De aeroplaan van m'nheer Vliegenthert
Part 11
"D'r is nou niks meer aan te doen Jan... Laten we maar gauw naar beneden gaan... Daar vooruit zijn lichten... Of houdt ie 't uit?"
"Geen kwestie van... Ik ga naar beneden..."
Ze daalden. De lichten werden duidelijker. Ze konden gebouwen onderscheiden... Ze zagen luchtwachters... Er daalde 'n trein en 'n andere vertrok... Toen nog een... Er vlogen aeroplaans...
"Mainz!" las Dolf. 't Waren lichtletters boven 'n luchtstation.
"Kijk eens uit naar 'n reparateur," zei Jan. "Of naar 'n magazijn van vliegartiekelen."
"'k Ben al bezig... Links moet je... kijk daar voor ons... Hier vlak bij: Aeroplaanhersteller."
"Nou, we moeten 't maar wagen. Daar gaat ie..."
"Zoo'n late klant krijgt ie ook niet dikwijls..." zei Dolf. "Ik zie geen sterveling."
"Schel maar even," zei Jan, toen de vlieger op 't dak stond... "Dan komt er wel iemand."
Dolf schelde en 'n oogenblik later kwam de baas zelf op 't dak. De man was heel vriendelijk, maar hij kon hen niet helpen. D'r was geen enkele knecht en zelf deed hij 't ook liever niet. Hij had geen lust z'n werkpak te gaan aantrekken zoo laat op de avond...
"Ja maar", zei Jan... "we moeten onmiddelijk weer weg. We hebben geen tijd om tot morgen te wachten... En 't is waarschijnlijk maar 'n kleine reparatie... 'n nieuw veertje of zooiets."
"U komt nog vroeg genoeg," lachte de man... "De wedstrijd begint pas om elf uur... D'r zijn heel wat aeroplaans aangekomen vandaag, die allemaal meedoen... Maar ik heb er nog geen een gezien als deze... Sjonge, sjonge... 't is 'n prachtvlieger... Jullie wint zeker."
"Goed weer gehad hier in de buurt?" vroeg Dolf opeens.
"Goed weer?" zei de man verbaasd... "Wel jongeheer, we weten hier niet eens meer hoe slecht weer er uit ziet... Geen wolkje gezien in de laatste drie weken... En 't blijft zoo de eerste tijd... Zonder wolken... zonder wind... Je zult eens zien wat 'n prachtig vliegweer we morgen hebben... En de fijnste aeroplaantjes zijn ingeschreven voor de groote internationale hardvliegerij."
"We zijn nog niet ingeschreven," zei Dolf.
"Vroeg genoeg... vroeg genoeg..." antwoordde de man. "De inschrijving blijft open tot tien uur. Om elf uur begint 't pas."
"Dus," vroeg Jan... "U kan ons niet helpen op 't oogenblik?"
"Nee dat gaat niet... D'r is 'n tijd van werken en 'n tijd van rusten... Maar morgen vroeg ben u de eerste... 't Zou zonde zijn als dit vliegertje niet mee kon doen... 't Is 'n juweeltje... en 't wint... bepaald wint 't... Ik durf er op wedden... 'k Ga natuurlijk ook kijken..."
"Nou m'nheer" zei Dolf... "dan komen we morgen vroeg terug... De monoplaan kan zeker wel hier blijven hè?"
"Wel zeker, wel zeker... breng 'm maar in de werkplaats... Zoo... Hier op aan... Goed zoo... Om vijf uur kan u alweer terecht. Maar da's veel te vroeg... ik zou eerst maar goed uitslapen."
Hij bracht de jongens naar beneden en toen ze alleen buiten in de leege straat liepen zei Jan Drie:
"Maar Dolf... wat is dat nou... we kunnen toch morgen over dag niet weg?"
"Wel... Jan, ik zal je eens wat vertellen... we doen morgen mee aan die hardvliegerij."
"Ben jij heelemaal..."
"Nee... nog niet Jantje.... M'n bovenkamer is nog in orde...."
"Daar komt niemendal van!!"... stoof Jan op.
"Luister nou es Jan... en maak je niet kwaad.... Geen mensch weet hier van de gestolen aeroplaan af, dat verzeker ik je. Ze hebben in geen drie weken 'n wolkje gehad en dus ook geen advertentie..."
"Zoo... maar 't zal toch wel in de kranten gestaan hebben...."
"Wat zou dat dan nog... Weet jij iemand die tegenwoordig nog van dat soort berichten leest?... De meeste kranten nemen ze niet eens meer op.... Enfin daar kunnen we gauw genoeg achter komen.... We gaan in 't eerste hotel 't beste overnachten. Dan maken we een praatje met den bediende en dan weten we in 'n wip wat we weten willen."
"Nou ja, maar wat heeft dat nou met die hardvliegerij te maken?...
"O 'n heele boel.... Heb je dat biljet niet gelezen, dat aangeplakt was op de hangar van den reparateur... Niet?... Nou ik wel. Vliegen van Mainz naar Koblentz en terug, driehonderdnegentig kilometers, keerpunt boven de Moezel. Drie ronden.... In hoeveel tijd denk je, dat je 't met oom Dokie z'n aeroplaan zou klaar spelen?"
"Drie-honderd-negentig kilometer?... Wel in 'n paar uur denk ik... zeker niet meer.... Als 't er op aankomt zie ik kans met die aeroplaan de heele rommel voorbij te vliegen."...
"Ja maar d'r komen eerste klas aviateurs."...
"Pf... 't zou wat."
"Dus je zou winnen?"
"Natuurlijk."
"Prachtig... dus je wint die duizend gulden...."
"Ik???"
"Wie anders.... Als jij 't eerste aankomt, zijn ze toch voor jou?"
"Maar 'k vlieg niet mee... Hoe kom je nou toch zoo mal.... We moeten zoo gauw mogelijk naar huis.... Je weet wat m'nheer Przlwitz gezegd heeft: geen avonturen."
"Ja maar je vergeet één ding... wie vergoedt oom Dokie z'n onkosten?"
"Oom Dokie z'n onkosten?"
"Ja z'n on-kos-ten. Hij moet toch die politie betalen, en de advertentie op de wolken... en z'n reis naar Nordhausen... en...."
"Daar... heb ik nog heel niet aan gedacht...."
"Dat weet ik wel... maar jij ben toch maar verplicht die te vergoeden... en ik natuurlijk ook... spreekt vanzelf... 'k heb ook meegedaan.... Maar jij ben toch de oorzaak van alles...."
"Ik vergoeden?" riep Jan Drie stilstaand midden in de straat.... "Hoeveel zou dat wel zijn?"...
"Nou... dat zal wel aardig op de duizend gulden aanloopen... Al z'n onkosten zie je.... Da's net vijfhonderd gulden de man.... Ik sta je in ieder geval half.... Dat heb ik nou eenmaal gezegd... en 'n man 'n man, 'n woord 'n woord.... Ben jij goed bij kas?... Dan krijgt ie tenminste alvast de helft. Mijn vijfhonderd gulden krijgt ie in geen vijfhonderd jaar, as ik ze betalen moet.... Vader zou me aan zien komen...."
"En de mijne...."
"As wij nou die duizend gulden wonnen...."
"Och dat kan toch niet... Hoe kunnen wij nou deelnemen aan 'n hardvliegerij op klaar lichte dag met 'n gestolen aeroplaan".
"Wil jij vliegen... als ik voor de rest zorg?"
Jan Drie zuchtte eens diep. 't Was zoo verleidelijk. Hij diende toch die onkosten te vergoeden.... En dan die race.... Dat was ook om van te watertanden.... Al die vliegers achter je te laten, wie weet wat voor beroemde hardvliegers.... Eerste aankomen....
"D'r is toch geen enkele bekende hier"... begon Dolf weer. "Tenminste inspecteur Punt niet en brigadier Kwadraat niet en oom Dokie niet... En als er eens 'n andere bekende was... hindert 't niemendal ... We trekken onze mutsen over de ooren ... vliegbrillen op ... kraag omhoog ... Wie doet je wat?"
"Ik doe 't," zei Jan Drie ... "En ik win."
"Natuurlijk," zei Dolf ... "je wint. Als je niet wint kan je wel thuisblijven. Laten we nu maar 't hotel binnengaan."--
Dat deden ze en ze gingen maar gauw naar bed. Dolf had echter eerst eens geinformeerd bij den portier over vliegers en zoo, en of hij ook iets wist van 'n aeroplaandiefstal. Nee, de man wist niemendal.
"Zie je nou wel," zei hij tegen Jan Drie, "ze weten er hier nog niets van. Hè wat snorkt er daar een."
"Dat is vlak hier naast," zei Jan. "Ook lollig om dat de heele nacht in je buurt te hebben. Vervelend geluid hè?"
"'k Hoor ook liever muziek. Maar 't zal me niet lang wakker houden. 'k Heb zoo'n slaap."
"Ik ook. Maar 'k wou toch dat ie ophield met z'n plankenzagerij. Wel te rusten."
"Goeie nacht. Zes uur op hé? Wie zou dat toch zijn, die snorkbaas?"
"'t Kan me geen steek schelen."
Als ze geweten hadden, wie daar lag te snorken, zou Jan Drie waarschijnlijk niet met zooveel onverschilligheid gezegd hebben dat 't 'm niet schelen kon en niet gerust ingeslapen zijn. Want die plankenzager was m'nheer Vliegenthert.
Hij had in de locaalluchttrein gehoord van de hardvliegerij ... en toen was hij maar met de eerste gelegenheid de beste van Frankfort naar Mainz gevlogen. 't Was hem toch 't zelfde waar hij de avond doorbracht en als hij er niet zoo tegen op gezien had om nog langer tusschen de menschen in 'n trein te zitten, zou hij zeker regelrecht naar Den Haag zijn gereisd. Hij had er genoeg van. 'n Uur of wat in 'n buurttreintje te zitten had hem alle lust benomen om die dag nog de lange reis naar Den Haag te ondernemen. 't Toeval had hem nu te slapen gelegd vlak naast de dieven van z'n aeroplaan. En 't was maar goed, dat m'nheer Vliegenthert al evenmin vermoeden kon, wie er vlak naast hem sliepen. Want z'n humeur was zoo verbazend slecht en z'n verdriet over 't gemis van z'n monoplaan zoo hevig, dat hij zeker de twee jongens onmiddellijk aan de politie zou hebben overgeleverd, als hij hen in 't bezit van zijn aeroplaan had aangetroffen. M'nheer Vliegenthert was in 'n toestand, waarin hij zelf z'n geliefde neefje Dolf met 't grootste plezier achter de tralies zou geholpen hebben.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Waarin Jan Drie onder de naam N. N. de eerste prijs wint op de internationale hardvliegerij en m'nheer Vliegenthert z'n aeroplaan wel terug ziet maar niet terug krijgt.
Er heerschte 'n gezellige drukte op het terrein, waar de hardvliegerij zou plaats hebben. Vooral aan de kant waar de menschen voor niemendal konden kijken, was 't al lang voor elf uur stampvol. Maar ook de duurdere rangen en de tribunes waren dicht bezet. Op het middenterrein stonden de mededingende vliegers op 'n rij. Er waren er vijf en twintig ingeschreven en de kenners liepen er omheen en bewonderden of keurden af, zooals in vroeger dagen dat ook geschiedde op de paardenwedrennen. Wat waren die toch uit de mode geraakt al vele jaren geleden. Wie wou in 2010 nog 'n paard zien rennen? De vlieger was het ding geworden om mee te racen! En geen mensch kreeg 't nog ooit in z'n hoofd om zoo'n arme viervoeter met 'n bonte jockey op z'n rug te laten loopen als 'n hazewindhond, tot de stakker aan 't einde van de baan stond te trillen op z'n beenen en z'n neusgaten van benauwdheid zoo wijd openstonden, dat de kleine jockey er bijna wel in kon kruipen. De paarden hadden afgedaan als sportbeest, als rijbeest, als trekbeest en als beest om op te slaan. Ze hoefden geen steenen meer te sjouwen, geen kanonnen meer te trekken, niet meer met stijve knieën voor aapjes te draven. Er waren nog wel paarden, maar dat waren prachtexemplaren, die de menschen er op na hielden omdat ze zoo mooi waren. Doch die liepen zonder blinkend tuig in 'n paardenkamp, zooals nu de herten en reeën in 'n hertenkamp. Alles wat mooi was behielden de menschen, maar 't leelijke hadden ze weggedaan. Dus geen ouwe knollen met uit stekende heupbotten, kromme knieën en aan weerskanten 'n rijtje scherpe ribben.
Al 't werk, dat vroeger 't paard deed werd in 2010 gedaan door de motor. Zelfs 't fijne werk was hen ontnomen. Ze hoefden niet meer rond te stappen met 'n mooi tuig op hun glanzige rug voor 'n sierlijk dogcarretje, zooals dat voorheen bij 'n concours hippique plaats had ... "Concours hippique!" zeiden de menschen, "ajakkes hoe ouderwetsch." In 2010 was alleen 't concours aeroplanique in de mode, en zoo'n concours zou er ook plaats hebben terwijl de monoplaans, die aan de hardvliegerij meededen, onderweg, waren. Dan hoefden de menschen zich niet te vervelen.
Doch eerst moesten de vliegers, die dongen naar de prijs van duizend gulden voor de eerstaankomende, vijfhonderd gulden voor no. 2 en tweehonderdvijftig gulden voor no. 3, nog gekeurd worden en genommerd. 'n Man met 'n groote lijmpot plakte 'n reuzencijfer aan weerskanten op 't zijstuur van iedere mededinger. Dan konden de toeschouwers aanteekening houden van de stand der vliegerij.
De aeroplaan van m'nheer Vliegenthert had nummer 5. Dolf had de vlieger laten inschrijven zonder er bij te jokken. Hij had opgegeven: monoplaan van m'nheer Vliegenthert, Den Haag. En de secretaris van de hardvliegerijvereeniging had dat in z'n boek opgeschreven. Maar toen had ie nog aan Dolf gevraagd hoe de bestuurder heette en deze pientere H-B-Ser had doodleuk geantwoord: "O, zet u maar N. N." "En de passagier?" "Ook N. N." "Zoo, zoo," had de secretaris lachend gezegd, "vliegen de jongelui incognito?" en Dolf had ook maar eens gelachen. Hij vond dat de zaak uitstekend marcheerde.
Hij was daarop naar 't middenterrein terug gekeerd en bij Jan in de vlieger gaan zitten. 't Plakken was afgeloopen. Maar nu kwamen er 'n heele boel heeren bij de monoplaans staan en 'n fotograaf zette z'n toestel op. Er zou gekiekt worden. De man kroop onder z'n doek, draaide wat aan 'n schroef hier en 'n schroef daar, verstelde nog 'n poot en ging toen naast z'n kastje staan, nam de gummibal in de hand en keek nog even de rij vliegers langs, waarin de bestuurders en passagiers allen pal rechtop zaten om toch vooral maar duidelijk op de kiek te komen. Dolf hield den fotograaf scherp in de gaten. "Buk" fluisterde hij opeens en ze bogen zich allebei met 'n ruk voorover. Geen mensch had op die manoeuvre gelet. Ze hadden 't allemaal te druk met zichzelf.
De fotograaf liep op 'n drafje met z'n toestel weg. Hij had nog graag 's middags de foto klaar en de heeren van 't bestuur gingen ook uit de baan. De starter, de man die voor 't afgaan 't teeken moest geven, hief langzaam de rechterhand op met 't pistool er in. De motors snorden al ... Pang! ... En daar vlogen ze, als 'n troep kraaien die 'n schot van 'n jager hooren, de lucht in.
M'nheer Vliegenthert was natuurlijk weer te laat opgestaan. Hij meende dat hij den kellner gezegd had hem te wekken en deze beweerde, dat m'nheer er geen mond over had opengedaan. M'nheer Vliegenthert kwam net vroeg genoeg. Doch 'n tribuneplaats kon hij niet meer machtig worden. Eerste rang ook niet. Alles uitverkocht. Dan in 's hemels naam maar tweede rang. Ja, tweede rang hadden ze nog. En zoo kwam m'nheer Vliegenthert op de tweede rang te zitten op de derde rij--en hij zag de hardvliegers dus maar op 'n vrij groote afstand. Doch dat interesseerde m'nheer Vliegenthert niet zoo heel veel. Alleen speet 't hem dat hij 't concours aeroplanique nu niet zoo goed zien kon, als hij wel gewild had. Dat zag je natuurlijk van de tribune 't beste. Dat mooi vliegen, spiralen maken, stijgen en dalen, het neerkomen in "vol plané" d. w. z. omlaag zwevend met stilstaande motor, dat had m'nheer Vliegenthert graag van dichtbij gezien en nog liever had hij zelf er aan meegedaan, als hij z'n mooie monoplaantje niet kwijt geweest was. M'nheer Vliegenthert zuchtte diep. Beroerd was het, om van te huilen. Nou had je zoo'n prachtige monoplaan, waar je alles mee doen kon, gewoon alles. Zelfs met de vleugels slaan kon je net als 'n vogel. En nou was zoo'n gemeene dief er mee van door en hij zat op de tweede rang, inplaats van in de monoplaan. Als hij vanmiddag na afloop weer naar 't hotel terug ging mocht hij gebruik maken van zoo'n lorrig luchtaapje. Bah!
't Concours aeroplanique was ook al begonnen en m'nheer Vliegenthert keek er naar, leelijk uit z'n humeur. Hij kon nog minder zien, dan hij gedacht had. Hij had waarempel z'n kijker ook nog vergeten. En dan waren die menschen op de eerste rijen nog zoo onfatsoenlijk om telkens te gaan staan. Gemeen hoor!
'n Klein kleermakertje, dat naast hem zat en ook niet veel zag, mopperde: "Je mag hier 's morgens om zes uur wel zijn om vooraan te zitten .... Ja m'nheer, voor ons soort menschen van de tweede rang, schiet er nooit veel over. Maar die lui op de tribune, die zien alles." M'nheer Vliegenthert keek 't kleine ventje niet eens aan en gaf geen antwoord, maar hij dacht: "Loop naar de maan."
De menschen om hem heen praatten en lachten. Hij hoorde iemand voor zich tot z'n buurman zeggen: "Er moet er al een Koblentz gepasseerd zijn." Waarop de ander z'n horloge voor de dag haalde en zei: "Ben je mal, dat kan niet. Vijf-en-zestig kilometer in twintig minuten. Dat zou honderd-vijf-en-negentig kilometer in 't uur zijn." "Nou," zei de eerste weer, "'k hoorde 't daar net 'n bestuurslid aan iemand op de eerste rij vertellen. Ze hebben telefonisch bericht gehad." "Allemachtig," zei nummer twee, "da's nog nooit gehoord. Honderd-vijf-en-negentig kilometer in 't uur. 't Is sterk hoor. Maar ik zat er liever niet in. 't Is me wat àl te snel. Wat is 't er voor een?"
"'t Moet zoo'n nieuw systeem zijn, met slaande vleugels. Had ik maar zoo'n program. Ik zou wel eens willen weten wie er in zitten. Maar daar is geen aankomen aan. Alles uitverkocht."
't Moest echter toch waar zijn, want 'n goeie veertig minuten na 't schot verscheen er 'n aeroplaan in de lucht en kwam de kant op van 't vliegterrein. Alle halzen rekte zich, alle kijkers gingen omhoog. Geen mensch keek er meer naar de vliegers die op 't veld deelnamen aan 't concours. Dat was 'n wonder, 'n buitengewoon iets, in veertig minuten naar Koblentz en terug.
"Hij is 't," riep er een. "'k Zie de 5 op z'n staart."
"Hoeraaaa!!!" klonk 't aan de overkant en dat gejuich plantte zich over 't heele vliegterrein voort. Alle menschen waren woelig. Ze gingen staan of klommen op hun zitplaats. En m'nheer Vliegenthert zat er grommig tusschen in, zag niemendal en kreeg vreeselijk 't land aan den kleinen kleermaker, die waarschijnlijk ook niet veel zag maar niettemin 'n geweldig kabaal maakte met z'n mond, met z'n handen, met z'n beenen, tot ie eindelijk bijna over m'nheer Vliegenthert heenviel, waarop de nijdige Haagsche m'nheer den opgewonden kleermaker 'n onvriendelijke stomp met z'n elleboog gaf. Toen viel 't mannetje op de bank terug, zei "pardon" en begon onmiddelijk alsof er niets gebeurd was 'n gesprek over de vlieger, die zoo'n enorme snelheid ontwikkeld had. Maar m'nheer Vliegenthert luisterde heelemaal niet. Hij amuseerde zich buitengewoon slecht. Hij had 't land. Hij was verdrietig. Hij vond alles miserabel en hij had dien praatgragen kleermaker wel 'n pak slaag willen geven om z'n geleuter over die monoplaan. Wat kon hem dat ding schelen. Z'n eigen monoplaan vloog minstens net zoo snel als dat ding waarom ze nu zoo gejuicht hadden.
't Was gelukkig al weer 'n beetje rustiger geworden, want Jan Drie en Dolf waren allang weer weg. Die waren hun tweede ronde aan 't verslinden, als echte kilometervreters. Langzamerhand kwamen de andere vliegers van hun eerste ronde terug. De voorste werden nog zoo'n beetje toegejuicht, maar de laatste, ofschoon ze toch niet zuinig gevlogen hadden, lieten de menschen op de tribune en de overige rangen gewoon koud. Er werd bijna niet naar gekeken. Doch toen voor de tweede maal precies weer na veertig minuten no. 5 terugkwam barstte er zoo'n geweldig lawaai los, vooral toen Jan zoo laag langs de tribune vloog, dat hij 't juichende publiek met de hand kon toewuiven, dat 't wel leek of al die duizenden menschen mal waren geworden. Ze wuifden met hun zakdoeken en ze riepen en schreeuwden zoo hard, ... dat m'nheer Vliegenthert, die op z'n tweede-rangsplaats de vlieger maar uit de verte zien kon, van louter woede 'n andere kant opkeek en z'n mond stijf dicht hield. De menschen schenen nu over niets anders meer te willen praten dan over die winnende aeroplaan en toen er 'n man van de jurie in de buurt kwam, bogen de lui, die vooraan zaten allemaal over de afscheiding van ijzerdraad om den man met vragen te bestormen. 't Was 'n goedhartig mensch, zoo'n jurielid die de tweede-rangers met alle pleizier inlichtingen gaf. Hij liet hen de lijst der ingeschreven vliegers zien en nu wisten die daar vooraan al heel gauw wie de gelukkige eigenaar was van die door de lucht suizende kunstvogel, en dat de bestuurder en z'n passagier maar zoo'n paar jongens waren van 'n jaar of zestien. Hoe ze heetten dat wist ook de jurieman niet te vertellen. Ze stonden ingeschreven als N. N. Dat vonden de menschen allemaal heel interessant en ze namen zich allen voor om die jongens eens terdege te bekijken, als ze na hun laatste ronde over 't vliegterrein zouden wandelen. Dat zouden ze zeker doen, want iedere overwinnaar wordt graag toegejuicht.
't Duurde nog 'n heele tijd eer m'nheer Vliegenthert er achter kwam, dat z'n eigen aeroplaan daar bezig was zoo'n luchtoverwinning te behalen. 't Gebeurde pas toen de twee vliegjongens van hun derde ronde terugkomend en onder 't gevaarlijke hoera-gebrul van alle toeschouwers op één na, vlak voor de tribune waar de jurieleden zaten met 'n prachtige vol plané naar beneden kwamen. Hoog in de lucht had Jan Drie z'n motor stop gezet en daalde met 'n verschrikkelijk snelheid, alsof hij van plan was met z'n heele vlieger te pletter te vallen. Om dat klaar te spelen moest je kunnen sturen en durf hebben. Honderd jaar geleden in 1910 was het ook 'n Hollander, Wijnmalen, die uitmuntte in deze manier van dalen. Jan Drie en Dolf werden toen ze uit hun vlieger stapten na de prachtige landing en de ongeëvenaarde wedvlucht door de jurieleden omringd. De heele jurie was uit z'n tent gesprongen ... en nu drukten ze die twee jongens stormachtig de hand en de voorzitter begon 'n aanspraak.
De kleermaker naast m'nheer Vliegenthert had z'n keel heesch geschreeuwd en toen hij daarmee klaar was, wendde hij zich opeens tot den zwijgenden m'nheer Vliegenthert en zei:
"M'nheer nu weet ik van wie die aeroplaan is."
Doch m'nheer Vliegenthert draaide den vriendelijken mededeelzamen en heeschen kleermaker z'n rug toe. De kleermaker was echter niet van plan zoo maar 't belangrijke nieuws, dat hij nog geen minuut geleden van iemand die voor hem zat gehoord had, voor zich alleen te houden. Hij moest 't kwijt en daarom vertelde hij 't maar tegen m'nheer Vliegenthert z'n dikke rug.
"'t Moet 'n zekere m'nheer Vliegenthert zijn uit ..."
"Hè??" en m'nheer Vliegenthert draaide zich zóó plotseling naar den vriendelijken buurman om en hij zag er zoo verwilderd uit met 'n paar woeste oogen, dat de arme kleermaker bij z'n heeschheid nog kippevel kreeg.
"Vliegenthert, zei je!!"
"Ja ... e ... m'nheer ... stotterde de verschrikte man ... "Uit ... e ... Den Haag."
M'nheer Vliegenthert stond al boven op de bank en duwde iemand die voor hem zat onzacht naar beneden. Nu kon hij de vlieger zien.
"Hij is 't!!!" riep m'nheer Vliegenthert met 'n akelig holle stem. "'t Is mijn monoplaan!! Houdt den dief ... Houdt den dief!!!"
Hij was onder 't schreeuwen al bezig zich tusschen de menschen voor hem, die niet wisten wat hen overkwam, door te worstelen. Doch die lieten zich zoo maar niet stompen en duwen en er ontstond 'n razend tumult.
"Arme stumper," zei de kleermaker. "Ik had het de heele morgen al in de gaten dat ie niet recht snik was."
"Wat zeg je?" vroeg er een.
"Stapelgek is ie geworden," herhaalde de kleermaker. "En nou verbeeldt ie zich, dat die mooie winnende aeroplaan van hem is, stakker."
M'nheer Vliegenthert had zich wanhopig geweerd en toen de menschen van den kleermaker hoorden, dat ze met iemand te doen hadden, die plotseling zich was gaan inbeelden, dat de vlieger die duizend gulden gewonnen had, hem in eigendom toebehoorde, waren de meesten 'n beetje angstig teruggeweken, want je kon nooit weten waar zoo'n man toe komen kon en de anderen die niet terugkonden, omdat ze opgedrongen werden, hadden m'nheer Vliegenthert toen maar 'n zetje gegeven, waardoor deze heer over 't ijzerdraad heen terecht kwam in 't mollige gras. Hier viel hij echter onmiddellijk in de pootige handen van 'n waakzamen diender, die hem toeschreeuwde:
"Hé jij, wat mót dat ... Hier is geen vrije toegang ... Wat denk je wel. Terug."
Hij had m'nheer Vliegenthert natuurlijk al lang stevig bij z'n kraag eer deze nog heelemaal opgekrabbeld was.
"Laat me los!" schreeuwde m'nheer Vliegenthert. "Ze hebben daar mijn aeroplaan."
"Zeg grappemaker," zei de diender, "ga nou gauw over dat ijzerdraad terug ... kom nou, gauw."
"Hij is niet goed in z'n hoofd!" schreeuwde de kleermaker van de vierde rij.
"We willen 'm hier niet meer hebben," riep er toen een die vooraan zat. "Neem 'm maar gerust mee. Je mag hem."