Part 6
Het hier genoemde cijfer van de vermoedelijke netto-opbrengst werd o. a. afgeleid uit de pachtprijzen van bestaande gelijksoortige gronden. Maar het zal wel allerminst het pachtstelsel zijn, althans zooals dat tegenwoordig geldt, dat in het nieuwe gewest bij de uitgifte van gronden zal worden toegepast. Immers bekend zijn de groote gebreken die het aankleven, vooral daarin bestaande, dat de goede kansen gedurende den pachttijd grootendeels ten goede komen aan den eigenaar, de kwade daarentegen aan den pachter. Verbetering der gronden b.v. door verbeterde afwatering of door betere behandeling door den gebruiker zelven, verbetering der verkeersmiddelen, enz. teekenen zich dadelijk af in verhooging der pacht aan het einde van den pachttermijn. De schade door droogte, natte jaren, misgewas, enz. veroorzaakt, worden door den pachter geleden. Deze kan zelden of nooit de verliezen van slechte jaren met het voordeel van goede herstellen. De pachter heeft geen langdurig belang bij verbetering van grond en bedrijf. Daardoor bereikt de landbouw zelf op de pachtgronden veelal niet de hoogte waarop hij te brengen zou zijn, zooals o. a. bevestigd is door het onderzoek van den toestand van den landbouw door de Staatscommissie van 1892-1893. In 't algemeen staat de landbouw dáár het hoogst, waar de grond het eigendom is van de gebruikers.
Daarom zal het wenschelijk zijn in het nieuwe gewest zooveel mogelijk een eigenerfden-boerenstand in 't leven te roepen. Verkoop zonder meer--daarover is men 't vrijwel eens--moet uitgesloten zijn, opdat niet het grootkapitaal zich op de nieuwe gronden werpt met alle nadeelen aan het oude pachtstelsel verbonden. Verkoop zou echter toch wel kunnen plaats hebben aan de grondgebruikers zelven en onder zekere voorwaarden, alle ten doel hebbende om de gronden zooveel mogelijk in handen der gebruikers te doen blijven.
Om ook hen die weinig gegoed zijn, maar werkkracht, ijver en kennis bezitten, in staat te stellen tot meer welvaart te komen, zou men b. v. den grond kunnen uitgeven tegen betaling van rente en aflossing bij annuïteiten, zoodat na zeker aantal jaren grondeigendom kan worden verkregen.
Dit komt dus eigenlijk neer op een verkoop met hypotheek op den grond, die binnen zekeren tijd moet worden afgelost. Men wil zelfs aan hen die zulks verlangen een gedeelte der bouwkosten van woningen en andere gebouwen voorschieten.
Intusschen heeft men bij de uitgifte van gronden in dit maagdelijk gewest een grootere vrijheid van handelen dan voor de oude landen, waarbij met allerlei bestaande toestanden is rekening te houden en waarvoor de wetgeving in sommige opzichten moeilijk en slechts geleidelijk te veranderen is. Voor zoover het noodig of gewenscht zal zijn de gronden ook in handen van niet-eigenerfde gebruikers te brengen, zal men een stelsel kunnen volgen, dat door de meest gezaghebbende deskundigen als het beste wordt aanbevolen, b. v. een verbeterd pachtstelsel met veranderlijke cijns, lage erfpacht of eenig ander stelsel. Prof. MOLTZER sprak eens van "de Zuiderzee, proefveld onzer agrarische wetgeving".[31]
[31] Zie over dit onderwerp o. a. VAN DER HOUVEN VAN OORDT en VISSERING. De Economische Beteekenis v. d. afsl. en droogl. d. Zuiderzee, 2e Dr. Leiden 1901, blz. 83 e. v.
Verslag der Staatscommissie 1892, § 128 en Bijl. XI van dat Verslag: Rapport v. d. HH. FONTEIN DE JONG en V. D. HOUVEN VAN OORDT.
K. REIJNE. Een pleidooi v. d. droogmaking der Zuiderzee. Beverwijk 1901. (Het agrarisch vraagstuk in de nieuwe polders).
VI. De Zuiderzee-visscherij vóór en na de afsluiting.
Als de Zuiderzee wordt afgesloten en drooggemaakt, dan zal zeker de Zuiderzee-visscherij, althans in haren tegenwoordigen vorm, verdwijnen.
Daar er dus hier een werkelijk verlies aan te toonen valt, dat een gevolg is van de afsluiting, is daarvan door de tegenstanders van het groote werk altijd zooveel mogelijk gebruik gemaakt om de wenschelijkheid daarvan te bestrijden.
[Illustratie]
Men heeft die bestrijding zelfs kracht trachten bij te zetten door demonstraties. Een revue is gehouden over de visschersvloot op het Pampus als een vlootschouw bij Spithead. En ongeveer een jaar geleden is in eene vergadering van den Zuiderzee-visschersbond te Amsterdam besloten "te ageeren tegen de droogmaking der Zuiderzee".
Maar dit alles bewijst niets, of liever... het bewijst alleen dat het visschersvolkje aan zijn oud middel van bestaan--als het in 't algemeen dien naam verdient!--nog zeer gehecht is. Iets wat reeds lang bekend was.
Aangetoond moet worden dat het visscherijbedrijf van zooveel beteekenis is, dat het niet door een ander mag worden verdrongen en dit is alleen te bereiken, als men de uitkomsten van dat bedrijf kent.
Wel beweerde de Minister van Waterstaat DE MAREZ OYENS bij de behandeling der Staatsbegrooting van 1905, dat de Zuiderzeevisscherij, nog altijd is "een bloeiende tak van bedrijf" en dat "de afsluiting aan een groot deel der bevolking van een kuststreek van groote lengte in 5 provinciën (zou) ontnemen bestaansmiddelen op overouden toestand berustend".
Maar wat heeft men aan zulke _woorden_?
Feiten, cijfers moeten aantoonen hoe het met dien "bloeienden tak van bedrijf" gesteld is.
[Kantlijn: Opbrengst v. d. Zuiderzee-visscherij.]
Het is zeer moeilijk de waarde van de jaarlijks gevangen visch te schatten, daar de vangsten zeer uiteenloopen, vooral van de kostbaarste visch, de ansjovis (in 1880 1000 ankers, in 1890 190.000 ankers; één anker = 50 KG. = 2800 stuks). De geheele jaarlijksche opbrengst bedraagt soms niet meer dan 1½ millioen gulden, in 1890, _het_ ansjovisjaar, 4 millioen. Men zal niet ver van de waarheid zijn, als men de gemiddelde jaarlijksche opbrengst schat op 2 millioen gulden. Hiervan leven,--als men het zoo noemen wil,--een zeker aantal visschers met hunne gezinnen, na aftrek van hetgeen aan aanverwante bedrijven als scheepswerven, zeilmakerijen, mast- en blokmakerijen, nettenfabrieken (gedeeltelijk in het buitenland), touwslagerijen, kuiperijen, rookerijen, enz. moet worden uitbetaald.
[Kantlijn: Uitkomsten onderzoek geheel bedrijf.]
Om den toestand van het geheele bedrijf tot in bijzonderheden te leeren kennen heeft de Zuiderzee-Vereeniging een ~Commissie van onderzoek~ benoemd, waarin één lid van het Dagelijksch Bestuur van die Vereeniging zitting had, welke Commissie na persoonlijke en plaatselijke onderzoekingen in 1905 een uitvoerig verslag heeft uitgebracht.[32]
[32] Verzameling van Rapporten uitg. d. d. Zuiderzee-Vereeniging. Dl I. De Zuiderzee-visscherij, rapport eener Commissie tot onderzoek.--Leid. 1905.
Wat die Commissie ons van dat "op overouden toestand berustend bestaansmiddel" moest meedeelen, geeft daarvan waarlijk geen fraai beeld! Daardoor weten wij nu, dat van de 2069 vaartuigen die t. Z. van den afsluitdijk visschen, slechts 1390 zich daarmee gedurende het geheele jaar bezighouden, de overige slechts 2 tot 9 maanden. Rekent men deze laatste voor de helft, dan komt men tot een geheel van #1730# volledige bedrijven. Daaraan nemen deel 4434 visschers, waarvan echter 724 beneden 20 jaar oud zijn, 643 ook een ander beroep uitoefenen, 548 gedurende 6 à 7 maanden op Noordzeeloggers dienen en 196 bedeeld worden. Deze laatste drie groepen voor de helft rekenend, krijgt men een totaal van #3017# meerderjarige visschers.
Volgens het Verslag is de toestand der visschersbevolking in 't algemeen treurig. Er is bijna nergens welvaart. De toestand der schepen is slecht.
De visschers krijgen schepen en want op crediet en zijn dan niet meer vrij. Er wordt veel geleefd van schip en want (door herstellingen en onderhoud na te laten). Als de schipper van zijn gemaakte besommingen loon aan knechts, nettenverlies, slijtage en rente aftrekt en afschrijft op de netten (½ à 1/3 der waarde), dan blijft daarvan veelal weinig over. De knechts hebben meestal een zeer karig loon.
Op veel plaatsen zit de visschersbevolking diep in de schuld (Urk, Bunschoten, Hoorn, enz.).
Te Elburg wordt 's winters 24, te Bunschoten 18 en te Enkhuizen 15 percent bedeeld. De toestand is nog 't best daar, waar de visschers steun vinden in andere bedrijven, b. v. op Wieringen, waar bijna allen een huis en wat grond hebben en zij tevens wat aan landbouw doen; te Enkhuizen, waar veel tuinbouwwerk is te vinden in de Streek en waar met groenten gevaren wordt en met steenkolen, enz. voor Urk; een derde vaart op loggers op de Noordzee.
Vroeger waren die visschers er het best aan toe, die het geheele jaar of een deel er van op de Noordzee vischten. Maar die tijd is voorbij. De Noordzee-visscherij is meer en meer grootbedrijf geworden, grootendeels uitgevoerd met stoomtrawlers, stoomloggers, enz., die meer zekerheid geven op bepaalde dagen met hunne vangsten binnen te komen, die veel verder kunnen gaan en spoediger kunnen terugkomen en waarvan de groote aanvoer de marktprijzen beheerscht.
Het gevaarlijke visschen met kleine zeilschepen op de kust vormde wel goede zeelui, maar de weinige daarmee te IJmuiden aangevoerde visch moet wachten op den aanvoer van grootere partijen om verkocht te worden. Voor de Zuiderzeevisscherij is het ook moeilijk om tegen den geregelden aanvoer en de prijzen aldaar te concurreeren.
Wat blijft er dus over van dit "op overoude toestanden berustend bestaansmiddel?" Trouwens ook ouderwetsche trekschuiten, diligences en hondekarren waren eenmaal voor velen "een op overoude toestanden berustend bestaansmiddel" en toch heeft men ze door den aanleg van spoor- en tramwegen wreedaardig vermoord! De vraag is niet wat het oude waard is, maar wat de waarde daarvan beteekent in vergelijking met het nieuwe dat zijn plaats inneemt.
[Kantlijn: Vergelijking beteekenis visscherij met die v. h. landbouwbedrijf in de nieuwe provincie.]
Men heeft het Rapport van de Commissie van de Zuiderzee-Vereeniging onwaar en tendentieus genoemd, den samenstellers verweten dat zij bevooroordeeld waren. Welnu laten we eens aannemen, dat dit bedrijf, met zijn tal van bedeelde en in schulden zittende visschers en zijn slecht materieel, is een "bloeiende tak van bedrijf". Wat zou dit met zijn bruto-opbrengst van 2 millioen gulden 's jaars dan nog beteekenen bij het landbouwbedrijf in de nieuwe provincie met een bruto-opbrengst van 70 millioen? Wat is het bestaan van die hoogstens 15000 menschen, verbonden aan het visscherijbedrijf, vergeleken bij dat van een welvarende bevolking van 250.000 à 300.000 menschen in het nieuwe gewest, die bovendien 's jaars een netto-opbrengst van 16 millioen gulden vergaren?
Een voorbeeld uit de praktijk[33]. Vóórdat het westelijk gedeelte van het voormalige IJ, de Wijkermeer was drooggemaakt, vischten daar 2 visschers uit Beverwijk, waarvan een bedeeld werd. Nu, na de droogmaking, zijn in dat gedeelte der vruchtbare IJpolders 10 groote boerderijen, waar dus even zooveel boeren met hun gezinnen van den landbouw leven, 's jaars 50.000 gulden arbeidsloon uitkeeren en zeker nog een aanzienlijke som als winst maken of als pacht betalen. Ware het misschien beter geweest de Wijkermeer als vischwater te behouden om de verdiensten van dien anderhalven visscher?
[33] K. REIJNE. Een pleidooi voor de droogmaking der Zuiderzee. Beverwijk 1901, bl. 11.
In het midden der vorige eeuw werd de aanleg van den Rijnspoorweg door de Volksvertegenwoordiging afgestemd, o. a. omdat daardoor vele ondernemingen als beurtschepen, vrachtwagens, enz. te gronde zouden gaan. Men glimlacht nu daarom, maar wil ter wille van een schamele visschersbevolking de aanwinst van een groote vruchtbare provincie niet!
[Kantlijn: Schadeloosstelling oude visschers.]
Toen later toch de Rijnspoorweg is tot stand gekomen, is aan het personeel, verbonden aan de oude middelen van vervoer geen cent schadeloosstelling toegekend. Maar dat personeel zal in de vele nieuwe bestaansmiddelen, die de spoorweg schiep, wel spoedig ruime schadeloosstelling hebben gevonden.
Op de begrooting van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee in het Verslag der Staatscommissie, was een bedrag van 4½ millioen gulden uitgetrokken voor schadeloosstelling aan de oude visschers, enz., welke som in het aanhangig wetsontwerp op 6 millioen gebracht is, en toch werd soms op hoogen toon geëischt dat die som grooter moest zijn[34].
[34] Omtrent de wijze van schadeloosstelling en de berekening van het bedrag er van zie het Verslag der Visscherij-Commissie, bl. 239-260.
De Zuiderzeevisschers zullen zich gedurende een werk dat 30 à 40 jaar duurt langzamerhand aan den nieuwen toestand aanpassen. Sommigen zullen gaan varen op de Noordzee en op de handelsvloot, vooral als daartoe voor goed voorbereidend onderwijs gezorgd wordt, waarop zij zeer gesteld zijn. Anderen zullen materialen gaan varen voor het groote werk, rijs, steen, enz. voor den afsluitdijk, enz. Acht men voor de oude visschers schadeloosstelling toch billijk, zoo geve men die. Kan aangetoond worden, dat 6 millioen niet voldoende is, dan geve men meer. Die post zal de kostenrekening der Zuiderzeezaak niet te zeer bezwaren.
[Kantlijn: Zoetwatervisscherij na de afsluiting.]
In deze beschouwingen werd uitgegaan van de onderstelling, dat de Zuiderzeevisscherij geheel zal verdwijnen. Zeker zal zij verdwijnen in den tegenwoordigen vorm.
Maar wat zal de visscherij opleveren op het 145.000 HA. groote IJselmeer en in de 10.000 HA. polderwateren van het nieuwe gewest? Het is niet aan te nemen dat die onbelangrijk zal zijn. Die oppervlakte is grooter dan die van de tegenwoordige zoetwatervisscherij in geheel Nederland (134.000 HA.). Nu hangt wel de vischopbrengst niet alleen van de grootte van het vischwater af, maar zij zal toch aanzienlijk moeten zijn in die wateren.
De Zuiderzee-Vereeniging verzocht in 1905 aan de Nederlandsche Heidemaatschappij verslag te willen geven over de zoetwatervisscherij in het toekomstige IJselmeer en in de polderwateren der droogmakerijen. Deze maatschappij bracht in het volgend jaar haar zeer voorzichtig gesteld rapport uit[35], waarin men o. a. leest dat paling en spiering het IJselmeer zullen blijven bevolken, bot misschien ook (is ook gebleven in het IJ), terwijl een nieuwe vischstand daaraan zal worden toegevoerd voornamelijk door den IJsel en het Zwarte Water. En ook: "Wanneer door een doelmatig bevisschen, waarbij waardevolle visschen gespaard worden, zoolang ze nog te klein zijn, en door het uitzetten van nieuwe marktwaardige vischsoorten gezorgd wordt, dat op het IJselmeer een rijke vischstand ontstaat en bewaard blijft, dan zal op het IJselmeer ongetwijfeld een bloeiend visscherijbedrijf kunnen worden gedreven". Cijfers omtrent te verwachten opbrengsten worden echter niet genoemd.
[35] Verzameling v. Rapporten uitg. d. d. Zuiderzee-Ver. Dl. III. Rapp. v. d. Ned. Heide-Mij. o. d. Zoetwatervisscherij in het toekomstige IJselmeer en in de wateren der droog te leggen polders. Leiden, 1906.
Merkwaardig is dat de visscherij op het tegenwoordige Noordzee-Kanaal en zijn zijtakken, waarvan men het voortbestaan ook door de droogmaking der IJpolders bedreigd achtte, nu van meer beteekenis is dan die van weleer op het open IJ[36]. Zou dat niet eveneens het geval kunnen zijn in de afgesloten Zuiderzee?
[36] Zie ook den Heer DIL van Koog a. d. Zaan i. h. Alg. Handelsblad v. 1900.
VII. De economische, maatschappelijke en financieele zijde van de afsluiting en droogmaking.
Het nieuwe gewest zal in elk geval een landbouwgewest zijn bij uitnemendheid. Of ligging of bijzondere omstandigheden daarin ook belangrijke nijverheidsondernemingen zullen in 't leven roepen is mogelijk, maar daarop valt nog niet met eenige zekerheid te rekenen.
[Kantlijn: Bevolking in de nieuwe provincie.]
Op 1 December 1909 was de bebouwbare oppervlakte van den grond in Nederland 2.433.686 HA., daaronder begrepen tuin- en warmoezerijgronden, kweekerijen en bosschen, die bebouwd werden door 504.171 beroepslandbouwers van het mannelijk geslacht, dus ongeveer één per 4,8 HA. Grasland, dat minder krachten vereischt dan bouwland, zal in de Zuiderzee-provincie waarschijnlijk niet veel voorkomen, nog minder dan in Zeeland, waar het ruim 23 percent der oppervlakte bedraagt. Rekent men voor het groot landbouwbedrijf één man per 4,5 HA., dan zullen dus in de nieuwe provincie ongeveer 45000 beroepslandbouwers noodig zijn, met hunne gezinnen een bevolking van 225.000 personen uitmakend;--door tuinbouw, kweekerijen, enz. zal dit aantal misschien nog iets grooter kunnen zijn.
Voorts zullen een groot aantal neringdoenden, handwerkslieden, ambtenaren, enz. in het nieuwe gewest zich moeten vestigen, zoodat de toekomstige bevolking, als de Zuiderzee een zuiver landbouwende provincie blijft, 250.000 à 300.000 bewoners zal bedragen. Ter vergelijking diene, dat de in hoofdzaak landbouwende Provincie Zeeland (181.000 HA.) 31 Dec. 1909 op een geheele bevolking van 235.000 inwoners buiten de landbouwers 47.734 werklieden, ambtenaren, enz. telde, waarvan 11.836 vrouwen.
Natuurlijk zal die bevolking er eerst langzamerhand binnentrekken. Doch ook niet zoo langzaam als vroeger op andere nieuwe gronden, waar in het begin de toestand nog veel te wenschen overliet. Bovendien wonen bij kleinere drooggemaakte oppervlakten de grondgebruikers, enz. voor een groot deel niet daarop, maar in de nabijheid er buiten.
[Kantlijn: Bewoonbaarmaking.]
Het komt er niet alleen op aan de nieuwe gronden vóór de kolonisatie geschikt te maken voor gebruik, maar ook voor bewoning. "De vestiging in de Zuiderzeepolders", zegt de Staatscommissie terecht, "moet niet bemoeilijkt worden door het denkbeeld, dat men er verplaatst is in eene, zij 't dan ook vruchtbare wildernis".
Daartoe wil de Staatscommissie niet de woningen door den Staat laten bouwen, maar aan den verkrijger van minstens 20 HA. grond des gewenscht 70 percent van de werkelijke bouwkosten voorschieten voor woning en stalling, na goedkeuring van bestek en teekening,--terug te betalen bij annuiteiten binnen 20 jaar.
Ook wordt voorgesteld vóór de uitgifte der gronden een aantal gebouwen van openbaar nut te stichten, vooral omdat de eerste bewoners niet dadelijk talrijk genoeg zullen zijn om dat zelven te doen. Het ligt daarom in de bedoeling voor elke gemeente van 25000 HA. te bouwen één gemeentehuis, één post- en telegraafkantoor met bijkantoren, één groote school en 4 kleine, zoodat voor de acht gemeenten noodig zal zijn 8 × f125000 = 1 millioen gulden, d. i. f5.- per HA. (wel wat matig berekend!)
Om den gemeenten dadelijk eenige inkomsten te geven wil men, rekenend op 5 kerkdorpen per gemeente, aan elk 5 × 50 HA. grond geven om te kunnen uitgeven als bouwterreinen, naarmate de kommen der dorpen zich uitbreiden. Dit is dus een oppervlakte reservegrond van 1% van het geheel,--zoodat 2000 HA. minder zullen worden uitgegeven.
[Kantlijn: Gevreesde daling v. d. waarde der oude gronden.]
Door een der leden van de Staatscommissie van 1892, die tegen het besluit der meerderheid stemde, Mr. VAN NIEROP is indertijd gezegd:[37] "het groot aanbod van grond overtreft de behoeften; dientengevolge zal de grond niet in cultuur gebracht kunnen worden, tenzij op zoo gunstige voorwaarden, dat elders storing ontstaat".
[37] De Economist. Jaarg. 1897.
De bewering dat het groote aanbod van grond de behoeften zal overtreffen is echter in strijd met de sedert vele jaren waargenomen feiten.
[Kantlijn: Tekort aan grond.]
Niettegenstaande toch dat de gemiddelde toeneming van onzen bebouwbaren grond (zonder warmoezerijen, kweekerijen, boomgaarden en bosch) in de laatste 15 à 20 jaren 4000 à 5000 HA. 's jaars bedroeg, wordt niet alleen in de laatsten tijd, maar reeds tientallen van jaren geklaagd over het ~tekort aan grond~. In nagenoeg alle deelen van het land kan men die klacht vernemen. Onze boerenbevolking is er aan gehecht te blijven in het bedrijf der vaderen. Maar bij de betrekkelijk veel sterker toename van de bevolking dan van den beschikbaren grond is het voor tal van boerenzoons die een eigen bedrijf wenschen niet mogelijk om hieraan te komen.
Vooral in sommige zandstreken is dit zeer moeilijk, omdat men er van uit de streken des lands met rijkeren bodem en meer welvarende bevolking mede komt bemachtigen wat er nog open komt; in dit opzicht doen b. v. de Zuid-Hollandsche eilanden de Veluwe concurrentie aan,--wat in elk geval bewijst dat er gebrek is aan grond.
Ook op de in de laatste jaren in Drente ontgonnen heidegronden (van 1908 tot 1914 ong. 8000 HA.!) hebben zich tal van landbouwers uit oude provinciën, vooral uit Holland, Zeeland, Friesland en Groningen gevestigd.
Een nadeelig gevolg hiervan is, dat de landprijzen en pachtprijzen dikwijls te hoog worden opgedreven, zoodat vooral in ongunstige landbouwjaren het bedrijf niet meer loonend is,--een klacht die men om zoo te zeggen overal vernemen kan.
Tal van boerenzoons moeten dus ambtenaar, onderwijzer, werkman, enz. worden of--en dit zijn meestal de minsten niet, omdat zij toonen behalve eenig geld, energie, en vakkennis te bezitten--zij verlaten als landverhuizers het vaderland, dat hen niet langer voeden kan. En zulk een verscheuring van den band tusschen bevolking en geboortegrond is toch zeker niet in het belang van den Staat.
Een eenvoudige redeneering verklaart trouwens gemakkelijk het bestaan van zulk een landhonger. Immers volgens de telling van Mei-Juni 1910 bedroeg toen het aantal landgebruikers (eigenaars en pachters) van meer dan 1 HA. land in Nederland ongeveer 209.000. Aannemende dat de bevolking jaarlijks met 1,4 percent toeneemt, dan zal deze beroepsgroep, als de verhouding tusschen de verschillende groepen niet door een of andere omstandigheid gestoord wordt, denzelfden aanwas vertoonen, dus zou het aantal landgebruikers dan met ruim 2900 moeten toenemen, terwijl de 10000 HA. Zuiderzeegronden die jaarlijks kunnen verkaveld en uitgegeven worden voor het groot landbouwbedrijf slechts ongeveer 500 nieuwe bedrijven zullen vereischen. En de 5000, in de laatste jaren zelfs tot 8 à 10000 HA. gestegen aanwas van gronden, op andere wijze verkregen, kan dan zonder bezwaar nog een ongeveer gelijk aantal landgebruikers aan zich trekken.
De Regeering meent ook, op grond van de door de Directie van den Landbouw verzamelde gegevens[38], omtrent de ontginning van heidegronden, dat de vraag naar bebouwbaar land nog steeds toenemend is. In 1901 werden ontgonnen tot bouw- en grasland 871 HA. en tot bosch 540 HA.; in 1911 waren die cijfers resp. 7939 en 903 HA. In verband daarmede laat het zich aanzien, dat de gronden in de ontworpen inpolderingen, die van veel betere kwaliteit zijn dan ontgonnen heidegronden, thans spoediger zullen kunnen worden uitgegeven dan door de Staatscommissie en bij de indiening van het wetsontwerp 1901 werd gedacht.
[38] Zie Memorie van Toelichting b. h. Wetsontwerp 1916, bl. 15 en 16.
[Kantlijn: Voldoend aantal landbouwers beschikbaar.]
Dat het geheele aantal landbouwers (dus met de arbeiders) voor de nieuwe gronden ook steeds beschikbaar zal zijn, kan op dezelfde wijze aangetoond worden. Op 31 Dec. 1909 waren in ons land 504.000 mannelijke landbouwers, die dus bij gelijke toename als de overige bevolking jaarlijks met 1,4 × 5040 = ong. 7000 zouden moeten vermeerderen. En een aanwas van 15.000 à 20.000 HA. vereischt er slechts 3500 à 4500 's jaars.
Voor de Zuiderzeegronden zijn de noodige arbeiders als van zelf reeds vóór de uitgifte van die gronden aanwezig. Onze polderwerkers toch zijn dezelfde die op sommige tijden van het jaar als losse arbeiders boerenarbeid verrichten (maaien, graanoogst, bieten rooien) en zij die aan de verkaveling der nieuwe gronden hebben gewerkt, zullen daarna als vaste of losse arbeiders aldaar werk kunnen vinden in het landbouwbedrijf.