Part 7
Hierbij verdient opgemerkt te worden, dat het aantal losse of seizoenarbeiders hoe langer hoe geringer wordt, dat zij in den hooitijd, bietentijd, enz. hoe langer hoe moeilijker te krijgen zijn. De voornaamste oorzaak hiervan is, dat hun bestaan te weinig vast, te veranderlijk en te weinig zeker is. Om in die tijden dan niet zonder werkkrachten te zitten schijnt men in sommige streken o. a. in Zeeland, in de Haarlemmermeer, enz. er meer en meer toe over te gaan, vooral in het groot-landbouwbedrijf om die menschen voor vast te houden: in slappe tijden worden zij dan gebruikt voor grondverbetering, slatting van slooten, enz. Dit is een voordeel èn voor het landbouwbedrijf èn voor die arbeiders. Het groot-landbouwbedrijf nu zal uitgeoefend worden in de Zuiderzee-Provincie en op die wijze werkt dus de afsluiting en droogmaking ook min of meer normaliseerend op het verschaffen van arbeid.
[Kantlijn: Geen werkloozen aan het einde van het werk.]
Het wel eens geopperde bezwaar, dat na afloop van het werk veel volk werkloos zal worden, zal zich dus in 't algemeen niet voordoen.
[Kantlijn: Arbeidsloonen op oude gronden.]
De Staatscommissie,--dus 20 jaar geleden en juist in een tijd dat het onzen landbouw, vooral door de lage graanprijzen slecht ging,--oordeelde, dat de arbeidsloonen op de zandgronden reeds vrij hoog waren en dat, als deze door meer vraag naar arbeidskrachten nog zouden stijgen, het bedrijf aldaar daaronder zou lijden.
Maar het voortbrengingsvermogen van die soort van gronden zoowel als de prijzen der producten zijn sedert dien tijd zeer gestegen, zoodat het door de Commissie genoemde bezwaar nu zeker veel minder zou wegen. En waar in sommige streken, vooral bij de boschcultuur de loonen der losse arbeiders wat zullen stijgen, daar is dit in 't algemeen niet te betreuren, als men weet dat die loonen dikwijls zoo laag zijn, dat het een raadsel mag heeten hoe men daarvan een menschwaardig bestaan kan leiden.
[Kantlijn: Vermoedelijke verkoopprijzen nieuwe gronden.]
Om te bewijzen dat de ~verkoopprijzen~ van de nieuwe nieuwe gronden bij zulke groote aanbiedingen jaren achtereen zeer zullen worden gedrukt, heeft men zich o. a. beroepen op de prijzen gemaakt bij den verkoop der gronden in den Zuidplaspolder, in den Haarlemmermeerpolder, enz. Maar wij zagen reeds dat deze niet met Zuiderzeegronden mogen vergeleken worden, evenmin wat de bodemsoort als wat de afwatering, verkaveling, enz. betreft. Waar deze alle van zeer goede hoedanigheid waren, daar werden ook dadelijk hooge prijzen besteed, zooals in de IJpolders, waarmee de Zuiderzeegronden veel overeenkomst zullen hebben. Daar werden de gronden verkocht:
in Polder I (Wijkermeer) 1000 HA. tegen gem. f2000 p. HA. " " II 1200 " " " "2046 " " " " III 1100 " " " "2868 " " " " V en VI (waarin een strook veen), 334 HA. tegen gem. f1800 p. HA.[39].
[39] Volgens de Mem. v. Toel. bij het Regeeringsontwerp van 1877. Volgens de Gesch. en Beschr. v. h. Noordzeekanaal door de Ingrs. v. d. R.-Wat. WORTMAN en V. D. BROEK, uitg. d. h. Dept. v. Waterstaat, werden de gronden, gerekend naar hunne grootte en behalve de aangeplempte grond bij Nieuwendam verkocht voor _gemiddeld_ 2330 gulden de HA. Sommige perceelen brachten ruim f3200 de HA. op.
Men zal misschien opmerken dat de drooggemaakte IJpolders slechts ruim 5500 HA.[40] groot zijn, dat daarvan de prijzen niet gedrukt werden door het groote aanbod. Maar zou dit bij de Zuiderzeegronden wèl het geval zijn? _De werkelijke waarde van den grond hangt niet af van eenige reeds daarvoor bestede koopprijzen._ Zeer spoedig moet men wel inzien met zeer vruchtbare gronden te doen te hebben, waar alles voor hun gebruik op uitstekende wijze is voorbereid. En is het dan te denken, bij het bestaande tekort aan cultuurgrond en de nog steeds toenemende vraag daarnaar, dat men zulke gronden niet voor flinke koopsommen zal willen machtig worden, vooral als deze, zooals gezegd is, op verschillende wijzen zullen kunnen worden voldaan?
[40] Volgens DE VRIES en SCHORER. Zeeweringen en Waterschappen v. Noord-Holland, volgens de Waterstaatskaart 5809 HA.
En mochten door een of andere oorzaak de aanbiedingen te laag worden geacht, dan is de Staat niet tot verkoop _gedwongen_, maar kan ze zoolang zelf doen bebouwen als hij dat noodig vindt.
Dat de nieuwe gronden dus alleen tegen zulke gunstige voorwaarden in cultuur gebracht zouden kunnen worden, dat elders storing ontstaat, is niet in te zien: door het ruime aanbod zullen de prijzen noch wegens te weinig vraag noch wegens te weinig arbeidskrachten blijvend worden gedrukt.
[Kantlijn: Grondwaarde en prijzen der producten.]
Hierboven werd gesproken van de werkelijke waarde der gronden en misschien zal de opmerking worden gemaakt, dat deze niet alleen van den aard der gronden, maar ook van de ~prijzen der producten~ afhankelijk is. Maar men behoeft waarlijk niet te vreezen, dat de aanwinst der Zuiderzeegronden zelve invloed zal uitoefenen op die prijzen: wat zij voortbrengen immers is ten aanzien van de wereldproductie als een droppel in de zee. Van de geheele wereldtarweoogst in 1909 van 447351000 quarters (1 qu. = 2,9 HL.) bracht Nederland er 600000 voort en had nog ongeveer 4,5 maal zooveel noodig voor eigen gebruik; de behoefte neemt nog steeds toe door aanwas van bevolking, meer gebruik als veevoeder en voor de nijverheid. Nu zijn in ons land ongeveer 60.000 HA. met tarwe bezet, die in 1914 ruim 700.000 quarters opbrachten; al werd dus in de Zuiderzee-Provincie niets dan tarwe verbouwd en al bracht Nederland dan 4- à 5-maal zooveel voort als nu, dan kon dit van niet den minsten invloed zijn op de graanprijzen.
Die graanprijzen worden voornamelijk bepaald door den uitvoer van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, het tweede tarweland,--alleen Rusland (met Polen en Siberië) levert nog iets meer,--en hoewel de bebouwde oppervlakte er nog toeneemt, neemt de uitvoer af wegens den groei der bevolking en der beschaving, zoodat _daardoor_ eer verhooging dan verlaging van prijzen te verwachten is,--misschien kan de uitbreiding van den graanbouw elders, voornamelijk in Canada en in Argentinië, daarin verandering brengen.
[Kantlijn: Tarweverbruik in Nederland onafhankelijk v.h. buitenland.]
Maar #door de droogmaking der vruchtbare kleigronden in de Zuiderzee, zal Nederland in tijden als wij nu beleven zichzelf geheel van de noodige tarwe kunnen voorzien#. Als van de Zuiderzeegronden 160.000 HA. met tarwe worden bebouwd, kunnen deze 160.000 × 50 = 8 millioen H.L. tarwe geven. Voegt men hierbij de ruim 2 millioen H.L. die Nederland nu voortbrengt, dan krijgt men eene hoeveelheid van ruim 10 millioen H.L., die nagenoeg voldoende is voor onze geheele behoefte.
* * * * *
[Kantlijn: Ontginning van woeste gronden.]
Tegenstanders van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee hebben meer dan eens de ~ontginning van woeste gronden~ daartegenover gesteld. Waarom niet liever onze woeste gronden in vruchtbaar land herschapen, zoo vragen zij dan, dan nieuwe gronden te gaan veroveren op den bodem der zee?
Maar waarom die tegenstelling? Beide zaken zijn hoogst nuttig. Waarom dan een van beide uitgesloten? En het tot stand komen van de eene schaadt toch de andere niet. Zelfs kan de eene de andere bevorderen. Veel zoogenaamde woeste grond immers is alleen te ontginnen voor boschbouw. En vóór den oorlog hoorde men vaak klagen, dat men in het binnenland geen voldoenden afzet kon vinden voor jong sparhout. In het nieuwe Zuiderzee-gewest zullen, vooral in den tijd van de eerste bewoning en bebouwing groote hoeveelheden van dat hout noodig zijn voor boonenhout, afrasteringen, bergen, zolders, dakhout, enz.,--wat dus de ontginning tot bosch zal steunen.
Bovendien wordt er soms geheel verkeerd geoordeeld over de ontginning van woeste gronden. Sommigen meenen dat men deze alle herscheppen kan in wat men wil. Het lijkt er niet naar! Vooreerst zijn er gedeelten die volstrekt onontginbaar zijn (loodzand, oerbanken, enz.): in het Rapport van de Heide-Maatschappij aan Gedeputeerde Staten van Drente over den aard der woeste gronden aldaar[41] wordt o. a. meegedeeld, dat een groot gedeelte voor geen enkele cultuur, ook niet voor boschbouw, geschikt is. Het overgroot gedeelte van onze heidevelden dat ontginbaar is, is alleen geschikt voor bebossching. Maar eerst na vele jaren, 18 à 20 jaar, gaat aldaar aangelegd bosch een matige rente geven van het daarin gestoken kapitaal. Laag gelegen landen, als broekgronden, dalgronden en ook lage heiden, die men een goede afwatering kan geven, zijn bij goede behandeling veelal betrekkelijk spoedig tot grasland te maken en vele geven dan weldra goede rente,--zooals o. a. op vele plaatsen, voornamelijk langs de riviertjes in oostelijk Noord-Brabant, de aan de gemeenten toebehoorende en niets opleverende landen. Met andere, waaraan veel arbeid noodig is, gaat dit echter niet zoo voorspoedig. De hooger gelegen landen in diezelfde streek, die eerst na veel arbeid en bemesting tot bouwland zijn gemaakt, geven slechts dan een matige rente als de arbeidskrachten zeer goedkoop zijn, b.v. als zij 's winters door boeren met eigen volk bewerkt worden of door arbeiders die uit geldgebrek of uit verveling zich met uiterst lage dagloonen tevreden stellen. Elders ondernomen groote en goed geleide ontginningen schijnen echter ook een goed bestaan aan de gebruikers en bovendien een matige rente te geven. Zoo heeft de ontginning van het Zeijerveld onder Norg, groot 630 HA., 416 HA. bouw- en grasland en 164 HA. bosch opgeleverd--de rest werd ingenomen door wegen, kanalen en slooten, waarvan de kosten met inbegrip van het gebouwenkapitaal, het aankoopkapitaal (f100.- de HA.) en de samengestelde rente daarvan en van de ingestoken kapitalen à 3½ percent, f1100.- de HA. hebben bedragen,--waarbij echter nog de kosten van een verharden weg daarheen moeten gevoegd worden. De 15 boerderijen daarop gesticht zijn verpacht voor 32,5 à 55 gulden per HA. voor 6 jaar[42].
[41] Tijdschrift Heide-Maatschappij. Jaarg. 1900.
[42] Tijdschr. Heide-Mij. 1915, bl. 285 e. v.
Maar op de Zuiderzeegronden kan men jaren lang roofbouw drijven; bemesting zou zelfs in den eersten tijd schadelijk zijn. En zwaar zullen de vrachten kostelijke vruchten zijn die zij dadelijk opleveren.
Men ziet dus dat dooreengenomen het voortbrengingsvermogen van ontgonnen woeste gronden niet gelijkgesteld mag worden met dat van het te veroveren Zuiderzeegebied.
Maar toch, wie zou niet de ontginning van de tot nu geheel ongebruikt liggende oppervlakten gronds van harte toejuichen? Hoeveel goeds hunne ontginning in vele streken brengt, vooral ook voor den kleinen landbouwer en den boerenarbeider, hoe het geheele landbouwbedrijf, ook op de oude gronden, er door verbeterd wordt, armoede en werkloosheid er door worden weggenomen, de veestapel er door uitgebreid wordt, enz. kan men o. a. vinden in de Verslagen en Mededeelingen van de Directie van den Landbouw[43].
[43] Zie o. a. Jaargang 1908, No. 6.
Maar daarom kenne men de ontginning van de zoogenaamde woeste gronden niet een voorrang toe boven de droogmaking van een deel der Zuiderzee.
Dit zijn _beide_ zeer nuttige zaken, die weinig of niets met elkaar te maken hebben. Waarom zouden wij ze dan niet _beide_ uitvoeren met al den ijver en de toewijding die zij zoo ten volle verdienen?
Op merkwaardige wijze worden bovenstaande beschouwingen bevestigd in een brief uit New-York van den correspondent der ~Nieuwe Rotterdamsche Courant~ van 12 Sept. 1911, Avondblad C, waaruit blijkt, dat ook in voor den landbouw gunstige tijden zooals tegenwoordig, het bezwaar van het tekort aan grond sterk gevoeld wordt. Daarin wordt er op gewezen, dat de landverhuizing van Nederlanders naar (_Noord_-)Amerika in de laatste jaren toeneemt. Uit persoonlijke besprekingen met de landverhuizers bleek den schrijver, dat zij voor de groote meerderheid tot den landbouwenden stand behoorden en dat de oorzaak van hun vertrek uit het vaderland was: "uiterst hooge prijzen voor bouwland, aankoop van vruchtbaren grond voor groote gezinnen onbereikbaar, terwijl woeste heidevelden, enz. te kostbare en tijdroovende ontginning vorderen". Ook vernam hij, dat het huren van bouwhoeven, dus het pachtersbedrijf, niet tot welstand kon voeren.
* * * * *
[Kantlijn: Maatschappelijke voordeelen.]
Aan de uitvoering van het groote werk der afsluiting en droogmaking zijn nog eenige maatschappelijke voordeelen verbonden.
[Kantlijn: Vermeerdering arbeidsgelegenheid.]
Vooreerst de ~vermeerdering der arbeidsgelegenheid~[44]. Hierbij is het volgende wèl te onderscheiden.
[44] Zie de praeadviezen over het onderwerp: De invloed van de Drooglegging der Zuiderzee op de werkloosheid van A. PLATE en A. A. BEEKMAN i. h. Tijdschr. d. Nat. Ver. tegen de werkloosheid. Jaarg. 1, Afl. III en IV.
Gedurende ~de uitvoering van het werk, doch buiten de verkaveling, enz.~ der gronden zal er veel werk komen voor eenige groepen van arbeiders, voornamelijk voor rijswerkers, voor de arbeiders in de grienden langs onze benedenrivieren, voor grondwerkers (polderjongens), metselaars en betonbewerkers, die vooral aan de groote sluiswerken op Wieringen veel arbeid zullen vinden, voor dijkwerkers (steenzetters, enz.), en niet het minst voor de schippers, die voor den afsluitdijk en de meerdijken ontzettende massa's klei, bazalt en anderen steen, eiken palen, enz. zullen hebben te vervoeren.
Ook de ~verkaveling en de bewoonbaarmaking der gronden~, die dus gedeeltelijk met de uitvoering van de andere werken zal samenvallen, zal veel arbeid brengen voor werklieden van zekere beroepen, voor grondwerkers; voor metselaars, timmerlieden en smeden aan honderden bruggen, sluizen, duikers en gebouwen voor de stoomgemalen.
Aan het werk zelf in de beide eerste perioden zullen, naar de begrooting der Staatscommissie van voor 20 jaar, 45 millioen (dus nu minstens 55 millioen) gulden aan arbeidsloonen en scheepsvrachten worden betaald.
En eindelijk gedurende de ~blijvende vestiging of kolonisatie~, eveneens ten deele met de beide genoemde soorten van arbeid elders samenvallend, moeten de woningen voor de vaste bevolking, gebouwen voor de boerderijen, enz. worden gebouwd. De hiervoor genoemde openbare gebouwen moeten vóór en na worden gesticht, samen voor ongeveer één millioen gulden. Het spreekt van zelf dat dan al naar de behoefte arbeidskrachten, vertegenwoordigend alle beroepen, zich in de nieuwe landen zullen neerzetten, voor een gedeelte voor goed; zonder hen is daar geen geordende maatschappij denkbaar.
* * * * *
[Kantlijn: Voordeelen v. d. nijverheid.]
Ten andere is het gemakkelijk in te zien, dat onze ~nijverheid~, vooral de steenbakkerij, vruchten van het groote werk zal plukken. Behalve voor 26 millioen gulden steen uit het buitenland, zal voor 118 millioen aan materialen uit Nederland zelf noodig zijn (begrooting 1892-1894). En bij de ontwikkeling van het nieuwe gewest zal aldaar behoefte bestaan aan steen, hout, steenkool, turf, landbouwwerktuigen, enz.; onze nijverheid daarbuiten zal er hare producten kunnen plaatsen en daarvan zeker nog geheel andere gevolgen kunnen ondervinden dan tegenwoordig de touwslagerijen, rookerijen en garnalenpellerijen bij het bestaan der Zuiderzee.
* * * * *
[Kantlijn: Idem voor verkeer en marktwezen.]
De aanvoer van al die artikelen en nog veel meer en de afvoer der jaarlijksche producten van den landbouw, zal ~het verkeer~ per spoorweg, per as en per schip ook buiten het nieuwe gewest verlevendigen en de "villes mortes" langs de kusten van den ouden plas zullen ~marktplaatsen~ worden in de hedendaagsche beteekenis, nl. plaatsen van inkoop en doorvoer voor de welvarende bevolking van een rijke twaalfde provincie.
* * * * *
~De kosten.~
[Kantlijn: Verhooging der kosten in de laatste 25 jaar.]
De cijfers van de berekeningen der kosten en van de geldelijke gevolgen, door de Staatscommissie van 1892 genoemd, zijn natuurlijk nu niet meer geldig maar moeten, vooral wegens de verhooging der arbeidsloonen, met een aanzienlijk bedrag worden vermeerderd.
Toch behoeft dit volstrekt geen bezorgdheid te doen ontstaan omtrent de uitvoerbaarheid van het werk uit een geldelijk oogpunt. Immers ook het productievermogen van den grond is door den grooten vooruitgang van den landbouw sedert dien tijd in niet mindere mate toegenomen. Nog ongeveer 10 jaar geleden kon men aannemen, dat een HA. goede kleigrond gem. 42 HL. tarwe opbracht,--nu mag men die opbrengst op 52 HL. stellen.
En waar toen de HA. 300.000 KG. suikerbieten gaf, levert die thans, mits naar de eischen der tegenwoordige wetenschap behandeld, wel 400.000 KG. op.
Het aanhangige regeeringsontwerp bevat een opgave van koopsommen van klei- en zandgronden, beide in 6 provinciën, die 1900-1909 gekocht en na 1900 weer verkocht zijn (bl. 15), waaruit blijkt dat de koopsommen van een HA. zeeklei in Nederland gem. gestegen zijn van f1004.- in 1900-1909 tot f1698.- nà 1909 en van zand resp. van f528.- tot f812.-. Op grond daarvan meent de Regeering nu een jaarlijksche zuivere opbrengst van f80.- per HA. te mogen aannemen tegen slechts f60.- in het wetsontwerp van 1907.
[Kantlijn: Raming der kosten.]
In verband met de hier bedoelde algemeene stijging der prijzen is in 1914 een Staatscommissie benoemd om de ramingen der Staatscommissie van 1892 aan een nader onderzoek te onderwerpen. Door deze zijn de kosten van het geheele werk (zonder die voor de voorzieningen in de belangen der landsverdediging), die volgens de raming der Staatscommissie van 1892 179 millioen gulden zouden bedragen, geraamd op _222 millioen gulden_.
Hierbij valt echter op te merken, dat de verhoogde raming niet uitsluitend het gevolg is van hoogere loonen en prijzen van materialen, maar ook in niet onbelangrijke mate van de omstandigheid, dat alle risico's die zich bij zulk een omvangrijk werk kunnen voordoen, nader zijn overwogen, ook aan de hand van hetgeen wordt meegedeeld in het Verslag van het meer uitgewerkt plan van de droogmaking van het Wieringermeer,--en dat meer speciaal de aandacht is gewijd aan de werken ontworpen binnen de beide het eerst aan de orde zijnde inpolderingen (NW. en ZW. droogmakerijen) en de daarmee in verband staande werken, als scheepvaart- en afwateringskanalen, enz. Daardoor kunnen meer dan vroeger groote tegenvallers bij de uitvoering als uitgesloten worden beschouwd, temeer omdat geen rekening is gehouden met de omstandigheid, dat waarschijnlijk bij eenige werken door een minder kostbare constructie of werkwijze bezuinigingen zullen worden verkregen.
De raming van de groote onderdeelen van het plan, wordt dan als nevenstaande tabel aangeeft.
[Kantlijn: Beperking van het plan.]
In het aanhangig wetsontwerp wordt evenals in dat van 1901 voorgesteld nu alleen in de wet vast te leggen de afsluiting en de uitvoering van de beide westelijke polders. Later kan dus bij de wet het begin van uitvoering der beide oostelijke polders worden bepaald.
Maar deze laatste worden toch ook genoemd onder de uit te voeren werken en zij zullen reeds spoedig nadat aan den afsluitdijk begonnen is worden voorbereid.
De Regeering meent nl. dat het, in verband met de sedert 1901 veranderde omstandigheden met betrekking tot de waarde van en de vraag naar land, waarschijnlijk is, dat de droogmaking der vier polders in veel korteren tijd zal kunnen plaats hebben dan destijds werd verondersteld. Terwijl zij den werkduur voor den afsluitdijk alleen evenals vroeger op 9 jaar stelt, meent zij dat de droogmaking, enz. der Wieringermeer reeds in het 12e jaar (in plaats van in het 14e) zal zijn tot stand te brengen en die van den Hoornschen Polder in het 15e (in plaats van in het 18e). De uitvoering van dit beperkte plan, waardoor de afsluiting en een oppervlakte van ruim 74.320 HA. zal worden verkregen, zal een uitgave van _110 millioen gulden_ vereischen (zie boven),--dus ongeveer de helft van die voor het geheele plan.