De aeroplaan van m'nheer Vliegenthert
Part 3
Nu was m'nheer Vliegenthert daarentegen juist 'n man, die misschien heelemaal niet van vliegtabletten hield en in ieder geval was hij onachtzaam genoeg (als hij er wèl van hield) om ze de vorige dag vergeten of allemaal achter elkaar opgegeten te hebben. Zoo iets dacht Jan Drie tenminste toen hij z'n hand toch maar uitstak naar 't kleine kastje onder de bank. Vooreerst was dat 'n beweging waaraan hij in de monoplaan zeer gewoon was en ten tweede zoekt 'n mensch ook in 'n leege broodkast naar kruimels, als ie zóó uitgerammeld van honger is als Jan op dat oogenblik.... En Jan voelde 'n heel pak tabletten.... en nòg een. 't Heele kastje was stampvol. Er was minstens voor veertien dagen genoeg te eten, zelfs voor Jan Drie.
"Neen maar", dacht Jan knabbelend "zoo gek heb ik 't nog nooit beleefd. Die m'nheer Vliegenthert vergeet z'n kompas en neemt eten genoeg mee, of hij van plan was nooit meer op de aarde terug te keeren." Jan at twee tabletten achter elkaar op. Eén was genoeg voor 'n gewone honger, doch Jan's honger was onmenschelijk.
Toen hij 't laatste stukje ophad voelde hij al veel minder van de groote verlatenheid in de donkere lucht. Heelemaal gerust was hij nog wel niet, doch de wind werd niet erger en 't leek hem toe, dat de wolken dunner werden. Hij keek eens naar boven.
Jawel hoor, 'n sterretje en nog een.... Die kleine lichtjes daar heel ver weg stonden daar maar oogjes te knippen, of ze hem op wilden monteren. Als je echter zoo alleen door de lucht zweeft 'n honderd meter of vier boven de grond met geen ander licht, dan je kleine lampje op 't stuurrad, je gekleurde lichten vooruit en ver achter je 't bijna onzichtbare lampje aan de staart van je snorrende kunstvogel, dan heb je niet genoeg aan 'n paar knipoogende sterretjes om op de duur de schrikbeelden uit je hoofd te houden. Jan kon er dan ook niets aan doen dat plotseling de vrees bij hem opkwam, dat ie misschien wel eens tegen iets aan kon bonzen en dan was 't gedaan met de aeroplaan en met Jan Drie. Nu zal iedereen, die niet gewoon is per aeroplaan te reizen 't hoogstwaarschijnlijk malligheid vinden om op 'n hoogte van 400 M. bevreesd te zijn voor 'n botsing, omdat er op die afstand van de aarde niets is, dat je in de weg staat. Maar Jan was aan 't rekenen gegaan. 't Was nu half twee en hij had dus 3 ×.... ja hoeveel K.M. legde z'n aeroplaan af per uur?.... Hij had verzuimd de afstandsmeter te kontroleeren toen hij van 't dak ging.... Veronderstel echter, dacht Jan, dat de snelheid 90 K.M. was.... dan zou hij in 3 uur 3 × 90 = 270 K.M. hebben afgelegd en moest hij dus indien hij de oorspronkelijke richting Z.O. was blijven volgen in de buurt van Koblentz zijn..... Maar dan moest hij al lang op 't Zevengebergte gestrand zijn, dat bij de vijfhonderd meter haalde of op de bergen aan de linker Rijnoever die nog hooger waren. Hij vermoedde dan ook, dat hij bij de plotselinge wending toen hij 't kompas miste, meer in oostelijke richting geraakt was en als dat zoo was vloog hij nu ergens boven Munsterland en liep hij gevaar te verongelukken in 't Teutoburgerwoud, waar de Eems ontspringt en de Lippe. Daar waren de bergen wel niet hoog maar toch brachten ze het wel tot 470 M. Precies wist Jan 't niet uit 't hoofd, hoewel hij op school altijd z'n best gedaan had op de bergen vanwege de aviatiek. Nu is 't eigenlijk 't zelfde of je met 'n aeroplaan tegen 'n berg van 500 of van 5000 Meter aanbotst. Voor 'n mug maakt 't ook geen verschil of hij in de vlam van 'n kleine of van 'n groote kaars vliegt.
"Ajakkes", dacht Jan, toen hem dit alles door z'n hoofd ging, "daar had ik vroeger aan moeten denken. Ik wou dat ik in bed lag"--en voor alle zekerheid steeg hij 'n paar honderd meter.
Waar zou ik toch in 's hemels naam terecht komen, dacht hij verder. Hoe laat wordt 't licht om deze tijd van 't jaar? Hij wist 't niet op de minuut af, maar 't moest zoo omstreeks vier uur zijn. Dan had hij nog heel wat uurtjes te vliegen en voortdurend ging 't mooi van huis af. En z'n kans om tegen 'n berg te vliegen werd er niet geringer op. Daar ginds over de Wezer lag de Harz. 't Verstandigste zou misschien zijn kringetjes te vliegen. Hij had vermoedelijk vlak land onder zich. Wanneer hij net deed als 'n ooievaar en rond zeilde, dan liep hij heel weinig gevaar. Misschien zou de een of de andere luchtwachter hem in de gaten krijgen als ie zoo voortdurend in 'n kring bleef rondsnorren--doch dit moest ie er maar op wagen. 't Was altijd nog pleizieriger door 'n luchtwachter gesnapt, dan verpletterd te worden tegen zoo'n meedoogenloos harde rots.
Hij begon zich dus in 't rond te laten drijven op 'n hoogte van 700 meters. 't Was vervelend, dat 'n uur of wat vol te houden, maar er zat niets anders op en Jan Drie ooievaarde nog steeds 'n beetje sufferig tot de sterren al begonnen te verbleeken en 't in de lucht al lichter en lichter werd. Als hij niet zoo vermoeid geweest was, zou hij waarschijnlijk mee genoten hebben van de dageraad, die de vederwolkjes hoog boven hem rose kleurde en z'n vlieger reeds helder verlichtte, toen 't onder hem op de aarde nog duister was. Doch als je de heele nacht zonder doelmatige kleeding in 'n monoplaan rondgezworven hebt begroet je de opkomst van de zon niet als iets dat je bewondert, maar als iets dat je te pas komt. 't Beste zou hij 't die morgen gevonden hebben, indien hij de zon had kunnen opdraaien, zooals hij dat met de lampen in de aeroplaan deed. Maar de natuur doet alles op haar gemak en Jan moest geduld oefenen.
Hij was van plan zoo gauw mogelijk ergens te dalen, al was 't midden in de hei of in 'n weiland en te gaan slapen als 'n soldaat uit vroeger tijden naast z'n paard. Hij hing alvast maar 'n beetje lager.... en nog 'n beetje dalend in 'n spiraal.
Van de aarde uit moest de vlieger wel wat op 'n arend lijken en honderd jaren geleden zouden de menschen hem er zeker voor hebben aangezien. Doch in 2010 wisten ze wel beter. Arenden waren zeldzamer dan monoplanen en als ze dus iets hoog in de lucht zagen zweven, dachten ze dadelijk aan 'n vlieger. Dat deed ook nu iemand, die op 't platte dak van 'n groot gebouw stond toen Jan Drie z'n benedenwaartsche spiraal begon, maar hij dacht er tevens bij: "Nou die komt ook aardig uit de lucht op de vroege morgen." En hij bleef aandachtig de bewegingen van de vlieger volgen. Jan Drie had die toeschouwer daar beneden op 't dak eindelijk ook in 't oog gekregen. 't Was licht genoeg nu.
"'t Lijkt wel 'n jongen", dacht Jan steeds lager om 't huis kringend.... "Hé, 'k zou haast zeggen, dat 't Dolf was.... van achteren lijkt ie óók sprekend op hem.... Hij staat net eender.... Droom ik nou of is ie 't werkelijk?.... Waarempel 't is Dolf Brandsma...."
Mooier kon 't al niet en Jan Drie talmde niet lang. Nog 'n paar kringen om niet al te steil neer te komen en toen schoof de monoplaan van m'nheer Vliegenthert langs Dolf Brandsma heen en bleef staan voor de hangar. Jan was nog niet uitgestapt of de ander was reeds bij hem.
"Jan.... hé.... waar kom jij vandaan?"
"Uit de lucht natuurlijk.... Help me asjeblieft eens 'n beetje. 'k Ben zoo stijf als 'n paal. 'k Ben blij dat 'k jou gevonden heb".
"Aardig van je hoor, om me eens op te komen zoeken. Wie heeft je verteld, dat we hier uithingen?.... Hé val niet..."
"Geen mensch Dolf.... 't Is puur toeval..., Maar help me eerst eens die vlieger in de hangar brengen.... Is 't ding open?.... Hè, wat ben ik stijf.... Ik lig toch liever in bed zoo'n heele nacht hoor.... Waar ben ik hier eigenlijk?....
"Weet jij niet eens waar je ben? Die is ook goed zeg...."
"Toe vertel 't me gauw.... Ik heb de heele nacht met die monoplaan rondgescharreld...."
"Je ben hier in de buurt van Nordhausen."
"Nordhausen?.... Dus dat is de Harz die bergen daar ginds?"
"Precies.... Je ben zeker over Paderborn gekomen."
"Daar weet ik niemendal van. Ik zeg je toch dat ik rondgescharreld heb."
"Je moet aardig hoog gevlogen hebben zeg.... De Solling is 500 meter en daar ben je toch overgekomen denk ik.... Tenminste je kwam van die kant...."
"'k Weet er niemendal van.... We zullen dat later wel eens uitzoeken. Maar hoe krijg ik dat ding in de hangar?.... Jij hebt geen sleutel hè?"
"Laat je vlieger maar hier staan.... 't Is mooi weer en dat blijft 't voorloopig.... De baroscoop stijgt en...."
"Nee die vlieger moet opgeborgen worden.... Als ik hem hier niet onder dak kan brengen vlieg ik weer heen...."
"Je doet net of je 'm gestolen hebt...." lachte Dolf.
"'t Scheelt niet veel...." zei Jan.... "Hij is van m'n buurman m'nheer Vliegenthert...."
"Hè?" riep Dolf verwonderd.... "Je bent er vandoor met m'nheer Vliegentherts aeroplaan?.... Stilletjes?"
"Ja.... nog al stikem.... maar per ongeluk hoor...."
"Wat zal die woedend zijn" .... en Dolf lachte dat ie schaterde. "Ik ken 'm hoor.... 't Is 'n oom van me.... en nou ben je bang dat ze je ontdekken hè!.... Daar bestaat groote kans op.... Dat oompje van me is in staat honderd rechercheurs op je af te sturen...."
"En dan houden ze me voor 'n dief.... en dat ben ik niet.... en dat wil ik niet wezen ook.... Ik wou nu 'n beetje gaan slapen.... Ik val bijna om.... en dan wou ik van avond de monoplaan maar weer terug zien te brengen.... Of wil jij 't doen? Jij hebt je vliegbewijs ook.... Maar als je niet wilt.... moet je me 'n kompas leenen. Dat is 't eenige instrument dat in de vlieger ontbreekt... anders was ik nu ook niet hier...."
"Ik ben je vriend," zei Dolf hartelijk, "en natuurlijk help ik je.... Laten we eerst de vlieger onder dak brengen.... Kijk dat doen we hier zoo."
Hij wierp 'n geldstuk in 'n gleuf van de deur en dadelijk ging die deur vanzelf open.
"Da's makkelijk", zei Jan,.... "Heb je geen sleutel noodig.... 't Zal niet lang meer duren of de heele wereld wordt automatisch."
"O", antwoordde Dolf onder 't binnenbrengen van de vlieger, "we schieten er hier al aardig op aan... Dit is namelijk 'n automatisch hotel. Vader, moeder en de zusters zijn ook hier, maar die liggen nog te bed. Toevallig ben ik vanmorgen vroeg opgestaan, om te zon te zien opkomen."
"'k Ben blij dat jij vanmorgen zooveel om de morgenstond geeft," zei Jan Drie lachend.... "Je ben anders nooit zoo vroeg, zeg.... Je beweerde altijd, dat je er niet uit kan komen, al heb je 't jezelf nog zoo vast voorgenomen...."
"Dat leeren ze je wel in 'n automatisch hotel," lachte Dolf.... "Zal je zelf wel ondervinden.... Als je hier je wekker op vier zet, ben je er op dat uur uit ook, hoor.... zonder mankeeren."
"Nou ja," zei Jan, "als je d'r uit wil."
"Als je er niet uit wil evengoed.... Je zal 't wel zien.... Weet je wat Jan, ga nu gauw mee in de lift.... naast mijn kamer is nog 'n kamer vrij.... 't Is hier vlak onder.... zesde verdieping... Je slaapt 'n uur of wat."
"Och lieve hemel," zei Jan geeuwend, "ik zie kans om er vierentwintig te slapen."
Dolf deed lachend 'n geldstuk in de gleuf van de lift.
"Kan je daar ook al niet in zonder geld?" vroeg Jan.
"Ik zei je toch, dat 't 'n automatisch hotel is hier."
"Nou ja.... maar dan hoeft toch niet àlles automatisch te zijn. De oberkellner bijvoorbeeld?"
"Oberkellner? Is hier heelemaal niet.... D'r zijn hier geen kellners, geen kamermeisjes, geen...."
"Maar wat is er dan wel?"
"Gleuven, om je geld in te doen."
"Hè?.... Maar wie schudt dan de bedden. Wie doet de kamers?"
"Mag Joost weten.... Hier is je kamer... Nu eerst geld.... Heb je 't? Eén nikkel.... anders zal ik 't je wel voorschieten."
Gelukkig had Jan nog geld genoeg bij zich, van dat internationale geld, waar ze honderd jaar geleden nog niet van durfden droomen, maar dat in 2010 de gangbare munt was in Europa, Amerika, Australië, Afrika en 'n groot deel van Azië. Je hoefde niet meer te wisselen, voor je op reis ging en je bleef nooit met onbruikbare vreemde pasmunt uit allerlei landen zitten.
"Leuk", zei Jan, toen ie z'n nikkel geworpen had in de gleuf, die 't sleutelgat verving. Men hoorde 't geldstuk glijden langs metaal en daarna ging de deur zonder gedruisch open.
"Zie je", legde Dolf uit, "je kan er voor niemendal uit en van binnen kan je de deur sluiten, kijk zoo.... dan zit gleuf dicht en kan geen mensch er 'n nikkel in krijgen. Alleen 't binnenkomen kost je 'n nikkel (zoo werden die automaat-geldstukken genoemd, ofschoon ze heel wat lichter waren dan de vroegere vijfcentsstukken.)"
"Daar zal 't hotel weinig aan verdienen, 'n Kamer voor één nikkel."
"Dat denk je maar.... Logeeren zonder ontbijt, kost je hier net zooveel als in ieder ander hotel. Want als jij nu naar bed wil moet je eerst weer 'n paar nikkels in de gleuf van je ledikant werpen, anders gaat dat mooie spreitje er niet af. 't Is van 't soliedste metaal, al lijkt 't op kantwerk. Probeer 't maar eens, of je 't er af kan krijgen."
Jan probeerde 't maar 't gaf niets, doch toen hij twee nikkels in de gleuf deed, rolde 't ding vanzelf op en verdween in de voorkant van 't bed.
"Nou", zei Dolf, "dan ga ik maar. Wacht even.... hoe laat wil je op?.... Twaalf uur? Dan heb je zeven uur geslapen.... Nou laten we zeggen om één uur. Da's lang genoeg hè? Kijk, dan zetten we de wijzer van dit klokje hier voor aan 't ledikant op één. Stop jij er nu 'n nikkel in, dan word je precies op de minuut af gewekt. Vergeet je de nikkel dan slaap je door tot je vanzelf wakker wordt. 't Gaat precies als 'n uurwerk. Daar ginds staat je waschtafel. Overal staat de prijs op.... en laat ik je niet vergeten te zeggen: Als je je kleeren geborsteld wil hebben en je schoenen gepoetst, dan zet je ze daar in die kastjes. 't Kost je natuurlijk je nikkels. Zonder geld komt je goed er niet in en zonder geld evenmin er weer uit. Maar 't wordt netjes gereinigd. Als je soms trek in 'n kop thee hebt of in wat anders, vlak boven je bed is 't buffet. Voor de noodige nikkels krijg je hier alles en dadelijk."
"'t Is knap".... zei Jan Drie.
"Nou wel te rusten!"
VIERDE HOOFDSTUK.
Waarin Inspecteur Punt neerdaalt op 't Automatisch Hotel en Spits 't spoor bijster raakt.
Inspecteur Punt was om zoo te zeggen 'n geboren politieman. Z'n vader, z'n grootvader, z'n overgrootvader benevens verscheidene ooms en oudooms hadden hun leven doorgebracht bij de veiligheidsdienst totdat ze gepensioneerd werden. Daar waren beroemde mannen onder, tegen wier nagedachtenis inspecteur Punt met diepe vereering opzag. Een van hen was zelfs na z'n dood als standbeeld vereeuwigd en stond nu boven op 't hoofdbureau van politie, boven op 't dak, want niet alleen keek bijna geen mensch meer naar 'n standbeeld dat op de grond stond, doch de man wiens beeltenis daarboven pronkte was de beroemde commissaris Punt, de man die de luchtpolitie had uitgevonden, en dus ook dáár behoorde geëerd te worden.
't Zat inspecteur Punt dus zoo'n beetje in 't bloed. Hij kende geen grooter genot, dan 't achtervolgen van lui, die wat op hun kerfstok hadden en ofschoon in 2010 de menschen over 't algemeen nog al binnen de perken bleven en zich niet meer zoo slordig vergrepen aan 't leven en 't goed van hun medemenschen, zooals honderd jaar geleden, waren mannen als inspecteur Punt toch bij lange na niet overbodig. Je had altijd nog menschen met lange vingers, voor wie stelen 'n ding was dat ze niet laten konden. Dat bewees alweer 't verdwijnen van m'nheer Vliegentherts aeroplaan.
Inspecteur Punts hart klopte dan ook van vreugde toen hij er met Spits op uit mocht, om het spoor van den dief of de dieven te volgen. En 't begin van de reis was al zeer gelukkig. Gewoonlijk moest de politieman, die met een hond de lucht in ging, eenige malen rondvliegen, op de wijze van een postduif die de richting naar z'n hok zoekt, eer de hond door aanslaan te kennen gaf, dat ie 't spoor in de neus had. Toen inspecteur Punt met Spits de ruimte in vloog, was dat rondvliegen niet eens noodig. Spits sloeg dadelijk aan.
Inspecteur Punt was blij, dat hij de opmerkingen van brigadier Kwadraat kort en goed had afgewezen. Wie weet wat die man nu weer voor onzin over dat blonde haar wou vertellen. Brigadier Kwadraat was 'n zeer geschikt ambtenaar, die de politiehond Spits fijn gedresseerd had. Dat was gewoon verbazingwekkend, doch daar hield 't ook mee op. 'n Gevolgtrekking maken uit zoo'n kleinigheid als 't vinden van 'n haar aan 'n deurknop, dat ging boven brigadier Kwadraat z'n verstand.
Al deze dingen gingen inspecteur Punt door 't hoofd, toen hij met Spits door de lucht vloog met 'n snelheid van honderd kilometer in het uur. En Spits deed geregeld z'n kort "waf" hooren, ten bewijze dat de vlieger 't goede spoor volgde. 't Ging boven verwachting gemakkelijk. De inspecteur vloog ter hoogte van iets meer dan 200 meter. De dief had ook op die hoogte gevlogen, anders zou Spits z'n bek wel houden. Je had daar soms 'n heele getob mee om de goede hoogte te houden. Want als de dieven slim waren en nu eens hoog en dan weer laag vlogen, dan was 't zelfs voor de handigste politieman met den fijnsten speurhond bijna niet om te doen in de leege lucht deze golflijn te volgen. Maar de dief die er met m'n heer Vliegentherts aeroplaan van door was, leek wel 'n nieuweling in 't vak. Recht toe recht aan was hij of waarschijnlijk zij de grenzen over gegaan. Inspecteur Punt vloog nu reeds boven Nijmegen, zonder 'n enkele maal van de rechte lijn afgeweken te zijn, noch terzijde, noch omhoog of omlaag. En voort ging het met 't zelfde honderdkilometer-gangetje.... en Spits kwam geregeld achter den inspecteur met z'n "waf".
"Als dat zoo doorgaat ben ik om 12 uur de Wezer al over," dacht inspecteur Punt. Hij had de kaart goed in z'n hoofd, wat trouwens met de meeste menschen in die tijd 't geval was. 'n Vliegmensch moest de kaart wel kennen, die diep onder z'n voeten uitgespreid lag, om zich snel te kunnen oriënteeren. Heel snugger vond inspecteur Punt de dief ook al niet. Als de gestolen vlieger iets meer Oostelijker was gegaan, dan was hij ten Noorden van de Harz gebleven en had behalve eenige onbeduidende bergen in de buurt van Munster in Westfalen de prachtigste vlakte onder zich gehad. De Luneburger heide, de Altmark, de Uekermark en vervolgens de Pommersche vlakte van Oostpruisen en daarna Rusland.... 'n Makkelijke vliegbaan, van 'n onmetelijke uitgestrektheid.... Volgens Spits waren ze echter ten zuiden van de Harz gebleven, indien de richting tenminste nog 'n poosje zoo bleef. Daar was 't terrein veel bergachtiger. Doch ze konden nog wel veranderd zijn.... maar dat zou Spits wel weten te vertellen. Voorloopig rook Spits nog steeds 't spoor en sloeg regelmatig aan. Tegen elf uur had inspecteur Punt Paderborn links voor zich. 't Laatste stukje van 't vlakke Munsterland gleed onder hem weg. Hamm, Soest, Lippstad had hij reeds achter zich en nu rezen voor hem de bergen en met hen ook de eerste moeielijkheid.
Hoe hoog was de dief gestegen om er over heen te raken? Volgens Spits waren ze maar recht toe recht aan op die bergen aangevlogen. Tenminste voorloopig. 'n Voorzichtig vlieger zou echter hier reeds de hoogte zijn ingegaan, en inspecteur Punt, die 'n voorzichtig vlieger was, verzette z'n hoogtestuur. De monoplaan rees als 'n zwaluw met de kop de lucht in.... Vreemd.... dat scheen de dief op dezelfde plek óók gedaan te hebben volgens Spits, die z'n goedkeuring over de stijgmanoeuvre te kennen gaf door 'n luid "waf!" De politiemonoplaan vloog over de Egge op 500 M. hoogte, dat is maar 'n kleine 50 Meter boven de grond daar.... Spits keurde 't wederom goed met 'n "waf."
"Dat gaat buitengewoon", prevelde inspecteur Punt. "Nog nooit is 't me zoo gemakkelijk gevallen.... Komaan hier daalt de bodem weer tot aan de Wezer.... dat zal zoowat vijf-en-twintig Kilometer zijn. Me dunkt de dief zal hier wel rechtuit gevlogen hebben, omdat 't niet de moeite waard is te dalen, wijl aan de overkant toch weer hoogten zijn van 'n honderd meter of vijf, as ik me niet vergis...." "Waf." Spits was 't volkomen eens met inspecteur Punt.
Precies twaalf uur was de vlieger boven Göttingen en inspecteur Punt kreeg trek in eten.
"Me dunkt Spits we moesten hier maar even de reis onderbreken om wat te gebruiken. Jij lust geen vliegtabletten en ik heb ook liever wat anders. Bovendien hebben we wel een goed maal verdiend voor ons knappe werk, want we zijn den dief nog altijd op 't spoor hé!".... "Waf" zei Spits.
"Nou goed.... maar wacht es.... zijn we hier niet in de buurt van Nordhausen?.... Daar moet een van die fameuse automatische hotels zijn.... Dat wil ik meteen wel eens zien.... Weet je wat Spits, die vijftig kilometertjes hebben we d'r zoo opzitten.... Niet de moeite waard.... tenminste als we er niet door uit de richting raken,"
Doch 't bleef altijd maar de goede richting. Spits riep telkens "Waf". De dief was dus ook op Nordhausen aangevlogen.
Inspecteur Punt liet z'n motor wat harder draaien en legde de vijftig kilometers binnen 't half uur af.... Tien minuten voor half een klonk het "waf" van Spits vlak boven het automatische hotel op welks dak Dolf zich niet zuinig zat te vervelen. Hij was die morgen thuis gebleven om te wachten tot Jan Drie z'n slaap uit had.
"Au-to-ma-tisch-Ho-tel" las inspecteur Punt. Dat waren de witte mozaikletters in de bruine granitovloer van 't dak. In 1910 plaatsten de menschen hunne afschuwelijke annonce's langs de spoorweg in de weilanden en de heien en langs hun mooie bosschen rechtop. In 2010 kon 't niet anders dan horizontaal want de menschen voor wie ze bestemd waren vlogen.... en daarvoor waren de daken juist geschikt. En er werd niemendal mee bedorven. 't Was zelfs wel aardig als je van uit de vlieger of de luchttrein naar beneden kijkend al die platte huisdaken zag als omgewaaide reclame borden.
"Hier is 't...." zei Inspecteur Punt. De motor stopte en de monoplaan daalde neer op 't dak.
Dolf was er niet zoo verwonderd over, dat er 'n hond in die vlieger zat. Dat gebeurde wel meer ofschoon de meeste honden er 't land aan hadden. Alleen de boksers waren er gek op.... Die stamden dan ook af van honden die in vroegere tijden bij voorkeur met snelrijdende wagens waren meegehold. Later werden hunne afstammelingen groote liefhebbers van automobielrijden en in 2010 hadden ze liefhebberij in de nog snellere vlieger. Maar deze hond was geen vliegbokser, maar 'n herdershond en op z'n halsband had hij 't woord "politie" staan. En dat gaf Dolf 'n lichte schrik.
"Wat moest die politiehond op 't dak van 't Automatische? En wie was die vreemde vent?...." Natuurlijk 'n politieman.... wat zekerheid werd toen deze uitstapte en Dolf 't bekende gezicht van inspecteur Punt uit z'n eigen woonplaats voor zich zag. 't Was geen wonder, dat Dolf de aankomst van dien man met z'n hond in verband bracht met de aeroplaan van m'nheer Vliegenthert en begon te vreezen dat deze speurman met z'n speurdier z'n armen vriend Jan Drie leelijk in 't vaarwater zouden zitten. In dat geval moest Jan de vlucht nemen of ergens verborgen worden. Dolf wist niet wat 't beste zou zijn... maar ze mochten hem in geen geval te pakken krijgen. Jan Drie was geen dief, doch dat was iets dat je zoo'n politieman heel moeilijk en zoo'n politiehond heelemaal niet aan 't verstand kon brengen. Met de inspecteur was misschien nog te redeneeren, maar zoo'n hond.... lieve hemel als die de lucht van je had greep ie je eenvoudig in je broek.... en als dat kleedingstuk scheurde nam ie je ergens anders, maar hij hield je vast.