Part 2
De getijden die op onze kusten gaan veroorzaken een verschil tusschen _dagelijksch of gewoon laag water_ (L.W.) en _dagelijksch of gewoon hoog water_ (H.W.),--d. z. de gemiddelden van alle eb- en van alle vloedstanden gedurende het laatste tienjarig tijdvak (nu 1900-1910)--, dat aan de buitenzijde van Texel ongeveer 1,25 M. en aan de buitenzijde van Ameland ongeveer 1,90 M. bedraagt. Stormvloeden kunnen echter het water der Noordzee hier op de kust ver boven H.W. opzetten, tot ong. 3,50 + A.P., stormebben het laag onder L.W. doen dalen, tot ong. -2,50 A.P.
Achter de duinen in het noordelijk deel der tegenwoordige Zuiderzee lagen uitgestrekte gronden, bestaande evenals de tegenwoordige aangrenzende gewesten Noord-Holland en Friesland, uit klei rustend op zand en, vooral meer zuidwaarts, ook op veen, dat op zijn beurt op zand ligt. Bij elken vloed drong door de genoemde riviermonden het water der zee naar binnen en overstroomde reeds lang vóór den tijd der Romeinen--want deze kenden de "Wadden" reeds--het land ter weerszijden, aanvankelijk niet ver, doch langzamerhand al verder en verder landwaarts in, naarmate de bodem in 't algemeen een weinig daalde en de zeegaten wijder werden: daardoor ontstond de kleilaag op het zand en het veen. Door de voortdurende werking der stormvloeden bleven de zeegaten aanhoudend in vermogen toenemen; de dagelijksche vloeden drongen daardoor al dieper en dieper landwaarts in en op dezelfde punten tot steeds grootere hoogte. De bewoners t. Z. van Wieringen en t. O. van het Vlie moesten hun woonplaatsen op kunstmatig opgeworpen hoogten, terpen of wierden terugtrekken en daarna ook hunne landen door dijken, zeker reeds in de 8ste en 9de eeuw, tegen de binnendringende wateren beschermen. Achter de duinen kwam toen zooveel beweging in het water buiten die dijken, dat de lichte kleideeltjes daar niet konden blijven liggen; deze werden weggeschuurd, alleen het onderliggende zand bleef over, terwijl daarin en daarlangs steeds dieper wordende geulen werden gevormd. Nu liggen die gronden, nagenoeg geheel uit zand en in de beschermde hoeken hier en daar uit een stukje veen bestaande, er nog; voor een groot gedeelte loopen zij nog bij elk laag water als de bekende wad- of waardgronden droog.
Het aldus gevormde noordelijk gedeelte der Zuiderzee is dus in 't algemeen nog zeer ondiep, maar doorsneden met eenige diepe geulen, zooals het kaartje hierachter aanwijst; de diepste is de Texelstroom, van uit het Marsdiep N.O. waarts gaande en waarin 15 tot 30 M. water staat; ook de geul van het oude Vlie is nog, voor een groot gedeelte onder den naam van Vliestroom, over.
De zuidelijke kom der Zuiderzee werd echter op geheel andere wijze gevormd. Daar lag, zooals wij weten, eenmaal het groote meer Flevo te midden van het laagveen dat de verbinding vormde tusschen dat van Holland en Utrecht ter eene en van Friesland en Overijsel ter andere zijde.
Evenals bij andere groote plassen geschiedt, breidde het zich door de werking van den wind op de oppervlakte en afslag en verwijdering van het veen langs zijn oevers al meer en meer uit, tot aan de hooge zandgronden van het Gooi en de Veluwe, enz. en tot daar waar, zooals langs de Hollandsche en een deel der Friesche en Overijselsche kusten, aan verdere uitbreiding door den mensch, door middel van dijken en dammen, paal en perk gesteld werd.
De zuidelijke kom werd dus als het ware door de natuur uitgeveend tot op de onderliggende oude blauwe klei (katteklei), die ook in Holland en Utrecht onder het veen ligt en er den bekenden vruchtbaren bodem der droogmakerijen vormt.
Intusschen was het Vlie tusschen Enkhuizen en Stavoren, door de werking der getijden van uit het Noorden, al meer en meer verruimd, de wateren uit het noordelijk deel liepen samen met die van het zuidelijk en drongen bij elk gewoon tij hierin door tot iets t. Z. van Urk, bij hooge vloeden echter veel verder, en ruimden er mede de nog in het N.O. deel der zuidelijke kom overgebleven brokken veen op. T. W. van Urk vindt men den meest zuidelijken uitlooper der geulen van het noordelijk gedeelte, het zoogenaamde "Val van Urk", waarin ruim 5 M. water staat. Op deze wijze werd het "Almere" der Middeleeuwen gevormd.
In deze zuidelijke kom, waar in 't algemeen veel meer rust in het water heerscht dan in het noordelijk gedeelte, bezinken nu de kleideeltjes, die het water op onze kusten steeds bevat, althans t. Z. van het Enkhuizerzand en ook in den luwen N.O. hoek tegen Friesland en Overijsel. Die kom heeft een van de kusten naar het midden gelijkmatig dalenden bodem; uit de Z.- en O.kusten moet men ½ tot 1½ uur verwijderd zijn, alvorens de lijn van 2 M. diepte te bereiken; het diepste gedeelte is een strook tusschen Marken en Urk, die tot 4,5 M. diep is.
In de aldus gevormde Zuiderzee gaat dus ook eb en vloed. D. w. z. _bij gewone getijen_ op de Noordzeekust (zonder harden wind) loopt door de zeegaten het vloedwater naar binnen tot ongeveer de lijn Enkhuizen-Ketelmond. Het water t. Z. daarvan wordt bij elken gewonen vloed als 't ware iets teruggeduwd en bij eb iets losgelaten; er is daar weinig verschil, 20 à 30 cM., tusschen L.W. en H.W. Men zou ook kunnen zeggen: de zuidelijke kom verkeert dus eigenlijk in den blijvenden toestand van hoogwater. Het verschil tusschen L.W. en H.W., dat bij den Helder nog 1,20 M. bedraagt, is te Medemblik nog slechts 0,65 M., aan de Oranjesluizen in het IJ 0,52 M., te Muiden 0,34 M. Te Harlingen is dat verschil 1,31 M., te Stavoren 0,47 M., te Elburg 0,38 M., het minst langs de zuidkust van Friesland: 0,24 M. te Lemmer.
Maar als het stormt, vooral als de storm, zooals veelal bij ons te lande uit het Z.W. begonnen, daarna W. geworden, waarbij veel water op onze kust gejaagd is, eindelijk N.W. is gedraaid, dan worden ontzettende massa's Noordzeewater binnen de Zuiderzee gejaagd, zoodat het water te Harlingen tot 3 M. boven A.P., te Elburg tot 3,25 M. boven dat vlak kan stijgen! Daar al het ingestroomde water door de betrekkelijke nauwe zeegaten slechts langzaam kan wegloopen, zijn de hooge standen dan veelal langdurig en hebben de dijken, vooral die waarop de wind staat, zeer veel te verduren.
Maar ook als betrekkelijk weinig of geen Noordzeewater naar binnen is gekomen, kunnen sommige kusten het erg te kwaad krijgen. De Zuiderzee is nl. ondiep, zooals wij zagen, en in ondiepe groote waterplassen kan, door de werking van den wind, het water sterk naar de een of andere zijde worden gestuwd. Dit verschijnsel van op- en afwaaiing had o. a. plaats bij den bekenden Z.W. Pinksterstorm van Mei 1860, toen het water uit het Z.W. der Zuiderzee zoo laag afwoei, dat de bodem van het IJ vóór Amsterdam droog lag, en tegelijk aan de N.O.kusten zoo hoog opwoei, dat t. Z. van den IJselmond een stand van +2,17 A.P. bereikt werd, zoodat de oppervlakte der Zuiderzee van het Z.W. naar het N.O. ruim 4 M. helde. Toch was toen betrekkelijk weinig Noordzeewater binnen de Zuiderzee (gem. stand +0,47 A.P.). Bij den Z.W. storm van 24 Jan, 1884, toen de gemiddelde stand der Zuiderzee slechts +0,70 A.P. was, was er een grootste hoogteverschil v.m. 5 uur tusschen de Oranjesluizen en Blankenham van 4,60 M.
Bij oostelijke winden, die vooral in het voorjaar voorkomen, komen langs de oostelijke kusten zeer lage ebbestanden voor; in 't algemeen bevat bij zulken wind de Zuiderzee het minste water.
[Illustratie]
II. Geschiedkundig overzicht der plannen tot afsluiting en droogmaking.
[Kantlijn: Werk van V. DIGGELEN.]
In 1849 verscheen van de hand den Ingenieur van 's Rijks Waterstaat B. P. G. VAN DIGGELEN te Zwolle zijn bekend werk over de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee[1]. De schrijver wilde de geheele Zuiderzee met de Wadden en de Lauwerszee afsluiten en droogleggen, doch zóó, dat een breede open verbinding overbleef tusschen het Marsdiep en het Vlie. Het water van den IJsel zou door breede stroombanen langs de kusten van de Zuiderzee naar de Noordzee worden geleid. Het werk bevat betrekkelijk weinig omtrent techniek en uitvoering, maar zet vooral uiteen de groote economische en andere voordeelen voor ons land, die naar schrijver's meening van de uitvoering het gevolg zouden zijn.
[1] De Zuiderzee, de Friesche Wadden en de Lauwerszee, hare bedijking en droogmaking, besch. door B. P. G. VAN DIGGELEN.--Zwolle 1849.
De groote aandacht die dit werk trok noopte de Regeering den Inspecteurs van 's Rijks Waterstaat FERRAND en VAN DER KUN op te dragen daarover een rapport uit te brengen. Dit is 3 Nov. 1849 uitgebracht, maar eerst in 1867 bekend geworden. Het adviseerde om eene Staatscommissie te benoemen, die zou bepalen of het plan wenschelijk was,--daarna aan den Ingenieur VAN DIGGELEN het maken van een ontwerp op te dragen.
Op initiatief van het 1e en 2e Dijksdistrict van Overijsel werd in 1864 een request van waterschapsbesturen aan de Regeering gericht om de afsluiting en droogmaking ter hand te nemen.
[Kantlijn: Plan BEIJERINCK.]
In 1865 vestigde de Minister ROCHUSSEN de aandacht van de Maatschappij van Grondcrediet op de Zuiderzeezaak. Deze deed daarop maken een ontwerp tot droogmaking van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee door den Inspecteur van 's Rijks Waterstaat J. A. BEIJERINCK, dat spoedig gereed was[2]. Dit stelde voor een afsluiting door een dijk van Enkhuizen over Urk naar een punt t. Z. van den Ketelmond (IJsel) en droogmaking van de geheele oppervlakte daarbinnen.
[2] Droogmaking van het Zuidelijk gedeelte der Zuiderzee. Verzameling v. officieele bescheiden, uitg. d. d. Mij. van Grondcrediet. 's-Grav. 1868.
Daarop werd 28 Aug. 1866 een Raad v. Waterstaat ingesteld, die had te onderzoeken of 1º de uitvoering naar de hoofdtrekken van dat plan mogelijk was; 2º of de uitvoering aan particulieren kon worden overgelaten, dan wel of uitvoering van Staatswege aan te raden was. De Raad, hoewel hij veel technische bezwaren had, nam de mogelijkheid der droogmaking aan; zeide dat geen geldelijk voordeel daarmee te behalen was, geloofde dat de noodzakelijkheid voor de uitvoering niet bestond en raadde daarom aan den Staat de onderneming af.
[Kantlijn: Gewijzigd plan BEIJERINCK.]
De Maatschappij van Grondcrediet, die zich met deze uitspraak niet vereenigen kon, werd vervangen door een Comité ROCHUSSEN-BOSCH-VAN RANDWIJCK. Dit deed een gewijzigd plan BEIJERINCK opmaken in overleg met zijn technischen adviseur, den ingenieur T. J. STIELTJES.
Er volgde toen 4 Mei 1870 de benoeming van een Staatscommissie ter beoordeeling van het ontwerp voor het indijken, enz. van het Zuidelijk gedeelte der Zuiderzee. Deze vond de zaak als onderneming niet winstgevend en medewerking van den Staat noodzakelijk[3].
[3] Verslag der Staatscommissie ter beoordeeling, enz. Leiden 1873.
Het Comité vroeg toen aan de Regeering een subsidie van f250.- per H.A., doch _ontving_ eerst in 1873 antwoord met de mededeeling, dat het werk beter door den Staat zelven kon worden uitgevoerd.
[Kantlijn: Regeeringsontwerp 1877.]
In de Troonrede van 1874 werd een plan tot droogmaking van het zuidelijk deel der Zuiderzee in het vooruitzicht gesteld. Bij de Wet van 5 Juni 1875 werden f8000 voor eenige onderzoekingen, boringen, enz. op de Staatsbegrooting uitgetrokken en 18 April 1877 werd door het Ministerie HEEMSKERK het eerste wetsontwerp aangeboden "betreffende de bedijking en droogmaking van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee en het maken van een waterweg van Amsterdam naar de rivier de Waal".
De afsluitdijk was nog meer zuidelijk ontworpen dan in het ontwerp BEIJERINCK, nl. van Blokkershoek t. Z. van het Enkhuizerzand om, naar hetzelfde punt t. Z. van den Ketelmond.
De oppervlakte der droog te maken gronden was 157000 HA., waarvan 144000 HA. klei. Raming van kosten 116 millioen gulden zonder de intresten.
Het zuidelijker plaatsen van den afsluitdijk geschiedde om een groote oppervlakte zand, die men als bouwgrond van weinig of geen waarde beschouwde, buiten te sluiten,--en ter andere om den dijk op klei te kunnen leggen en niet op zand, daar in dit laatste geval volgens Prof. HARTING zooveel kwelwater onder den dijk door naar binnen zou dringen, dat een voldoende afsluiting niet mogelijk zou zijn, iets wat door STIELTJES bestreden werd. Over deze kwestie volgt hieronder nog een enkel woord.
Toen in November van hetzelfde jaar het Ministerie HEEMSKERK was afgetreden en vervangen door een Ministerie KAPPEIJNE, was een der eerste daden van het nieuwe Ministerie een intrekking van dit Regeeringsontwerp.
Geruimen tijd werd toen niets meer van de Zuiderzeezaak vernomen, behalve uit geschriften die, evenals vóór dien tijd, nu en dan daarover verschenen. Als merkwaardig is daarvan te noemen dat van Jhr. P. OPPERDOES ALEWIJN[4], omdat het voor 't eerst voorstelde een noordelijker afsluiting met behoud van een groot wateroppervlak daarbinnen,--welke eenvoudige oplossing tot voorloopige berging van groote massa's IJselwater bij hooge rivierstanden, zooals wij zien zullen, gevolgd is in het plan der Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie, dat als het meest gewenschte is te beschouwen.
[4] Eenige bemerkingen betreffende de zoo gewichtige aangelegenheid der indijking en inpoldering van een gedeelte der Zuiderzee in verb. m. d. richting v. d. N.-Holl.-Frieschen spoorweg tusschen Amsterdam en Leeuwarden.--Amst. 1873.
* * * * *
In het jaar 1884 diende de afgevaardigde ter Tweede Kamer A. BUMA een wetsontwerp in, luidende: "Er zal een onderzoek worden ingesteld naar
_a._ het dichten der zeegaten en het vormen van een zoetwatermeer,
_b._ het droogleggen of kanaliseeren daarvan van Staatswege of door particulieren."
Dit wetsontwerp werd echter weldra door den voorsteller ingetrokken, toen hij zag dat het geen kans had om te worden aangenomen, evenals een daarna door hem ingediende motie van gelijke strekking.
Spoedig daarna echter brak het tijdperk aan in de geschiedenis der Zuiderzeezaak, waarin deze met ruimer blik werd bezien en de uitvoering van het groote werk, dat reeds zoo lang velen had beziggehouden, op degelijke wijze werd voorbereid. Toen is het standpunt ingenomen, waarop zij zich nu reeds geruimen tijd bevindt en van waar men meent nu tot de uitvoering- te kunnen overgaan.
[Kantlijn: Circulaire BUMA en VAN DIGGELEN.]
In 1885 stelden nl. de Heeren A. BUMA en Mr. P. J. G. VAN DIGGELEN, Lid der Prov. Staten van Overijsel, na bespreking met eenige leden der Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en der Provinciale Staten, hunne bekende circulaire op en zonden die in Augustus van dat jaar aan besturen van Provinciën, gemeenten, waterschappen, handelslichamen en landbouwmaatschappijen, die bij het tot stand komen van een afsluiting en droogmaking het meest belang hadden.
Onder hen door wier samenspreking dit stuk was samengesteld waren geen technici en daardoor waarschijnlijk ging zij van de grondgedachte uit, dat de zeegaten moesten worden afgesloten (waaronder het Zeegat van Texel, waarin 30 à 40 M. water staat), "ter opheffing van het Zuiderzeegevaar dat meer en meer zorgwekkend voor Nederland wordt" en dan zoo na mogelijk de geheele Zuiderzee, de Friesche Wadden en de Lauwerszee te bedijken en droog te maken, enz.
Daarom betoogden de schrijvers dat het niet in de allereerste plaats op de drooglegging maar op de afsluiting aankwam en dat de uitvoering van het Regeeringsontwerp van 1877, dat zich bepaalde tot het afsluiten van het _zuidelijk_ deel alleen, een groote misgreep zou geweest zijn. Maar zij meenden ook--en dit is het begin geweest van een beter oordeel over alles wat met de Zuiderzeezaak in verband staat en van een beteren grondslag waarop een plan van afsluiting en droogmaking kon worden gebouwd--, dat er nog zeer veel gegevens ontbraken en dat o. a. nog beantwoord moest worden welke gevolgen een afsluiting en droogmaking zou hebben voor de waterkeeringen, voor de afwatering der aangrenzende gewesten, voor handel-, scheepvaart- en nijverheidsbelangen. En, hoewel niet in 't bijzonder genoemd, men zou dan ook moeten kennen den bodem, niet alleen in het zuidelijk deel, maar ook in andere deelen der Zuiderzee, men zou moeten weten op welke wijze bij een afsluiting t. N. van de monden van den IJsel, het water van deze rivier zou moeten worden afgevoerd, enz. enz.
Betuiging van instemming en medewerking werd verzocht van genoemde besturen om te komen tot een grondig onderzoek.
[Kantlijn: Oprichting Zuiderzee-Vereeniging.]
Als gevolg hiervan werd het volgend jaar op een bijeenkomst van afgevaardigden uit die besturen en van enkele particulieren de ~Zuiderzee-Vereeniging~ opgericht, van welker statuten Art. 2 luidde:
"Het doel der Vereeniging is het doen instellen van een volledig en grondig (technisch en financieel) onderzoek of, en zoo ja, naar de wijze waarop en de middelen waardoor eene afsluiting (mede ter voorbereiding eener later geleidelijke drooglegging) van de geheele Zuiderzee, de Wadden en de Lauwerszee wenschelijk en uitvoerbaar is."
Dit zeker niet fraai gesteld artikel werd aldus toegelicht: "Hoofddoel is alzoo: het onderzoek naar een betere beveiliging van Nederland tegen het zeegevaar door opheffing der vrije gemeenschap tusschen de Noord- en de Zuiderzee".
Men hield dus vast aan het denkbeeld, dat een gestadige verruiming der zeegaten een steeds grooter wordend gevaar voor de kusten der Zuiderzee meebracht. Maar van zulk een verruiming in de laatste eeuwen was geen sprake[5]. En reeds het begin van het onderzoek toonde aan, dat een dichting der zeegaten, vooral van het Marsdiep en het Vlie een sprong in het duister zou zijn die men niet wagen mocht.
[5] Zie de Notulen v. d. vergadering van 9 Juni 1887 v. h. Kon. Instituut v. Ingenieurs. Voordracht van het lid VAN KERCKHOFF.
Maar de noodzakelijkheid van een onderzoek van al de hierboven genoemde punten en nog veel meer bleef toch bestaan.
De Zuiderzee-Vereeniging, 28 Apr. 1886 geconstitueerd, verkreeg 16 Aug. d. a. v. de Kon. goedkeuring. Het Dagelijksch Bestuur werd samengesteld uit de Heeren BUMA, voorzitter, VAN DIGGELEN, onder-voorzitter, WERTHEIM, penningmeester en VAN DER HOUVEN VAN OORDT, secretaris. De Vereeniging stelde in haar dienst de ingenieurs VAN DER TOORN en LELY. Eerstgenoemde verzocht en verkreeg spoedig daarna ontslag en het technisch onderzoek werd sedert geheel geleid door den ingenieur C. LELY, den tegenwoordigen Minister van Waterstaat.
[Kantlijn: Nota's der Zuiderzee-Vereeniging.]
Als uitkomsten van het onderzoek zijn 1887-Maart 1892 achtereenvolgens verschenen 8 ~technische nota's~, met tal van berekeningen, graphische voorstellingen, platen en kaarten[6].
[6] Deze nota's, als alle werken van de Zuiderzee-Vereeniging verschenen en verkrijgbaar bij de Firma voorh. E. J. BRILL te Leiden, dragen alle den titel: "Onderzoek omtrent de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, de Wadden en de Lauwerzee" en--behalve de 6e en 8e Nota--"De afsluiting Noord-Holland-Wieringen-Friesland en de droogmaking van het gedeelte der Zuiderzee binnen die afsluiting". Zij zijn:
1e Nota. Beschouwingen over verschillende wijzen van afsluiting van de geheele Zuiderzee en over de insluiting van den IJsel.
2e Nota. De invloed der afsluiting op de waterkeering der provinciën langs de Zuiderzee.
3e Nota. De invloed der afsluiting op de waterloozing der provinciën langs de Zuiderzee.
4e Nota. De invloed der afsluiting op de waterverversching der provinciën langs de Zuiderzee.
De invloed der afsluiting op de scheepvaart der Zuiderzee.
5e Nota. De constructie en de kosten van den afsluitdijk, de sluizen en de bijkomende werken.
M. e. Bijlage v. Dr. P. P. C. Hoek. De invloed der afsluiting en droogmaking op de visscherij in de Zuiderzee.
6e Nota. Resultaten der terreinwerkzaamheden verricht in 1889 en 1890.--1. Grondboringen, 2. Stroommetingen, 3. Diverse metingen.
7e Nota. Geologische toestand en algemeen plan van indijking.
Schetsontwerp ter indijking en droogmaking (na de afsluiting) van het Wieringermeer.
Id. van het zuidoostelijk gedeelte der Zuiderzee.
Id. van het zuidwestelijk gedeelte der Zuiderzee.
Id. van het noordoostelijk gedeelte der Zuiderzee.
Tijd van uitvoering en kosten van het geheele ontwerp tot afsluiting der Zuiderzee over Wieringen met de indijkingen binnen de afsluiting.
8e Nota. Vergelijking van verschillende ontwerpen ter afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee met o. a. een Bijlage: Schetsontwerp ter partieele indijking en droogmaking der Zuiderzee zonder afsluiting.
In de 7e Nota gaf de Zuiderzee-Vereeniging zelve een bepaald plan van afsluiting en droogmaking. Dit plan is opgemaakt in verband met de uitkomsten van het bodemonderzoek.
Tegelijk met de laatste nota 4 Maart 1892 verscheen ook: »Oeconomische en finantieele beschouwingen van het Dagelijksch Bestuur naar aanleiding der resultaten van het technisch onderzoek, vervat in de 8 nota's." Later, Apr. 1898, verscheen het uitgebreider werk van H. C. VAN DER HOUVEN VAN OORDT en Mr. G. VISSERING, »De Oeconomische beteekenis van de afsluiting en drooglegging der Zuiderzee", waarvan in Juni 1901 een tweede druk bezorgd werd.
[Kantlijn: Benoeming Staatscommissie 1892.]
Spoedig nadat de laatste der nota's het licht had gezien, nl. 8 Sept. 1892, werd een Staatscommissie benoemd van 30 leden, deskundigen op de verschillende gebieden waarover de afsluiting en droogmaking zich uitstrekken, waaraan de beantwoording werd opgedragen van de vragen:
of eene afsluiting en eene droogmaking der Zuiderzee op een wijze als door de Zuiderzee-Vereeniging is voorgesteld, in 's Lands belang behoort te worden ondernomen, en zoo ja,
op welke wijze dit werk tot uitvoering moet worden gebracht.
[Kantlijn: Verslag Staatscommissie 1894.]
Reeds 14 Apr. 1894 werd door de Commissie haar rapport uitgebracht. De 1e vraag werd bevestigend beantwoord door 21 van de 27 leden;--de 6 leden die in ontkennenden zin antwoordden, grondden in hoofdzaak hun bezwaren op de groote finantieele verplichtingen, die het uitvoeren der geheele onderneming zal met zich brengen en op de onzekerheid van hare oeconomische uitkomsten.
De tweede vraag werd door alle leden beantwoord: door den Staat, op den voet in dit verslag vermeld.
De Staatscommissie kon zich in 't algemeen wel met het plan der Zuiderzee-Vereeniging vereenigen. Omtrent enkele punten verschilde zij met deze van inzicht of stelde zij wijzigingen voor in de uitvoering,--dit laatste vooral ten aanzien van de grootte en den vorm der droogmakerijen. De belangrijkste afwijkingen zullen hierna bij de beschrijving der onderdeelen worden meegedeeld.
* * * * *
[Kantlijn: Regeeringsontwerp 1901.]
7 Mei 1901. Tweede Regeeringsontwerp (Min. C. LELY),--tot afsluiting der Zuiderzee en droogmaking van de Wieringermeer en den Z.W. Polder. (Naar het plan der Staatscommissie).--Na aftreden van dit Ministerie ingetrokken.
[Kantlijn: Regeeringsontwerp 1907.]
4 Nov. 1907. Derde Regeeringsontwerp (Min. J. KRAUS), voor den aanleg van een gedeelte van de afsluiting der Zuiderzee en indijking en droogmaking van de Wieringermeer. (Naar het plan der Staatscommissie, maar verkleind met het Z.O. diepste gedeelte; verkoopbare klei- en zavelgronden 16 500 HA.). Ingetrokken door een in 1913 opgetreden Ministerie bij Brief van 11 Sept. 1913.
[Kantlijn: Regeeringsontwerp 1916.]
6 Sept. 1916. Vierde Regeeringsontwerp (Min. C. LELY), tot afsluiting en droogmaking der Zuiderzee, waarbij bepaald wordt dat de afsluitdijk en de beide westelijke gedeelten eerst zullen worden uitgevoerd en de beide oostelijke zullen worden voorbereid in een geraamden tijd van 15 jaar, terwijl met deze laatstgenoemde gedeelten aangevangen zal worden op een nader bij de wet te bepalen tijdstip.
[Illustratie]
III. Plan van afsluiting en droogmaking der Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie.
[Kantlijn: Beschrijving.]
Dit plan is in groote trekken het volgende.