Part 10
Om de Wadden, enz. ten N. van den ontworpen afsluitdijk tot zekere hoogte te vullen is slechts de helft van het water noodig, dat tot vulling van Wadden + Zuiderzee vereischt wordt en dus is er geen enkele oorzaak aan te wijzen waardoor de rijzing van het water daar het dubbele zou bedragen.
De fout die de H.H. MANSHOLT maken,--dezelfde trouwens die zoovelen maakten en nog maken--is, dat zij uitgaan van de door niets te bewijzen stelling dat, hoe groot de achter de zeegaten gelegen bergruimte ook is, er door die gaten altijd dezelfde hoeveelheid water naar binnen zal stroomen. Maar er loopt immers slechts zoolang water naar binnen, totdat er evenwicht is tusschen de watermassa's binnen en buiten onder de werking van de drie krachten: getijden, wind en zwaartekracht. _Het water dat nu ten Z. van de plaats van den afsluitdijk in de Zuiderzee geborgen wordt komt na de afsluiting niet binnen de zeegaten, blijft buiten op de Noordzee._
Door die fout komt de Heer MANSHOLT tot de bewering dat het water binnen de gaten bij verkleining van de bergruimte aldaar tot op de helft veel hooger zal moeten stijgen (dus 2,5 à 3 M. hooger!) en daardoor ook tot de tegenspraak daarvan, dat nl. voor _diezelfde_ hoeveelheid die volgens hem altijd naar binnen stroomt slechts de helft van den tijd noodig is tot vulling van die half zoo groote bergruimte.
De fout is gemakkelijk in te zien als men de foutieve redeneering doorzettend tot een onmogelijkheid komt. Immers, onderstel dat men de bergruimte ten N. van den afsluitdijk nog eens door een of anderen dijk tot de helft verkleinde, doch ook dat deze helft door alle zeegaten met de Noordzee in verbinding bleef, dan zou volgens de redeneering van de Heeren MANSHOLT het water daarin weer tweemaal zoo hoog moeten rijzen dan in de geheele kom ten N. van den afsluitdijk. En zoo voortgaande zou men het door een afsluitdijk zeer dicht achter de zeegaten hemelhoog kunnen doen rijzen!
Zoo zeide de Heer OBREEN w. i. eens in het Weekblad de Amsterdammer, dat elke verkleining van den Zuiderzeeboezem, b.v. door indijking, den waterstand daarbinnen noodwendig moest verhoogen. Want het water "dat gewoon is om door de zeegaten naar binnen te stroomen" moest dan in een kleinere ruimte worden opborgen. Ja, als men met water te doen heeft dat uit gewoonte zoo koppig is, dan houdt alle redeneering op!
Ook de Heer C. P. VIJVERBERG c. i. in zijn onlangs verschenen brochure "Eenige beschouwingen in verband met de Zuiderzeeplannen," die hierachter ook nog in haar geheel zal besproken worden, komt door dezelfde verkeerde redeneering althans tot de groote waarschijnlijkheid, dat door de voorgestelde afsluiting de stormvloeden langs de noordelijke kusten tot aan den Dollart hooger zullen stijgen. Hij zegt nl.: "Het wil mij echter voorkomen dat het gevaar voor verhoogde waterstanden niet illusoir mag genoemd worden: de Zuiderzee toch maakt deel uit van den bergboezem die zich uitstrekt tusschen de Geldersche, Overijselsche, Friesche en Groningsche kust eenerzijds en de kusten van Noord-Holland en de Wadden-eilanden anderzijds en waar deze boezem door het leggen van den afsluitdijk Wieringen-Piaam in zeer belangrijke mate zal worden verkleind, is de waarschijnlijkheid zeer groot, dat het overgroote deel van het quantum water, hetwelk nu in de Zuiderzee wordt geborgen, dan zal geperst worden in noordelijke en noordoostelijke richting door de Waddenzee, waardoor bij krachtigen westen en noordwesten wind een belangrijke vloedverhooging op de Friesch Groningsche kust zal vallen waar te nemen."
Altijd weer hetzelfde! "Het quantum water, hetwelk nu in de Zuiderzee wordt geborgen," dat moet en dat zal naar binnen komen, ook al is er geen Zuiderzee meer. Neen, dat komt er dan niet meer in.
Het al of niet verhoogen van de stormvloedstanden binnen de eilanden moet niet verward worden met andere wijzigingen die aldaar na de afsluiting zullen optreden, zooals snellere vulling, uitschuring en verlegging van geulen, enz. Dr. LORIÉ zegt[46] "Nu wordt evenwel de Zuiderzeekom door de voorgestelde afsluiting aanzienlijk verkleind, dus met stormvloed sneller gevuld. Bestaat er niet veel kans, dat het, door storm uit het westen voortgezweepte water, na de afsluiting meer dan vroeger een uitweg in oostelijke richting zal zoeken en dus het Terschellinger Wad uitschuren? Het komt mij voor, dat daarop veel kans zal bestaan en dus met goed gevolg de stelling verdedigd kan worden: "De aanleg van een dam naar Terschelling"--om die uitschuring te voorkomen en aanwas te bevorderen--"moet aan de afsluiting der Zuiderzee voorafgaan.""
[46] Tijdschr. v. Gesch., Land- en Volkenkunde, 1900, bl. 36.
Begrijp ik den Heer LORIÉ wel, dan heeft hij hier niet een verhooging der stormvloeden op het oog, maar meent hij dat door de snellere vulling een langduriger en dus sterker uitschuring van het Wad zal plaats hebben. Mocht dit juist zijn,--wat m. i. nog niet vaststaat,--dan zou de aanleg van dien dam gelijktijdig met de afsluiting moeten plaats hebben, in elk geval niet tot uitstel van dit groote werk moeten lijden.
Het kan blijkbaar niet genoeg gezegd worden: wordt de bergruimte der Zuiderzee-Wadden verkleind door het leggen van een afsluitdijk, dan zal ook de hoeveelheid water die bij stormvloeden door de zeegaten naar binnen loopt worden verkleind en wel ongeveer in dezelfde verhouding. En dus is _door die verkleining_ geen verhooging der stormvloeden te wachten.
De Heer MANSHOLT Sr. beroept zich op een paar deskundigen, die zijne meening zouden deelen. Geheel ten onrechte! Want hij heeft de betoogen van die heeren niet begrepen.
De Hoofdingenieur van 's Rijks-Waterstaat H. E. DE BRUYN betoogde nl. in het feestnummer van "De Ingenieur" van 1911, dat door het leggen van den voorgestelden afsluitdijk de gemiddelde vloedhoogte ten N. daarvan zal stijgen, omdat daardoor aan de noordelijke kom de gelegenheid zal worden benomen zich ook naar het Zuiden te ledigen, zooals blijkens het hierboven gezegde nu plaats heeft. Daardoor zou te Piaam de hoogte van de vloedgolf (d. i. dus het verschil in hoogte tusschen H.W. en L.W.) van 0,80 tot 1,60 M., dus met 0,80 M. toenemen, zoowel door verhooging van H.W. als verlaging van L.W. Stel dat deze laatste evenveel bedragen, dus 40 cM. groot zijn te Piaam, dan zal de verhooging die de Heer DE BRUYN ook te Harlingen verwachtte niet meer kunnen bedragen, en het "dus ook verder oostwaarts", dat de Heer MANSHOLT er bij voegt, zal nog minder beteekenen en waarschijnlijk reeds bij Roptazijl zijn verloopen.
Nu zeide de Hoofdingenieur DE BRUYN wel:
"Verhoogt het hoogwater, dan is ook verhooging van de stormvloeden te wachten." Als deze even hoog boven H.W. blijven oploopen, zeker, dan zullen de stormvloeden mede 40 cM. hooger rijzen. Maar den Heer MANSHOLT Sr. schijnt zich daarvan een nog veel grooter verhooging voor te stellen, die zelfs langs de Groningsche kusten nog belangrijk zal zijn, en de Heer MANSHOLT Jr. roept naar aanleiding van die bewering van den hoofdingenieur DE BRUYN, dat nl. het H.W. zal verhoogen, uit: "Dit is bij gewone vloeden reeds 't geval. Hoe zal de toestand dan worden bij _storm_vloeden,--na afsluiting der Zuiderzee?"
Welnu, dan zal men er in 't geheel niets van bemerken, want voor dat geval vervalt de geheele redeneering van den Heer DE BRUYN. Immers dan is er geen sprake van, dat de noordelijke kom van den tegenwoordigen zeeboezem zoowel naar het Noorden als naar het Zuiden zal worden geledigd, want het water in de zuidelijke kom staat dan ongeveer even hoog of nog hooger dan ten Noorden daarvan.
En evenmin mag de heer MANSHOLT Sr. zich beroepen op den oud-Hoofdinspecteur van 's Rijks Waterstaat, den Heer A. BEKAAR,--hij heeft diens artikel over de wijziging der waterstanden op het Sloe na de afdamming niet alleen niet begrepen, maar zelfs niet goed gelezen[47]. Daar nl. de lijn van kentering tusschen de vloeden, die van uit het Noorden door het Veersche Gat en van uit het Zuiden door het Sloe, ten N. van den afsluitdam lag, is, toen deze gelegd was, ruim 20 cM. verhooging van H.W. ontstaan _onmiddellijk ten Zuiden van dien dam_ (Sloeveer) en ruim 20 cM. verlaging onmiddellijk ten N. daarvan (Arnemuiden), welke wijzigingen natuurlijk zuid- en noordwaarts verloopen. De Heer MANSHOLT maakt daarvan, dat de Heer BEKAAR heeft aangetoond, dat het vloedwater "op de Wester-Schelde minstens 2 decimeter was gerezen"--iets wat natuurlijk in diens geschrift niet te vinden is. En nog erger maakt 't de Heer MANSHOLT Jr. als hij zegt, dat de Heer BEKAAR in een uitstekend gedocumenteerd artikel als zijn stellige meening heeft te kennen gegeven, dat na de afsluiting van de Zuiderzee de vloeden ten noorden van den afsluitdijk belangrijk hooger zullen oploopen (brochure, bl. 4). Zoover ik heb kunnen nagaan, heeft de Heer BEKAAR nooit iets betreffende afsluiting der Zuiderzee geschreven.
[47] Versl. Kon. Inst. v. Ingrs. 1873-1874, blz. 255.
* * * * *
De Heer MANSHOLT Jr. heeft er nog iets anders op bedacht om aan te toonen dat de noordelijke kusten van Friesland en Groningen bij den tegenwoordigen toestand ontzet worden door dien eenigen redder in den nood, de alles in zich opnemende Zuiderzee.
In zijn boekje leest men nl.: "Welnu, op grond van de gegevens betreffende de vloedhoogten langs de Zuiderzee en de Zuiderzee-eilanden mag stellig worden aangenomen dat _gemiddeld_ die plotselinge stijging over de geheele Zuiderzee binnen den geprojecteerden afsluitdijk niet minder heeft bedragen dan 180 cM." (nl. bij den stormvloed van 13/14 Jan. 1916), "waarbij we aannemen dat _tevoren_ reeds het water 1 M. boven N.A.P. was opgestuwd.
"De oppervlakte van de Zuiderzee bedraagt ± 360.000 HA. In enkele uren tijds wordt daarin dus 3.600.000.000 × 1,8 = 6480 millioen M³ water opgestuwd. We mogen aannemen dat deze watermassa binnen een tijdsverloop van 6 uren is opgejaagd, zoodat de Z.Z. per uur dus ± 1080 millioen M³ water heeft geborgen, of niet minder dan 300.000 M³ per seconde. Men houde hierbij in 't oog, dat dit geschiedt op het tijdstip, dat voor de zeeweringen van Friesland en Groningen het meest kritiek is, wanneer nl. de storm omloopt van het Westen naar het Noord-Westen of Noorden.
"De zeegaten bij Texel, Vlieland, Terschelling en Ameland hebben samen een doorstroomwijdte van vrijwel 15 K.M. Nemen we nu aan dat bij stormvloed de diepte over de geheele breedte gemiddeld 5 M. bedraagt, dan is dus het instroomingsoppervlak dezer zeegaten, totaal 75000 M². Het zeewater zal dus door genoemde zeegaten met een snelheid van 4 M. per seconde moeten binnenstroomen om de boven omschreven opstuwing in de Zuiderzee mogelijk te maken. Dit is een enorme snelheid, die zeker wel nooit zal worden bereikt. Welnu, terzelfder tijd wordt _bovendien_ de vloed in de groote Waddenzee ten Noorden van den geprojecteerden afsluitdijk eenige meters opgestuwd.
"Het ligt dus wel voor de hand, dat behalve door genoemde zeegaten, ook een enorme massa water wordt verplaatst van uit het Oostelijk deel der Waddenzee, boven Groningen, naar het Zuiden. Deze conclusie mag met stelligheid uit de gegeven becijfering worden getrokken, en ze is bovendien geheel in overeenstemming met de stormvloedhoogten langs de Groninger- en Friesche kust, zooals onze grafische tabel die aangeeft. Deze vloedhoogten toch nemen regelmatig en vrij sterk af, tot de plaats van den geprojecteerden afsluitdijk, 't geen wijst op een krachtigen stroom van het vloedwater in die richting.
"... Kon tot nu toe langs de kust van Noordelijk Friesland en Groningen steeds gekonstateerd worden dat bij het doorloopen van den storm naar het Noorden de vloed direkt begint te dalen,--daarvan zal na de afsluiting der Zuiderzee geen sprake meer zijn, daar de Waddenzee bij Harlingen dan reeds is volgestuwd en het vloedwater in den daar gevormden zak niet voldoende kan ontwijken."
Dit betoog wijst op een aaneenschakeling van wanbegrippen en verwarring van begrippen. De Heer MANSHOLT Jr. had daarom beter gedaan zich te onthouden van beschouwingen op dat gebied en vooral niet in becijferingen moeten treden met getallen die hij niet kent en die kant noch wal raken. Zulk geschrijf,--het moge dan te goeder trouw tot waarschuwing van zijn landgenooten zijn openbaar gemaakt,--is meer dan overmoedig.
Vooreerst is de genoemde doorsnede der zeegaten geheel onjuist, want de Heer MANSHOLT heeft er niet aan gedacht dat die doorsnede, die afhangt van den waterstand, bij stormvloed genomen moet worden van duin tot duin en dat de breedte dan niet 15 K.M. maar meer dan het dubbele bedraagt: de breedte van het Texelsche Zeegat is 4 K.M., de afstand tusschen de duinen van Eierland en die op Vlieland 10,5 K.M., tusschen die van Vlieland en Terschelling 10 K.M. en tusschen die van Terschelling en van Ameland 12,5 K.M. Bij een stormvloed van 2 M. boven Volzee (nog niet de hoogste!) bedraagt het gezamenlijk profiel van instrooming der drie zeegaten van Texel, het Eierlandsche Gat en het Vlie 164060 M²[48], terwijl ik dat van de opening tusschen Terschelling en Ameland op zeker niet minder dan 36000 M² schat. De geheele doorsnede wordt dan niet 75000 maar 200.000 M². Deelt men dit op een ingestroomde watermassa van 300.000 M³, dan verkrijgt men een snelheid van niet 4 maar 1,5 M. ongeveer p. sec.! En hiermede vervalt dus de geheele redeneering dat er water van de Groningsche en Friesche Wadden moet komen om die alles opslokkende Zuiderzee te vullen.
[48] Not. Verg. 9 Juni 1887 K. Inst. v. Ingrs. (Voordracht Kerckhoff).
Toch meent de Heer MANSHOLT Jr. dat werkelijk zulk een westwaartsche waterverplaatsing over de Wadden moet plaats hebben, want de stormvloedhoogten langs de Groningsche en Friesche kusten nemen in die richting af. Maar waardoor wordt juist veroorzaakt dat die standen in 't oosten hooger zijn dan die in 't westen? Doordat twee krachten, nl. getijwerking (zie boven) en de (westelijke) wind, het water hooger opzetten naarmate de punten van waarneming meer oostelijk liggen en dus het zeeoppervlak een helling doen aannemen, m. a. w. die beide krachten houden een andere kracht die in tegengestelde richting werkt, d. i. de zwaartekracht, in evenwicht, _beletten_ dus juist het water in westelijke richting weg te vloeien.
Maar als het dan gaat ebben en de wind gaat liggen? zoo zal de Heer MANSHOLT vragen. Wel, dan zal het water dat tegen de Groningsche en Friesche kusten staat terug gaan langs dezelfde wegen waarlangs het grootendeels gekomen is, nl. door de zeegaten t. O. van het Vlie naar de Noordzee.
Waarom dan op de noordelijke kusten van Friesland en Groningen de vloed direkt begint te dalen bij het doorloopen van den storm naar het Noorden? Omdat dan de opwaaiing minder wordt. De grootte der opwaaiing hangt nl. mede af van de lengte waarover de opwaaiing plaats heeft (zie boven). Zoolang de wind west blijft heeft opwaaiing plaats over de _lengte_ der Wadden (Vlie-Friesche Gat 64 K.M. en Friesche Gat-Eems 44 K.M.); wordt de wind noord dan over de _breedte_ (8 à 15 K.M.).
* * * * *
Wat er dan wel gebeuren zal als de afsluitdijk ligt?
Niet veel anders dan nu. De Regeering zegt in de Memorie van Toelichting van het aanhangige wetsontwerp betreffende de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee dan ook terecht, dat langs de Friesche en Noord-Hollandsche kusten t. N. van den afsluitdijk geene of slechts geringe verhooging van de stormvloedhoogten als gevolg van de afsluiting is te verwachten.
Wel zal ter hoogte van den afsluitdijk het water bij storm wat hooger dan nu kunnen rijzen, want over de ondiepe gronden t. N. daarvan zal het uit den diepen Texelstroom bij noordelijken wind opwaaien tegen den dijk, ongeveer evenveel als het nu uit den Vliestroom opwaait tegen de Friesche dijken bij westelijken wind, daar die diepe geulen op ongeveer gelijke afstanden van die dijken gelegen zijn;--dus tot ongeveer +3 A.P., waartoe het nu ook op zijn hoogst op de lijn Workum-Harlingen stijgt. Als dan daarbij nog een verhooging van 40 cM. te voegen is (om bovengenoemde reden), dan zal men dus tegen den afsluitdijk standen van hoogstens +3,40 A.P. hebben te verwachten. Daarvoor zijn de afmetingen van den afsluitdijk (kruin +5,20 tot +5,60 A.P.) wel voldoende,--voor volkomen veiligheid bij den golfoploop zal bij de uitvoering door de verantwoordelijke ingenieurs de hoogte misschien op +6 A.P. worden gebracht. Vooral als de windrichting W.N.W. is, is in den hoek bij Piaam bovendien eenige opstuwing te verwachten en het is daarom dat de Regeering voorstelt de Friesche dijken t. N. van Piaam wat te verhoogen, van +5,60 A.P. aldaar afloopend tot bij Zurig. Ook aan het westelijk einde van den afsluitdijk, in den hoek bij de van Ewijksluis, zal bij N. en N.O.-wind eenige verhooging van vloeden kunnen voorkomen, waarom ook voorgesteld wordt om den Balgdijk van den Anna-Paulownapolder eene verhooging te geven die noordwaarts verloopt.
* * * * *
Voor een verhooging van het peil der stormvloeden ten N. van den afsluitdijk en zelfs op de Friesche en Groningsche Wadden door het water dat _nu_ de zuidelijke kom vult, maar na de afsluiting _niet meer_ door de zeegaten naar binnen zal stroomen, behoeft men heusch niet te vreezen. Op de noordelijke kusten van Friesland en Groningen zal men niets van een verhooging der stormvloeden bemerken.
Wat de HH. MANSHOLT daartegen inbrengen berust op onvoldoende kennis van de werking der getijden op onze kusten, enz. En daarom behoorden zij op te houden met in de Provinciën Friesland en Groningen noodeloos onrust te verwekken omtrent een plan, welks uitvoering vooral voor de eerste provincie een zegen zal zijn.
Misschien wordt het oordeel der H.H. MANSHOLT beheerscht door hun antipathie tegen de droogmaking van groote oppervlakten gronds. Ik meen dit te mogen zeggen, omdat de Heer MANSHOLT Sr. zich niet ontziet om de in 't algemeen bij uitstek vruchtbare gronden die door de droogmaking zullen worden verkregen "een bijna waardeloos moeras" te noemen.
Dat is heel leelijk gezegd, want hij kon weten dat dit een onwaarheid is.
Voor een uitstekende afwatering en daarmede spoedige ontzilting van den bodem zal natuurlijk worden gezorgd. En wat de hoedanigheid der gronden betreft, worde hier nog eens het volgende herhaald.
Prof. V. BEMMELEN was van oordeel, "dat de kleigronden van de Zuiderzee" (klei tot 50 perc. zand), "in kwaliteit gelijk zullen zijn aan de kleigronden der IJpolders en dat de lichte kleigronden" (50 à 70 perc. zand) "der Zuiderzee in kwaliteit gelijk zullen zijn aan de gronden der Groninger noordelijke zeepolders" (Bijlage N. bij het Regeeringsontwerp van 1877).
Prof. MAYER, Dir. v. h. Landbouwproefstation te Wageningen, onderzocht de grondsoorten na de laatste boringen van 1890 en kwam op grond daarvan en van het onderzoek door Prof. V. BEMMELEN tot het besluit: "dat minstens ¾ van de gronden der toekomstige polders zal zijn bouwgrond van groote waarde en slechts een ondergeschikt gedeelte van geen onmiddellijke waarde." Met dit laatste wordt voornamelijk bedoeld het vele zand dat _het oorspronkelijk plan der Zuiderzee-Vereeniging_ nog bevatte, maar dat toch nu niet meer als "van geen onmiddellijke waarde" zou genoemd worden.
* * * * *
Ten slotte de bezwaren van den Heer VIJVERBERG, in zijn bovengenoemde brochure neergelegd.
Hij begint met er op te wijzen dat de uitvoering van het plan LELY, door de Staatscommissie in 1894 geraamd op 189 millioen gulden en door een in 't bijzonder voor de herziening der kosten benoemde Staatscommissie van 1914 geraamd op 230 millioen, na den oorlog gesteld kan worden op 300 millioen, daar prijzen en loonstandaard nog aanzienlijk zullen stijgen. Daar nu de ramingen van vele groote werken in binnen- en buitenland door de werkelijke kosten verre zijn overschreden en aan het werk van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee groote risico's zijn verbonden, zoo meent de Heer VIJVERBERG de kosten van uitvoering tweemaal zoo hoog als de raming en dus "niet lager te (moeten) stellen dan zes honderd millioen gulden en den tijd van uitvoering niet korter aan te nemen dan veertig jaar."
Dat hier de raming eenvoudig met twee moet worden vermenigvuldigd, wordt niet voldoende aangetoond en gelijkt dus een greep in 't wilde. Als grondslag voor zijne redeneering nl. geeft de Heer VIJVERBERG het volgende staatje.
=======================+=========================+==================== | Raming der kosten | Werkelijke kosten -----------------------+-------------------------+-------------------- Manchester-kanaal | f 70 millioen | f195 millioen Congo-spoorweg | " 12 " | " 35 " Kanaal van Korinthe | " 14 " | " 28 " Suez-kanaal | "100 " | "228 " |{ |Verwerkt tot op |{ f150 mill. (De Lesseps)|30 Juni 1913 |{ "281 " in 1894 |± f874 millioen, Panama-kanaal |{ "256 " in 1898 |geautoriseerd op |{ "360 " in 1900 |dien datum f938 |{ "349 " in 1903 |millioen, werkelijke |{ |kosten meer dan één |{ |milliard. Rotterdamsche Waterweg | f 6 millioen | f 43 millioen Noordzeekanaal | " 15 " | " 32 " Merwedekanaal | " 14 " | " 21 " Sluis te IJmuiden | " 3,5 " | " 6 " Verlegging van den | " 13,5 " | " 22 " Maasmond | | Solo-vallei-werken | |Gestaakt nadat ruim | |11 millioen gulden | |waren verwerkt. Tijdens indiening | " 19 " | wetsontwerp | | Na staking der werken | " 39 " |
Vooreerst is wat de werken in Nederland betreft (van de buitenlandsche staan mij geen gegevens ten dienste) op de hier gegeven cijfers aan te merken, dat de "werkelijke kosten" tevens die werken betreffen, die eerst later, gedurende het werk, zijn toegevoegd aan die van het oorspronkelijk plan waarvoor de raming gemaakt is: zij geven dus geen juisten maatstaf ter beoordeeling van het overschrijden van die raming. Ten aanzien van den Rotterdamschen Waterweg erkent de schrijver dit zelf, als hij zegt: "Opgemerkt dient hierbij te worden, dat de werken aan den Rotterdamschen Waterweg veel verder zijn voortgezet dan oorspronkelijk in de bedoeling lag". Natuurlijk! Men dacht er bij het begin zeker niet aan den nieuwen waterweg een doorgaande diepte van 9 M. beneden L.W. te geven, zooals nu feitelijk reeds verkregen is.
Maar ook bij de andere genoemde werken is dit het geval. Zoo was de raming van de werken aan het Noordzeekanaal 21 millioen (dus niet 15), terwijl het geheele werk gekost heeft f37.225.000 (dus niét 32 millioen),--maar onder dit laatste bedrag zijn begrepen de kosten van bijkomende werken, als lichttorens en twee spoorwegbruggen (f1.103.000) en van werken, niet voorzien in de concessie, f5.970.000[49]. Omtrent deze laatste zal de Heer VIJVERBERG misschien opmerken, dat er bij zijn waarvan men eerst gedurende het werk de noodzakelijkheid inzag; gedeeltelijk is dit echter niet het geval.
[49] WORTMAN en V. D. BROEK. Gesch. en Beschr. v. h. Noordzeekanaal.