijk| Benoodigd | Gezamenlijk | bedrag. | bedrag. | bedrag. | bedrag. =======================+===========+============+===========+============ _De afsluiting._ | | | | | | | | I. De afsluitdijk met | | | | daarbij behoorende | | | | werken. | | | | | | | | a. Afsluitdijk |f28.130.000| |f41.200.000| | | | | b. Werken op Wieringen|" 8.000.000| |" 8.700.000| | | | | c. Kan. Harl.-Piaam | | | | en verhooging zeedijk | | | | Piaam-Zurig |" 2.585.000| |" 3.550.000| | | | | d. Verhooging Balgdijk| | | | en verbetering van de | | | | havens |" 600.000| |" 600.000| | | | | e. Onvoorziene werken | | | | in verb. m. de afsl. | | | | en ter afronding |" 1.485.000| |" 950.000| +-----------+f 40.800.000+-----------+f 55.000.000 | | | | II. De verbetering v. | | | | h. Zwolsche Diep | -- |" 3.564.000| |" 5.000.000 | | | | III. De voorziening | | | | i. d. | | | | visscherijbelangen. | -- |" 4.500.000| |" 6.000.000 | | | | IV. De voorz. i. d. | | | | belangen der | | | | waterverversching v. | | | | Amsterdam en ter afr. | |" 236.000| |" 250.000 | | | | _De droogmaking._ | | | | | | | | V. De inpolderingen | | | | achter den | | | | afsluitdijk. | | | | | | | | a. De | | | | Wieringermeerpolder |f12.700.000| |f15.950.000| | | | | b. De Hoornsche polder|"22.850.000| |"28.130.000| | | | | c. De Zuidoostelijke | | | | polder |"61.850.000| |"72.650.000| | | | | d. De Noordoostelijke | | | | polder. |"32.500.000| |"38.220.000| | | | | |-----------|"129.900.000+-----------+"154.950.000 | +------------+ +------------ Totaal | |f179.000.000| |f221.200.000 | | | |
Doordat dan vroeger tot de uitgifte van de drooggelegde gronden zal kunnen worden overgegaan, zal ook rentebesparing worden verkregen.
[Kantlijn: Nadere finantieele beschouwingen.]
In verband met het bovenstaande zegt nu de Regeering "dat indien de duur van het werk--de afsluiting en de vier polders--op 30 jaar wordt gesteld, en wordt aangenomen dat de pachtopbrengst der vier polders resp. 15, 20, 25 en 35 jaar na den aanvang der afsluiting in mindering der kosten zou komen, de rente eener 4½ pct. leening van 222 millioen gulden--zijnde de totale raming--waarvan gemiddeld f7.500.000 per jaar zou worden verbruikt, met rente op rente, gedekt zoude zijn bij een pachtopbrengst van gemiddeld f80.- per HA."
Hoewel nu een zuivere pacht van f80.- de HA. zeker niet te hoog is te achten, zoo wil de Regeering, in aanmerking nemende de wisseling van omstandigheden, die zich zou kunnen voordoen, deze berekening niet als grondslag voor haar wetsvoorstel nemen. Wel stelt zij voor gedurende de eerste 14 jaar, wanneer nog geen rechtstreeksche baten zullen worden ontvangen, de renten van de dan op te nemen gelden tegen 4½ percent, uit de gewone middelen te betalen, benevens de renten van de gelden, noodig voor 's lands verdediging. Zij acht het niet wenschelijk om voor een langdurig tijdperk nu reeds verdere regelingen te treffen tot dekking der kosten.
Maar uit een ander blijkt toch dat de rente van het in het werk gestoken kapitaal door de baten ruimschoots gedekt wordt.
Bovendien genieten dan twee- à driehonderd duizend menschen een goed bestaan, terwijl de Staat de indirecte voordeelen daarvan geniet en ook van de afsluiting, voortvloeiende uit de verhoogde welvaart van de aan de Zuiderzee gelegen gewesten.
Uit deze beschouwing blijkt ook duidelijk waarom de Staat dit werk met gerustheid kan uitvoeren, waar het _als onderneming_ aan particulieren misschien zou moeten worden ontraden. De _Staat_ zal in elk geval nog goede winsten behalen.
Ook Mr. VAN NIEROP erkent dat de Staat zich in dit geval op een geheel ander standpunt heeft te stellen dan particulieren dat kunnen doen. Maar ten slotte zegt hij: "De warmste voorstander van de droogmaking moet nog aantoonen, dat deze indirecte voordeelen van dien aard zullen zijn, dat het er niet toe doet of de kosten verscheiden millioenen meer of minder zullen bedragen en dat het voor de belastingschuldigen onverschillig zou zijn of zij gedurende de inpoldering belangrijke sommen aan rente zullen moeten opbrengen".
[Kantlijn: Raming van de indirecte voordeelen der afsluiting.]
Daar er ongetwijfeld aan dit groote werk risico verbonden is, is de hier gestelde eisch gerechtvaardigd, maar toch in zooverre onbillijk dat het zeer moeilijk, zoo niet onmogelijk is om de indirecte voordeelen in aantallen guldens kapitaal of rente uit te drukken.
Toch is het niet moeilijk in te zien, dat de ruime marge die Mr. VAN NIEROP verlangt om eventueele overschrijding der ramingen te dekken, inderdaad bestaat.
Om eenig denkbeeld te verkrijgen van de verhooging van het voortbrengend vermogen van Noord-Holland t. N. van het IJ, zou men kunnen stellen, dat van 150.000 HA. binnen de duinen 100.000 HA. belang hebben bij het zoet worden van het boezemwater en dat daardoor de opbrengst per HA. f5.- stijgt. Voor Westfriesland schatte een zuivelconsulent die op f10.- de HA. Men krijgt aldus f500.000 's jaars of gekapitaliseerd tegen 4 percent 12½ millioen meerwaarde. Of neemt men het aantal runderen t. N. van het IJ aan op 140.000 en de hoogere opbrengst van elk beest op f5.---wat voor eenige jaren op het landbouwcongres te Hoorn niet te veel werd geacht--, dan krijgt men f700.000 meer jaarlijksche opbrengst, dus 17,5 millioen meerwaarde.
Wat Friesland betreft, stellen wij dat 40.000 HA. buitenlanden daardoor f10.- p. HA. 's jaars meer zullen opbrengen en dat van nog 160.000 HA. van het boezemgebied de jaarlijksche gebruikswaarde met f5.- de HA. zal toenemen, dan komt men tot een hoogere opbrengst van f1.200.000 's jaars--een meerwaarde van 30 millioen dus,--buiten de voordeelen voor de nijverheid, de scheepvaart en de visscherij.
Intusschen zijn deze cijfers natuurlijk altijd min of meer willekeurig. De Regeering noemt alleen die waarop het voordeel van zoetwateraanvulling en waterverversching ingevolge een onderzoek van den Zuiderzeebond in September 1897 zijn geschat en die voor Noord-Holland en Friesland samen f680.000 's jaars zouden bedragen, dus gekapitaliseerd tegen 4½ percent een kapitaal van 15 millioen zouden vertegenwoordigen,--een schatting die m. i. zeker te laag is.
Maar bovendien moeten in rekening komen de andere indirecte voordeelen hiervoor genoemd, nl. die voor de waterkeering, waterloozing, enz. en vooral van de aanwinst van een groote vruchtbare provincie, waar zoovelen een goed bestaan zullen vinden, al worden die verminderd met hetgeen de Zuiderzee nu als vischwater oplevert. Is het nog noodig te trachten ook die onder cijfers te brengen?
De verlangde dekking voor eventueele tegenvallers is dus in ruime mate aanwezig.
Wel herhaalt de Regeering de zoowel door de Zuiderzee-Vereeniging als door de Staatscommissie uitgesproken meening: "dat de voordeelen van den afsluitdijk niet van dien aard zijn, dat het wenschelijk zou zijn om alleen met het oog daarop, geheel afgescheiden van een latere droogmaking, de afsluiting ten uitvoer te leggen",--maar het blijft toch m. i. niet onmogelijk dat de waarde van die voordeelen de kosten van den afsluitdijk zeer nabij zullen komen of zelfs overtreffen.
* * * * *
[Kantlijn: Noodzakelijkheid van de uitvoering.]
Men heeft wel eens de vraag gedaan: Waarom dit groote werk? Is het volstrekt noodig? Het antwoord op deze vraag is uit de voorgaande beschouwingen gemakkelijk op te maken. Naar aanleiding van de opmerking dat er wel meer zulke groote sommen (ook gedurende vele jaren) uitgegeven zijn, zooals 265 millioen gulden voor aanleg van Staatsspoorwegen, in 20 jaar tijds 259 millioen aan openbare werken, enz., zegt Mr. VAN NIEROP: "Deze werken strekten om te voorzien in een behoefte, die bevrediging eischte. Het openbaar verkeer vorderde den aanleg van spoor- en waterwegen". En verder: "Al is het geen onderneming" (de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee), "zij is daarmede zeer verwant. Geen openbaar belang vordert haar uitvoering".
Och kom! Werken ter bevordering van het openbaar verkeer en die tot afsluiting en droogmaking der Zuiderzee--er is immers geen onderscheid in het doel van die beide. Het verkeer bevordert men toch niet om het verkeer zelf! Het doel van beide soorten van werken is toch: de bestaansmiddelen uit te breiden of nieuwe te scheppen. Daarom en daarom alleen worden zulke werken tot stand gebracht. Zeker! Hadden wij dat aanleggen van spoorwegen nagelaten, dan zouden wij onze eigen belangen al zeer slecht hebben gediend, maar dit zal evenzeer het geval zijn als wij de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee nalaten. Een wijs Regeeringsbeleid moet er niet alleen op gericht zijn te doen wat men onmogelijk kan nalaten, maar om van alle aanwezige middelen gebruik te maken om de welvaart van het land te verhoogen. En als een land de gelegenheid heeft om zijn innerlijke kracht en zijn internationale beteekenis belangrijk te doen toenemen, wordt dan "het openbaar belang" niet in hooge mate gediend door van die gelegenheid gebruik te maken?
Dat is niet alleen wijs Regeeringsbeleid, het is ook Regeeringsplicht.
In de Memorie van Toelichting bij het nu aangeboden wetsontwerp stelt de Regeering zich blijkbaar ook op dit standpunt, waar zij de vraag beantwoordt of er voor het Rijk _voldoende reden_ voor de uitvoering van het groote werk bestaat en waarin zij zegt, dat al zou het werk misschien nog een geldelijke bate opleveren, dit op zichzelf voor het Rijk nog niet alleen de drijfveer mag zijn om het werk te ondernemen. En: "Hoofddoel moet zijn het vermeerderen van de algemeene welvaart door het scheppen van een beteren waterstaatstoestand in een belangrijk deel des lands, door de vergrooting van den vaderlandschen bodem met een aanzienlijke uitgestrektheid vruchtbaar land en door het openen van een uitgebreid arbeidsveld voor Nederlandsche nijverheid en werkkracht".
[Kantlijn: Indijking bij kleine gedeelten zonder afsluitdijk.]
Ten slotte. Vooral met het oog op de geldelijke en oeconomische zijde van de Zuiderzeezaak heeft men meer dan eens het denkbeeld aanbevolen om den afsluitdijk weg te laten en al naar de behoefte binnen de Zuiderzee gronden geleidelijk in te dijken en droog te maken.
Voor zooveel daarmee bedoeld wordt het achtereenvolgens indijken van betrekkelijk kleine stukken[45], is het gemakkelijk te begrijpen dat dit zeker de meest nadeelige wijze zou zijn om grond aan te winnen. Het betreft hier niet het leggen van nieuwe dijken _op_ de oevers van nieuw aangewassen gronden, om deze van de zee af te sluiten, zooals in Zeeland en elders nu en dan geschiedt. Maar hier zouden zware en hooge afsluitdijken gelegd moeten worden _op den bodem der Zuiderzee_ en de aldus afgesloten stukken moeten worden drooggemaakt. Hoeveel tienduizenden meters dijk zouden op die wijze moeten worden gelegd, voordat men b. v. 100.000 HA. had ingedijkt? Dat zou toch zeker millioenen guldens noodeloos in het water werpen zijn!
[45] A. HUET. De meest voordeelige wijze van landaanwinning in de Zuiderzee.--Zwolle 1895.
Bovendien zou men op die wijze na zekeren tijd een oppervlakte hebben aangewonnen, waarin wegen, spoorwegen, kanalen, enz. stuksgewijze aangelegd zijn en dus zeker niet zulk een goed geheel zouden vormen, als wanneer dat in eens had kunnen geschieden, terwijl ook in andere opzichten niet zulk een goed geheel zou zijn verkregen dan bij uitvoering in eens.
En hoe zou het dan met enkele minderwaardige veen- en zandgronden gaan? Wie zal b.v., ook in onzen tijd, bereid gevonden worden om met veel kosten de zandgronden op den bodem der Zuiderzee langs de Veluwe te gaan droogleggen? Bij droogmaking in eens kunnen zij echter mede binnen de groote Z.O. droogmakerij vallen, die overigens uit zeer vruchtbare kleigronden bestaat, en bezwaren de kosten hiervan weinig, zelfs al hadden zij in 't geheel geen waarde.
* * * * *
[Kantlijn: Achtereenvolgens indijken en droogmaken der 4 deelen zonder afsluitdijk.]
Men kan echter nog anders handelen, nl. eenvoudig den afsluitdijk weglaten en achtereenvolgens de vier groote deelen gaan droogmaken, zooals dan ook èn door de Zuiderzee-Vereeniging èn door de Staatscommissie ernstig is overwogen en vergeleken met het plan met afsluitdijk.
Voor zulk een droogmaking _zonder_ afsluitdijk is meer te zeggen dan voor een bij kleine gedeelten. De groote kosten van dien dijk, die in de _eerste_ 9 jaar van het werk moet worden aangelegd, drukken dus door hunne renten sterk die van het geheel. Daartegenover staat echter dat dan de dijken der vier droogmakerijen niet meerdijken maar zeedijken moeten zijn, waarvan de kosten 61 millioen gulden hooger geraamd worden (Staatscommissie). Ook zullen dan de gemalen voor droogmaking en drooghouding het water hooger moeten kunnen opbrengen, dus kostbaarder zijn in aanleg en onderhoud (in aanleg f3.367.000 meer). Ten slotte zouden de geheele kosten zonder afsluitdijk zijn (Staatscommissie): f212.700.000, met rente f279.000.000 en met rente op rente f293.000.000,--alleen deze laatste som is iets minder dan die met afsluitdijk.
Het verschil in kosten kan dus niet beslissen.
Zwaarder weegt het argument dat door den afsluitdijk het werk tot één geheel gestempeld wordt: is eenmaal die dijk gelegd, dan moet men _zoo spoedig mogelijk_ alle vier genoemde gedeelten droogmaken en _zoo spoedig mogelijk_ alle gronden uitgeven.
Kwamen er eens tijdsomstandigheden, waardoor de voortgang zeer vertraagd of tijdelijk geschorst zou worden, dan konden daardoor verliezen geleden worden.
Maar juist dat groote _geheel_ en wel zoodra mogelijk is het wat velen in de eerste plaats wenschen en dat daarom naar hunne meening mag en moet gewaagd worden.
Wat den een een bezwaar toeschijnt, vindt de ander juist een voordeel; de een deinst voor mogelijke verliezen terug, de ander durft het aan, ook al mochten zulke verliezen zich voordoen, het werk als één geheel aan te pakken en te voltooien.
Daarover valt moeilijk te redeneeren; dat is, om met de Staatscommissie te spreken, "voor een deel een quaestie van temperament".
En dit argument van spoedig te moeten afwerken vervalt grootendeels, als men den afsluitdijk met bijkomende werken als een op zich zelf productief werk beschouwt, waarvan de kosten althans voor een groot gedeelte door de indirecte voordeelen zullen worden goedgemaakt, welk gedeelte dus niet ten laste van de volgende werken zal behoeven te worden gebracht.
En het zijn juist die groote voordeelen, die men mist bij een uitvoering zonder afsluitdijk.
De Staatscommissie kwam daardoor toch tot het besluit "dat een inpoldering met afsluitdijk te verkiezen is boven inpolderingen in de Zuiderzee zonder voorafgaande afsluiting". Nu die voordeelen door nadere beschouwing meer en meer van groote beteekenis zijn gebleken, veel grooter dan waarop de Staatscommissie die schatte, is men zooveel temeer gerechtigd tot het besluit: #Afsluiting en droogmaking volgens het plan van de Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie.#
DEEL II.
WEERLEGGING VAN BEZWAREN.
In den laatsten tijd zijn eenige geschriften verschenen waarin het plan der Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie tot afsluiting en gedeeltelijke drooglegging der Zuiderzee voornamelijk uit een technisch oogpunt wordt bestreden of een ander beter geacht plan wordt aanbevolen. Ook in enkele mondelinge voordrachten is dat geschied.
In 't algemeen kunnen blijken van belangstelling in een zaak, waarbij de belangen van het gansche land in zoo hooge mate betrokken zijn, slechts als een verblijdend teeken worden begroet. Maar wanneer de beschouwingen afkomstig zijn van niet-deskundigen, wien de kennis ontbreekt van de grondbeginselen der wetenschappen die bij de zaak betrokken zijn, dan hebben die op zich zelve weinig of geen waarde en dan is een ernstige kritische beoordeeling daarvan zoo goed als onmogelijk.
Hiermee is niet gezegd dat ook een niet-deskundige niet eens een goed denkbeeld kan hebben, maar ten slotte moeten deskundigen over de waarde daarvan beslissen.
De bovenbedoelde geschriften zijn op een enkel na helaas van onbevoegden en het gevolg daarvan is, dat dezen zooals gewoonlijk hun gebrek aan kennis trachten aan te vullen door groote woorden, zeer kras gestelde uitspraken, ja in een enkel geval zelfs door te schelden.
Toen de Zuiderzee-Vereeniging mij verzocht ook mijne meeningen eens te stellen tegenover zooveel ongegronde en los daarheen geworpen beweringen, trok die taak mij dan ook zeker niet aan. Debat toch is het stellen van argumenten tegenover argumenten, maar waar deze bij de tegenpartij ontbreken, daar slaat men in de lucht, daar kan van een eigenlijken vruchtbaren strijd geen sprake zijn. Men moet dan "en passant" wat kennis trachten bij te brengen, wat echter òf zeer moeilijk òf onmogelijk is. En men vraagt dan allicht zich zelven af of men niet wat beters te doen heeft dan zich uit te putten in redeneeringen die op den ander toch geen vat kunnen hebben, omdat hij bij voorbaat onwillens is om overtuigd te worden.
Intusschen moet nog een andere overweging gelden. Hoe betreurenswaardig het ook is, het is meermalen gebleken, dat de openbare meening door onbevoegden op een dwaalspoor geleid werd, temeer doordat dezen uit den aard der zaak de hulpmiddelen van heftigheid, geschreeuw, enz. veelal niet versmaden.
Uit deze laatste overweging heb ik toegegeven.
Ik nam de minder aangename en misschien ook zeer ondankbare taak op mij te trachten het ontstaan van wanbegrippen, onrust, enz. betreffende de Zuiderzeezaak te voorkomen en de openbare meening in het rechte spoor te houden, nu sommigen door hunne scheeve voorstellingen en niet op juiste kennis van feiten gegronde beweringen, die meening op een dwaalspoor zouden kunnen brengen.
Als ik, de verschillende bedoelde bestrijders der Zuiderzeezaak gaande beantwoorden, den Heer GELDER, directeur en aandeelhouder van de Visscherij-Courant, het eerst noem, dat is dat niet om zijn grof geschreeuw en geschetter te gaan weerleggen. Ik heb dat eens beproefd op een vergadering te Amsterdam, waar de Heer GELDER aldus begon:
"Die afsluitdijk deugt niet. Hij zal spoedig bezwijken en de menschen die er achter wonen, zullen verdrinken als ratten."
"Waarom deugt die afsluitdijk niet?" zoo vroeg ik.
"Dat kan ik niet zeggen, want ik ben geen technicus."
"Hoe kunt u dan beweren, dat die dijk niet deugt?"
"Ingenieurs" (meervoud) "hebben het gezegd."
"Wie zijn die ingenieurs?"
"De ingenieur VAN VEEN" (enkelvoud) "te Breda."
"Die heeft nooit bezwaren tegen den afsluitdijk ingebracht, wèl tegen de meerdijken."
En dan klaagt de Heer GELDER er over, dat men niet met hem "debatteeren" wil! En in zijn blaadje scheldt hij daarom Mr. SMEENGE en mij "lafaards."
Het spreekt wel van zelf dat men zoo iemand niet meer te woord staat. De Heer GELDER moge voortaan zoo hard schreeuwen als hij wil en het goedmoedig visschersvolkje van alles trachten wijs te maken en adressen doen teekenen tegen de afsluiting (als ik voor hen sprak, teekenden zij adressen er voor!), hij moge in zijn lijforgaan de dolzinnigste beweringen met allerlei groote en vette letters laten drukken, hij zal van mij noch mondeling noch schriftelijk een enkel woord meer hooren over zijn onverantwoordelijk kabaal.
* * * * *
Over de bezwaren van den Heer VAN VEEN, civ. ingenieur, oud-direkteur der openbare werken te Breda, kan ik kort zijn. Deze heeft onlangs een brochure uitgegeven, getiteld "De Januari-ramp en de hoogst gevaarlijke constructie van de dijken in het aanhangige plan tot droogmaking der Zuiderzee", waarin hij betoogt, dat waar de meerdijken der vier droog te maken deelen van het plan der Staatscommissie op slappen bodem komen te liggen, de voorzieningen die de commissie daartegen aanbeveelt niet voldoende zijn,--een zuiver technische quaestie dus.
De Heer VAN VEEN heeft ook nog op andere "groote gevaren en bezwaren" gewezen, alle van technischen aard, althans die welke ik eens uit een voordracht te Amsterdam gehouden van hem vernam.
Maar het kan tot niets dienen die technische quaestie's _nu_ te bespreken. Ik zou den Heer VAN VEEN nl. willen vragen of hij werkelijk meent, dat, als het tot een uitvoering komt, het plan der Staatscommissie blindelings zal gevolgd worden--of liever: of hij meent dat naar de enkele groote lijnen van dat plan zelfs een begin van uitvoering mogelijk is.
Dat plan is immers alleen in eenige algemeene trekken aangegeven om het geheel te kunnen overzien, de gedachten te kunnen bepalen bij de voornaamste zaken die zich zullen kunnen voordoen en een zeer globale raming van kosten te kunnen opmaken. Bovendien is het 22 jaar oud en is de techniek in dien tijd zeer vooruitgegaan (baggerwerk, gewapend beton, toepassing van elektriciteit als beweegkracht, enz.).
Komt het tot een uitvoering, dan worden een of meer bureaux ingericht, waar de ingenieurs aan het werk gaan om meer in 't bijzonder studie te maken van de onderdeelen en van de vele moeilijkheden die ongetwijfeld nog zullen voorkomen en waaronder er zelfs zeker zullen zijn die door de ontwerpers van het groote plan niet zijn voorzien. Zij die de verantwoordelijkheid hebben te dragen zullen b.v. ongetwijfeld bezwaren als die van een slappen bodem onder de meerdijken naar hun beste weten trachten op te lossen en niet werktuigelijk een daaromtrent geopperd denkbeeld van de Staatscommissie volgen. Daarom worden de werken in bijzonderheden ontworpen en wordt de uitvoering daarvan geleid _door ingenieurs_.
Het is wel zonderling dat men dit aan een _ingenieur_ moet in herinnering brengen.