De aeroplaan van m'nheer Vliegenthert
Part 8
"Jan!" riep Dolf opeens en allen keken 'n oogenblik zwijgend naar de lucht boven 't meer. Daar stond met groote lichte letters in de wereldtaal:
500 GULDEN BELOONING!
voor diegene, die inlichtingen geeft omtrent een GESTOLEN CACAOKLEURIGE MONOPLAAN met SLAANDE VLEUGELS, van den heer VLIEGENTHERT TE DEN HAAG.
En welke er toe leiden den dief of de dieven in handen te krijgen.
M'nheer Przlwitz las halfluid en zeer langzaam: ca-cao-kleu-ri-ge-mo-no-plaan-met-slaan-de-vleu-gels. "Hé Dolf, dat lijkt wel 'n beetje op de monoplaan van oom Dokie hè?"
"Wel... 'n b... beetje..." stotterde Dolf bleek van schrik en Jan Drie zat met open mond die duivelsche advertentie in de lucht aan te staren, die maar niet weg scheen te willen. Maar eindelijk verdween ze toch en Jan was er zóó van opgelucht dat hij plotseling uitriep in 't Hollandsch: "Hé afgeloopen!"
En Dolf zei zacht in dezelfde taal:
"Net iets voor oom Dokie... Alles vergeet ie, maar dàt niet."
Mevrouw en m'nheer Przlwitz verstonden natuurlijk geen Hollandsch maar keken Dolf en Jan er des te verbaasder om aan.
"Vrouw wat denk je van die twee jongens?" vroeg m'nheer in 't Russisch. "'t Is niet in orde geloof ik. Hun monoplaan lijkt me wat al te veel op die gestolen vlieger... Zouen 't 'n paar jeugdige gaudieven zijn? Kan haast niet hè?"
"Nee," antwoordde mevrouw met overtuiging terwijl ze beurtelings Jan Drie en Dolf Brandsma aankeek die wel beetje uit 't veld geslagen leken, "'t Zijn vast en zeker eerlijke flinke jongens .. Bovendien, dan zouden ze toch niet àchter dien inspecteur aangevlogen zijn?"
"Ja maar wie bewijst je, dat ze er achter aangevlogen zijn? Als ze er nu eens vóór den inspecteur op de berg waren geweest ... en die hond was hén gevolgd?"
Mevrouw dacht 'n poosje na en toen zei ze: "Nee man dat kan onmogelijk. 't Was nog helder dag toen ik op de berg aankwam en ik heb voortdurend scherp opgelet of er niets kwam, want ik had hulp noodig ... Die inspecteur was de eerste ... moet de eerste geweest zijn ... en e... nog wat. Als die jongens die monoplaan gestolen hadden, waarom bleven ze dan op die berg zitten ... terwijl ze vliegolie genoeg hadden. Ze kwamen met 'n vol blik bij me ... Dàn waren ze toch wel eventjes over de Eiger en de rest gewipt ... Dat moet voor zoo'n koene vlieger als die Jan Drie is, 'n kleinigheid zijn ..."
"Ik zal 't hen eenvoudig vragen," hernam m'nheer. "'t Zou me spijten voor twee zulke flinke jongens ... Ik vind 't werkelijk aardige kerels ... Maar schijn bedriegt soms."
"In dit geval niet man ... ik ben er zeker van dat 't 'n paar echte eerlijke jongens zijn."
Intusschen hadden Jan Drie en Dolf zacht met elkaar zitten smoezen.
"Ik ben 'n boon," fluisterde Dolf, "als onze gastheer 't niet in de doppen heeft ... Dan zijn we allebei zuur ... zeg ..."
"'k Denk 't ook ... Jij ook met je idee om inspecteur Punt na te vliegen. We hadden al lang veilig in Den Haag kunnen zijn."
"We hebben er toch mevrouw Przlwitz door gered. Dat vergeet jij maar even ... Anders zat die nog maar lekker op dat hondje van 'n bergje te klappertanden in de mist ..."
"Je hebt gelijk, maar we zitten er toch maar leelijk mee."
"Wat dunkt je, als we er eens stikem van door gingen zoo meteen?"
"Nee Dolf, dat lap ik 'm niet meer ... er kan van komen wat er wil."
"Moet jij weten ... Ik vindt 't stom ... Enfin, ik heb eenmaal gezegd ik sta je half en daar blijf ik bij ... Mee gevangen, mee gehangen."
"Als we 't eens aan m'nheer en mevrouw Przlwitz vertelden ..." opperde Jan.
"Da's 'n idee ... wil ik 't maar dadelijk doen?"
"Dat kan ik zelf ook wel ..."
"Hm" deed m'nheer Przlwitz op dat oogenblik met een zeer ernstig gezicht, maar mevrouw keek de jongens met 'n vriendelijk lachje vol verwachting aan.
"Hm, ik moet jullie eens 'n ernstige vraag doen jongens over die monoplaan van oom Dokie ... Heet die m'nheer Vliegenthert?"
"Ja m'nheer ..." zei Jan Drie... "en ik e ..."
"Is dat werkelijk 'n oom van jou Dolf!"
"Nou of ie," zei Dolf lachend, want die rare jongen was, nu de zaak opgehelderd zou worden, al lang over de eerste schrik en benauwdheid heen. "Hij heet eigenlijk Jodokus Vliegenthert"
"En dus ben jullie uit met 'n gestolen aeroplaan?" zei m'nheer Przlwitz streng.
Jan Drie werd doodsbleek maar Dolf stoof op:
"Dàt is niet waar m'nheer ... Die monoplaan is niet gestolen ..."
"Niet? Wat is ie dan, als ik vragen mag?"
"Hij is" ... begon Dolf, maar verder kwam hij niet, want hij wist eigenlijk niet wat de monoplaan dan wèl was.
"Ga voort," zei m'nheer Przlwitz.
"Ik zal u de heele historie wel vertellen," zei Jan Drie met 'n brok in z'n keel. "M'nheer Vliegenthert is erg vergeetachtig en die liet z'n mooie monoplaan gisteren avond bij ons op 't dak staan. M'nheer Vliegenthert is onze buurman. Ik was op 't dak en vond 't zonde die mooie vlieger daar de heele nacht te laten staan ... Ik wist niet of 't goed weer zou blijven ... ziet u ... en om nu gemakkelijk de vlieger voor onze hangar te krijgen--want m'nheer Vliegentherts hangar was op slot en de onze aan 't andere eind van 't dak--vloog ik er eventjes mee op. Maar de vlieger schoot dadelijk 'n vreeselijk eind de lucht in ... ik had niet op 't hoogtestuur gelet en toen vond ik 't zoo heerlijk daarboven ... ik was nog nooit zoo hoog geweest, dat ik besloot 'n oogenblikje te blijven vliegen ... Toen ik echter terug wilde zat ik al in 'n wolk en m'nheer Vliegenthert had geen kompas in de vlieger.
"Ik ben toen 'n eindje gedaald om aan den een of ander de weg te vragen, maar zoodra ik 'n luchtwachter zag werd ik al bang voor 'n bekeuring, omdat ik zonder vliegbewijs alleen in de vlieger was en ging er onmiddelijk weer tusschen uit. Zoo ben ik aan 't dwalen geraakt en toen 't dag werd was ik heelemaal boven Nordhausen en ... daar trof ik gelukkig Dolf Brandsma aan, die daar met z'n vader en z'n verdere familie logeerde in 't Automatische hotel."
"Dat klinkt heel aannemelijk," zei m'nheer Przlwitz veel vriendelijker. "Maar dan had je de vlieger toch thuis moeten brengen toen 't dag was ..."
"Dat wou hij ook, m'nheer," viel Dolf in ... "Jan had 'm van avond thuis willen brengen want overdag kon 't niet ... Jan heeft tot een uur geslapen en toen hadden we dien inspecteur al op ons dak."
"Ja..., maar hoe zat dan dan met dien inspecteur en z'n hond. Die waren toch op 't hotel en de aeroplaan waarnaar hij zocht was daar ook ... Ik snap niet, dat die hond 'm daar niet dadelijk vond."
"Hij had er geen idee van!" zei Dolf. "De hond deed geen bek open toen ie er vlak bij was ... en hij begon weer toen inspecteur Punt er vandoor vloog ... Jemels Jan ... ik heb 't briefje nog in m'n zak, dat ik van inspecteur Punt kreeg om aan Brigadier Kwadraat te geven."
"Wat is dat voor 'n briefje?" vroeg m'nheer Przlwitz.
Dolf haalde het voor de dag. 't Was maar 'n kladje uit 't notitieboek van den inspecteur en er stond niets op dan: Wacht hier op orders. Inspecteur Punt. Dolf liet 't m'nheer Przlwitz zien en verstelde wat er opstond en voor wie 't was. M'nheer Przlwitz schudde het hoofd en zei:
"'t Is niet in de haak jongens, ofschoon ik nu wel begrijpen kan dat jullie nieuwsgierig was waar die inspecteur heen wou ... Maar als ie jullie nou eens gesnapt had met die aeroplaan?"
Dolf lachte luidkeels.
"Ha-ha-ha... dat had niets gegeven m'nheer... want hij zocht naar 'n roode aeroplaan met 'n juffrouw er in ..."
"Hè?"
"Dat vertelde hij aan vader, niet waar Jan?"
"In ieder geval had je 't aan je vader moeten vertellen Dolf ..."
"Dan had vader ons en de aeroplaan thuis gehouden en dan had inspecteur Punt Jan gesnapt..."
"Da's maar gekheid ... Je vader had alles wel aan den inspecteur duidelijk kunnen maken. Je hebt je vriend 'n slechte dienst bewezen Dolf. Dat kan nog leelijk afloopen."
"Kom man ..." zei mevrouw Przlwitz, "maak de jongens nu niet van streek ... en help hen liever ... Als ze al die verstandige dingen gedaan hadden, die jij opnoemt, dan zat ik nou nog boven op die berg."
"Natuurlijk zal ik hen helpen ... maar hoe? Heb jij den inspecteur je naam gezegd en je woonplaats?"
"M'n naam geloof ik niet ... wel dat ik in Luzern woonde ... geloof ik."
"Hm ... had 'm je kaartje maar gegeven ..."
"Ik was veel te veel geschrokken ..."
"Waarschijnlijk is inspecteur Punt morgen vroeg tòch wel in Luzern ..." "Maar nu gaan we naar bed ..."
TIENDE HOOFDSTUK.
Waarin inspecteur Punt de hulp inroept van de Zwitsersche politie en brigadier Kwadraat 'n pot jam over z'n pantalon krijgt.
Inspecteur Punt was met 'n koene duik over de rand van de bergkam naar beneden gekomen aan de kant van 't meer van Brienz. 'n Beetje gevaarlijk was die manoeuvre wel. Iemand die daarboven op de berg staat, ziet over dag wel 't meer, maar van de hellingen naar beneden ziet ie niet veel. Nu was 't avond en rolde de neveldeken, die Jan Drie daar boven 'n kort poosje later zoo vreezen zou, z'n bolle pruiken langs de bergkanten omhoog. Doch inspecteur Punt moest z'n plicht doen en dan komt 'n beetje gevaar er minder op aan. In 'n ommezien dook dan ook de aeroplaan in de wolk onder en inspecteur Punt zag niets meer en van z'n eigen vlieger slechts 't gedeelte dat vlak bij 'm was. Met 'n slakkegangetje van nog geen vijftig kilometer in 't uur, (in 2010 'n soort sukkeldrafje alleen in gebruik bij bangachtige ouwe juffrouwen) vloog inspecteur Punt langzaam omlaag en de ongeveer zeven kilometers die hij af te leggen had van de 2000 meter hooge plek op de Laucherhorn waar hij Spits had achtergelaten bij de dame met het blonde haar, tot aan Interlaken, dat zoowat 600 meters boven de zeespiegel ligt, zou hij op deze wijze binnen de tien minuten afgelegd hebben. Doch inspecteur Punt was 'n zeer voorzichtig man. Hij wilde zich niet roekeloos blootstellen aan gevaar en daarom maakte hij toen hij eenmaal goed en wel midden in de wolk zat, zijn daling zoo weinig steil als maar mogelijk was. Oppassen was evenwel de boodschap, want als hij te ver vloog liep hij kans aan de overkant tegen de Beatenberg aan te botsen. Gelukkig was de wolk niet erg dik en kwam de vlieger er zonder averij door. Nu keek hij naar de lichten van Interlaken en zag ze ver onder zich aan z'n rechterkant. Hij was dus voorbij gevlogen en moest terug. Dat was echter 'n kleinigheid nu hij zien kon, waar hij heen moest en 'n kwartier nadat hij de berg verlaten had, zwierde hij boven Interlaken in 'n kring rond om te zoeken naar 't politiebureau. Dat vond hij echter gemakkelijk genoeg, want in duidelijke electrische lichtletters stond 't woord "Polizeiamt" boven op 't dak en daaronder voor de vreemdelingen nog eens in de wereldtaal. 'n Oogenblik later kwam Inspecteur Punt dan ook netjes neer vlak bij den dienstdoenden politieman en deze wees hem beleefd de weg naar het bureau van den inspecteur der Interlakensche luchtpolitie. Deze heer ontving z'n ambtgenoot uit Holland zeer vriendelijk en inspecteur Punt deelde hem in 'n paar woorden de reden van z'n late bezoek mee.
"Tja ..." zei de Zwitser, "dat is zeker 'n interessant geval Herr Inspector, maar er zal niet veel kans op zijn die dievegge dadelijk in arrest te nemen, vanwege de nevels...."
"Kom ... ik ben er toch óók wel doorgekomen."
"Best mogelijk Herr Inspector ... maar 't gaat niet. 't Voorschrift luidt: geen luchtwachters noodeloos aan gevaar bloot te stellen."
"En als ze dan ontsnapt?"
"Daar is ook niet veel kans op dunkt me, Herr Inspector! Die vrouw zit daarboven immers zonder vliegolie?"
"Ja maar ... er is bepaald wel 'n depôt daar ergens in de buurt."
"O ja ... die zijn overal in de bergen ... Maar dat kan zij in geen geval bereiken ... Ze kan de lichten niet zien... Deze nevel hangt minstens tot morgen negen uur om de bergen heen... Welke top was het?"
"Ik weet niet hoe 't ding heet... maar 't ligt die kant op... Zuid-Oost van hier... op ongeveer zeven kilometer."
"Hoe hoog?"
"Twee duizend ongeveer."
"Hm... dan moet 't in de buurt van de Scheinige Platten zijn... In ieder geval kunnen we niets doen vóór de nevel optrekt... Misschien zouden we als 't dag wordt en om u 'n plezier te doen wel van hier uit boven de nevel kunnen komen... en dan eens uitkijken Herr Inspector."
"Als er dan niets anders opzit m'nheer," zei inspecteur Punt 'n beetje uit z'n humeur... "dan wou ik wel graag even telefoneeren met 't Automatisch hôtel in Nordhausen."
"Nordhausen... Nordhausen... o... dat is in de buurt van De Harz, is 't niet?... Hm, ja... dat is lastig Herr Inspector... In die automatische hôtels is geen portier... Dat is bepaald 'n gebrek in die inrichtingen, maar..."
"O, dat is niemendal. Mijn brigadier wacht daar op instructies. Ik heb 'n bericht voor hem achtergelaten. Hij zal dus wel bij de hoofdtelefoon zitten, of in ieder geval de hoofdtelefoon verbonden hebben met 't toestel in z'n kamer..."
"U kan 't probeeren Herr Inspector... Hier heb u de spreekhoorn, U is met Nordhausen verbonden."
Doch 't gaf niemendal. Inspecteur Punt kreeg geen gehoor en gemelijk legde hij de hoorn op 't telefoontoestel.
"Als ik u was Herr Inspector," zei de vriendelijke Zwitser, "ging ik maar zoolang op dat rustbed daar liggen. Als 't dag wordt wek ik u wel en als u soms wat eten wil, daar kan ik u ook aan helpen."
"Dank u vriendelijk," zei inspecteur Punt. "'k Heb vliegtabletten gegeten... Maar ik wil gaarne gebruik maken van uw vriendelijk aanbod om 'n uurtje of wat te gaan slapen... ik ben moe."
"Dat komt van 't vliegen Herr Inspector. Ik slaap ook 't beste als ik 'n uur of wat gevlogen heb... Nu wel te rusten."
De Zwitsersche inspecteur ging aan z'n werk en de Hollandsche inspecteur viel op 't rustbed in slaap.
De reden waarom inspecteur Punt geen gehoor gekregen had aan de telefoon was eenvoudig genoeg: Brigadier Kwadraat sliep als 'n os en had dus van de heele telefoon geen steek gehoord... Hij was 's avonds na 'n snelle vlucht met m'nheer Vliegenthert op 't Automatisch hotel aangekomen en had gemeend z'n inspecteur daar aan te treffen.
M'nheer Vliegenthert was woedend, toen hij den inspecteur niet vond, want dat beteekende opnieuw tijdverlies en vermindering van de kans om weer in 't bezit van z'n monoplaan te geraken. Om z'n zinnen te verzetten had hij toen brigadier Kwadraat maar op 'n fijn dinertje onthaald met 'n lekker glas wijn erbij. Hij hield zelf ook van lekker eten en hij meende dat op die manier 't wachten op inspecteur Punt minder vervelend zou zijn. De brigadier was nog ongeduldiger dan m'nheer Vliegenthert want hij brandde van nieuwsgierigheid, hoe 't de heelen dag met Spits gegaan was. Had Dolf nu het briefje maar achtergelaten in de brievenbus, dan had de brigadier tenminste nog iets geweten en dan zou hij er wel voor gezorgd hebben zoo lang op te blijven tot er nieuwe berichten kwamen. Maar hij wist nu heelemaal niets. De eenige die hem heel veel had kunnen vertellen, m'nheer Brandsma, was die middag ook al vertrokken. Die had na Dolfs vertrek het opeens in z'n hoofd gekregen ergens anders heen te gaan, omdat de zussen 't nu zoo vervelend vonden, zonder Dolf. Nu waren er wel 'n heele boel menschen in 't Automatische hôtel, doch die wisten niemendal van inspecteur Punt af. M'nheer Vliegenthert en brigadier Kwadraat waren dus maar aan 't eten gegaan en m'nheer had de brigadier telkens lekkere wijn ingeschonken en deze politieman, die thuis nooit wijn dronk, had er vreeselijke slaap van gekregen, zoodat hij de telefoon heelemaal niet gehoord had.
De volgende morgen voor dag en dauw was brigadier Kwadraat evenwel reeds automatisch uit z'n bed gewipt, waarbij 't hem al net ging als Jan de vorigen dag. Hij ontbeet vlug en ging daarna naar 't dak om z'n vlieger na te zien, want hij begreep, dat inspecteur Punt hem wel niet lang werkeloos zou laten, en 't nazien van de vlieger was iets, dat geen vliegenier ooit een enkele dag zou overslaan. Omtrent inspecteur Punt had hij zich niet vergist, want hij was nog geen tien minuten met z'n vlieger bezig of daar begon de kleine marconigraaf, want iedere politievlieger was van zoo'n toestel voor draadlooze telegrafie voorzien, als 'n razende te tikken... "Ho," zei brigadier Kwadraat, "daar heb je 't gegooi door de glazen al." Hij greep de kruk van 't toestel en seinde vlug: "Hier Kwadraat" Rikketikketikketik... en binnen twee minuten wist de brigadier dat z'n chef boven op 'n berg bij Interlaken zat en dat hij, de brigadier, naar Luzern vliegen moest, met de grootst mogelijke snelheid... "Begrepen," seinde hij terug.
Hij verzuimde dus geen oogenblik en vloog om vijf uur met 'n gangetje van honderdvijftig à honderdzestig kilometer in 't uur recht toe recht aan in zuidelijke richting, zonder z'n passagier van de vorigen dag. Brigadier Kwadraat had nog wel geprobeerd m'nheer Vliegenthert te wekken, maar dat was vergeefsche moeite geweest en dus was hij maar alleen gegaan. Hij mocht z'n inspecteur niet laten wachten. Al zou m'nheer Vliegenthert misschien nog zoo boos worden, omdat hij nu weer alleen in Nordhausen werd achtergelaten, was dat voor brigadier Kwadraat geen reden om 'n minuut langer te wachten. Dienst ging voor alles en de bevelen van 'n chef moesten zonder bedenking opgevolgd worden. Maar 'n klein briefje mocht ie wel achterlaten, en hij plaatste dat met 't adres in koeien van letters er op, achter de ruit in de brievenbus in de hoop dat m'nheer Vliegenthert 't in de gaten zou krijgen... Als hij die kokkerds van letters toch over 't hoofd mocht zien... tja... dat kon brigadier Kwadraat niet helpen.
Terwijl de brigadier met zoo'n woeste snelheid door de lucht schoot op 'n kleine duizend meters hoogte, waar 't nogal eenzaam was, zat inspecteur Punt nog hooger in de lucht maar toch dichter bij de aarde en minder eenzaam. Want hij was al met 't aanbreken van de dag ontwaakt en met de Zwitsersche inspecteur en nog 'n paar luchtwachters opgestegen om z'n arrestante van de Laucherhorn te gaan halen. De Zwitsersche inspecteur maakte daarbij gebruik van 'n vlieger waarop vier man achter elkaar konden zitten. Dit soort aeroplaans was bij de politie in gebruik om gevangenen over te brengen en zou nu ook moeten dienen om de vermeende dievegge van m'nheer Vliegentherts aeroplaan naar de gevangenis te transporteeren.
Inspecteur Punt zou waarschijnlijk niet zonder ongelukken alleen door de nevel heengekomen zijn, die nog om de bergen hing. Maar de Zwitsersche luchtpolitie was daar thuis als 'n Hollandsche loods tusschen de zandbanken. Zij brachten dan ook handig inspecteur Punt boven de nevel uit, waar ze als arenden die op buit loeren begonnen rond te zweven boven de bergtoppen ... Er was evenwel niets te bespeuren van 'n roode monoplaan ... en niemendal van 'n juffrouw met blond haar ... en ze zouden misschien nog lang hebben kunnen zoeken naar de plek waar inspecteur Punt de vorigen avond was geweest in de schemering, indien niet Spits z'n baas in de gaten gekregen had. Deze trouwe politiehond verveelde zich gruwelijk boven op de berg, waar hij niemendal te doen had en nauwelijks hoorde hij dan ook het bekende gesnor van 'n motor boven z'n kop of hij begon vervaarlijk te blaffen. Inspecteur Punt herkende wederkeerig z'n viervoetige compagnon en daalde onmiddelijk. Tot z'n groote ontsteltenis miste hij de dame met haar monoplaan, of misschien was hij nog meer verbaasd dan ontsteld, want 't feit alleen, dat Spits, de beroemde politiehond, die beter dan 'n dozijn politiemannen 'n gevangen misdadiger 't vluchten onmogelijk kon maken, in z'n plicht was te kort geschoten en 'n onnoozele juffrouw had laten ontsnappen, maakte den inspecteur sprakeloos.
Daarbij kwam nog 't onpleizierige gevoel, dat de Zwitsersche inspecteur met z'n mannen, die vlak bij gedaald waren, hem met 'n eenigszins spotachtig gezicht aanstaarden. Dat was 'n hoogst onaangename gewaarwording voor inspecteur Punt, doch hij kon er niets aan doen. 't Waren niet zijn luchtwachters en dus mochten de menschen kijken zooals ze wilden. Doch onuitstaanbaar bleef het... En bovendien... waar was die juffrouw?... en waar was de monoplaan?... en wie had haar geholpen aan vliegolie?...
De Zwitsersche inspecteur, die 'n eind was opgewandeld, want 't was vinnig koud daarboven, bukte zich plotseling snel, raapte iets op en riep toen: "Herr Inspector!!" Hij had 'n taschje gevonden, zoo'n mooi sierlijk dingetje van slangevel met 'n prachtige zilveren knipsluiting, waarin de dames van 't jaar 2010 omdat 't nu eenmaal mode was, gewoon waren hun zakdoek, hun portemonnaie, hun visitekaartjes en nog meer andere onmisbare kleinigheden te bewaren, om deze dingen op de gemakkelijkste wijze allemaal te gelijk te kunnen verliezen. De Zwitsersche inspecteur had 't reeds geopend en hield nu inspecteur Punt 'n kaartje onder de neus, waarop deze las:
Stephanowna Przlwitz--Domidofsky Luzern--Sonnenberg.
De Zwitser zette 'n heel ernstig gezicht en zei:
"U mag wel blij zijn Herr Inspector, dat u die vrouw niet gearresteerd hebt... 't Is namelijk 'n zeer voorname dame... de vrouw van den Russischen Consul-generaal Przlwitz..."
"Daar ben ik heel niet blij om," antwoordde inspecteur Punt. "Die kaartjes kunnen ook best gestolen zijn ... of nagemaakt. Zulke dieven maken dikwijls gebruik van 'n deftige naam ..."
"'t Eenvoudigste is Herr Inspector, dat u even naar Luzern vliegt en 'n visite maakt bij m'nheer Przlwitz. Als u zijn vrouw ziet, weet u meteen of 't dezelfde dame is van gisterenavond ... waaraan ik niet twijfel ... kijk u maar hier ... dat is 'n briefje in de Russische taal... 't Zat ook in 't taschje."
"Hm" ... zei inspecteur Punt ... "ik ben niet overtuigd ... Doch u hebt gelijk ... Ik ga onmiddelijk naar Luzern. Als die dame van gisteren avond werkelijk de vrouw blijkt te zijn van den Russischen Consul-generaal, wat ik nog zoo grif niet aanneem, dan ..."
Hier bleef hij plotseling steken en hoe nieuwsgierig de Zwitsersche politiemannen hem ook aankeken, inspecteur Punt zei niemendal meer. Maar hij dacht: Juist wat dán? En dat wist ie ook niet. Hij ging zwijgend naar z'n vlieger en begon te telegrafeeren aan brigadier Kwadraat.
'n Kwartier later verlieten ze de berg en inspecteur Punt vloog met 't gevonden taschje regelrecht naar Luzern om er op brigadier Kwadraat te gaan wachten en na te denken, want hij vond 't heele geval erg vreemd. De zestig kilometers legde hij op z'n gemak af in 'n uur--want er was niet de minste reden, waarom hij zich haasten zou. Haast had alleen brigadier Kwadraat. Die moest z'n inspecteur uit de droom gaan helpen, hem de vergissing meedeelen ... en dat was geen plezierig werk. Doch brigadier Kwadraat haastte er zich niet minder om en toen inspecteur Punt in Luzern was aangekomen en op z'n gemak boven op 't dak van 't Victoriahotel kalm zat te ontbijten met Spits naast zich, had de brigadier al meer dan honderdvijftig kilometers achter de rug en nog ruim vierhonderd voor de boeg, in 'n rechte lijn.
Inspecteur Punt at, .. Spits at en toen ze 't eten op hadden ging de een in de lucht zitten kijken en de andere ging maar weer slapen. Spits vond er niets aan om in de wolken te staren en diepzinnig over de verdwenen juffrouw nadenken liet ie over aan inspecteur Punt, die er ruim twee uur mee zoek bracht. Toen was deze nog niemendal verder doch hij hield er toch maar mee op, want hij zag brigadier Kwadraat aankomen als 'n pijl uit 'n boog. De inspecteur wenkte en de brigadier die nog 'n veel te groote vaart had, om dadelijk te kunnen stoppen, moest eerst 'n groote kring beschrijven voor hij op 't dak van 't hotel kon landen. Inspecteur Punt wachtte met Spits naast zich de brigadier af, de inspecteur kalm en onbeweeglijk, de hond met vroolijk geblaf en 'n kwispelende staart.
"Morge inspecteur," zei de brigadier toen hij bij 't tafeltje stond terwijl hij Spits op de rug klopte.
"Morge brigadier ... Ik heb gisteren avond om je getelefoneerd ..."
"Niets van gehoord inspecteur ... m'nheer Vliegenthert en ik lagen al vroeg onder de wol ..."