De aeroplaan van m'nheer Vliegenthert
Part 7
"Denk je dan dat de wolken de gewoonte hebben zoo hoog te zeilen, als wij nu gedaan hebben. Kan je begrijpen. Maar van wolken gesproken. Kijk eens even naar de overkant. Die besuikerde top met die bocht er in is de Jungfrau en die hier op aan is de Mönch en die waar die blauwe wolk tegen aan hangt is de Eiger. 'k Heb ze verleden jaar netjes van buiten geleerd hè toen ik met vader en m'n broer hier in de buurt was... Als die wolk nou maar daar blijft is 't niet erg.... maar als dat ding hier heen komt zijn we bestolen."
"Hè?"
"Ja, meen je, dat ik gek genoeg zou zijn hier op te stijgen in 'n wolk, met al die lieve harde steenklompen om je heen? Ik zou je danken. Dan blijf ik hier bivakeeren."
"Wat 'n prachtig schouwspel zijn die bergen daar aan de overkant... Je zou ze zoo grijpen."
"Jawel, als je 'n arm had van twintig kilometer lang. Daar ligt 't heele Grinderwalddal nog tusschen in met 't Lauterbrunnendal en 'n paar bergen van twee duizend meter hoogte... waar we nu maar overheen kijken."
"En wat is dat voor 'n spits, die we daar tusschen zien?"
"O, dat is de Finsteraarhorn. Die is maar 'n goeie vierduizend meter hoog en ligt nog heel wat kilometertjes verder. Achter de Breithorn en de Jungfrau en de Mönch en de Eiger en de Schreckhorn en de Wetterhorn krijg je eerst nog wat gletschers en eeuwige sneeuwvelden en dan komen eerst die allerhoogste oomes. Kijk daar links tusschen de Wetterhorn en de Schreckhorn kan je een van de twee Grindelwald-gletschers zien..."
"Goeie help," zei Dolf, "je zou er met pleizier den heelen inspecteur Punt voor vergeten."
"Dat doen we toch niet. Nu we hem eenmaal tot bij de sneeuw, die nooit smelt, hebben gevolgd, wil ik ook weten wat ie uitvoert."
"Ik denk dat ie hier kampeert. Laten we maar eens gaan kijken."
"Pas op Dolf, de bergen zijn verraderlijk. Laat mij maar voor gaan en trek je vliegjas uit."
"Wat is dat nog 'n eind weg," zuchtte Dolf na 'n poosje. "Ik dacht dat we vlak bij hem waren."
"Kan je begrijpen. De dingen lijken hier maar zoo dichtbij... We zijn minstens nog tien minuten van 'm verwijderd... Maar 't kan ook nog wel meer zijn."
"'t Loopt hier lastig ook, tusschen die alpenrozen. Die zijn nog erger dan de hei thuis. Als 't pikkedonker was, wandelde ik hier liever niet."
"St... daar zie ik licht... daar in de laagte daar staat de vlieger... en... e... nóg 'n vlieger... en 'n juffrouw."
"Hè??... Waarempel... Bukken Dolf... Op de grond gaan liggen, anders krijgt ie ons óók nog in de gaten, hij staat juist met z'n neus naar ons toe. En 't is hier zoo licht."
"Och, we zijn toch in de schaduw."
"En de maan dan?"
"Da's waar ook... die staat daar ginds achter die berg... zoometeen komt ie er boven uit."
"Hou je mond nou es Dolf... dan kunnen we misschien hooren wat ie zegt."
"Ik lig hier niet erg lekker in die harde dingen."
"Zwijg nou toch... Nee... maar!"
Die uitroep van verbazing werd veroorzaakt door inspecteur Punt, die vlak onder Jan en Dolf 'n kleine vijftig meter lager, met 'n dame stond te praten.
Toen inspecteur Punt over het dal waar Interlaken ligt was gevlogen en de tweeduizend meter hooge bergen aan de overkant bereikt had, zag hij op eens hel verlicht door z'n zoeklicht boven op de berg 'n vlieger staan met 'n dame er naast, die zoodra 't scherpe licht van de politievlieger zichtbaar werd hevig aan 't wuiven was gegaan met 'n groote witte sluier. Inspecteur Punt daalde onmiddelijk in de nabijheid, waar ruimte genoeg was en de helling niet te schuin. Hij was toen uit de aeroplaan gestapt met Spits en snel naar de dame toegeloopen. Deze kwam hem echter met nog meer haast te gemoet.
"O m'nheer wat ben ik blij, dat u mij hebt opgemerkt. Ik zit hier al meer dan 'n uur angstig uit te kijken of er niets tot redding op kwam dagen, want ik heb geen vliegolie meer... en nu weet ik niet waar hier op de berg 'n depôt is. Ik heb wel 't groen- en roode depôtlicht verder beneden gezien, maar daar durfde ik niet heen. 't Pad was zoo steil."
"Zoo..." zei inspecteur Punt, terwijl hij scherp de dame aankeek, die blond haar had, terwijl haar vlieger, die op eenigen afstand stond, rood was... "Zoo," herhaalde hij... en toen z'n notitieboekje uit z'n zak halend. "U weet dat ik van de politie ben?"
"Ja m'nheer... dat zie ik immers aan uw lichten."...
"Goed... Ik ben inspecteur Punt uit Den Haag.... Nu zal u er wel alles van begrijpen hè?... Vertel u me nu eerst maar eens, hoe komt u aan die aeroplaan?"
"Wat blief?"
"Meegenomen hè... uit Den Haag... gisteren avond... U ziet, ik weet alles... Ontkennen baat niet..."
"Wat beteekent dat m'nheer?" zei de dame met groote verwondering. "U houd mij toch niet voor 'n dievegge?... 't Is mijn eigen vlieger m'nheer.... en als ik niet door gebrek aan vliegolie hier op die akelige berg was blijven steken..."
"Had ik u niet hier aangetroffen" zei inspecteur Punt... "Daar twijfel ik geen oogenblik aan... Dan was u misschien al over die hooge toppen daar."
"Maar m'nheer..." riep de dame... "ik wou naar Luzern, daar woon ik en daar kunt u alles omtrent mij vernemen..."
"Ja ja... dat liedje kennen we... we zullen er geen woord meer over verspillen... Deze politiehond heeft uw spoor gevolgd tot hiertoe... U is mijn arrestant..."
Deze laatste woorden die inspecteur Punt zeer nadrukkelijk gezegd had waren ook daarboven verstaan en hadden aan Jan Drie de verbaasde uitroep ontlokt, en de rest van 't gesprek dat veel luider gevoerd werd dan 't begin konden ze ook bijna heelemaal verstaan.
"Ik begrijp er niets van," zei de dame... "geef me toch in 's hemelsnaam wat vliegolie m'nheer de inspecteur, dan ga ik dadelijk met u mee en dan is alles zóó opgehelderd."
"Dat zou ik ook 't liefst willen," hernam inspecteur Punt, "maar ik heb zelf niet veel meer... Ik zal u nog een poosje in de eenzaamheid moeten laten. Ik kom spoedig weer terug... met vliegolie natuurlijk en 'n paar man van de politie uit Interlaken... U moet 't u maar zoo gezellig mogelijk maken tot zoolang. En bang hoeft u niet te zijn, want ik laat de hond hier om op te passen."
"O... ik ben zoo bang voor honden!" riep de dame... "Neem dat beest mee... neem asjeblieft dat beest mee..."
"Nee..." zei inspecteur Punt, "die blijft hier om u te bewaken en om op de vlieger te passen, die hij de heele dag gevolgd heeft..."
"Maar m'nheer... dat is 'n leugen... die hond kan me niet gevolgd zijn... ik kom regelrecht uit Luzern...
"Vertel u de rest later maar voor den rechter." zei inspecteur Punt. "Spits opgepast hoor!"
Inspecteur Punt stapte weer in z'n vlieger en zette de motor aan. 'n Oogenblik later vloog hij op en verdween al spoedig achter 'n bergrand.
Spits keek den inspecteur na, snuffelde eens aan de vliegjas van de dame, maar aangezien hij niets bekends daaraan rook, begreep Spits dat ie daar niets mee te maken had, vervolgens ging hij de monoplaan beruiken en wijl die ook volkomen onbekend rook, zette hij zich 't heele geval uit z'n kop en trok zich van geschiedenis verder niemendal aan. Hij ging liggen slapen.
Jan en Dolf, die van het gesprek wel niet alles maar toch genoeg verstaan hadden, keken elkaar eens aan.
"Da's mooi" zei Jan Drie verschrikt, "nou gaat ie die dame gevangen nemen, omdat wij er met de aeroplaan van m'nheer Vliegenthert vandoor zijn."
"Nou," zei Dolf... "is dat nou zoo erg?... Ze kan op geen gemakkelijker manier van den berg afkomen. Ze heeft geen vliegolie en ze wil tòch naar beneden... waaraan ze gelijk heeft hoor... 't Is hier knapjes koel om er de heelen nacht te blijven tenminste."
"Ja maar... ze wordt gevangen genomen."
"Och... wat zou dat nou... Ze laten haar wel weer los... als ze bemerken, dat 't de verkeerde aeroplaan is..."
"Nee"... zei Jan Drie, "dàt mag niet... Ik zou me schamen als die vrouw door de politie meegenomen werd door mijn toedoen... Gauw naar de vlieger er is nog 'n reserveblik in. Die dame moet weg zijn vóór inspecteur Punt terugkomt. Gauw, ga je mee?"
"Als je met alle geweld dat mensch hiervandaan wil hebben, vooruit dan maar... 't Begon anders net zoo lollig te worden."
"Hoor eens Dolf... ik houd wel van 'n avontuurtje, maar niet als 'n ander er voor in angst moet zitten en die dame zit zeker in angst... Kijk maar eens."
"Da's waar..." bekende Dolf... "zoover heb ik nog niet eens gedacht... Kom vooruit... Dan maar voortmaken..."
Maar 't ging niet zoo gemakkelijk... Met de bus vliegolie moesten ze nog 'n heel eind naar beneden klauteren langs 'n tamelijk ongebaand pad... 'n Beetje steil was 't soms wel doch ze waren stevige turners allebei en vlug als katten, en ze kwamen heelhuids op de alm waar de dame bij haar vlieger stond.
"Zie je wel," zei Jan Drie, "ze staat te schreien."
"Dat houdt gauw genoeg weer op, als ze de bus vliegolie in de gaten krijgt" meende Dolf.
De dame hoorde de jongens pas toen ze tamelijk dicht bij waren en ze keek vreemd op.
"Ze denkt zeker, dat we ook van de politie zijn" fluisterde Dolf.
"Maak nou geen gekheid," bromde Jan Drie en toen riep hij hardop: "Mevrouw hier brengen we u vliegolie... Asjeblieft... 'n heel blik... Wacht, ik zal 't wel even voor u aan de motor bevestigen..."
En terwijl hij daarmee bezig was, zei Dolf tot de verbaasde dame "Mevrouw, we zaten daarboven, en we hoorden, dat die inspecteur u gevangen wou nemen... en dat wou m'n vriend Jan niet hebben... ziet u..."
"Dank je wel jongens... maar nu kan ik toch niet weg... want die hond vliegt me zeker aan, als ik instap. Hij moet op me passen."
"Wel mevrouw", zei Jan, "'t is te probeeren. En doet u 't maar gauw... Stap u maar vlug in, dan kunnen we zien, wat die hond van plan is... Op 't oogenblik slaapt ie geloof ik..."
"Maar gaan jullie dan asjeblieft vóór de hond staan hè."
"Met plezier," zei Dolf...
Nu stapte de dame in en Spits trok er zich geen steek van aan.
"Ziet u wel," hernam Dolf... "'t Gaat heel goed... Vlieg u maar gerust weg."
"Ik durf niet goed," zei de dame... "Kijk eens er komt 'n nevel omhoog."
"Mevrouw," riep Jan, "u moet toch vooruit en gauw en wij ook... Als die nevel ons bereikt, durf ik zelf ook niet meer weg... en dan moeten we de heele nacht misschien hier blijven... en dan vangt inspecteur Punt ons allemaal nog... Gauw Dolf mee naar de aeroplaan."
"O..." riep de dame angstig... "ik durf haast niet."
"Weet je wat Dolf," zei Jan, "ga jij in deze vlieger, die heeft maar één zit... ik haal gauw de onze... en neem mevrouw mee... Vlieg jij dan maar achter ons aan."
"Best," zei Dolf, terwijl Jan Drie wegholde en reeds weer 't steile pad langs de rots beklom. "Jakkes wat komt die mist op... kijk eens 't is of ze 'm tegen de berg oprollen..."
Jan Drie had dat ook in de gaten en hij haastte zich zooveel hij kon. Hij deed z'n handen en z'n kniëen soms leelijk zeer, maar hij kwam toch bij z'n vlieger. Vlug zat hij er in Rrrrt... daar vloog hij al in 'n kring naar omlaag en kwam 'n oogenblik later bij de wachtenden neer. Dolf zat al in de andere aeroplaan.
"Ziezoo,... mevrouw stap nu maar gauw in... Dolf jouw motor is toch in orde hè?"
"'k Heb er niet naar gekeken," riep Dolf terug.
"O, die motor is uitstekend," zei de dame... "Je vriend kan er op vertrouwen."
"Nu dan vooruit."
Rrrrrt... Jan Drie schoot de lucht in, net vroeg genoeg, want de nevel had bijna de plek bereikt, waar ze stonden... Dolf snorde hen snel achterna. Jan keek naar beneden om 't meer van Brienz in 't oog te krijgen, dat hij volgen moest om naar 't Vierwaldstädtermeer te komen, waaraan Luzern ligt. Doch 't was niets dan nevel onder hen...
"Dan maar op 't kompas," zei Jan... "Noord-Oost... Een ding is gelukkig mevrouw... de nevel belet inspecteur Punt ons te zien."
Toen ze 'n eind gevlogen hadden, waren ze boven de wolk vandaan. Ze konden weer naar beneden zien. Jan bleef echter op dezelfde hoogte vliegen want er waren aan weerskanten hooge toppen. Vlak bij 't meer van Brienz was om te beginnen aan de linkerzijde de Rothhorn met z'n 2300 meter en Jan was blij dat hij eindelijk 't Sarnermeer onder zich zag. Nu kon hij 'n eind dalen want van Sarnau af was de bodem niet meer dan vijfhonderd meter boven de zeespiegel... Daar stroomde de Aa. Jan was blij dat hij laag kon vliegen, want voor hen uit in de richting van 't groote meer dreven alweer wolken. Hij kon er nu onder blijven. De dame wist hier goed de weg, ze noemde Jan de plaatsen waar over ze heen vlogen.
"Ha," riep Jan.... "'t Vierwaldstädtermeer... daar links is de Pilatus, niet waar mevrouw?"
"Ja jongeheer... en daar rechtuit dat licht... is Stansstadt en links Hergiswil. Stuur daar maar tusschen door, dan kom je vlak boven 't meer... Juist... en nu linksaf... over Luzern... en dan daarginds weer 'n beetje links waar die lichten branden, daar op de helling van de Sonnenberg... woon ik..."
"Wijs u mij 't huis maar," zei Jan.
"Daar is 't al... neen... die witte villa... juist... 'n beetje rechts..."
Jan zwaaide in 'n kring om 't aangeduide huis, dat alleen stond en daalde... De aeroplaan van m'nheer Vliegenthert ging langzamer en langzamer... de motor stopte... en landde op 't hel verlichte dak, waar 'n deftige m'nheer met 'n uitroep van vreugde de dame verwelkomde, die vlug uit de aeroplaan stapte.
'n Oogenblik later landde Dolf ook.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Waarin Jan Drie en Dolf Brandsma kennis maken met m'nheer Przlwitz en ze met hun allen de luchtadvertentie lezen.
"Hoe heb ik 't nu," vroeg de heer aan de dame, "kom je in 'n vreemde vlieger thuis en breng je gasten mee? Waar ben je zoo lang geweest... Ik zat al in ongerustheid over je."
"Ach...," zei mevrouw, "dat is 'n heele geschiedenis, maar laat ik je eerst m'n twee dappere redders voorstellen... Jongens, dat is mijn man, m'nheer Przlwitz--'n vreemde naam hè, maar daar zij we ook Russen voor... en dit is Jan Drie uit Den Haag en dat is... ja jou naam ken ik nog niet..."
"Ik heet Dolf Brandsma, mevrouw... ook uit Den Haag..."
"Wel jongens," zei m'nheer Przlwitz terwijl hij hen beide 'n hand gaf, "welkom hier op de Sonnenberg... Maar vertel me nu eerst eens vrouw, wat er eigenlijk gebeurd is met je... je sprak van redders... Ik brand van nieuwsgierigheid."
"Laten we eerst maar naar beneden gaan.... Die jongens willen misschien wat eten."
"Asjeblieft drinken mevrouw"... zei Dolf. "Ik versmacht."
"Hadden jullie dan geen drinken bij je?"
"Vergeten mevrouw... we gingen in zoo'n vreeselijke haast weg."
"Laten we dan maar eerst de vliegers in de hangar brengen," stelde m'nheer Przlwitz voor... "Kom jongens help 'n handje."
Mevrouw Przlwitz ging naar beneden en m'nheer bracht met de jongens de vliegers onderdak.
"n Prachtig monoplaantje heb jullie daar," merkte m'nheer Przlwitz op. "Fijn hoor... 't nieuwste systeem ook nog. Die slaande vleugels hebben aan de vliegtechnikers heel wat hoofdbrekens gekost."
"Toch nam Adhémar de la Hault op 'n veld in Casteau er honderd jaar geleden al proeven mee," zei Jan Drie.
"Ei, ei,... je ben goed op de hoogte jongeheer... Daar wist ik niemendal van... Hoe heette die uitvinder zeg je?"
"Adhémar de la Hault, m'nheer."
"Ja m'nheer," zei Dolf, "als u wat over de vliegkunst wil weten, moet u Jan Drie maar vragen. Hij wil luchtingenieur worden."
"'n Mooi vak," zei m'nheer Przlwitz. "Hoe oud ben je Jan?"
"Vijftien m'nheer..."
"Verbazend... en heb jij je vliegbewijs dan al?"
"Nee," zei Dolf... "hij zit pas in vier... Ik heb 't maar Jan Drie kwam 't beter toe dan mij..."
"Zoo?" zei Jan... "Ik weet nog niemendal van de weerkunde..."
"O, dat snertvak," smaalde Dolf... "Dat heb jij in 'n paar maanden onder de knie."
"Nou, nou... "lachte m'nheer Przlwitz, "je hoeft niet zoo laag neer te zien op de weerkunde. Dat is 'n wetenschap, die de vliegmenschen niet missen kunnen. Waar zouden we aankomen, als we geen verstand hadden van luchtstroomingen, en als we niet uit de stand van onze weerinstrumenten konden voorspellen wat er in de eerstvolgende dagen in ons element zou veranderen?"
"Wel," lachte Dolf "dat lees ik in de krant..."
"Niet voldoende," meende m'nheer Przlwitz. "Je moet op je zelf kunnen vertrouwen. Wat jij Jan?"
"Ik vind dat u gelijk hebt m'nheer... en ik zal er mijn best op doen in dit jaar..."
"Jij liever dan ik," zei Dolf... "ik viel er altijd bijna bij in slaap."
"Is die aeroplaan van jou Dolf?" vroeg m'nheer Przlwitz...
"Ik wou dat 't waar was m'nheer... Hij is van oom Dokie."
"Zoo... laten we nu dan maar naar beneden gaan... Kijk hij eens... Is de dorst zoo groot?"
Dolf dronk uit z'n hand onder de kraan van de waterleiding in de hangar.
"Hè, hè... dat smaakt..."
M'nheer Przlwitz en Jan waren al naar de lift gegaan, en Dolf ging hen gauw achterop, onder 't loopen z'n handen met z'n zakdoek afdrogend.
M'nheer Prlzwitz wees de jongens ieder 'n kamer waar ze zich 'n beetje konden opfrisschen met zeep en water en waar ze die nacht zouden slapen, want mevrouw Przlwitz wilde in ieder geval, dat haar redders zouden blijven logeeren, iets waar Jan Drie en Dolf niemendal op tegen hadden. M'nheer Przlwitz ging intusschen naar mevrouw om zich alles te laten vertellen en toen de jongens klaar waren met hun toilet vonden ze m'nheer en mevrouw al in 'n gezellige kamer bij de tafel zitten, waarop 'n heele boel lekkere dingen en heerlijke vruchten stonden en natuurlijk ook de Russische theemachine, de samovar, waaruit mevrouw de geurige warme drank in fijne glazen schonk, die in zilveren glashouders met mooie blinkende ooren gevat waren. Terwijl ze aten en dronken zei m'nheer: "jongens, ik moet jullie nog bedanken voor de hulp die je mijn vrouw verleend hebt... Ze heeft mij 't heele ongeval verhaald... Ik begrijp niet goed hoe de Haagsche inspecteur er toe komen kon mijn vrouw zoo maar voor 'n aeroplaandief aan te zien... 't Is wel heel toevallig, dat jullie ook uit Den Haag komt... Kennen jullie dien m'nheer?"
"Jawel.." zei Dolf, "ik ken inspecteur Punt wel, en 't was geen toeval, dat we daar op die berg waren."
"Wat, geen toeval?"
"Nee m'nheer," ging Dolf voort. "We zijn inspecteur Punt achterna gegaan."
Hij hield plotseling op, want Jan Drie gaf 'm onder de tafel 'n venijnige trap op z'n voet...
"Nu ga voort" zei m'nheer Przlwitz.
Dolf wist eerst niet goed wat te doen. Hij begreep, dat Jan liever had, dat ie niets meer losliet. Maar hij kon nu toch niet z'n mond blijven houden, of zeggen, dat ie er niets meer van wist. Dat was toch te gek... Wat gaf 't bovendien ook, dacht ie en hij keek Jan Drie even lachend aan toen hij vervolgde:
"We zijn inspecteur Punt achterna gegaan van Nordhausen af, waar we vanmiddag om drie uur opgevlogen zijn... Die inspecteur beweerde, dat ie door z'n hond Spits 't spoor gevolgd was van 'n gestolen aeroplaan tot op 't dak van 't Automatische hotel waar wij logeerden. Vader, moeder, de zussen en ik... Maar daar raakte hij 't kwijt en vond 't later weer terug... en toen zijn wij 'm snel nagevlogen uit nieuwsgierigheid hoe 't zou afloopen."
"Ah zit dat zoo in elkaar... Maar jullie waren zoo dadelijk bereid m'n vrouw te helpen... en dat had je toch niet mogen doen als ze eens werkelijk de dievegge geweest was..."
"Hè man, hoe kan je dat nu zeggen..." zei mevrouw Przlwitz... "Ik vond 't heel aardig van jullie hoor jongens... en m'n man ook."
"Natuurlijk... natuurlijk..." zei m'nheer, "maar hoe konden die jongens nou weten, dat jij geen dief was... Die inspecteur en z'n hond hebben zich vergist, dat is buiten twijfel... maar dat wisten zij toch óók niet."
"O," zei Dolf lachend.... "dat wisten we heel sekuur."
"Was jij er ook zoo zeker van?" vroeg m'nheer Przlwitz lachend aan Jan Drie.
Jan kreeg 'n kleur doch zei niets en Dolf riep:
"Hij begon er 't eerst over... die wou met alle geweld mevrouw redden."
"Ik vind 't echt van jullie hoor," betuigde mevrouw "en ik ben jullie zeer dankbaar. Verbeeld je man, zonder die jongens, had ik daar nu nog heel alleen op die nare berg gezeten, want die inspecteur zal 't ook wel niet aangedurfd hebben er weer heen te vliegen toen die nevel om de berg hing. Neen hoor ik ben wat blij, dat ze niet eerst alles zoo voorzichtig overwogen hebben of 't wel goed was of niet... Hier, nemen jullie nog wat van die druiven... en zoo'n groote appel.... Die zal je ook wel lusten."
Mevrouw Przlwitz laadde Jan's bord en dat van Dolf vol vruchten en m'nheer lachte maar. Hij vond 't toch bij slot van rekening maar goed, dat die jongens zoo zonder nadere overwegingen gehandeld hadden, want hij zou 't ook niet aangenaam gevonden hebben voor z'n vrouw, als ze 'n heele nacht op zoo'n gure berg tusschen de alpenroozen had moeten doorbrengen, of wat misschien nog erger was--in de gevangenis. Maar toch, heelemaal goedkeuren wat die jongens gedaan hadden wou hij ook niet.
"Ik begrijp toch niet hoe die inspecteur met z'n hond juist daar kwam." zei m'nheer na 'n poos... "'t Is 'n wonderlijke geschiedenis."
"Er moet zeker 'n vergissing gebeurd zijn met die hond," beweerde Dolf. "'t Is de beste politiehond die ze in Den Haag hebben."
"Juist daarom" hernam m'nheer Przlwitz. "Zoo'n hond vergist zich niet. Doch, wat denk je vrouw, zouden we niet nog 'n poosje op 't dak gaan zitten. 't Is zulk heerlijk weer... we kunnen ook in de tuin gaan, maar ik vind 't op 't dak aardiger. Daar hebben we 'n veel beter gezicht op de stad en op 't meer. We zullen van avond niet veel van de bergen kunnen zien... want de lucht is betrokken... Anders zijn die bergen om 't meer heen, van de Rigi tot aan de Pilatus in maanlicht wel de moeite waard."
"De jongens mogen 't zeggen," zei mevrouw. "Waar hou jij 't meest van Jan?"
"Mevrouw ik zit 't liefst op 't dak."
"Geen wonder..." riep Dolf... "Daar zit ie thuis ook altijd. Jan is 'n luchtjongen. Die zou wel willen eten, drinken en slapen in 'n aeroplaan."
"Kom dan maar. Vrouw je zorgt zeker wel voor wat limonade hè?"
"Laat dat maar aan mij over, m'n twee dappere redders zullen 't goed bij mij hebben."
Op 't dak gingen ze op gemakkelijke stoelen zitten en keken uit over Luzern met al z'n lichten en over 't meer, dat nu onder de donkere wolkenhemel alleen maar blonk van lichtjes op schuitjes en van de lantaarns en de verlichte vensters aan de oevers. Van de bergen zagen ze niemendal. Die zaten met hun koppen in 'n wolkenmuts.
"Je kan hier anders de lichten van Rigi-Kulm zien," zei m'nheer, "maar dat treffen jullie slecht. 't Lijkt wel of we 'n donderbui krijgen. De lucht is zwart."
"Jammer", vond Jan. "Ik zie graag de sterren en de witte bergtoppen."
"Dat is 'n heerlijk gezicht," meende ook m'nheer Przlwitz. "Vooral de sterren, de eenige dingen die we verplicht zijn van onder te bekijken.. hoe hoog we ook boven de bergen uitvliegen. Dààr kunnen we in geen geval bij."
"Och," zei Dolf, "de menschen kunnen zooveel, misschien brengen ze 't ook nog nog wel eens zóóver."
"Je ben 'n grappenmaker Dolf... Ik geloof dat we de grens bereikt hebben, wat de afstand betreft. Alleen kunnen we misschien onze vliegapparaten nog wat verbeteren. Ik vind altijd nog maar, dat 'n vogel heel wat beter af is dan wij. Er is te veel omhaal bij, als wij vliegen willen."
"O," riep Dolf... "U wil vleugels hebben."
"Dat heb je goed geraden. Ik wou 'n gemakkelijker vliegtoestel, iets dat we net als vroeger de fiets in 'n klein hoekje konden opbergen, en waar we geen motor, geen schroef en geen staart bij noodig hadden. Misschien komt Jan Drie naderhand wel eens met zoo iets voor de dag, als ie vliegingenieur is."
"En dat we zelf in beweging kunnen brengen?" vroeg Jan.
"Nee... mechanische beweegkracht. Vliegen in heel mooi, maar je moet je er niet moe bij behoeven te werken. Wij hebben onze krachten wel noodig voor andere arbeid... Ah, nou beginnen ze met de luchtadvertenties... Die hebben we in geen maand hier gehad... Steeds mooi weer."
"Bij ons is 't zelden 'n maand lang mooi weer," zei Jan... "en als we 'n paar dagen zonder luchtadvertenties zitten is 't al mooi."
"Ik vind die annonces in de lucht wel aardig," merkte mevrouw op. "'t Zou zonde wezen als ze die letters tusschen de sterren konden zetten. Maar op zoo'n donkere wolk mag ik 't wel, als je toch niets te bewonderen hebt daarboven."