Part 4
Zal aldus de afwatering der omringende landen bij afsluiting der Zuiderzee gebaat worden, 1º doordat de loozing door hooge Zuiderzeestanden niet meer zoo dikwijls en langdurig als thans kan worden belet, 2º omdat wegens de minder sterke schommelingen van het buitenwater de bemalingswerktuigen minder kostbaar behoeven te zijn,--daartegenover staat het nadeel dat dan niet meer gebruik gemaakt zal kunnen worden van de ~lage~ en ~zeer lage Zuiderzeestanden~, die nu de afwatering van sommige streken ten goede komen, omdat een krachtige loozing vooral afhangt van het verschil in hoogte tusschen binnen- en buitenwater. Dit geldt vooral voor die streken, waarvan de waterloozing hoofdzakelijk van die lage standen afhangt, zooals die van het N.W. van Overijsel. Deze kunnen nu in het voorjaar bij de dan heerschende O. en N.O. winden, dus lage afwaaiing van de Zuiderzee aldaar, hun groote massa's overtollig winterwater gemakkelijk kwijt worden. Maar daarna in den zomer, bewegen de getijen zich hier tusschen nauwe grenzen, de gemiddelde ebben loopen er dan niet lager dan -0,10 à -0,15 N.A.P. af en daar de landen dan waterstanden van -0,40 à -0,45 N.A.P. noodig hebben, zoo is thans hun afwatering toch vaak onvoldoende. Is de zomer nat en valt de regentijd vroeg in, dan gaat dikwijls reeds de eerste snede van het hooigras, het voornaamste voortbrengsel van deze landen, verloren. De tegenwoordige toestand is dus ook slecht of onvoldoende te noemen, maar de meeste landen hebben tegen het aanschaffen van kostbare stoomgemalen opgezien.
Wordt de Zuiderzee afgesloten, dan kunnen bedoelde lage standen niet meer voorkomen en de toestand wordt geheel onhoudbaar. Maar dan worden die landen gedwongen om stoomgemalen aan te schaffen, sommige na zich eerst nog te hebben ingepolderd, en de aanleg en het gebruik van de bemalingsmiddelen zal veel minder kostbaar zijn dan nu, omdat zij het water dan niet meer op zoo hooge en veranderlijke buitenwaterstanden behoeven op te brengen. Ook kunnen zij dan 's winters droog blijven,--nu staan zij dan veelal onder water,--kunstmest aanwenden en dus ook daardoor in voortbrengingsvermogen toenemen[10].
[10] Zie hierover meer uitvoerig: DEKING DURA. Iets over den toestand der afwatering in een deel van Overijsel. Tijdschr. Ned. Heide Mij, 1909, bl. 173.
[Kantlijn: Invloed op de afwatering van Friesland.]
Wat ~Friesland~ betreft, daar zal dit bezwaar nog minder gelden. Wel zullen bij een afsluiting de zuidelijke sluizen bij de lage Zuiderzeestanden in het voorjaar niet meer kunnen meehelpen om Friesland van zijn overtollig winterwater te bevrijden, maar dit nadeel is voor de provincie betrekkelijk gering. Dit gewest, t. N. van de Linde, toch brengt zijn water op een groot samenstel van meren, plassen, kanalen, enz. »Frieslandsboezem" vormend, die door 13 sluizen langs de Zuid-, West- en Noordkust op zee uitwatert. Nu is de meest gewenschte stand van dien boezem in den zomer 10 à 15 cM. boven Friesch Peil (= Z.P. = 0,66 N.A.P.) dus 0,56 à 0,51 beneden A.P., maar de gemiddelde ebben t. Z. van Makkum zijn hooger, zoodat de sluizen aldaar slechts bij lagere zeestanden, voornl. bij oostelijke winden in het voorjaar tot de afwatering kunnen bijdragen. T. N. daarvan echter dalen de ebben al meer en meer tot -1,44 N.A.P. in de Lauwerszee aan de Dokkumer Nieuwe Zijlen en daar dit ook de meest vermogende sluizen zijn, zoo ligt daar het voornaamste punt van loozing van Frieslandsboezem. Toch is die, vooral voor onzen tijd onvoldoende, voornl. doordat de groote watermassa's van het geheele gewest niet spoedig genoeg bij de noordelijke sluizen te brengen zijn. Veel is reeds gedaan ten koste van veel tonnen gouds om door verruiming der waterleidingen daarheen, enz. daarin verbetering te brengen, maar de toestand is nog onvoldoende: men kan den boezemstand niet genoeg beheerschen.
Dit brengt vooral zooveel schade teweeg, omdat een gedeelte der lage landen, vooral in het Zuiden dus, niet ingepolderd is en dus bij hooge boezemstanden wordt overstroomd,--bij een stand van +0.25 Z.P. staan reeds 6000, bij +0.46 Z.P. 32000 HA. van die "buitenlanden" onder water.
Bovendien loopen bij zeer hooge standen ook een aantal polders in of komen door belette loozing onder water. Die lage landen zijn natuurlijk uitsluitend grasland; zij staan 's winters in den regel voor een groot gedeelte onder, maar komen in natte zomers hooge standen voor, waarvan wij hierboven een voorbeeld zagen, dan wordt ontzaglijke schade geleden[11].
[11] De afwatering van Frieslandsboezem is uitvoerig behandeld door het Lid der Ged. St. v. Friesl. VAN WELDEREN Bn RENGERS in een rede, geh. v. d. verg. der Afd. Tietjerksteradeel der Fr. Mij van Landb. 28 Dec. 1909,--opgenomen i. h. Tijdschr. d. Ned. Heide Mij, 22e Jaarg. (1910), bl. 35. Zie ook bl. 69 aldaar.
Dat de overstrooming door boezemwater die landen vruchtbaar zou maken, kan alleen in zekere mate gelden voor de kleistreken, waar dat water eenige kleideeltjes bevat, maar overigens niet. Kan men bovendien die landen ook 's winters droog houden en ze met kunstmest behandelen, dan stijgen zij ook daardoor zeker in waarde.
Reeds vele plannen zijn gemaakt ter verbetering van dezen toestand. Zij zullen zich ten slotte wel oplossen in de stichting van één of meer groote stoomgemalen aan de zuidzijde der Provincie, waartoe reeds besloten werd. Maar kan men door de afsluiting der Zuiderzee, dus afwatering op -0,40 A.P., in elk geval de zeer hooge boezemstanden voorkomen, dan zullen aanleg en gebruik van die gemalen, voor zooveel ze nog noodig zijn, zeker minder kosten.
De heer RENGERS meent dat _in jaren van normalen regenval_ de boezem daardoor op +0.30 Z.P. zal te houden zijn, wat nu 's winters nagenoeg nooit mogelijk is (Rapport a. h. Dag. Best. der Zuiderzee-Vereeniging omtr. de voordeelen voor de Prov. Friesland en Noord-Holland te verwachten v. d. afsluiting der Zuiderzee en de vorming van een zoetwatermeer).
Wat echter Frieslands nu gebrekkige afwatering in hooge mate zal ten goede komen, dat is, hoe vreemd dit oppervlakkig beschouwd ook moge schijnen, de gelegenheid die door de afsluiting ontstaat voor aanvulling van zijn boezem met zoet water in droge tijden.
[Kantlijn: Voor de wateraanvulling en waterverversching.]
Voor de ~wateraanvulling~ en ~waterverversching~.
Als door de sluizen op Wieringen steeds op zee wordt geloosd, terwijl aanhoudend zoet water, hoofdzakelijk door den IJsel wordt aangevoerd, dan is het duidelijk dat het IJselmeer reeds bij de afsluiting minder zout zal zijn dan bij het begin van het werk en dat het niet lang daarna zoet water of althans water van gering zoutgehalte zal bevatten.
Dit nu is wel het grootste voordeel dat een gevolg zal zijn van een afsluiting der Zuiderzee. Men is dit gelukkig al meer en meer gaan inzien. De daardoor verkregen verhooging van het voortbrengingsvermogen der aangrenzende gewesten is zoo belangrijk, dat de kosten van de afsluiting op zich zelve, dus zonder droogmaking, waarschijnlijk reeds daardoor grootendeels zouden worden goed gemaakt.
Andere deelen n.l. van ons polderland, gelegen niet ver van de groote rivieren, zooals Holland en Utrecht t. Z. van de Zuiderzee en het voormalige IJ, kunnen daaruit altijd water verkrijgen in droge tijden. Zoo laat o. a. Rijnland bij droogte en ter verversching van zijn boezem te Gouda uit den Hollandschen IJsel water in,--70 à 190 millioen M³ 's jaars al naar de behoefte, soms 2 millioen M³ per dag. Uit den aldus aangevulden boezem laten de polders dan water naar binnen. Maar zulk een bron van zoet water missen Friesland en N.W. Overijsel geheel, Noord-Holland t. N. van het IJ (Noorderkwartier) grootendeels.
Om de voordeelen van het bezit van zulk een zoetwaterbron voor deze gewesten naar waarde te kunnen schatten hebben twee bij uitstek deskundigen, de HH. TH. VAN WELDEREN Baron RENGERS, Lid v. Ged. St. v. Friesland, en K. BREEBAART JZN. te Winkel, op verzoek der Zuiderzee-Vereeniging verslag uitgebracht over de voordeelen van de voorziening met zoet water, resp. van de Provinciën Friesland en Noord-Holland welke heeren zich daarbij nog door eenige specialiteiten hebben doen voorlichten[12]. In het volgende is ook daaraan een en ander ontleend.
[12] Zie: De afsluiting en drooglegging der Zuiderzee. Uitg. d. d. Zuiderzee-Vereeniging 1911.--Leid. 1911.
Het ~Noorderkwartier~ laat in tijden van watergebrek water in uit den boezem van het Noordzeekanaal door de duikersluizen, soms ook door de schutsluizen, te Nauerna en te Zaandam, dat zich dan in de boezemwateren van dat geheele gewest, behalve in het oostelijk gedeelte van Westfriesland kan verspreiden. Maar dat water is brak door de vele schuttingen te IJmuiden en te Schellingwoude. Bovendien wordt het vervuild, doordat Amsterdam zijn grachten doorspoelt--als men het zoo noemen wil, want de drabbige massa heeft 8 dagen noodig om van het oosten der stad naar het westen te komen--door Zuiderzeewater in te laten bij Zeeburg en het te loozen op het Noordzeekanaal, in plaats van andersom te spuien, wat echter wegens de dikwijls hooge Zuiderzeestanden f100.000 's jaars aan opmaling te Zeeburg zou kosten. Het genoemde oostelijk deel van Westfriesland (Vier Noorder Koggen en het grootste deel van Drechterland) laat 's zomers bij droogte water in _uit de Zuiderzee_, dus zout water (zoutgehalte ongeveer 25 p. mille; de Noordzee op onze kust ongeveer 33 p. m.).
Het voornaamste voordeel voor dit gewest van kaasproductie bij uitnemendheid is gelegen in de gevolgen voor de zuivelbereiding. Dr. VAN DER ZANDE en Dr. SCHEIJ van het Rijkslandbouwproefstation te Hoorn zeggen: 1º dat door de gelegenheid van verversching met zoet water ketelwater zal worden verkregen dat niet te schadelijk is voor ketels en machines, ook in de streken waar het nortonwater zout of zeer zout is; 2º dat het vee door het gebruik van brak water licht diarrhee krijgt, waardoor de melk aan sterke verontreiniging blootstaat, hetgeen gebreken in de zuivelproducten kan veroorzaken, b.v. losse kaas; 3º dat vermenging van den afval der zuivelbereiding met brak water in de slooten stankvorming bevordert.
In het Verslag van den Heer BREEBAART, samen met deskundigen opgemaakt, wordt gezegd dat de vruchtbaarheid van alle soorten van gronden, vooral van de grasgronden zeker zal worden verhoogd door geheel zoet water in plaats van brak water, dat--zoo wordt o. a. voor de zandstreken geconstateerd--voor den grasgroei zeer nadeelig is.
Ook zal het IJselmeer waarschijnlijk kunnen dienen als bron voor drinkwaterleidingen in gemeenten die zich nu moeilijk of niet van goed drinkwater kunnen voorzien. Te Hoorn heeft men nu voor ongeveer drie ton gouds een (bron) drinkwaterleiding aangelegd, waarvoor het water door diepe boring moest worden verkregen en daarna scheikundig gezuiverd--duur dus voor zoo'n betrekkelijk kleine stad; te Medemblik is in droge zomers voor grof geld drinkwater verkrijgbaar, dat per spoortrein aangevoerd wordt uit Alkmaar of den Helder, enz.
Maar veel erger nog dan van Noord-Holland is de ~toestand van Friesland in droge tijden~, daar dit geen enkele zoetwaterbron van beteekenis bezit. Dan hoort men noodkreten uit dat gewest van water, meren, poelen, plassen en vaarten, zooals o. a. in de Bolswarder Courant v. 15 Sept. 1904 uit Workum: "In den omtrek van onze stad en verderop naar Bolsward en Makkum ziet het er met de landerijen treurig uit. Vele perceelen hebben een echt wintersch aanzien, dor en kaal, waarop het weidende vee nauwelijks den honger kan stillen. Daarbij ontbreekt het drinkwater in de slooten, zoodat het ongerief en de schade zeer groot zijn. Onder Bolsward wordt op een boerderij nu reeds zeven weken hooi gevoederd aan de beesten en op verschillende plaatsen aldaar melkt men minder dan de helft in gewone jaren. Met groote bezorgdheid zien de veehouders den winter tegemoet, die lang en moeilijk zal worden". Of van dien ouden Fries uit westelijk Friesland, die aan den secretaris der Zuiderzee-Vereeniging schreef: "Wij hebben geen bruikbaar slootwater meer in de polders, noch voor drinken van het vee noch voor de afscheiding der perceelen. De meeste slooten liggen eenvoudig droog.
In de vaarwaters staat nog een weinig en dat is pap geworden. Het scheepvaartverkeer gaat zeer bezwaarlijk. Het weinige water dat er overbleef is zout geworden door de vermenging met binnengeschut zeewater. Alle visch is dood. Ziedaar de toestand langs de westelijke kust van Friesland. Verder in de Provincie is de toestand dezelfde op slechts ééne uitzondering na: daar is het overgebleven water iets minder zout"[13].
[13] Medegedeeld in het Handelsblad v. 27 Okt. 1904 door Mr. G. VISSERING, destijds Secretaris van de Zuiderzee-Vereeniging.
Een ander nadeel voegt zich nl. in droge tijden bij het gebrek aan water, dat van het ~verzouten~ van het overblijvende, vooral in het westen der Provincie, door het vele schutten, voornamelijk te Harlingen, ook te Stavoren, maar het zoutgehalte is daar geringer. Daardoor worden veel beesten ziek, de hoedanigheid der zuivelproducten lijdt er door, de visch sterft, de industrie lijdt schade door het zoute ketelwater, enz.
In meergenoemd Verslag zeggen de drie vakmannen-rapporteurs omtrent den invloed van zoet water in Friesland op den toestand van ~landbouw~, ~veeteelt~ en ~zuivelbereiding~: "Veel grooter dan deze reeds zoo belangrijke schade"--nl. door te hoogen waterstand--"is die welke _te lage_ waterstand in den zomer veroorzaakt. Wanneer de droogte lang aanhoudt en ook de slooten beginnen droog te worden, dan zijn de ellende en de schade niet te overzien." In 't bijzonder wordt dan aangetoond de mindere opbrengst van de melk, zoowel wat de hoedanigheid als de hoeveelheid betreft, niettegenstaande krachtige voeding van het vee, door het gebruik van onzuiver drinkwater. De hoedanigheid hiervan laat bijna overal in de Provincie te wenschen over.
Ook de ~scheepvaart~, die in Friesland van zooveel beteekenis is, lijdt in zulke tijden zeer door watergebrek, daar dan standen van 30, soms ook van 40 en 50 cM. beneden Friesch Peil voorkomen,--en dit geldt zoowel voor de kleine schipperij als voor de groote tjalkvaart op den waterweg de Lemmer-Stroobos, deel uitmakende van dien van Holland naar Groningen; schepen raken dan aan den grond en versperren vaarwaters. Beide zullen dus zeer gebaat worden als de boezem altijd op peil kan gehouden worden door inlating uit het IJselmeer.
Een tak van bedrijf die bij den tegenwoordigen toestand dikwijls veel schade lijdt is ook de ~zoetwatervisscherij~,--omdat nu elk jaar bij de voorjaarsafstrooming groote massa's vischkuit en broed op de droogvallende buitenlanden verloren gaan, omdat nu 's zomers veel zout water op den boezem komt, wat groote uitgestrektheden ongeschikt maakt voor visch (behalve voor paling) en veel visch doodt, en eindelijk omdat het afvalwater van enkele fabrieken (o. a. van de beruchte stroocartonfabriek te Leeuwarden) het zeer gedaalde boezemwater voor visch nog geheel bederft. Het Verslag meent, dat de opbrengst in een droog jaar wel tweemaal zoo groot zou kunnen zijn als een ververschingsbron achter de hand was.
De ~volksgezondheid~ wordt tegenwoordig benadeeld, omdat de boezem niet zoo noodig ververscht kan worden bij vervuiling, bij rotting veroorzaakt door het hooge zoutgehalte, en omdat het boezemwater vaak door de schippers gedronken wordt. Het telkens droogvallen der gronden bevordert ook malaria, voornamelijk als het overstroomingswater brak of zout was.
Afsluiting der Zuiderzee en inlaten van zoet water uit het IJselmeer zal meebrengen zuiver water, zuiverder lucht en vermindering van het gevaar voor epidemische ziekten.
~Handel~ en ~nijverheid~ zullen er ook zeker bij winnen als het gebrekkig verkeer door te lage waterstanden in den zomer niet meer zal voorkomen. In het Nieuwsblad van Friesland van 7 Okt. 1905 deelt Aquarius mee, dat het aantal stoomketels in Friesland 550 bedraagt (incl. die van de stoombooten) en dat die minstens 6 keer per jaar meer moeten gewasschen worden dan wanneer geheel zoet water ten dienste stond voor de ketelvoeding. De kosten daarvan en de stagnatie in het bedrijf worden per keer gemiddeld op f25.-, dus per jaar op f150.- geschat, dus voor alle ketels samen op f82.500 per jaar, welk bedrag echter vermeerderd moet worden wegens de grootere slijtage der ketels.
Voor een deel is het gezegde ook van toepassing op het Land van Vollenhove t. N.W. van het Meppelerdiep.
En, zooals reeds werd opgemerkt, nog een groot voordeel voor Friesland en het Land van Vollenhove zal aan de mogelijkheid van voldoende zoetwateraanvulling ten allen tijde verbonden zijn, nl. ~verbetering der afwatering~.
In het voorjaar toch, als het winterwater moet worden verwijderd en de landbouw flink lage waterstanden noodig heeft, zoodat ook natte tijden daarna weinig of geen schade kunnen veroorzaken, laat men veelal het water niet zooveel afstroomen als gewenscht is,--omdat men niet durft, n.l. met het oog op een drogen tijd die volgen kan.
Gaat men de bijna angstvallige zorg na waarmee in Friesland het tijdstip en de duur van afstrooming met de zeesluizen geregeld wordt[14], dan blijkt daaruit hoe de gezaghebbers altijd geslingerd worden tusschen de vrees voor te veel en die voor te weinig water. De Heer RENGERS, die daaraan zelf zooveel deelnam, zegt dan ook in zijn meermalen aangehaalden rede: "_Zoolang de waterinlating in Friesland niet gevonden is, zal de beheersching van den waterstand onvolkomen blijven_".
[14] Tijdschr. Ned. Heide-Maatschij, 22e Jaarg. (1910), bl. 41 e. v.
Heeft men echter in het IJselmeer steeds een zoetwaterbron beschikbaar, waaruit men altijd putten kan zooveel men noodig heeft, dan zal men ook elk oogenblik den boezem zooveel durven verlagen als men wil, omdat aanvulling daarna altijd mogelijk is.
[Kantlijn: Kwel door en onderdoor den afsluitdijk.]
Er is wel eens twijfel gerezen omtrent de mogelijkheid om door een afsluitdijk het zeewater werkelijk van het IJselmeer te scheiden,--eenige onvermijdelijke doorkwelling daargelaten.
Indertijd heeft de Hoogleeraar HARTING de vrees uitgesproken, dat als de afsluitdijk op diluvisch zand of zelfs op een daarop rustende keilaag werd aangelegd, zooveel water door dat zand naar binnen zou dringen, dat men den bodem daarachter niet zou kunnen droogleggen: door hem genomen proeven waren in dit opzicht niet geruststellend[15].
[15] P. HARTING. De geol. en phys. gesteldheid v. d. Zuiderzeebodem. Versl. en Med. Afd. Nat. K. Ak. v. Wet., Dl. XI, 2e Reeks.
Een commissie uit de Kon. Akademie van Wetenschappen benoemd om dit vraagstuk in 't bijzonder te onderzoeken, meende evenwel terecht, dat uit laboratoriumproeven in nauwe glazen buizen en met van elders (dus niet van den Zuiderzeebodem) gehaald zand genomen, dus onder omstandigheden die zeer van de werkelijkheid verschilden, voor de praktijk weinig of niets viel af te leiden[16].
[16] Verslag v. d. Comm. t. onderzoek n. d. mate waarin water onder verschillende drukhoogte door zandmassa's van verschillende samenstelling en breedte stroomt. Uitg. d. d. Kon. Ak. v. Wet. Amst. 1887.
HARTING zelf kende aan die proeven daarom ook slechts een betrekkelijke waarde toe. De kwel, die afhangt van de geaardheid van den grond, van de lengte over welke de doorkwelling plaats heeft en van het verschil in waterstand buiten en binnen (drukhoogte), zou op grond van op verschillende plaatsen in ons land opgedane ondervinding, volgens de Commissie bij een drukhoogte van 4 M. nog betrekkelijk gering zijn. En hierbij werd niet alleen rekening gehouden met een kwel door den afsluitdijk, maar ook met die door de kaden langs boezemmeren en boezemkanalen (Regeeringsontwerp 1877), samen 6 maal zoo lang als de dijk zelf.
Bij het ontwerp Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie is de drukhoogte in normale omstandigheden bij H.W. slechts 0,80 M., terwijl er zelfs gedurende een gedeelte van elk getij overdruk _van binnen naar buiten_ zal zijn. Gebruik makende van dezelfde wijze van berekening als de genoemde commissie vindt men, dat in gewone omstandigheden slechts 1/90, bij stormvloed slechts 1/22 naar binnen zou kwellen van de hoeveelheid zoetwater die in dezelfden tijd bij middelbaren IJselstand op het meer vloeit.
De kwel zal dus geen noemenswaardigen invloed hebben op het zoutgehalte van het water van het IJselmeer.
[Kantlijn: Beschikbare hoeveelheid water ter inlating.]
Een andere vraag is: Zal in droge zomers altijd een voldoende hoeveelheid zoet water beschikbaar zijn ter inlating in de nieuwe polders en de aangrenzende gewesten?
Deze kwestie wordt uitvoerig behandeld in de 4e Nota der Zuiderzee-Vereeniging.
De waterplas binnen de afsluiting verliest door verdamping en wordt aangevuld uit het water dat rivieren en boezems, vooral de IJsel er op brengen. Een gunstige omstandigheid is, dat in de maanden als de verdamping het grootst is (1 Mei-1 September) de IJsel gewoonlijk niet het minst afvoert, daar hij dan ook gevoed wordt door het smelten van sneeuw en ijs in het brongebied van den Rijn; in 't algemeen is de afvoer het kleinst in de herfstmaanden.
Uit die nota blijkt o. a., dat in 10 jaren van het tijdvak 1871-1885 (in de andere jaren zou òf weinig ingelaten of de aanvoer betr. groot geweest zijn) alleen in Mei 1880 en Aug. 1885 eenig tekort zou geweest zijn om de nieuw drooggemaakte gronden, Friesland en Hollands Noorderkwartier van water te voorzien,--wat echter slechts een daling van 2 cM. van het IJselmeer zou kunnen veroorzaakt hebben. Dit zou dus zeker geen bezwaar geweest zijn, vooral als men bedenkt, dat op zeer ruime waterinlating behalve in de nieuwe landen (5 × die van Rijnland) en een te groote verdamping (gemeten n.l. in kleine verdampingsmeters) gerekend is.
Daar het aangenomen peil van het IJselmeer -0.40 A.P., dat van Frieslandsboezem -0,66 en dat van Schermerboezem (Noorderkwartier) -0.58 A.P. is, zoo zal bij dien stand altijd water ingelaten kunnen worden. Mocht de stand van het meer lager zijn of plaatselijk door afwaaiing dalen, dan kan men dien tijdelijk b. v. in April en Mei door het sluiten der sluizen wat verhoogen, b. v. tot -0,20 A.P., wat ook voor de scheepvaart gewenscht is.
Van Frieslands sluizen is alleen de bestaande Lemstersluis voor waterinlating geschikt, maar zij alleen is daartoe niet vermogend genoeg. Er zal daarom aan de zuidzijde nog een inlaatsluis moeten bijgebouwd worden.
[Kantlijn: Gevolgen der afsluiting voor de scheepvaart.]
~Voor de scheepvaart.~
Door de afsluiting zal de scheepvaart geen nadeel ondervinden, integendeel in menig opzicht worden gebaat.
De scheepvaart op de Zuiderzee is n.l. voor een zeer groot gedeelte, 1/3 à ½ van de geheele scheepvaartbeweging, van en naar Amsterdam gericht.
Dan volgen wat de grootte van die beweging betreft het Zwolsche Diep, de Lemmer en het Keteldiep (IJsel), voorts Harlingen, Muiden, Hoorn.
In gewone omstandigheden wordt, bij de grootendeels langdurige vaarten, niet "op tij" gevaren; de verschillen tusschen H.W. en L.W. zijn trouwens gering,--in de zuidelijke kom 25 à 50 cM.--ook in vergelijking met de schommelingen van den waterstand door den wind veroorzaakt.
Het peil van -0,20 A.P. van het IJselmeer in den zomer is ongeveer gelijk aan den tegenwoordigen laagwaterstand in het midden van de zuidelijke kom, dat van -0,40 A.P. 's winters ongeveer 20 cM. lager. Maar deze verlaging komt ook nu herhaaldelijk voor bij lage ebben, of door afwaaiing. Standen beneden -0,60 A.P., zooals nu wel eens voorkomen, zullen zelden meer op het IJselmeer worden aangetroffen.
Zooals reeds bij de beschrijving van het plan is opgemerkt, zou echter door de afsluiting de ~bevaarbaarheid t. O. van Schokland~ onvoldoende worden. Daarin zal worden tegemoet gekomen door de verlenging van het Zwolsche Diep tot t. Z. van Schokland.