De afsluiting en droogmaking der Zuiderzee. Weerlegging van bezwaren. uitgegeven door de Zuiderzee-Vereeniging

Part 11

Chapter 113,671 wordsPublic domain

Nog minder kan dit gezegd worden van de werken ter verlegging van den Maasmond. De raming was f15.106.850 (niet 13,5 millioen dus) en de kosten waren (tot Juni 1908) f24.210.443 (niet 22 mill.); maar hiervoor zijn uitgevoerd, behalve de in het Regeeringsontwerp genoemde werken, de dichting der Heerewaardensche Overlaten (amendement ROËL-KOOL) voor f1.545.901 en als gevolg daarvan de verhooging der Waaldijken voor f646.020, de brug bij Heusden (amendement SERET) voor f693.127, terwijl in plaats van het oorspronkelijk voorgesteld kanaal 's Hertogenbosch-Hedikhuizen, geraamd op f549.200, de voorziening in het inundatiegebied van Dommel en A f2.265.710 en het scheepvaartkanaal Engelen-Henriettewaard f1.116.316 gekost hebben. Houdt men hiermee rekening, dan wordt de verhouding van raming en werkelijke kosten niet 13,5:22 maar ong. 30:37.

Beschouwt men alleen de _genoemde_ werken in Nederland, dan is er dus geen reden om de werkelijke kosten op het dubbele van de ramingen te stellen.

Maar bovendien zou dit eerst mogen geschieden, wanneer zulk een uit de ondervinding verkregen verhoudingsgetal uit _alle_ in Nederland uitgevoerde werken was gebleken. Hoeveel werken zijn wèl uitgevoerd voor het bedrag der raming of voor minder?

Het gaat dus niet aan om, zooals de Heer VIJVERBERG doet, de kosten van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee kortweg vast te stellen op het dubbele van de raming en dan bij andere beschouwingen van het aldus verkregen cijfer uit te gaan, als stond dit onomstootelijk vast.

Bovendien is er overdrijving in zijne voorstelling van het risico verbonden aan de uitvoering van dit groote werk. Zeker! er is risico aan verbonden en wel vooral ten aanzien van den afsluitdijk: gedurende de uitvoering kan de weersgesteldheid mee- of tegenvallen, enz.; ook ten aanzien van de meerdijken, die hier en daar op slappen ondergrond komen te rusten, is dat het geval. Maar de schrijver wil m. i. te veel bewijzen, als hij zegt: "Hoewel het opgemaakt project ongetwijfeld technisch uitvoerbaar is en alle bezwaren, welke tegen de soliditeit en tegen de wijze van uitvoering der voorgestelde werken aangevoerd zijn en nog worden, m. i. niet steekhoudend zijn, neemt het niet weg, dat die werken moeten worden uitgevoerd in volle zee, onder allerlei slechte invloeden van weer en wind en stroom, en niet gedurende een kort tijdsbestek, maar gedurende een periode van 30 tot 40 jaar."

"In volle zee"--lees: in de Zuiderzee, d. i. een zeer ondiepe, aan alle zijden door gronden ingesloten golf of zeeboezem,--wordt dan toch alleen de afsluitdijk gemaakt, die wat de kosten betreft slechts ¼ à 1/3 van het werk omvat en waarvan de duur van uitvoering op 9 jaar geschat wordt. Het daarna afsluiten en droog maken der vier groote droogmakerijen, het verkavelen der gronden, de aanleg van de kanalen voor de aangrenzende gewesten, enz. kunnen toch moeilijk werken "in volle zee" genoemd worden en het daarbij te loopen risico is zeker al zeer gering.

De financieele beschouwingen over het werk die de Heer VIJVERBERG vervolgens geeft, zijn gegrond op die willekeurig aangenomen kosten van 600 millioen,--zoodat "de Provincie Lelyland", als de gronden voor gemiddeld f1500 per H.A. van de hand worden gedaan, na afloop van het werk, volgens hem aan het land nog een schuld van f300 millioen zal te dragen geven. Ik behoef daarop hier dus niet verder in te gaan.

Alleen wil ik nog opmerken dat de schrijver met geen woord rept van de groote niet-rechtstreeksche voordeelen, die voor het geheele land zullen voortvloeien uit de aanwinst van een groote uiterst vruchtbare provincie en van de belangrijke verhooging van het voortbrengend vermogen der omliggende gewesten door verbetering der afwatering en wateraanvulling, alsook van de vermindering der dijklasten, welke voordeelen gekapitaliseerd een bedrag van vele millioenen vertegenwoordigen en waardoor er een groote ruimte bestaat voor het onverhoopt geval dat de raming met zeker bedrag wordt overschreden.

* * * * *

Ten sterkste moet opgekomen worden tegen de bewering van den Heer VIJVERBERG, dat in den laatsten tijd de rampen door den stormvloed van 13/14 Jan. 1916 veroorzaakt aan de zeedijken "als het ware misbruikt (werden) als propaganda voor de afsluiting der Zuiderzee." En daarop volgt: "Sommigen trachten de meening ingang te doen vinden, dat die rampen niet zijn te wijten aan een gebrek in de goede constructie of het behoorlijk onderhoud der beschadigde zeeweringen, maar vooral aan het voortdurend in capaciteit toenemen der zeegaten (zeegat van Texel, Eierlandsche Gat, het Vlie), waardoor het mogelijk zou worden gemaakt, dat bij elken opvolgenden storm meer water de Zuiderzee wordt ingejaagd,"--welke meening dan door den Heer VIJVERBERG terecht wordt bestreden, want zij is geheel onjuist.

Maar de Heer VIJVERBERG noemt de geschriften niet waaruit hem dat "misbruik" en die verkeerde meening omtrent zeegaten zouden zijn gebleken.

Bedoelt hij misschien de artikelen van den Voorzitter der Zuiderzee-Vereeniging Mr. VISSERING in het Handelsblad, Een harde les, enz. van 15 Jan. e. v., of van dat van mijn hand in de N. R. Courant van 2 Febr. 1916, waarin echter niet gerept wordt van het toenemend vermogen der zeegaten?

Maar daarin wordt er slechts op gewezen, dat _als_ de Zuiderzee afgesloten geweest ware, zooals wordt voorgesteld, de bedoelde ramp niet voorgekomen zou zijn,--iets wat volkomen juist is. Men moge dit nu het maken van propaganda noemen, dat was dan toch zeker geoorloofd en niet een "misbruik" maken van de omstandigheden.

Niemand toch heeft beweerd, voor zoover ik heb kunnen nagaan, dat afsluiting van de Zuiderzee het eenige middel is om voor goed van dergelijke rampen ontslagen te worden. En de Zuiderzee-Vereeniging beaamt nog de woorden van den tegenwoordigen Minister Dr. LELY in hare Nota 5, nl. dat eene afsluiting der Zuiderzee _niet noodzakelijk_ kan worden geacht om de Zuiderzee-provinciën op den duur tegen het geweld der zee te beveiligen. Maar toch zou die afsluiting het meest afdoend middel zijn, want past men dit toe, dan behoeft men zich niet meer af te tobben over de vraagstukken van de oorzaak der langsscheuren in de dijken en het verzakken der binnentaluds (waarover reeds maanden geschreven is en strijd is gevoerd door deskundigen, o. a. in "De Ingenieur"), over de afmetingen en de beste samenstelling der dijken, over de maatregelen te nemen waar deze op slecht staal rusten, enz.--vraagstukken waarvan de oplossing zeker millioenen schats zal kosten.

_Het wegnemen van "het Zuiderzeegevaar" voor de dijken binnen de afsluiting is slechts één der voordelen uit een technisch oogpunt,--en zelfs volstrekt niet het belangrijkste,--die een gevolg zullen zijn van de afsluiting._ In zijn opstel "De afdoende verbetering" wordt dit dan ook duidelijk door den Voorzitter der Zuiderzee-Vereeniging uiteengezet en worden nog eens de andere voornaamste voordeelen opgenoemd[50].

[50] Zie "De Watervloed van 13/14 Januari 1916", uitg. d.d. Zuiderzee-Vereeniging, blz. 16.

Dit nog eens voor de zooveelste maal in herinnering brengen naar aanleiding van de ramp van 13/14 Januari ll. is toch zeker niet een _mis_bruik maken van het ongeluk dat Nederland toen getroffen heeft.

* * * * *

De hierop volgende beschouwing van den Heer VIJVERBERG handelt over het bezwaar van den Heer D. R. MANSHOLT omtrent de verhooging der waterstanden ten N. van den afsluitdijk en daarin valt de schrijver dezen laatste bij, ook uitgaande van de onjuiste onderstelling dat het quantum water dat nu bij stormvloed in de Zuiderzee geborgen wordt er in zal blijven stroomen, al wordt de oppervlakte tot op de helft verkleind, en dat zich dan ook een verhoogde getijwerking zal doen gevoelen op de Waddenzee, waardoor de Wadden zullen uitschuren en verdiepen. Deze quaestie is reeds hiervoor (bl. 118 e.v.) uitvoerig behandeld waarnaar ik dus hier kan verwijzen. Over de billijkheid van schadeloosstelling der grondbezitters langs de Wadden behoeft dus ook niets meer te worden gezegd.

De Heer VIJVERBERG zegt ook: "Het komt me echter niet meer dan billijk voor, dat, indien de Zuiderzee-plannen uitgevoerd worden, de eigenaren van gronden, gelegen in bovenbedoelde polders"--nl. die langs de Zuiderzee _binnen_ den afsluitdijk--"hunne dijklasten ook in 't vervolg blijven bijdragen ten behoeve van het onderhoud der nieuwe Zuiderzeewerken, zooals dat ook in Zeeland bij de z. g. achterliggende polders geschiedt, of wel, dat die polders in de kosten van uitvoering der plannen LELY eene bijdrage in eens verleenen, waarvan de grootte wordt vastgesteld naar het gekapitaliseerd bedrag der jaarlijksche onderhouds- en vernieuwingskosten hunner zeeweringen, berekend naar het gemiddelde daarvan over de laatste 10 jaar.

Met het bovenstaande schijnt in het aanhangig wetsontwerp geen rekening gehouden te zijn".

Omtrent eene verplichte bijdrage der polders in Zeeland ingeval van voorbedijking vergist de Heer VIJVERBERG zich. Dat zoogenaamd "recht van dijkvelling" bestond vroeger in Vlaanderen als een costumier recht en is ook wel een enkele maal in Holland en Zeeland toegepast, maar heeft nooit als een recht in Zeeland gegolden en bestaat daar ook nu nog niet. De Heer VIJVERBERG verwart hiermede waarschijnlijk de bijdragen van de aangrenzende polders na calamiteusverklaring van een polder of waterschap.

Maar over de hier bedoelde bijdrage bij uitvoering van het Zuiderzee-ontwerp kan men van gevoelen verschillen.

Men kan echter deze zaak uit een oogpunt van algemeen landsbelang ook anders beschouwen. De Zuiderzee heeft nl. gedurende vele eeuwen reeds den omliggenden landen op verschillende wijzen nadeel toegebracht, niet alleen aan die welke met dijklasten zijn bezwaard, maar nog veel grootere gebieden die nu en dan zijn overstroomd geworden,--men denke b.v. aan de ramp van 1825 en vele daarvóór. Bovendien werd na de uitbreiding van die binnenzee de afwatering der omliggende landen telkens gestoord en, doordat zij met zout water gevuld werd, werden de binnenwateren verzout en sommige gewesten, zooals Friesland geheel, andere, zooals Hollands Noorderkwartier grootendeels van zoetwateraanvulling in droge tijden verstoken. Zou het nu zoo onbillijk zijn als al die gronden, ja geheele gewesten, die samen een groot gedeelte van Nederland beslaan, op kosten van den ganschen Staat, dus mede van die landen zelve, uit dien ongunstigen toestand werden verlost? Hun daardoor zeer verhoogde waarde komt toch, al is het niet rechtstreeks, de Nederlandsche schatkist ten goede. Kapitaliseert men echter het bedrag van hun dijklasten, vermeerderd met dat van dijksverbeteringen en de door overstroomingen toegebrachte schade[51] à 4 percent, dan zou men een bijdrage in eens van misschien 10 à 11 millioen kunnen verwachten, maar wat beteekent dit in vergelijking met de kosten van afsluiting en gedeeltelijke droogmaking der Zuiderzee?

[51] Zie de 5e Nota van de Zuiderzee-Vereeniging.

* * * * *

De Heer VIJVERBERG wijst er ook op, dat de voordeelen voor de afwatering der aangelegen landen bij een afsluiting der Zuiderzee,--daarin bestaande dat die landen daarop beter en gedurende langere perioden langs natuurlijken weg (d. i. door sluizen) zullen kunnen afwateren,--worden overschat. Want, zoo zegt hij, bij zuidelijken tot noordwestelijken wind toch zal in het toekomstig IJselmeer een niet onbelangrijke opwaaiing van meerwater plaats hebben, waardoor de gelegenheid tot afwatering der op lager wal gelegen streken onmogelijk zal worden gemaakt of in elk geval zeer ernstig geschaad. Ik zou er bij willen voegen: niet alleen bij de genoemde winden, maar ook bij alle andere zal opwaaiing voorkomen. Maar de hooge Zuiderzeestanden worden nu veroorzaakt: ten eerste door het inloopen van Noordzeewater, wat na de afsluiting niet meer zal kunnen plaats hebben, ten andere door opwaaiing die nu echter veel grooter is dan zij op het kleinere IJselmeer zijn kan, omdat de grootte der opwaaiing behalve van de windkracht ook afhangt van de lengte waarover de opwaaiing plaats heeft. Om deze beide redenen zullen de hoogste standen op het IJselmeer nog 1,5 tot 2 M. blijven beneden die welke nu op de open Zuiderzee voorkomen en zal de duur van het gesloten blijven der uitwateringssluizen zeer verminderen. Bovendien bedenke men dat, als er opwaaiing is naar ééne zijde, aan de andere zijde afwaaiing plaats heeft, wat dus aldaar de afwatering kan ten goede komen.

De Heer VIJVERBERG neemt in 't bijzonder Friesland's boezem tot voorbeeld, hoewel er gebieden zijn, zooals de Vechtstreek, de Geldersche Vallei, enz. die wat hunne afwatering betreft zeker meer door de afsluiting gebaat zullen zijn. Hij had zelfs een nadeel voor Frieslands afwatering kunnen noemen, nl. dat nu in 't voorjaar, door de dan veel heerschende oostelijke en noordoostelijke winden de sluizen in het Zuiden althans eenigen tijd mee kunnen helpen loozen, wat na de afsluiting en de droogmaking van den N.O.-polder niet meer mogelijk zal zijn. Maar daartegenover staat:

1º Friesland zal zijn boezemwater des winters in den regel tot -0,30 à -0,40 A.P. kunnen laten afloopen, iets wat nu gedurende het grootste gedeelte van dat seizoen niet mogelijk is. Door het gebruik van kunstmest zullen de graslanden dan kunnen worden verbeterd;

2º doordat het IJselmeer spoedig zoet water zal bevatten en er dus voortdurend een voldoende zoetwaterbron achter de hand is voor het inlaten bij droge zomertijden, behoeven Gedeputeerde Staten in het voorjaar niet zoo angstvallig te werk te gaan met het oog op mogelijk watergebrek daarna, maar zullen zij dan met de sluizen flink kunnen laten afstroomen.

Wat de Heer VIJVERBERG dan nog zegt omtrent aan te brengen verbeteringen in de afwatering van Friesland, ook zonder afsluiting der Zuiderzee, doet mij vermoeden dat hij van den toestand aldaar niet goed op de hoogte is. Immers hij zegt: "Friesland kan echter zeer voldoende langs natuurlijken weg afwateren op de Lauwerzee bij Oostmahorn, waar lage ebben en diep water voorkomen".

Vooreerst ligt Oostmahorn buiten het gebied van Frieslands boezem, nl. in Oost-Dongeradeel, dat een eigen afwatering op de Lauwerzee heeft. Nu zou men natuurlijk wel van uit Frieslands boezem (Dokkumerdiep) een door kaden ingesloten kanaal van groot vermogen kunnen maken, maar dan moet tevens gezorgd worden dat het overtollig water van den geheelen boezem voldoende daarheen worde geleid. Het is toch bekend dat het tot nu nog niet is mogen gelukken om Frieslands boezemwater, vooral uit de groote voorraadschuur in het Zuidwesten op voldoende wijze naar de Dokkumer Nieuwe Zijlen in het Noordoosten te brengen, niettegenstaande daaraan reeds schatten besteed zijn, o. a. door de werken van 1880-1889, die 4 millioen gulden gekost hebben. Het aangeprezen middel zal zeker geheel onvoldoende blijken als de aanvoerwegen van het boezemwater daarheen niet tevens zeer worden verruimd.

Maar dan leest men het niet zeer duidelijke advies: "Bovendien is het aanhouden van één zelfde peil voor alle z.g. voor Friesland's boezem gelegen gronden ondoelmatig, dus ongewenscht; die lage landen behooren groepsgewijze te worden ingepolderd, elke polder met eigen bemalingswerktuig en eigen boezempeil" (lees polderpeil); "dan kan Friesland's boezempeil worden verhoogd, wat de scheepvaart ten goede zal kunnen komen en de afwatering bevorderen". Het Friesche boezem_peil_ is niets dan een peil ter vergelijking (-0,66 N.A.P.), naar welks bereiking nooit wordt gestreefd, al komen in droge tijden helaas soms nog lagere boezemstanden voor. 's Zomers 15 Apr.-1 Okt. schijnt een boezemstand van 12 cM. boven Friesch peil (dus -0,54 N.A.P.), het meest gewenscht. Waarschijnlijk bedoelt de Heer VIJVERBERG, dat na inpoldering der buitenlanden (wat echter geheel een zaak van particulieren is) de boezem_stand_ wel hooger kan zijn dan nu. Dat die boezem- of buitenlanden, die nu bij een stand van 20 cM. boven Friesland's boezempeil, dus van -0,46 N.A.P., onder water gaan komen, worden ingepolderd, is op zich zelve beschouwd wenschelijk, omdat hun grasgewas dan niet meer 's zomers kan verloren gaan en hun grassoort kan worden verbeterd. Maar dan wordt de waterberging van Frieslands boezem bij standen 45 cM. boven Friesch peil met oppervlakten tot 30.000 H.A. verkleind (van 1/5 tot 1/12) en in natte tijden zullen daardoor de standen van Friesland's boezem, die nu reeds tot ongeveer 1 M., hoewel zelden tot 0.70 M. boven het Friesche boezempeil stijgen, nog worden verhoogd. Dit zal in het voorjaar een flinke verlaging van den boezemstand, waaraan dan _het geheele boezemgebied_ behoefte heeft zeker niet gemakkelijker maken, maar de Heer VIJVERBERG zegt, dat daardoor dan in 't algemeen de afwatering zal worden.... _bevorderd_! De Heer VIJVERBERG schijnt te meenen dat als die buitenlanden maar watervrij worden gemaakt, de afwatering van Friesland voldoende geholpen zal zijn, maar hij vergeet dat er nog ongeveer 300.000 H.A. landen zijn, zomerpolders, winterpolders en hoogere gronden in het Oosten die bij den tegenwoordigen toestand reeds dikwijls ontzettend veel schade lijden door hooge boezemstanden, die alle in 't voorjaar tijdig uit hun winterwater moeten worden verlost, en die dus ook bij een betere beheersching van die standen groot belang hebben. Daarom zeide een deskundige als de Heer TH. VAN WELDEREN Baron RENGERS, lid van Ged. Staten van Friesland, "dat men bij het stellen van de voorwaarden, waaraan de verbeterde afstrooming moet voldoen, ook in niet geringe mate de aandacht schenkt aan den toestand der lage landen, ligt voor de hand, maar men wachte zich de waterafvoerkwestie te vereenzelvigen met het droogleggen der boezemlanden.... Van een verbetering van den waterafvoer zal nagenoeg de geheele provincie voordeel genieten;.."[52]

[52] Tijdschr. Heide Mij, 1910, bl. 39.

* * * * *

Vervolgens bespreekt de Heer VIJVERBERG nog de quaestie van de aanvulling van Friesland's boezem bij lagen stand en groot zoutgehalte met versch water, die voor landbouw, veeteelt en nijverheid van onberekenbaar nut zou kunnen zijn en "uit dat oogpunt het te vormen IJselmeer voor Friesland van onschatbare waarde". Maar dan berekent hij dat daarin ook voldoende zou kunnen worden voorzien door aanvoer van water uit den IJsel, waarvan de kosten echter "niet onbeteekenend zullen blijken", terwijl Noord-Holland zou kunnen geholpen worden zooals door den ingenieur CONRAD in de vergadering van het Kon. Instituut v. Ingenieurs v. 11 Apr. 1893 is uiteengezet. En dan zegt hij: "Waar uit het bovenstaande volgt, dat de uitvoering van het Zuiderzee-plan-LELY wel van groot belang kan zijn voor Friesland, doch dat de mogelijkheid om Friesland's boezem van versch water te voorzien, niet staat of valt met het plan, daar wordt elke grond gemist voor de redeneering, als zouden de Zuiderzeeplannen uitgevoerd moeten worden om Friesland uit haren nood te helpen". Maar waar is toch die redeneering te vinden? Wie heeft dat ooit gezegd?

Wèl hebben de voorstanders der afsluiting van de Zuiderzee altijd betoogd, dat _al_ die voordeelen, nl. die voor de waterkeering, voor de afwatering, voor de wateraanvulling en verversching, enz. _tegelijk_ door de afsluiting zullen worden verkregen, volstrekt niet dat geen enkel daarvan is op te lossen zonder die afsluiting.

Maar nu rekene de Heer VIJVERBERG eens uit hoeveel het verkrijgen van al die voordeelen op andere wijzen zal kosten, dus de verbetering en het onderhoud der tegenwoordige waterkeering, de verbetering der afwatering van alle gebieden rondom de Zuiderzee die daaraan behoefte hebben, de wateraanvulling en verversching voor Friesland, N.W. Overijsel en Hollands Noorderkwartier. Hij telle die sommen eens bijeen en vergelijke de uitkomst eens met de geraamde kosten van den afsluitdijk (66 millioen),--met de verbetering van het Zwolsche Diep en de schadeloosstelling aan de visschers,--waarbij dan nog te bedenken is, dat door dien afsluitdijk ongeveer 80 millioen gulden op de kosten van de meerdijken der vier droogmakerijen zullen worden bespaard.

* * * * *

En eindelijk alweer die verwijzing naar het ontginnen van woeste gronden als beweegreden om de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking der Zuiderzee te kunnen nalaten!

De Heer VIJVERBERG somt de voordeelen van die ontginning op. Ik zou er bij willen voegen: men kan eigenlijk geen goed Nederlander zijn zonder die uitbreiding van het voortbrengingsvermogen van onzen bodem van harte toe te juichen. En is het daarbij betrokken landsbelang daartoe groot genoeg, welnu, dan steune de Regeering die ontginning meer dan tot nu door verbetering van afwatering, aanleg van gewone wegen en van spoorwegen, verschaffen van kapitaal, enz.,--ook dat ben ik met den Heer VIJVERBERG eens.

Maar wat beteekent dit als argument tegen de droogmaking van gronden in de Zuiderzee?

Men verbeelde zich toch vooral niet dat de ontginning der woeste gronden zeer weinig kost en dat die van de Zuiderzeegronden betrekkelijk zooveel hooger zullen zijn, in aanmerking nemend het zooveel grooter voortbrengingsvermogen van deze laatste.

Vooreerst zijn lang niet alle woeste gronden voor ontginning geschikt: de Heer VIJVERBERG noemt zelf 300.000 H.A. van de 550.000 H.A. Dan kan slechts een betrekkelijk klein gedeelte (laag gelegen en toch met goede afwatering) tot grasland gemaakt worden, wat vrij spoedig goede uitkomsten geeft. Een ander gedeelte kan tot bouwland worden aangemaakt, maar ten koste van veel arbeid en veel geld: de Heer J. T. CREMER o. a. deelde mede, dat de ontginning van het Zeijerveld bij Norg in Drente (600 H.A.) hem f1100.- de H.A. gekost heeft, waarbij dan nog niet gerekend is de aanleg van een harden weg daarheen. Het grootste gedeelte der woeste gronden is alleen voor boschaanleg geschikt en begint dan eerst na 18 à 20 jaar een zeer matige rente op te leveren. Vergelijk dit alles nu eens met het voortbrengend vermogen der Zuiderzeegronden, die dadelijk na de verkaveling zeker bruto-opbrengsten van f350.- en netto-opbrengsten van f80.- de H.A. zullen geven en waarvoor dus ook hoogere ontginningskosten gewettigd zijn.

Ontginning van woeste gronden en droogmaking van den Zuiderzeebodem zijn in aard en uitkomsten verschillend, maar zij bevorderen beide in hooge mate de uitbreiding van onze bestaansmiddelen. Daarom behooren zij _beide_ in 's lands belang te worden uitgevoerd en de eene mag dus niet tegen de andere worden uitgespeeld.

SLOTWOORD.

Tot zoover hebben wij Dr. A. A. BEEKMAN aan het woord gelaten, die tot onze groote erkentelijkheid op de hem eigen duidelijke en onderhoudende wijze al die reeds bekende feiten en gegevens nog eens in het kort voor het voetlicht heeft gebracht.

Wij willen daaraan nog een kort woord toevoegen, dat wij reeds zoo bij herhaling hebben uitgesproken, doch dat met het voortvlieden der jaren steeds dringender moet worden uitgesproken.

Twijfelmoedigheid is een zeer op den voorgrond komende eigenschap der Hollanders. Zij koesteren als het ware dien twijfel, beroemen er zich op, en doen gaarne voorkomen alsof hun twijfelmoedigheid eigenlijk de ware voorzichtigheid is. Alsof voorzichtigheid niet veeleer ligt in voorbereiding, in vooruitziendheid van wat ons in de toekomst sterker en beter kan maken.

Voorzichtigheid is niet belichaamd in het negatieve, in het niets doen, het zich onthouden; integendeel in het positieve, in het tijdig nemen van maatregelen, mits wel overdacht en goed voorbereid, voor wat in de toekomst ons het nuttigst wezen kan.