Part 5
Ook zagen wij dat vóór het tot standkomen der afsluiting eenige ~havens~, die nu niet met L.W. bevaren kunnen worden en waarvoor dan H.W. moet worden afgewacht, door uitbaggering en verlenging der havendammen eenige meerdere blijvende diepte moet worden gegeven,--zoodat zij dan ten allen tijde bevaarbaar worden.
Na de droogmaking der vier deelen blijft in 't algemeen het diepste gedeelte der Zuiderzee over voor het IJselmeer en voor den breeden waterweg van Amsterdam daarheen. De ondiepste plaatsen komen voor in de geul die naar de Oranjesluizen voert en waarin nu bij het Vuurtoreneiland bij L.W. slechts 21 à 23 dM. water staat. Eenige baggering zal daar plaatselijk moeten helpen.
Een voordeel is dat de ~schuttingen~ door de Oranjesluizen te ~Schellingwoude~ zeer zullen worden bekort wegens het kleiner verschil tusschen de standen op het Noordzeekanaal en het IJselmeer; waarschijnlijk zal de doorvaart nu en dan bij gelijk water kunnen plaats hebben.
Voor de ~vaart op Harlingen~ zal, zooals wij zagen, een nieuw aan te leggen kanaal van Piaam naar die plaats dienst doen.
Zal dus de bevaarbaarheid door het aangenomen peil van hef IJselmeer niet worden geschaad, in enkele opzichten zelfs bevorderd, er zal zeker een ~veel veiliger vaart~ worden verkregen. Op het IJselmeer zal het niet meer in die mate spoken als nu en dan op de Zuiderzee het geval is. Menige hooge lading of deklast ging op de soms woeste watervlakte van dezen zeeboezem verloren, om van het verlies van vaartuigen en menschenlevens niet te spreken;--zulke ongevallen zullen na de afsluiting wel nooit meer voorkomen. Die veiliger vaart is van groot belang, ook in verband met de groote waterwegen in het noorden des lands.
[Kantlijn: Zand- en slibaanvoer op het IJselmeer.]
Een kwestie die in de eerste plaats de scheepvaart raakt is de ~verondieping van het IJselmeer door het zand en de slib~ die de IJsel daarin zal aanvoeren.
Wat den zandafvoer van die rivier aangaat, die op ongeveer 200.000 M³ per jaar kan worden geschat[17], het zand zal zich na de afsluiting wel op dezelfde plaats blijven neerzetten als daarvóór, nl. op een 2700 HA. groote oppervlakte buiten den Ketelmond, van waar het dan evenals nu kan worden weggebaggerd.
[17] Not. Verg. Kon. Inst. v. Ingenieurs. 13 Sept. 1887.
De massa slib door den IJsel meegevoerd moet op 400.000 M³ 's jaars gesteld worden[18]. Werd deze hoeveelheid gelijkmatig verdeeld over den bodem van het 145.000 HA. groote meer, dan zou die in de eerste halve eeuw na de afsluiting den bodem slechts 1,5 cM. verhoogen. Het spreekt echter van zelf dat de verdeeling niet gelijkmatig over de geheele oppervlakte zal geschieden en dat, waar voorkomen moet worden dat de ophooging hinderlijk voor de scheepvaart wordt, de slibneerslag moet worden weggebaggerd.
[18] Nota's der Zuiderzee-Vereeniging I en VIII. Bijl. 2.
Daarom werd door de Staatscommissie op de voorloopige begrooting van het werk in het eerste jaar een kapitaal van f300.000 gebracht, dat na 66 jaar tegen 3½ percent aangegroeid tot f2.857.000 een rente zou geven voldoende om jaarlijks 400.000 M³ tegen 25 cts per M³ uit het IJselmeer te baggeren. Daarbij werd echter de neerslag in de eerste 66 jaar over het hoofd gezien, al zal die wel voor een groot deel binnen de droogmakerijen vallen.
Intusschen is de juiste daarvoor noodige som vooruit moeilijk te bepalen. Immers er zullen aanhoogingen kunnen voorkomen, b.v. ter weerszijden van het verlengde Zwolsche Diep, aan de binnenzijde tegen den afsluitdijk, die kunnen blijven liggen, daar zij de scheepvaart niet hinderen en ook de waterberging van het IJselmeer, die alleen van zijn oppervlakte en niet van de diepte afhangt, niet kunnen wijzigen. Daarentegen is op enkele andere plaatsen veel hinderlijke neerslag te verwachten o. a. in het zuidelijk einde van den breeden waterweg naar Amsterdam, in verband met de richting van den meest heerschenden wind (Z.W.) en de daardoor veroorzaakte onderstrooming in tegengestelde richting[19].
[19] Zie de Nota van het lid der Staatscommissie J. W. WELCKER als Bijlage bij het Verslag dier Commissie.
[Kantlijn: Bezwaren van technischen aard.]
Tegen sommige van de voorgestelde werken zijn, vooral in den laatsten tijd, ~bezwaren~ gemaakt ~van technischen aard~, veelal door tegenstanders breed uitgemeten ter bestrijding van het geheele plan. Dit nu is een fout. Al mochten enkele opmerkingen omtrent den aanleg van onderdeelen gegrond zijn, dan nog kunnen zij het geheele plan als zoodanig niet treffen. Die onderdeelen moeten dan op andere wijze worden aangelegd.
Maar in elk geval zijn zulke opmerkingen geheel ontijdig.
Want men bedenke wel, dat het plan der Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie niets anders is dan een voor-ontwerp in groote trekken, om de gedachten te bepalen en de kosten ongeveer te kunnen nagaan.
Maar als de verantwoordelijke ingenieurs aan het werk gaan en van de onderdeelen de ontwerpen gaan opmaken, waarnaar zij zullen worden uitgevoerd, dan zullen zij ongetwijfeld rekening houden met het beste en nieuwste wat de wetenschap hun aan de hand doet en zullen die ontwerpen dikwijls in menig opzicht afwijken van het globale plan.
Daarom leest men o. a. in de Memorie van Toelichting bij het Ontwerp van Wet tot indijking en droogmaking van de Wieringermeer (Wetsontwerp KRAUS, 1907): "Het ligt niet in de bedoeling van de ondergeteekenden, dat het plan der indijking en droogmaking van de Wieringermeer en van de overige in verband daarmede uit te voeren werken reeds thans tot in onderdeelen zouden worden vastgelegd. Het voornemen bestaat om, zoodra door aanneming van dit wetsontwerp in beginsel tot de uitvoering van het werk zal zijn besloten, de nadere uitwerking der plannen ter hand te doen nemen. Enz."
Ten duidelijkste blijkt het boven gezegde uit het "Verslag der onderzoekingen v. h. Bureau voor het opmaken van een meer uitgewerkt plan met begrooting voor den aanleg van een gedeelte van de afsluiting der Zuiderzee en indijking en droogmaking van de Wieringermeer, samengesteld door den ingenieur van 's Rijks Waterstaat ~de Blocq van Kuffeler~". Men ziet daaruit dat in bijna alle onderdeelen,--in sommige zeer veel!--is afgeweken van het globale plan der Staatscommissie, o. a. ten opzichte van de plaats, afmetingen, enz. der buitendijken, van de afwaterings- en scheepvaartkanalen ten behoeve der aangrenzende landen, vooral ook ten aanzien van de bestrijding der kwel uit de diluviale gronden van Wieringen, enz. enz.
Zoo is b.v. critiek uitgeoefend op de wijze van aanleg, de afmetingen, enz. van de meerdijken die de vier droogmakerijen moeten beschermen--een zaak van belang, omdat zelfs twijfel aan de veiligheid der bewoners van de nieuwe landen van grooten invloed zou kunnen zijn op de oeconomie van het geheele plan. Maar het is immers niet denkbaar, dat de waterstaats-ingenieurs, belast met het ontwerpen en uitvoeren van die dijken, hetgeen daaromtrent in het Verslag der Staatscommissie gezegd en geteekend is klakkeloos zouden overnemen.
Zoo is ook beweerd, dat de kruin van den afsluitdijk te laag ontworpen is, omdat na de afsluiting aldaar hoogere stormvloeden zullen voorkomen dan nu. De Zuiderzee-Vereeniging (2e Nota, bl. 15) en de Staatscommissie meenen dat bij storm in de diepe geulen, zooals die van het Vlie en van den Texelstroom weinig of geen opwaaiing plaats heeft, maar dat van daaruit het water opwaait over de ondiepere gedeelten, b.v. uit het Vlie naar de Friesche kust, wat te Harlingen eene hoogste waterstand bij stormvloed van +2,90 A.P. heeft veroorzaakt. Daar nu de Texelstroom op ongeveer denzelfden afstand van den afsluitdijk komt te liggen als het Vlie van de Friesche kust, zoo zal de opwaaiing daaruit naar den dijk niet grooter zijn en hiernaar is, rekening houdende met een sterken golfoploop tegen den dijk, de hoogte hiervan bepaald. Deze redeneering zal wel juist zijn, wordt ook niet weersproken.
Maar het is de vraag of de _gewone_ (gemiddelde of dagelijksche) vloeden bij den afsluitdijk misschien wat hooger zullen stijgen dan nu en in verband daarmede ook de stormvloeden daardoor wat zullen rijzen[20].
[20] Zie "Weerlegging van bezwaren", bl. 123.
Een aanzienlijke verhooging der stormvloeden t. N. van den afsluitdijk en zelfs langs de noordelijke kusten van Friesland en Groningen, doordat de bergruimte van de Zuiderzee en de Wadden dan tot op ongeveer de helft verkleind wordt, is een schrikbeeld waarmee in den laatsten tijd geheel ten onrechte onrust wordt veroorzaakt. Immers er behoeft dan ook slechts ongeveer de helft van het water door de zeegaten naar binnen te stroomen om de overgebleven kom zoo hoog op te zetten dat er evenwicht is tusschen het water binnen en buiten[21]. Terecht zegt dan ook de Regeering in de Memorie van Toelichting van het nu ingediende wetsontwerp, dat "geene of slechts geringe verhooging van de stormvloedhoogten, als gevolg van de afsluiting, is te verwachten" (bl. 7).
[21] Ald., bl. 118 e. v.
Hoe dit zij, deze quaestie zal nog wel worden nagegaan, voordat met den bouw van den afsluitdijk begonnen wordt, niet alleen om de hoogte van dien dijk zelven en van die der aansluitende Friesche en Noord-Hollandsche dijken, maar ook om andere zaken die met de waterstanden aldaar samenhangen, o. a. de te verwachten snelheden in de sluitgaten, enz. Mocht dan blijken dat de afsluitdijk 0,50 M. hooger moet worden gemaakt, welnu dan kan en zal dat zeker gebeuren, maar daarmee staat of valt niet de wenschelijkheid of de mogelijkheid van het geheele werk.
[Kantlijn: Gebruik van gewapend beton.]
Het voor-ontwerp van de Staatscommissie is reeds 20 jaar oud. Het kan en zal waarschijnlijk gebeuren dat sommige onderdeelen geheel anders zullen worden gemaakt dan werd voorgesteld.
Vooral het gebruik van ~gewapend beton~, dat in den laatsten tijd meer en meer toepassing vindt, zal misschien zulke belangrijke wijzigingen meebrengen,--wat ook invloed kan hebben op de kosten.
Daarom noodigde de Zuiderzee-Vereeniging in 1909 een commissie uit om verslag uit te brengen over de vraag: "in welke mate kan gewapend beton in uitgebreiden zin van toepassing zijn bij den afsluitdijk, de meerdijken, den bouw der kunstwerken, enz., ter bezuiniging bij de uitvoering, onder behoud van gelijke deugdelijkheid in aanleg en onderhoud?"
Deze "gewapend-betoncommissie", samengesteld uit de HH. Mr. P. VAN FOREEST, Dijkgraaf v. d. Hondsbossche en Duinen tot Petten, A. W. BOS, Dir. Gemeentewerken Amsterdam, J. M. VAN ELZELINGEN, Hoofdingenieur v. d. Prov. Waterstaat in Zuid-Holland, B. HOGENBOOM, Oud-Inspecteur Generaal van 's Rijks Waterstaat, G. J. DE JONGH, Dir. Gemeentewerken Rotterdam, J. W. C. TELLEGEN, Dir. Gem. Bouw- en Woningtoezicht Amsterdam en L. VOLKER AZN., aannemer, bracht Sept. 1911 haar verslag uit[22].
[22] Uitgave v. d. Zuiderzee-Vereeniging. Leiden 1911.
De groote meerderheid der Commissie stelt voor de afsluiting te verkrijgen door in de sluitgaten, na aanvulling der geulen met zand en zinkwerk, twee rijen bakken van gewapend beton, lang 50, breed en hoog 5 M., met tusschenruimten in verband tegen elkaar steunend, te doen zinken en daarop en daartegen het lichaam van den dijk op te werken, zoodat zij niet aan de inwerking van zeewater zijn blootgesteld. Eenige besparing van kosten is misschien daardoor te verkrijgen, maar nog moeilijk te bepalen. Maar de Commissie meende dat daarmede aanzienlijke besparing in tijd zou te verkrijgen zijn en dit is een groot voordeel, ook uit finantieel oogpunt.
Op de andere werken zouden niet veel kosten te besparen zijn behalve op de sluiswerken op of bij Wieringen. De meerderheid was van oordeel, dat het beter was deze binnen een cirkelvormigen ringdijk in zee t. O. van Wieringen aan te leggen, omdat daardoor 7 ton onteigeningskosten voor het kanaal door Wieringen zouden worden uitgespaard, 250 HA. aldaar niet behoeven te worden opgeofferd en de afsluitdijk 1 KM. korter (1 millioen gulden) kan worden.
[Illustratie]
V. De aanwinst van grondgebied.
[Kantlijn: Internationale beteekenis van Nederland verhoogd.]
Door de vergrooting van het grondgebied van een staat met een gansche provincie, bestaande uit zeer vruchtbare gronden, wordt de beteekenis van dien staat belangrijk verhoogd.
Wel wordt met zulk een annexatie als hier bedoeld geen nieuwe bevolking onmiddellijk ingelijfd, maar de uitbreiding der bestaansmiddelen, die vele duizenden tot welvaart zal voeren, brengt mede een betrekkelijk sneller toename der oude bevolking.
[Kantlijn: Aard der gronden.]
Die vermeerdering van beteekenis hangt echter voor een groot gedeelte af van den aard van den aangewonnen grond. En daaromtrent behoeft geen twijfel te bestaan.
Een groot aantal ~grondboringen~ zijn verricht. Voor het plan BEIJERINCK werden in 1866 in het zuidelijk deel reeds 134 grondboringen gedaan; deze werden voor het Regeeringsontwerp in 1875 nog met 271 vermeerderd. Tusschen Vollenhove, de noordpunt van Schokland en den Ketel deed de Staatscommissie van 1878 voor de verbetering van het Zwolsche Diep 102 boringen uitvoeren. In het Wieringermeer zijn in 1869 grondboringen verricht[23]; bovendien zijn er daar in 1880 nog 120 gedaan. Op de Wadden t. Z. van Ameland zijn blijkens het Verslag v. Commissarissen der Maatschappij tot landaanwinning op de Friesche Wadden in 1879 280 boringen verricht; in 1889 is daar door den Heer LELY een nader onderzoek gedaan. Toen moesten nog over ruim de helft der Zuiderzee-oppervlakte (met inbegrip der Wadden) boringen plaats hebben, die in 1889 en 1890 door de Zuiderzee-Vereeniging ten getale van 2128 zijn uitgevoerd.
[23] Ontwerp tot Indijking van de Wieringermeer, opgem. d. d. Commissie uit de Waterschappen.--Haarlem 1874.
Binnen den ontworpen afsluitdijk vallen 1049 van genoemde boringen.
Het onderzoek der grondmonsters in het zuidelijk gedeelte is indertijd gedaan door Prof. VAN BEMMELEN en de uitkomsten zijn meegedeeld in zijn rapport, overgelegd als Bijlage N bij het Regeeringsontwerp van 1877.
Prof. VAN BEMMELEN was van oordeel, "dat de kleigronden van de Zuiderzee" (klei tot 50 perc. zand) "in kwaliteit gelijk zullen zijn aan de kleigronden der IJpolders en dat de lichte kleigronden" (50 à 70 perc. zand) "der Zuiderzee in kwaliteit gelijk zullen zijn aan de gronden der Groninger noordelijke zeepolders".
Prof. MAYER, Dir. v. h. Landbouwproefstation te Wageningen, onderzocht de grondsoorten na de laatste boringen van 1890 en kwam op grond daarvan en van het onderzoek van Prof. VAN BEMMELEN tot het besluit: "dat minstens ¾ van de gronden der toekomstige polders zal zijn bouwgrond van groote waarde en slechts een ondergeschikt gedeelte van geen onmiddellijke waarde".[24]
[24] Over de boringen en het onderzoek der grondmonsters handelt uitvoerig Nota 6 der Zuiderzee-Vereeniging.
Bij deze uitspraak werd echter het zand als "van geen onmiddellijke waarde" beschouwd. Maar nu, 25 jaar later, weten wij dat ook vele zandgronden bij een goede behandeling en bemesting wel degelijk een belangrijk voortbrengingsvermogen vermogen kunnen hebben, vooral als zij laag genoeg liggen ten opzichte van den algemeenen waterstand om tot grasland te worden gemaakt. Zand werd hier genoemd alle zandgrond die uit meer dan 90 percent zand bestaat; het bevat dus nog kleideeltjes die tot de vruchtbaarheid er van bijdragen.
Wat de geologische gesteldheid der nieuwe gronden betreft kan men dus gerust zijn.
Intusschen hangt de vruchtbaarheid niet alleen van de geaardheid der gronden zelve af, maar ook van een ~goede afwatering~ en, in droge tijden, van een ~voldoende wateraanvulling~.
De nieuwe gronden moeten flink diep "uit het water gehaald" kunnen worden, m. a. w. het polderwater moet op voldoend laag peil kunnen gebracht worden en _spoedig_ gebracht kunnen worden, ook bij sterken regenval.
[Kantlijn: Ontzilting der nieuwe gronden.]
Is dit het geval, dan kunnen zij na de droogmaking ook spoedig ontzilt worden door de daarop vallende regens. Prof. VAN BEMMELEN zegt daaromtrent: "Hoe snel de uitspoeling van de chloruren plaats heeft, zoodra de aan zee ontwoekerde akkers aan een krachtige bemaling worden blootgesteld, is in de IJpolders gebleken.
.... Vergelijkt men dezen goeden afloop met de lijdensgeschiedenis van den Anna-Paulownapolder (1847) en den Waard- en Groetpolder (1844) en vele Zeeuwsche polders, dan valt het groote verschil in het oog. _Dit verschil is alleen aan de bemaling toe te schrijven._ De genoemde polders werden gebrekkig door windmolens bemalen, de IJpolders van het begin af door stoomwerktuigen, welker vermogen in sommige polders later nog versterkt is geworden".[25]
[25] Zie hierover meer uitvoerig VAN BEMMELEN. Verslag omtr. het onderzoek v. d. monsters der grondboringen in de Zuiderzee v. 1875, gev. als Bijl. N bij het Ontwerp van Wet omtrent de bedijking en droogmaking v. h. zuidelijk deel der Zuiderzee, enz. v. 1877, Hoofdst. IV.
En VAN BEMMELEN. Bijdr. t. d. kennis v. alluvialen bodem v. Nederland (Uitg. d. Kon. Ak. v. Wetenschappen). Amst. 1866, blz. 16 e. v.
Voor een uitstekende afwatering is in het ontwerp zorg gedragen. Wij zagen dat daartoe de droogmakerijen in polders zijn verdeeld, waarvan de polderpeilen voorzichtigheidshalve op 2 M. beneden de laagste daarin voorkomende terreinen zijn gesteld op het tijdstip dat deze droogvallen,--de Zuiderzee-Vereeniging, die niet op 1 M. maar op 0,5 M. inklinking rekende, had hiervoor slechts 1,5 M. genomen. De bemaling werd zoo berekend, dat zij onder alle omstandigheden die peilen volkomen kan beheerschen.
[Kantlijn: Voorbereiding der gronden vóór de uitgifte.]
Zijn de gronden in een polder drooggevallen en verkaveld, dan wordt er op gerekend, dat die niet dadelijk op een of andere wijze zullen uitgegeven worden. Men wil die dan nog gedurende ongeveer 3 jaar doen behandelen, bebouwen, enz. om ze volkomen geschikt in handen der gebruikers over te geven[26]. De gronden worden dan zoogenaamd zwart gemaakt, gruppels en slooten, die in 't begin telkens weer toeschieten, worden geschoten en herschoten, de verharding der wegen waar noodig verbeterd, enz. Ook in het Wetsontwerp v. 1907 betr. de droogmaking van de Wieringermeer werd daarop gerekend. In dien tijd kunnen de gronden toch reeds rijke vruchten dragen: de uit den Dollart in 1740 bedijkte Stadspolder (427 HA.) werd in dat jaar gedeeltelijk met koolzaad bezaaid; dit leverde in het volgende jaar een oogst, waarvan de verkoop na aftrek van alle onkosten de bedijkingskosten met 4852 gl., 6 st. en 2 d. overtrof!
[26] Zie V. D. HOUVEN VAN OORDT en VISSERING. De Economische Beteekenis van de Afsluiting en Drooglegging der Zuiderzee, 2e Dr., blz. 83.
Ook kan in dien tijd het landbouwkundig onderzoek plaats hebben voor de rationeele cultuur der nieuwe gronden, door het bebouwen van proefvelden, cultuurvakjes, enz.[27].
[27] Zie o. a. HUDIG. Wat kan het landbouwkundig onderzoek doen voor de droog te leggen Zuiderzeepolders? Cultura 1914.
[Kantlijn: Verkaveling en perceelsindeeling.]
Wat de eigenlijke ~verkaveling~ of verdeeling der gronden aangaat door de kanalen met hoofdwegen er langs, landwegen, hoofd- en kruistochten, kavel- en hein- of tusschenslooten, zij opgemerkt, dat ook deze zaak reeds van verschillende zijden bezien is.
De Staatscommissie gaf daarvoor in haar Verslag[28] een plan met kavels van 20 HA., terwijl voor het Regeeringsontwerp voor de droogmaking van de Wieringermeer van 1907 door den toenmaligen Minister van Landbouw, Handel en Nijverheid een Commissie van Landhuishoudkundigen werd benoemd, die een andere wijze van verkaveling voorstelde met kavels van 10 HA.[29].
[28] § 45.
[29] Zie de Mem. v. Toelichting bij dat Wetsontwerp, bl. 5.
[Kantlijn: Teleurstellingen vroeger ondervonden met nieuwe gronden.]
Meer dan eens is de vrees geuit, dat de uit de Zuiderzee aangewonnen gronden evenzeer teleurstelling zouden opleveren als dit reeds vroeger met nieuw drooggemaakte of ingedijkte gronden het geval is geweest. Maar die vrees kwam voort uit onvoldoende kennis van de omstandigheden, waaronder de aanwinst van die gronden weleer heeft plaats gehad of door vergelijking van ongelijksoortige gronden.
Zoo vielen o. a. de gronden van de Wormer (1625--in 't zuiden zand) en van de Heer Hugowaard (1631--grootendeels zand) tegen, daar zij vooraf niet behoorlijk waren onderzocht. Daarom mag men de Zuiderzeegronden niet vergelijken met die van den Haarlemmermeerpolder, die gedeeltelijk uit zand en veen bestaan, en die dan ook in onzen tijd met zijn nieuwere hulpmiddelen nog ongeveer f100.- bruto per HA. 's jaars minder opleveren dan die van de Waard- en Groetpolders (in 1909-1911 resp. gem. f283.- en f382.-).
Zeker! in den Haarlemmermeerpolder ging het den eersten tijd na de droogmaking zeer slecht. De gronden waren verkocht met de verplichting voor de verkoopers om ze nog met slooten en gruppen te doorsnijden en dit geschiedde door velen min of meer gebrekkig. Het langjarig gesukkel met de afwatering was, behalve aan de onvoldoende loozingsmiddelen, vooral te wijten aan de omstandigheid, dat de slooten door de eigenaars voor ophouding van water mochten afgedamd worden, zoodat de waterberging in den polder veel te klein was. Maar tegenvallers in dit opzicht zijn, zooals wij zagen, voor de Zuiderzeegronden geheel uitgesloten. Bij de IJgronden zijn zij ook niet voorgekomen.
Juist met hetgeen de geschiedenis ons in dit opzicht geleerd heeft kunnen wij ons voordeel doen, terwijl de hulpmiddelen der moderne techniek geheel andere zijn dan die van vroegere tijden.
* * * * *
[Kantlijn: Bruto- en netto-opbrengsten der Zuiderzeegronden.]
Men mag daarom aannemen, dat de aldus voorbereide vruchtbare gronden der Zuiderzee-Provincie ~opbrengsten~ zullen geven, gemiddeld als die van de Waard- en Groetpolders, al komen zij voor het grootste gedeelte waarschijnlijk nog meer met de zwaardere gronden der drooggemaakte IJpolders overeen, wat voor de kleigronden in de zuidelijke kom trouwens reeds door Prof. VAN BEMMELEN werd uitgesproken.
In het Regeeringsontwerp van de droogmaking van de Wieringermeer van 1907 wordt meegedeeld, dat in dat jaar de pacht van kleigronden in de Waard- en Groetpolders bedroeg droeg f100.- à f120.-, van de zavelgronden f70.- à f90.-; in den Anna-Paulownapolder van lichte zavelgronden f50.- en van de zwaardere f90.- de HA. en dat men dus met de Staatscommissie van de Zuiderzeegronden een gemiddelde jaarlijksche ~netto-opbrengst~ van f60.- p. HA. veilig mag aannemen, na aftrek van de polderlasten. In het nu aanhangige Wetsontwerp tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee[30] komt de Regeering tot een hooger bedrag, nl. van f80.-, gegrond op de koopsommen der gronden die in Nederland in het tijdvak 1900-1909 gekocht en na 1909 weer verkocht zijn,--waarover hierna meer.
[30] Blz. 15.
Voor de inzending der Zuiderzee-Vereeniging op de E. N. T. O. S. in 1913 te Amsterdam werden door het Departement van Landbouw, Handel en Nijverheid aan die vereeniging welwillend een aantal gegevens verstrekt, waaruit de gemiddelde jaarlijksche bruto-opbrengsten berekend zijn van de kleigronden in verschillende deelen des lands over de jaren 1909, 1910 en 1911. Deze waren:
in de Waard- en Groetpolders f382.- de HA. in de IJpolders "374.- " "
en over 1911 en 1912
in noordwestelijk Noord-Brabant (klei) "357.- " " op Noord-Beveland (klei) "359.- " " in de noordelijke landbouwstreek van Groningen (zavel) "336.- " "
Voor de Zuiderzeegronden zal men dus wel een gemiddelde ~bruto-opbrengst~ van f350.- de HA. mogen verwachten.
De oppervlakte der Zuiderzee-Provincie op rond 200.000 HA. stellend, komt men dus tot een netto-opbrengst van 16 millioen gulden en een bruto-opbrengst van 70 millioen gulden 's jaars.
* * * * *
[Kantlijn: Wijze van uitgifte der gronden.]