De aeroplaan van m'nheer Vliegenthert
Part 13
Toen inspecteur Punt met Dolf en Spits beneden kwamen, vonden ze m'nheer Vliegenthert toch lekker ingedut. Hij zaagde weer planken. De inspecteur maakte hem echter gauw wakker en nog vóór m'nheer Vliegenthert had kunnen brommen: wat moet je of zoo iets, zei de inspecteur:
"M'nheer Vliegenthert hier hebben we er al eentje van."
M'nheer Vliegenthert was plotseling heelemaal wakker en zag toen dadelijk z'n geliefde neefje Dolf, maar hij begreep nog niet zoo dadelijk, dat die wat met die aeroplaangeschiedenis te maken kon hebben.
"Hé Dolf hoe kom jij hier?"
"Hier gebracht door inspecteur Punt en z'n hond, oom Dokie."
"Hè?? ... Dus ben jij er vandoor geweest met mijn monoplaan? Wel ... nou ... nog"
"Nee oom Dokie," zei Dolf lachend. "Ik ben er niet mee vandoor gegaan. Dat was m'n vrind Jan Drie, uw buurjongen."
"Jan Drie??"
"Ja oom Dokie, Jan Drie."
En nu vertelde Dolf vlug hoe alles in z'n werk gegaan was. Oom Dokie deed niets anders dan uitroepen: "Heb je ooit!" en "wel nou nog mooier!" en meer van die dingen, die iemand zegt, als ie zeer verwonderd is. Toen Dolf echter 't heele verhaal uitverteld had zei m'nheer Vliegenthert:
"Zoo, zoo, is Jan Drie die knappe vliegenier, die van mijn monoplaan de beroemdste vlieger van de wereld gemaakt heeft ... Wel, wel ... en waar is die jongen?"
"Die ligt lekker in z'n bed, oom Dokie."
"Nou, geef jij hem dan morgen vroeg deze portefeuille!"
"Die portefeuille oom Dokie?"
"Wat anders?... Maar de duizend gulden zitten er nog in kwajongen. Jij dacht zeker, dat ik hem de léége portefeuille tot aandenken wou geven hé?"
"Oom Dokie dat doe ik niet."
"Wat doe je niet."
"Ik geef Jan die portefeuille niet met die duizend gulden, oom Dokie."
"Wel nou nog mooier ..."
"Oom Dokie, ik weet zeker, dat Jan er geen cent van hebben wil. Hij heeft die eerste prijs expres gewonnen om u de gemaakte onkosten te vergoeden. Maar geef u hem die lauwerkrans."
"Heb je ooit! Inspecteur Punt wat zegt u nou daarvan?"
"Ja m'nheer Vliegenthert ... ik vind dat Dolf gelijk heeft ..."
"Maar mijn hemel inspecteur, wat heeft zoo'n jongen nou aan die lauwerkrans?"
"Die komt 'm toe, m'nheer Vliegenthert, voor z'n prachtige overwinning."
"Wat heeft ie nou aan zoo'n ding ... Niks als blaren en linten," mopperde m'nheer Vliegenthert ... "Enfin, pak maar mee ... En morgen spreek ik nog wel eens met m'n kranige buurjongen. Ga nou maar weer naar bed Dolf. Wel te rusten."
"Goeie nacht oom Dokie. Welterusten inspecteur."
Maar Spits was 't er niet mee eens. Die pakte Dolf onmiddelijk weer bij z'n broek, toen deze jongeheer weg wilde. Spits beschouwde Dolf nog altijd als 'n gevaarlijk wezen waar hij op passen moest. Eerst toen inspecteur Punt riep "Los Spits" liet de hond Dolf vrij, met iets in z'n oogen, alsof hij zeggen wou: "Nou je moet 't zelf weten hoor."
Dolf ging gauw weg. En hij vergat de lauwerkrans niet. Heel zachtjes ging hij er mee naar Jan z'n bed en hing de groote krans met de glanzende linten, waarop in gouden letters geborduurd stond: "Hardvliegerij Mainz-Koblentz 2010" aan 't hoofdeinde van 't ledikant. Toen kroop hij weer lekkertjes onder de wol, en sliep binnen vijf minuten met 'n lachend gezicht in.
En zoo kwam het, dat Jan Drie de volgende morgen heel vroeg voor 't eerst van z'n leven wakker werd "met lauweren gekroond."