De afsluiting en droogmaking der Zuiderzee. Weerlegging van bezwaren. uitgegeven door de Zuiderzee-Vereeniging

Part 12

Chapter 122,343 wordsPublic domain

Vasthouden aan het oude wordt in ons land maar al te veel als hoogste wijsheid beschouwd, en vooruitstrevendheid met den naam van roekeloosheid bestempeld: door het vasthouden aan het oude heeft ons land bij herhaling bittere ervaringen op gedaan. De Twentsche weefindustrie is voor 1840 te gronde gegaan, omdat zij krampachtig wilde vasthouden aan hare oude werkwijze, en de vernietigende concurrentie van Engeland en Amerika slechts door toepassing van hooge invoer-tarieven, niet door wijziging in hunne fabricatie wilde afweren. Eerst toen eenige vooruitziende mannen de oude weefgetouwen geheel gingen afschaffen en de goed overdachte nieuwe machines gingen invoeren, werd de grondslag gelegd voor den buitengewonen bloei van het thans zoo nijvere Twente.

Bij de Zuiderzeezaak zien wij weder dergelijke verschijnselen; velen bleven zich blind staren op de tegenwoordige gebrekkige visscherij van een 3000 man, die ongeveer 2 millioen gulden kunnen besommen, en hadden dan geen oog meer voor de breede toekomst van welvaart, welke opengelegd wordt in de nieuwe drooggelegde gronden voor meer dan 250.000 menschen, die jaarlijks zeker meer dan 70 millioen gulden kunnen produceeren, afgezien van de nieuwe zoetwater-visscherij, die dan binnen de afgesloten ruimte systematisch kan worden gekweekt.

In den oorlogstijd ontving de Zuiderzee-Vereeniging een verzoek van een der grootste reeders van ons land om toelating tot het lidmaatschap, om redenen uitgelegd in bijgaand schrijven:

"Heeft Uwe Vereeniging steeds mijn sympathie gehad als een groot nationaal werk, de door den oorlog gebleken afhankelijkheid van ons land, van den invoer van graan, heeft mij doen inzien dat het droogleggen van de Zuiderzee het eenige middel zal zijn om een voldoende binnenlandsche productie van graan te verkrijgen, waardoor wij onafhankelijk zouden kunnen worden van buitenlandsche machten, welke ons den aanvoer van graan onmogelijk zouden kunnen maken.

"Deze productie is mijns inziens meer noodzakelijk om onze nationale onafhankelijkheid te verdedigen, dan een sterk leger, en om dus zooveel mogelijk mede te werken om tot een droogmaking van de Zuiderzee te geraken, verzoek ik U beleefd mij als lid Uwer Vereeniging te willen noteeren".

Er zijn zaken in ons land, die bij sommige een roep hebben niet tot stand gebracht te kunnen worden; dat niet kunnen komt echter dikwijls neder alleen op een zich-onthouden; wordt dit onthouden veranderd in een actieve medewerking, dan ziet men het onmogelijk-geachte binnen korten tijd tot stand gebracht.

Het gold in de latere jaren steeds eene onmogelijkheid om in Nederland eene groote Staatsleening met welslagen uit te geven; een veertig millioen werd reeds te veel geacht. Nederland komt onverwacht voor den oorlogstoestand te staan en reeds drie Staatsleeningen van Nederland van gezamenlijk 525 millioen gulden en twee van Nederlandsch Oost-Indië van te zamen 142.5 millioen gulden, of in algeheel totaal van 667.5 millioen gulden zijn uitgeschreven, en al deze leeningen zijn overteekend geworden, sommige zelfs zeer belangrijk. Die groote menigte personen, die vroeger in onthouding hun grootste wijsheid zagen, hebben nu allen medegewerkt tot een dergelijk resultaat. Het gevoel van nuttigheid, van noodzaak was eindelijk wakker geworden, en door samenwerking was meteen de kracht gevonden, wier bestaan vroeger ontkend was. Ook de onthouders, de twijfelmoedigen waren thans tot eene daad gekomen.

Met de afsluiting en drooglegging der Zuiderzee zal het evenzoo gaan; ook deze zaak heeft alleen noodig het opgeven van de politiek van onthouding, het aanvaarden van de daad.

De twijfelmoedigen zullen thans natuurlijk weder zeggen, dat Nederland geen geld zal hebben om in deze tijden een dergelijk groot werk te ondernemen; een prachtig argument voor diegenen, die liefst maar een doofpot als kenmerk in hun wapenschild moeten voeren; misschien is er juist nooit meer reden voor Nederland geweest dan thans om die aanwinning van land te ondernemen. In 1839 werd het besluit tot drooglegging van de Haarlemmermeer genomen, in den tijd toen na den uitputtenden strijd met België Nederlands financiën er droeviger voorstonden dan ooit. Toch heeft men onder die omstandigheden het werk aangedurfd, en mede daardoor een grondslag voor latere welvaart gelegd. En thans zouden wij dien moed missen, in een tijd dat Nederland zijn economische kracht en welvaart in eene voor velen verrassende wijze heeft getoond? Voor het verdedigen van wat wij hebben, doch op zichzelf voor onproductieve uitgaven, wordt zonder aarzelen meer dan 650 millioen gulden opgebracht; dit was een mooi getuigenis van nationale kracht, dat toonde hoe belangstelling voor de publieke zaak nog alom bestaat; voor het scheppen van een nieuw welvarend gewest zou het geld dan niet te vinden zijn? Wij zouden dus op dit punt dan achter moeten staan bij onze vaderen van 1839, terwijl onze rijkdommen, onze krachten, onze ingenieurswetenschap, onze landbouwwetenschap zeker meer dan het tienvoud zal bedragen van toen?

Juist in de latere jaren is gebleken, dat in ons land heerscht wat men zou kunnen noemen een "landhonger"; talrijke jonge mannen uit nijvere gezinnen, boerenzoons, enz. zoeken naar land om een eigen bedrijf te kunnen opzetten, nu het bedrijf der ouders reeds voldoende van werkkrachten voorzien is; de pachten van kleine stukjes grond worden steeds opgedreven, wegens het te groot aantal gegadigden; die stukjes grond zijn te klein om daarop tot welvaart te kunnen geraken, hoe noest de vlijt ook is.

Het laatste jaar heeft ons geleerd hoe onzegbaar nuttig het voor ons land geweest zou zijn, indien wij binnen onze grenzen een nog grooter gebied voor land- en tuinbouw zouden gehad hebben; niet alleen tot verhooging van onze welvaart, doch vooral ook tot voorziening in de eigen behoeften van voedingsmiddelen. Welk een moeite heeft de Regeering moeten doen om in dien oorlogstijd het noodige voedsel voor het volk van ver over zee te halen?

In het buitenland, zoowel in Duitschland als in Engeland, worden thans dwangmaatregelen genomen om de bevolking er toe te brengen ieder vrijliggend stukje grond voor kweeken van landbouwvoortbrengselen te benutten; de oorlog heeft doen gevoelen hoe nuttig, ja noodzakelijk het is om de productiekracht van het land te verhoogen. Wij hebben hier om zoo te zeggen voor het grijpen om onze voortbrengingskracht in het hart van het land te vergrooten met een gebied van de uitgestrektheid eener geheele provincie, en dat nog wel van den allerbesten bouwgrond; en wij zullen die gelegenheid nog langer onbenut laten, nadat wij op dit punt ook zoo harde lessen in den oorlog hebben gekregen? Het stellen van die vraag alleen zou ons bijna beschaamd doen worden.

Wij hebben de mannen, wij hebben de krachten voor het werk, die naar eigen grond hunkeren, wij hebben het geld.

Wij kunnen ons land vergrooten, versterken, meer volmaken, door den meest vredelievenden arbeid, die men zich denken kan; door wetenschap van ingenieurs en landbouwkundigen, door scheppingswerk van onze, over de geheele wereld gewaardeerde aannemers; en dat alles, terwijl meer dan de helft van de aarde, en twee-derden van hare bewoners zijn gewikkeld in een krijg van vernietiging, in de hoop gebied met wapengeweld aan elkander te ontnemen.

In deze omstandigheden zouden de twijfelmoedigen het pleit winnen, de onthouders zouden in ons land de lijn van ontwikkeling moeten aangeven, een averechtsch begrip van voorzichtigheid zou de toekomst van Nederland moeten bepalen?

Na de opleving van ons nationaal bewustzijn in de laatste jaren is dat niet meer te verwachten. Ware dit het geval, hoe diep zouden wij dan ons moeten schamen tegenover onze zooveel verder ziende vaderen van 1839!

Mogen dan ook de Staten-Generaal eindelijk aan de roepstem van onze geëerbiedigde Koningin en van Hare Regeering gehoor geven en tot de onderneming van dit groote werk besluiten. Nog nooit was ons land zoo rijp voor zulk een daad.

Deze beslissing zou een aureool brengen om den arbeid van de thans spoedig scheidende Kamers van Volksvertegenwoordiging.

Amsterdam, 6 Januari 1917.

Het Dagelijksch Bestuur der Zuiderzee-Vereeniging:

Mr. G. VISSERING, _Voorzitter_. Mr. H. SMEENGE, _Onder-Voorzitter_. Dr. J. KRAUS. L. VOLKER Azn. Jhr. Mr. P. VAN FOREEST. TH. VAN WELDEREN Baron RENGERS. Jhr. Mr. J. F. BACKER, _Penningmeester_. Mr. C. J. PEKELHARING, _Secretaris_,

Nieuwendijk 121 Amsterdam.

De Zuiderzee-Vereeniging heeft achtereenvolgens uitgegeven:

1887. Technische Nota no. 1: betreffende het onderzoek omtrent } de afsluiting van de Zuiderzee, de Wadden en de Lauwerzee }

1887. Nota no. 2: de invloed der afsluiting op de waterkeering } der provinciën langs de Zuiderzee }

1888. Nota no. 3: de invloed der afsluiting op de waterloozing } der provinciën langs de Zuiderzee }

1889. Nota no. 4: de invloed der afsluiting op de } waterverversching der provinciën langs de Zuiderzee. De } invloed der afsluiting op de scheepvaart der Zuiderzee }

1890. Nota no. 5: de constructie en de kosten van den } afsluitdijk, de sluizen en de bijkomende werken. De } f10.- voor- en nadeelen der afsluiting buiten verband met de } droogmaking }

1891. Nota no. 6: resultaten der terreinwerkzaamheden van 1889 } en 1890 } _a._ grondboringen. } _b._ stroommetingen. } _c._ diverse metingen. }

1891. Nota no. 7: De droogmaking met schetsontwerpen der } verschillende indijkingen }

1891. Nota no. 8: Vergelijking van verschillende ontwerpen tot } afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee }

1892. Oeconomische en finantieele beschouwingen van het Dagelijksch Bestuur naar aanleiding der resultaten van het technisch onderzoek vervat in de acht Nota's f0.50

1892. Endiguement et Dessèchement du Zuiderzee "0.50 I. Considérations économiques de la Zuiderzee-Vereeniging. II. Discours, prononcé par M. J. M. TELDERS.

1894. Uittreksel uit het Verslag der Staatscommissie "0.25

1895. Afsluiting en Droogmaking van de Zuiderzee "0.25 Antwoord van S. J. VERMAES op hoofdartikelen »Nieuwe Rotterdamsche Courant".

1898. De Economische beteekenis van de Afsluiting en Drooglegging der Zuiderzee door H. C. VAN DER HOUVEN VAN OORDT en MR. G. VISSERING "1.50

1901. Ontwerp van Wet tot Afsluiting en Droogmaking van de Zuiderzee met Toelichtende Memorie "0.60

1901. De Economische Beteekenis van de Afsluiting en Drooglegging der Zuiderzee door H. C. VAN DER HOUVEN VAN OORDT en MR G. VISSERING. Tweede herziene en bijgewerkte uitgave f1.50

1905. De Afsluiting en Drooglegging der Zuiderzee in de beide Kamers der Staten-Generaal "0.50

1905. Deel I. De Zuiderzeevisscherij, Rapport eener Commissie van Onderzoek. Deel II. De Rapporten aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid met Nota van Beantwoording der Zuiderzee-Vereeniging "1.-

1906. Deel III. Rapport van de Nederlandsche Heide-Maatschappij over de Zoetwatervisscherij in het toekomstige IJselmeer en in de wateren der droog te leggen polders "0.25

1908. De Afsluiting en Drooglegging der Zuiderzee in de beide Kamers der Staten-Generaal, uitgegeven door de Zuiderzee-Vereeniging. Deel II "1.-

1911. De Afsluiting en Drooglegging der Zuiderzee "1.- I. De voordeelen van de voorziening der provinciën Friesland en Noord-Holland met zoet water. II. Staten-Generaal. Behandeling der Staatsbegrootingen voor 1908, 1909, 1910, 1911. III. Voorloopig Verslag IIe Kamer over het Wetsontwerp tot droogmaking der Wieringermeer. IV. Handelingen Provinciale Staten van Noord-Holland najaar 1910. V. Inzending ter Landbouwtentoonstelling te Deventer in Juli 1909.

1911. De afsluiting en drooglegging der Zuiderzee. Vervolg 1911, bevattende Verslag der Commissie over de toepassing van gewapend beton bij den bouw der dijken. Met 4 kaarten "1.-

1912. Ontwerp van Wet tot Afsluiting en Droogmaking van de Zuiderzee met toelichtende Memorie. Met 1 Kaart. 2e druk "0.60

1914. De Afsluiting en Drooglegging der Zuiderzee "1.- I. De invloed van de drooglegging der Zuiderzee op de Werkloosheid. II. Staten Generaal. Behandeling der Staatsbegrootingen voor 1912 en 1913. III. Verzameling C. Leemans. Bruikleen aan de Ned. Heidemaatschappij. IV. Inzending ter Eerste Nederlandsche Tentoonstelling op Scheepvaartgebied, Amsterdam, 1913.

1916. De Watervloed van 13-14 Januari 1916 "0.50

[Illustratie: PLAN VAN AFSLUITING EN DROOGMAKING DER ~ZUIDERZEE~.

(ZUIDERZEE-VEREENIGING--STAATSCOMMISSIE)]

+--------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: DIGGELEN 8 | | C: DIGGELEN 9 | | B: afwatering van Friesland 35 | | C: afwatering van Friesland 34 | | B: Ameland ongeveer 1.90 M. bedraagt. | | C: Ameland ongeveer 1,90 M. bedraagt. | | B: kust ver boven HW. opzetten, | | C: kust ver boven H.W. opzetten, | | B: in het IJ 0,52 M. te Muiden | | C: in het IJ 0,52 M., te Muiden | | B: Plan BEIJERINCK | | C: Plan BEIJERINCK. | | B: particulieren. | | C: particulieren." | | B: G. VISSERING. De Oeconomische beteekenis | | C: G. VISSERING, »De Oeconomische beteekenis | | B: door 21 van dc 27 leden; | | C: door 21 van de 27 leden; | | B: | | C: [Kantlijn: Regeeringsontwerp 1916.] | | B: en uitwateringsluis in de Binnenhaven | | C: en uitwateringssluis in de Binnenhaven | | B: oppervlakkig beschouwd, ook moge | | C: oppervlakkig beschouwd ook moge | | B: uitstek-deskundigen, de HH. | | C: uitstek deskundigen, de HH. | | B: toestand dikwijls veeI | | C: toestand dikwijls veel | | B: aangehaalden rede. "_Zoolang de | | C: aangehaalden rede: "_Zoolang de | | B: 1907 betr. de drooogmaking | | C: 1907 betr. de droogmaking | | B: Opbrengst v. d. Zuiderzee visscherij. | | C: Opbrengst v. d. Zuiderzee-visscherij. | | B: zeilmakerijen mast- en blokmakerijen, | | C: zeilmakerijen, mast- en blokmakerijen, | | B: in een belangrijk deel deel | | C: in een belangrijk deel | | B: Achtereen volgens indijken en | | C: Achtereenvolgens indijken en | | B: te beperken en te beheerschen'" | | C: te beperken en te beheerschen." | | B: "Zijn vernietigende uitspraak | | C: Zijn vernietigende uitspraak | | B: (L. W,)--dit _verschil_ heet | | C: (L. W.)--dit _verschil_ heet | | B: +2.21 " | | C: +2,21 " | | B: +1.98 " | | C: +1,98 " | | B: +2.86 " | | C: +2,86 " | | B: +0,32 N.A.P. -0,23 en te Stavoren | | C: +0,32 N.A.P. en -0,23 en te Stavoren | | B: voorafgaan." | | C: voorafgaan."" | | B: leest men nl: "Welnu, op grond | | C: leest men nl.: "Welnu, op grond | | B: daarin dus 3.600.000.0000 | | C: daarin dus 3.600.000.000 | | B: meest kritiek is wanneer | | C: meest kritiek is, wanneer | | B: boven Groningen, naat het Zuiden. | | C: boven Groningen, naar het Zuiden. | | B: nog wal raken. Zulk | | C: noch wal raken. Zulk | | B: richting af Maar waardoor wordt | | C: richting af. Maar waardoor wordt | | B: wind opwaaiien tegen den | | C: wind opwaaien tegen den | | B: de Staatcommissie in 1894 geraamd | | C: de Staatscommissie in 1894 geraamd | | B: Heusden (amendement Seret) voor | | C: Heusden (amendement SERET) voor | | B: van 13/14 Januari 1916, uitg. | | C: van 13/14 Januari 1916", uitg. | | B: afwatering van Fiesland, ook zonder | | C: afwatering van Friesland, ook zonder | | B: Tijdschr. Heise Ms, | | C: Tijdschr. Heide Mij, | | B: acht Nota's f0 50 | | C: acht Nota's f0.50 | | B: uitgave f1 50 | | C: uitgave f1.50 | | B: Generaal "0 50 | | C: Generaal "0.50 | | B: polders "0 25 | | C: polders "0.25 | | B: Zuiderzee "1 - | | C: Zuiderzee "1.- | | B: Noord-Holland met zoet water | | C: Noord-Holland met zoet water. | | | +--------------------------------------------------------+