De aeroplaan van m'nheer Vliegenthert
Part 12
De politieman wist niet wat ie beginnen moest. M'nheer Vliegenthert deed voortdurend pogingen om aan de stevige greep van den diender te ontkomen en hij schreeuwde voortdurend maar: "Houdt den dief." Hij leek wel 'n wildeman en de diender besloot toen maar den vreemddoenden heer te arresteeren. Er kwamen op 't rumoer juist 'n paar collega's aan en 'n baancommissaris.
"Wat is dat hier voor 'n herrie?" vroeg de laatste.
"k Weet 't niet," zei de diender. "Deze m'nheer beweert dat die mooie monoplaan van hem is."
"Wat?"
"Ja zeker! Ik ben m'nheer Vliegenthert uit Den Haag, en die monoplaan is van mij. Ze hebben 'm gestolen."
De baancommissaris keek m'nheer Vliegenthert 'n beetje ongeloovig aan en zei toen: "Zoo, zoo."
"Kijk maar hier," riep m'nheer Vliegenthert, z'n portefeuille uit z'n zak nemend. "Als u me soms nog niet gelooft."
De omstanders zagen nu visitekaartjes en brieven met 't adres van m'nheer Vliegenthert. En ook bankpapier zagen ze. De dienders begonnen al respect te krijgen en de baancommissaris deed "Hm," en keek besluiteloos van den heer Vliegenthert naar de dienders, die dezen heer nog altijd vasthielden.
"Ah," riep toen opeens de eerste diender, "daar komt de inspecteur aan. Die zal er wel raad op weten."
"Wat moet dat?" vroeg de inspecteur.
"Deze heer beweert, dat ie m'nheer Vliegenthert is uit Den Haag en dat die monoplaan van hem is ... maar de menschen op de tweede rang zeggen dat ie gek is."
"Laat dien man los," beval de inspecteur.
"Inspecteur," begon m'nheer Vliegenthert alweer, "drie dagen geleden is m'n aeroplaan gestolen. We hebben er overal naar gezocht en nu staat ie daar, Maar ze zullen me deze keer niet ontsnappen."
Hij wilde vlug er heen loopen, maar de inspecteur hield hem terug en zei: "Niet zoo haastig m'nheer Vliegenthert ... dat is niet noodig. Als dat uw aeroplaan is, dan hèbben we de dieven. Die komen niet meer weg. Dat begrijpt u zelf wel. De voorzitter houdt nu 'n toespraak. Daar moeten ze naar luisteren en dàn moeten ze nog op de prijs wachten ... Nee, nee ... haast u je maar niet. We hebben ze hoor. Kalm aan maar. ... Ik wist van den diefstal. We hebben er op 't politiebureau bericht van gekregen. Maar we konden natuurlijk niet veronderstellen, dat deze aeroplaan de gestolene was. Ze hebben 't ding gewoon opgegeven als 't eigendom van m'nheer Vliegenthert uit Den Haag. Kijk u maar hier staat 't op de vlieglijst. Er kunnen meer Vliegentherts zijn hè? Wie denkt er nu aan dat 'n dief zóó brutaal kan wezen om maar heel gewoon den werkelijken eigenaar op te geven, en dan nog wel met zoo'n gestolen vlieger aan 'n wedstrijd te gaan deelnemen. 't Is eigenlijk 'n beetje ongeloofelijk. Vind u zelf óók niet? Maar gaat u mee, dan kunnen we zelf zien wat er van de zaak aan is ... En houen jullie die menschen daar 'n beetje in bedwang. Ze klimmen zoo dadelijk allemaal over de draad."
"Stumper," zei de kleermaker nog eens, toen m'nheer Vliegenthert met den inspecteur meeging. "Totaal in de war. Die wordt nooit meer goed." En de menschen op de tweede rang op hun plaatsen teruggedrongen door de dienders, rekten hunne halzen om te zien hoe 't afliep.
Intusschen had de voorzitter van 't vliegcommité z'n aanspraak geëindigd. Hij had natuurlijk Jan Drie 'n held genoemd, dat is zoo 't gebruik bij die gelegenheden en tot slot had de voorzitter geroepen: Leve m'nheer Vliegenthert uit Den Haag! Hoera!! Toen hadden ze allemaal ook hoera geroepen en Jan en Dolf de hand gedrukt en daarna had Dolf heel leuk gevraagd of de heeren hen maar niet dadelijk de prijs konden uitkeeren, want ze moesten noodig naar huis.
De voorzitter had eens gelachen en gezegd dat 't niet ging en toen had Dolf weer geantwoord, dat 't hem erg speet, maar dat de heeren dan die duizend gulden maar moesten zenden aan m'nheer Vliegenthert in Den Haag. Hij en z'n vriend konden er niet op wachten.
De heeren en vooral de dames hadden allemaal gelachen en de vrouw van den voorzitter had Dolf aan z'n oor getrokken, wat nog al 'n moeielijk werk was, want z'n ooren zaten allebei nagenoeg heelemaal onder z'n muts en toen had ze gezegd: "Toe man, ik zou 't maar doen. Als die jongens nu toch weg moeten." De voorzitter had daarop den penningmeester eens aangekeken en deze had ook maar gelachen en gezegd dat 't wel 'n beetje mal was, maar dat hij er niets op tegen had als de overige heeren 't goed vonden. Bij dit gezegde hadden ze allemaal in de handen geklapt ten teeken van instemming. De penningmeester gaf aan Jan Drie met 'n plechtige buiging 'n mooie portefeuille waarop in gouden letters stond: Hardvliegerij Mainz-Koblentz. Jan Drie bedankte met 'n paar woorden, stak 't mooie dingetje in z'n zak en stapte vlug in z'n vlieger. Dolf klom met de lauwerkrans, die er natuurlijk ook bij hoorde, gauw achter z'n vriend aan. De voorzitter had nog juist tijd om op zij te springen. De motor snorde al. Al de dames en heeren stoven uit elkaar, net vroeg genoeg. Die vliegende Hollanders hielden van opschieten. Dolf zwaaide met de lauwerkrans tot afscheid en toen (ze wilden net allemaal weer hoeraaaa!! gaan roepen) kwam m'nheer Vliegenthert aanhollen en schreeuwde: "Houdt den dief!!"
Alle dames en heeren keken m'nheer Vliegenthert verbaasd aan en deze stond daar als 'n steenen beeld, z'n armen in de lucht, naar adem snakkend en met oogen als biljardballen.
"Wat is dat voor 'n man?" vroeg de voorzitter aan den inspecteur die vlak achter m'nheer Vliegenthert aankwam.
"M'nheer de voorzitter, dit is m'nheer Vliegenthert, die z'n gestolen aeroplaan staat na te kijken."
"Gestolen ... aeroplaan?" zei de voorzitter verbaasd. En nu keken ze allemaal in de lucht, waar, heel ver weg al, Jan Drie en Dolf heensuisden op weg naar huis.
De inspecteur legde nu alles uit en de voorzitter zei nijdig tegen z'n vrouw: "jij ook met je malligheid ... Als we de prijs niet uitgekeerd hadden, waren ze zeker nog hier, die twee gauwdieven. Geen wonder dat ze spoedig weg wilden. 't Zijn 'n paar doortrapte schurken."
"M'n aeroplaan! m'n aeroplaan!" jammerde m'nheer Vliegenthert. "Geef me mijn aeroplaan terug!"
De inspecteur nam m'nheer Vliegenthert onder de arm en zei: "M'nheer deze keer hebben we hen tòch ... Die aeroplaan van u is natuurlijk nu niet te achterhalen ... Die vliegt te snel. Maar die twee diefjes zijn gefotografeerd. Vanavond heeft ieder politiebureau hun telegrafisch portret. M'nheer de voorzitter hoe laat komt de fotograaf met z'n kiek?"
"Die had er al moeten zijn."
"Dan zullen we nog even wachten. M'nheer Vliegenthert gaat u zoolang in de tent van de jurie zitten. U is zenuwachtig. 'n Beetje rust zal u goeddoen."
Toen de fotograaf verscheen vlogen ze allemaal op den man toe en ze rukten hem de foto's bijna uit z'n handen. De kiekenmaker begreep er niemendal van. Ook m'nheer Vliegenthert had 'n foto te pakken gekregen.
"Wat drommel," mompelde de inspecteur "dàt is sterk." De foto was prachtig. Alle aviateurs waren duidelijk te herkennen. Maar de aeroplaan van m'nheer Vliegenthert, de beroemde no. 5 was leeg.
"M'nheer," zei de inspecteur tegen den fotograaf. "Waar zijn die twee jongens uit no. 5 gebleven?"
"De twee jongens uit no. 5? Dat weet ik niet inspecteur. Ze zaten in de vlieger toen ik m'n toestel richtte. Ik heb hen nog duidelijk gezien. Waarschijnlijk hebben ze zich toevallig juist diep voorovergebogen, toen ik de opname maakte."
"Toevallig!" riep m'nheer Vliegenthert ... "O, die doortrapte schurken ... Nu is m'n aeroplaan voor goed weg!"
"En de duizend gulden ook," zei de penningmeester. "'t Zijn 'n paar gewiekste rakkers hoor."
De inspecteur deed wat ie kon. Hij zond de snelste vliegers uit, ofschoon hij niet de minste hoop koesterde omtrent de uitslag. Hij vergat echter gelukkig één ding: Hij telefoneerde niet naar Den Haag.
't Kwam niet in z'n hoofd op, dat die twee jeugdige boosdoeners, waarvoor iedereen hen natuurlijk wel moest houden, op weg zouden kunnen zijn naar die stad. En zoo kwam het, dat Jan Drie en Dolf boven Den Haag aankwamen en ongemerkt konden neerdalen op m'nheer Vliegentherts dak. 't Was al donker en gelukkig 't slechtste weer van de wereld. 't Regende geweldig. Net weer om stilletjes thuis te blijven. Er was dan ook geen sterveling in de lucht, uitgenomen natuurlijk de Haagsche luchtwachters, die toch geen steek zien konden in dat gordijn van neerplassende waterstralen. Het geluk diende hen. De hangar van m'nheer Vliegenthert stond wijd open. Ze zetten vlug de gestolen aeroplaan op z'n gewone plaats. Jan Drie porde Dolf aanhoudend tot spoed aan, want nu hij bijna in veiligheid was, voelde hij veel meer onrust dan ooit te voren. Jan Drie was bijna angstig. Verbeeld je ook, dat nú inspecteur Punt of brigadier Kwadraat eens plotseling op 't dak verschenen ...
"Kom dan toch mee!" fluisterde hij.
Maar die rare Dolf zat heel kalm in de monoplaan, bij 't licht van 'n klein electrisch zaklantaarntje met z'n vulpen iets op 'n blaadje papier te peuteren.
"Ga maar vast naar beneden" zei hij. "Ik kom dadelijk."
Maar daar wilde Jan niet van hooren. Samen uit, samen thuis, was voor hem 't wachtwoord. En dus wachtte hij bij de deur, om 't hoekje loerend of er ook soms onraad was.
Dolf scheen eindelijk klaar te zijn. Hij morrelde nog wat aan de aeroplaan. Van te voren had hij de mooie portefeuille met de duizend gulden al van Jan gekregen. Die moest ie nog in de vlieger leggen zei hij. Doch eindelijk kwam hij tot onuitsprekelijke verlichting van Jan Drie te voorschijn en samen sloten ze zacht de hangar, slopen over 't dak, gingen in de lift en bereikten Jan's kamer, zonder dat iemand er iets van gemerkt had.
Met 'n zucht viel Jan in 'n gemakkelijke stoel. Maar Dolf begon dadelijk z'n natte vliegjas uit te gooien en zei: "Ik ga naar bed."
"Ga maar op 't mijne liggen," zei Jan.
"En jij."
"O ik ga maar hiernaast op m'n broer z'n bed."
"Best," zei Dolf. "Saluut."
Binnen vijf minuten sliep Dolf en toen ging Jan naar de kamer van z'n broer.
LAATSTE HOOFDSTUK.
Waarin alles op z'n pootjes terecht komt.
M'nheer Vliegenthert was zeer terneergeslagen van 't vliegterrein naar 't station gewandeld. Hij was zóó verbouwereerd, dat ie er niet aan gedacht had 'n luchtaapje te nemen of gebruik te maken van de vliegende omnibus, die op dagen als deze 'n extra dienst naar en van 't station had ingericht voor de vreemdelingen. En geen mensch had zich iets meer van hem aangetrokken behalve de verslaggevers der dagbladen, die hem als hun buit beschouwden, en allemaal trachtten hem de geschiedenis van aeroplaan-diefstal te ontwringen. Die heeren liepen met hem mee, stelden hem allerlei vragen, hoe dit gegaan was en hoe dat gekomen was en dan wilden ze 't antwoord op 'n bloknoot schrijven, die ze allemaal in hun hand hielden. Maar m'nheer Vliegenthert was niet geluimd om nieuwslustigen te woord te staan en 't eenige antwoord, dat ze van hem loskregen was, dat ze met hun allen naar de drommel konden loopen. Dat was 'n schrale oogst bij zoo'n buitengewone gelegenheid. Want dit was nu toch wel de zonderlingste diefstal, die je je maar bedenken kon en dat mòèst breedvoerig in de krant. Bij 't station dropen de heeren af en lieten m'nheer Vliegenthert aan z'n lot over. Hij ging stil in 'n hoekje zitten wachten op de expres voor Den Haag, zonder aan eten of drinken te denken en toen eindelijk 't bestuurbare luchtschip er was en m'nheer Vliegenthert instapte, keek de conducteur hem meewarig aan, hielp hem alsof 't zijn eigen grootvader was en dacht intusschen: "Nou die maakt 't ook niet lang meer. Die dee beter, als ie naar bed ging inplaats van naar Den Haag te reizen. Als 't 'n beetje wil gaat ie onder weg dood." Maar zoo erg was 't nu niet.
Hij bereikte 's avonds laat de stad van 't Vredespaleis, zoo gezond als 'n visch maar zonder dat z'n stemming 'n haar verbeterd was. Hij zag er allertreurigst uit, precies of hij die dag z'n heele familie en al z'n vrienden en kennissen begraven had.
En zoo trof hem inspecteur Punt op 't platform van 't Haagsche luchtstation, waar deze gestrenge chef stond te kijken of z'n ondergeschikten, die daar in de buurt dienst hadden, wel hun plicht deden. Inspecteur Punt, die behalve zeer gestreng ook nog uitermate goedhartig was, kreeg onmiddellijk 't diepste medelijden met den verslagen m'nheer Vliegenthert en bood zonder er lang over te denken aan, hem in z'n vlieger naar huis te brengen. M'nheer Vliegenthert stribbelde niet tegen. Hij liet zich leiden als 'n klein kind en de inspecteur ging gearmd met hem naar de vlieger.
Indien Dolf z'n oom zóó had kunnen zien, loopend als 'n zieke man, zou deze ongevoelige jongeheer misschien nog tot inkeer zijn gekomen. De menschen op 't platform, die haastig voorbij liepen keken bijna allemaal eventjes naar 't vreemde paar en diegenen die m'nheer Vliegenthert kenden schrokken er 'n beetje van, zóó naar zag hij er uit.
't Regende gelukkig niet zoo heel hard meer, en zoo kwamen ze zonder erg druipende kleeren na 'n kort poosje vliegen op 't dak aan vlak voor de hangar, waar de gestolen aeroplaan op z'n eigenaar stond te wachten.
Inspecteur Punt hielp m'nheer Vliegenthert bij 't uitstappen en aangezien hij z'n werk van barmhartigheid niet ten halve wilde doen, besloot hij nog 'n oogenblikje met den armen man mee naar beneden te gaan om hem te troosten. Ook wilde hij nauwkeurig alles weten omtrent de gebeurtenissen van die dag. Want m'nheer Vliegenthert had hem met 'n paar woorden meegedeeld, dat hij z'n aeroplaan zeker terug gekregen had, als hij maar harder had kunnen loopen.
"Maar" zei de inspecteur, "waarom liep u dan niet harder? Voor zoo'n enkele keer is 't toch dunkt me niet zoo moeilijk. U had moeten bedenken, dat u de dieven had kunnen snappen."
"U hebt goed praten," zuchtte m'nheer Vliegenthert allerdroevigst. "Ik kon niet, 't was me onmogelijk."
"Waarom dan toch niet?"
"Ze hielden me vast."
"Hielden ze u vast?"
"Ja ... drie politieagenten hadden me stevig beet ... ze wouen me niet gelooven."
"O!"
"En toen kwam er 'n inspecteur en die geloofde me wel. Toen had 't nog gekund ... Maar die zei, dat de dieven toch niet meer ontsnappen konden en toen ontsnapten ze natuurlijk wèl ... Net toen ik er bij kwam gingen ze er van door met de aeroplaan, duizend gulden en 'n lauwerkrans."
"Maar u hebt hen toch gezien?"
"Ja natuurlijk ... 't Waren 'n paar apen van jongens ... maar glad!!! Ze stonden niet eens op de fotografie, waar iedereen opstond."
"Merkwaardig ... merkwaardig ... zoo zoo ... twee jongens ... hm ..."
De inspecteur vroeg nu aan m'nheer Vliegenthert de sleutels van z'n hangar, want hij was niet gewoon z'n aeroplaan in weer en wind te laten staan en bovendien zonder bewaking. M'nheer Vliegenthert stond daar vlak bij hem als 'n levende waarschuwing. In 'n stad waar zulke doortrapte, zulke aartsslimme, zulke door en door in de wol geverfde schobbejakken als die twee jongens, nog pas kort geleden hun slag geslagen hadden, daar kon je niet te voorzichtig zijn.
Toen hij de sleutel had, opende hij de hangar en m'nheer Vliegenthert, die zwijgend den inspecteur op de voet gevolgd was, draaide uit gewoonte 't electrisch licht op.
't Zou eenvoudig onmogelijk zijn de grenzelooze verbazing te beschrijven, die zich plotseling meester maakte zoowel van den onvermoeiden inspecteur Punt als van den afgetobden m'nheer Vliegenthert, toen ze zoo onverwacht voor zich zagen de gestolen aeroplaan met 'n prachtige lauwerkrans om 't bovenste blad van de propeller. Ze waren totaal verstomd en m'nheer Vliegenthert stond bovendien te beven op z'n beenen en z'n hart klopte met angstaanjagende hevigheid. Inspecteur Punt, die nooit bibberde en nooit hartklopping had, omdat zooiets niet in zijn vak te pas kwam, was 't gauwste weer normaal. Hij trad op de aeroplaan toe, betastte de krans, alsof hij zich wilde overtuigen, dat ie niet droomde en ontdekte daardoor de portefeuille door Jan Drie gewonnen en door Dolf met 'n touwtje aan de krans gebonden. Met de vrijmoedigheid, die ook al bij 't vak hoorde, opende hij de portefeuille, onderzocht deze nauwkeurig, riep eenige keeren: Ah! en O! en gaf toen 't briefje, dat Dolf geschreven had, aan m'nheer Vliegenthert. Geschreven was 't eigenlijk niet, maar geteekend met louter scheeve en kromme drukletters, want Dolf had z'n eigen handschrift maar liever niet gebruikt om ontdekking te voorkomen en 't luidde als volgt:
Den Heer Vliegenthert.
De winner van de internationale hardvliegerij te Mainz, zekere N. N. en diens passagier óók genaamd N. N., hebben 't genoegen u hierbij aan te bieden de beroemde monoplaan, waarmee deze wedstrijd werd gewonnen, de eerste prijs groot duizend gulden met portefeuille benevens de bijbehoorende lauwerkrans. Tevens vragen zij u vergiffenis voor de last en 't verdriet, dat ze u onwillens hebben aangedaan.
Leve de Aeroplaan van m'nheer Vliegenthert, de snelste vlieger der wereld!
Hoogachtend, de twee N. N.'s
"Hoe vind u zulke dieven?" vroeg inspecteur Punt lachend.
Maar m'nheer Vliegenthert was nog altijd zenuwachtig. Die had tranen in de oogen en hij antwoordde met nadruk:
"Dat waren géén dieven, inspecteur!"
"Geen dieven? Wie z'n handen uitsteekt naar 'n ander z'n eigendom, m'nheer Vliegenthert, die is volgens mijn opinie 'n dief."
"M'nheer de inspecteur," riep m'nheer Vliegenthert met vuur, "heb u wel eens gehoord van dieven, die 't gestolene terug brengen mèt duizend gulden en mèt 'n lauwerkrans?"
"'t Is wel 'n beetje vreemd" gaf de inspecteur toe ... "'t Zijn in ieder geval 'n paar rare. Ik heb nog nooit zoo iets bij de hand gehad. 't Is bepaald 'n nieuw soort. Ik gaf er wat voor, als ik wist wie die twee waren."
"Ik ook," zei m'nheer Vliegenthert.
"Dan zullen we maar dadelijk beginnen."
"Beginnen? ... Beginnen?" zei m'nheer Vliegenthert eenigszins verbaasd. "U wou toch niet wéér met opsporen beginnen?"
"Dat wou ik wel, m'nheer Vliegenthert ... En ditmaal zullen we Spits niet aan de verkeerde jas laten ruiken."
"Ja maar, is dat nu wel zoo noodig? Met die hond moeten misdadigers opgespoord worden, dieven en dat soort gespuis. En deze N. N.'s zijn geen dieven."
"Neen geen dieven, maar 'n paar jongens, die 'n beetje schrik hard noodig hebben, geloof ik, m'nheer Vliegenthert.
"U vermoedt dus wie 't zijn?"
"Ik geloof dat ik er alles van begrijp. Laat u mij maar eens begaan. Ik mag zeker wel even telefoneeren?"
"Zou u daar maar niet liever mee wachten tot morgen? Zoo'n haast is er toch niet bij?"
"Morgen zou de aardigheid er af zijn, m'nheer Vliegenthert. En bovendien ik ben niet gewoon ergens gras over te laten groeien."
"Nou gaat u je gang. Maar ik wou liever naar bed."
"'t Zal zoo lang niet ophouden m'nheer. De dieven zijn niet ver weg."
"Praat u nou asjeblieft niet meer van dieven, inspecteur. Dat vind ik niet zoo als 't behoort."
De inspecteur liet m'nheer Vliegenthert maar praten. Hij stond al aan de telefoon:
"Hallo! ... Is brigadier Kwadraat daar? ... Niet, wie dan? ... De Streep? ... ook goed. Dadelijk op 't dak bij Vliegenthert komen met Spits ... Maar gauw hoor.
"Zie zoo m'nheer, laten we nu naar beneden gaan tot Spits er is ... M'n eigen vlieger moet maar zoolang blijven staan. Er is niets aan te doen. 't Zal bovendien niet lang duren."
Dat had inspecteur Punt bij 't rechte eind. Hij was nog nauwelijks met m'nheer Vliegenthert beneden of er werd reeds gescheld.
"Daar zijn ze al," zei de inspecteur. "Blijf u maar rustig hier zitten."
"Dat kan u begrijpen. Ik ga naar bed."
"Dat zou ik niet doen, als ik u was. Indien m'n vermoeden juist blijkt, en dat zal 't wel, dan ben ik gauw genoeg weer hier."
"U maakt me nieuwsgierig. Wie denkt u dat 't zijn?"
"'n Oogenblikje geduld nog m'nheer ... Ik denk, dat u er pleizier van hebben zal. 't Zijn heel goede kennissen."
"Goede kennissen? ... Nee hoor, ik ga niet naar bed. Maar maak u dan asjeblieft 'n beetje haast."
De inspecteur ging in de lift en m'nheer Vliegenthert ging weer zitten, veel te nieuwsgierig om aan slapen te denken. Hij was wel moe, maar hij had zoo'n vroolijk gevoel nu hij z'n mooie monoplaan terug had, die nog wel 'n eerste prijs gewonnen had, en dan ... Wie mochten dat toch wel zijn?
De Streep stond met Spits naast de vlieger op 't dak.
"Kom eens gauw mee," zei de inspecteur. "Kijk, hier hebben we de gestolen aeroplaan."
"Allemachtig da's waar ook," zei de Streep.
"Wat zet jij voor 'n gezicht? Is dat zoo vreemd dat die aeroplaan terecht is?"
"Nee, inspecteur ... maar ik-e heb 'm thuis zien komen van avond ... en toen ..."
"Nou en toen?"
"Toen dacht ik er niet aan, die ie gestolen was."
"Wel nou nog mooier Streep, wat ben jij voor 'n politieman ... Je had onmiddellijk die twee jongens kunnen arresteeren ... dan had je vijfhonderd gulden verdiend man."
"'t Spijt me ... inspecteur ... vooral om die vijfhonderd gulden ... maar wie denkt er nou aan dieven, als ze 't gestolene terugbrengen?"
"En nog wel met duizend gulden er bij ... Ja, Streepje er zijn rare dieven in de wereld tegenwoordig. Maar geef Spits nu eens lucht aan die krans. Die hebben ze zeker in hun handen gehad! Zoo ... juist."
"Zoek!" beval inspecteur Punt en Spits ging regelrecht 't dak over naar de lift waarmee Jan Drie en z'n vrind Dolf naar beneden gegaan waren. Daar bleef Spits staan snuffelen en krabben, als of hij zeggen wou: "Hier moeten we in."
"Precies zooals ik dacht," mompelde de inspecteur. "Zulke rakkers ... vooral die Dolf."
Hij begon nu vreeselijk te schellen, alsof er in tien huizen brand was, maar 't duurde 'n heele poos eer er antwoord kwam en dat had inspecteur Punt nog te danken aan de omstandigheid, dat Dolf z'n kamerdeur niet gesloten had. Deze jongen hoorde 't schelletje eindelijk. Toen er niemand kwam en 't schellen aanhield stond Dolf op en ging naar de telefoon, want in 2010 hoefde je niet telkens met de lift naar boven als er gescheld werd.
"Wie is daar?" vroeg hij.
Inspecteur Punt stond al met z'n oor aan de telefoon naast de deur, en zoodra hij de stem vernam dacht hij: "De rechte hoor. 't Is Dolf," en hij zei tamelijk barsch:
"Spreek ik met Dolf Brandsma?"
"Wat blieft u?"
"Doe onmiddellijk open. Ik ben inspecteur Punt."
"Heb je ooit," dacht Dolf. "Nou zijn we toch gesnapt. Enfin, ik zal maar naar boven gaan en ... niks aan Jan zeggen."
"Ik kom dadelijk inspecteur," riep Dolf terug. "Ik moet me eventjes kleeden. 'n Oogenblikje maar."
Toen hij zich aangekleed had ging hij stilletjes in de lift, zonder Jan Drie te waarschuwen en boven gekomen pakte Spits hem onmiddelijk bij z'n broek.
Dolf wist heel goed, dat ie nu die hond z'n gang maar moest laten gaan. Hij trok dus z'n been maar niet terug. Dan was z'n broek gescheurd en had Spits waarschijnlijk harder toegebeten. Nu voelde hij er niet veel van.
"Los," beval inspecteur Punt en daarna zei hij tegen Dolf: "Gesnapt."
"Watblief?" vroeg Dolf met 'n onschuldig gezicht.
"Gesnapt!!! Hoor je dat niet Dolf?"
"Jawel inspecteur ... ik hoor 't heel goed, maar kan u er niet mee wachten tot morgenochtend? Ik heb nog zoo'n slaap."
"Nee jongen, je moet dadelijk mee. Er wordt op je gewacht. Op jou en je vriend Jan Drie."
"Och, laat u Jan Drie maar in z'n bed, die is doodmoe. Ik zal wel alleen meegaan. Ik kan 't net zoo goed vertellen als hij. Moet ik in de gevangenis?"
"Dat zal je wel hooren jongen."
"Maar de aeroplaan is alweer thuis inspecteur, weet u dat wel?"
"We weten alles en oom Dokie is ook al weer thuis. Die wacht óók op je."
"Fijn," zei Dolf. "Nou vooruit dan maar. Als 't moet, dan moet 't. Maar Jan ga ik niet roepen."
"Nou, dan zullen we die maar voorloopig laten rusten," zei de inspecteur, die zich omkeerde, want hij moest er om lachen, dat Dolf zoo voor z'n vriend opkwam. Dolf ging mee 't dak over, naast den inspecteur en met Spits vlak achter zich. De Streep stond zwijgend bij de vlieger. Maar 't speet hem, dat hij dien jongen maar niet gearresteerd had. Hij meende, dat inspecteur Punt nu de vijfhonderd gulden zou krijgen.