Part 8
Het was geteekend: Bettina. Jean leest en herleest deze weinige regels... Maar weldra ziet hij niets meer.--Zijne oogen zijn beneveld.
--Dat is alles wat ik van haar heb! zeide hij tot zich zelf.
Op het zelfde oogenblik is de abbé Constantijn met Pauline bezig hun geld na te tellen. De financieele toestand is schitterend. Meer dan twee duizend francs in kas! De wensch van Suzie en Bettina is vervuld: er zijn geen armen meer in deze streek. De oude Pauline heeft werkelijk wel eens gewetenswroegingen.
--Ziet u, mijnheer de pastoor, zeide zij, wij geven misschien te veel. Men zal het in de andere gemeenten hooren, dat men hier met volle handen geeft, en weet u wat er dan gebeuren zal? Men zal zich arm in Longueval komen vestigen.
De pastoor geeft vijftig francs aan Pauline; zij gaat het aan een armen man brengen die zijn arm gebroken heeft.
De abbé Constantijn blijft alleen in de pastorie. Hij is ongerust. Hij heeft het regiment bij het voorbijgaan opgewacht; maar Jean is slechts een oogenblik stil blijven staan; hij zag er treurig uit. De abbé had al lang opgemerkt, dat Jean niet meer zoo vroolijk was. De pastoor heeft er zich niet ongerust over gemaakt, hij had gemeend, dat het een weinig hartzeer was, zooals het wel eens meer bij de jeugd voorkomt, en waarmede zoo'n arme oude priester niets te maken heeft. Maar de afgetrokkenheid van Jean was van daag te zeer in het oogloopend.
"Ik kom straks, peetoom, had hij tot den pastoor gezegd; ik moet u spreken."
Hij was haastig vertrokken. De abbé Constantijn had niet eens tijd gehad om aan Loulou een stukje suiker, of liever de stukjes suiker te geven, want hij had er vijf in zijn zak gestoken; hij vond dat Loulou dat wel noodig had, na twintig dagen onder den blooten hemel te hebben doorgebracht. Overigens, sedert dat mevrouw Scott op het kasteel was gekomen, werd de abbé Constantijn verkwistend; hij voelde zich millionair. Eens op een dag, had hij zelfs op het punt gestaan om aan Loulou die eeuwige toespraak te houden:
--Dit komt van de nieuwe bewoners van Longueval. Bid van avond voor hen.
Het was drie uur toen Jean in de pastorie aankwam; de pastoor vroeg hem dadelijk:
--Je wildet mij spreken.--Waarover?
--Over iets, peetoom, wat u verwonderen zal en u leed zal doen; en aan mij ook. Ik kom afscheid van u nemen.
--Afscheid! ga je weg?
--Ja.
--Wanneer?
--Vandaag--over twee uur.
--Over twee uur! maar wij dineeren op het kasteel vandaag.
--Ik heb aan mevrouw Scott geschreven... Ik moet vertrekken.
--Dadelijk?
--Dadelijk.
--Waar ga je heen?
--Naar Parijs.
--Naar Parijs? Hoe is dit zoo plotseling bij je opgekomen?
--Niet zoo plotseling. Ik heb al lang willen vertrekken.
--En je hebt er mij niets van gezegd!--Jean, er is iets... Je bent een man, en ik heb niet het recht, om je nu nog als een kind te behandelen; maar je weet hoeveel ik van je houd... Wanneer er iets is, wanneer je verdriet hebt, waarom het mij dan niet gezegd? Ik kon je misschien een goeden raad geven. Jean, waarom ga je naar Parijs?
--Ik heb het u niet willen zeggen... Het zal u leed doen... Maar gij hebt het recht om het te weten... Ik ga naar Parijs, om mij bij een ander regiment over te laten plaatsen.
--Bij een ander regiment?... van Souvigny weggaan?
--Ja, juist, uit Souvigny gaan.--Voor korten tijd slechts; maar toch weggaan, dat wil ik, het is noodig.
--En ik dan, Jean, denk je dan niet aan mij?... Voor korten tijd! ... maar ik zal niet meer zoo lang leven; en den tijd dat ik nog te leven heb, de dagen die de goede God mij nog schenken zal, Jean, zou ik zoo gelukkig zijn, wanneer ik wist, dat je bij mij waart. En nu ga je weg! Jean, wacht nog wat, geduld, het zal niet lang duren; wacht totdat de goede God mij tot zich geroepen heeft, wacht totdat ik hierboven je vader en je moeder zal terugzien... Ga niet heen Jean, ga niet heen.
--Wanneer u mij lief hebt, ik heb u ook lief ... en dat weet u wel...
--Ja, ik weet het.
--Ik heb u nog even lief, als toen ik nog een kind was, toen gij mij tot u genomen hebt, en mij hebt opgevoed. Mijn hart is niet veranderd, zal nooit veranderen... Maar wanneer de plicht, mijn eer, mij noodzaken te vertrekken...
--O! wanneer het je plicht, je eer betreft... Dan zeg ik niets meer, Jean... Dat gaat voor al het andere! Ik heb je altijd als een man gekend die zijn eer, zijn plicht, ten volle besefte. Ga, mij kind, ga. Ik vraag je niets. Ik wil niets weten.
--Welnu, ik zal u alles zeggen, riep Jean door aandoening overstelpt, uit. Het is beter dat gij alles weet. Gij blijft hier, gij zult naar het kasteel terugkeeren--haar terugzien ... haar!
--Wie--haar?
--Bettina!
--Bettina?
--Ik heb haar lief, peetoom, ik aanbid haar!
--O mijn arm kind!
--Vergeef mij, dat ik zoo tegen u spreek ... maar ik spreek tot u, zooals ik tot mijn vader zou spreken; en dan ... ik heb er nooit met iemand over kunnen spreken, en dat drukte mij... Ja, het is eene dwaasheid, die zich tegen wil en dank van mij heeft meester gemaakt, want gij begrijpt toch... Mijn God! hier heb ik haar immers leeren kennen. Gij weet, toen zij hier kwam, met hare zuster... Later heb ik haar dagelijks ontmoet ... en gij zelf hebt onophoudelijk over haar gesproken, gij roemdet hare goedheid, hare liefelijkheid. Hoe dikwijls hebt gij niet gezegd, dat er geen beter wezentje te vinden was.
--En dat vind ik nog... Niemand kent haar beter dan ik. Wanneer je eens wist, hoe moedig, hoe hartelijk zij is, wanneer wij 's morgens onze armenbezoeken afleggen! Noch de ellende, noch het lijden schrikt haar af.--Maar het is verkeerd dat ik je dit zeg...
--Neen, neen, ik wil haar niet terugzien, maar ik wil wel over haar hooren spreken.
--Jean, je zult nooit van je leven eene vrouw ontmoeten, die beter is, die zulke verhevene gevoelens heeft. Zelfs zoo, dat eens op een dag,--zij was mij met een open rijtuig vol kinderspeelgoed komen halen ... zij bracht het speelgoed naar een ziek meisje, en toen zij het haar gaf, sprak zij zoo lief, zoo hartelijk, dat ik aan jou dacht, en dat ik tot mij zelve zeide: "Ach, was zij maar arm!"
--Ja, was zij maar arm! maar zij is het niet!
--Helaas, neen... Maar wat wil je, mijn arm kind. Wanneer het je smart, om haar te zien, om in hare nabijheid te leven--ga dan heen ... en toch ... en toch...
De oude pastoor liet het hoofd in de handen vallen, en bleef eenige oogenblikken in gepeins verzonken; toen vervolgde hij:
--En toch, Jean, weet je waaraan ik denk? Ik heb juffrouw Bettina, sedert hare komst in Longueval, zeer dikwijls gezien. Nu ik er over nadenk--toen verwonderde het mij niet, het scheen mij zelfs zeer natuurlijk toe, dat men over je sprak,--en dat deed zij, altijd, altijd.
--Over mij?
--Ja, en over je vader, en over je moeder. Zij wilde weten hoe je leefde, zij vroeg mij, wat toch eigenlijk het werkelijke bestaan van een soldaat was, die zijn beroep liefhad en zijne plicht naar zijn beste weten vervulde. Het is merkwaardig, nu je mij dit gezegd hebt, vallen mij duizende kleinigheden te binnen. Bijvoorbeeld is zij voorgisteren om drie uit Hâvre teruggekomen. Welnu, een uur daarna was zij hier. En dadelijk heeft zij over jou gesproken. Zij vroeg mij, hoe het je ging, of je mij geschreven hadt, wanneer je terugkwam, hoe laat het regiment door het dorp kwam.
--Het is onnoodig, peetoom, om deze herinneringen op te halen.
--Neen, het is niet onnoodig. Zij was zoo gelukkig, zoo blij, dat zij je weer zien zou! Zij verheugde zich op het diner van vanavond. Zij wilde je aan haar zwager voorstellen, die aangekomen is--ik herinner mij nog haar laatste gezegde, zij stond daar bij de deur: "wij zijn maar vijf, u en mijnheer Jean, mijne zuster, mijn zwager en ik". En zij voegde er lachend bij: "Een echt familiediner." Hierna is zij gauw weggeloopen. Weet je wat ik geloof, Jean?
Dat moet u niet denken, peetoom, u moet niet...
--Jean, ik geloof dat zij je liefheeft!
--En ik geloof het ook!
--Jij ook?
--Toen ik haar verliet, twintig dagen geleden, toen was zij zoo aangedaan, zoo bewogen. Zij zag dat ik diep ongelukkig was! Zij wilde mij niet laten gaan. Het was op het perron van het kasteel. Ik ben gevlucht--ja--gevlucht. Ik had bijna gesproken, haar alles gezegd. Nadat ik een eind geloopen had, heb ik mij omgekeerd. Zij kon mij niet meer zien. Maar ik zag haar. Zij was blijven staan, in den regen, de hals en armen bloot, en keek mijn kant uit. Misschien is het dwaas van mij, om dit te denken, misschien was het slechts uit medelijden. Maar neen, het was geen medelijden, want weet ge wat ze gedaan heeft? Zij is om vijf uur, in een vreeselijk weer gekomen, om mij met het regiment voorbij te zien gaan en, daar, zooals zij mij groette... O peetoom! peetoom!
--Maar dan begrijp ik er niets meer van; zeide de arme pastoor geheel ontdaan, geheel in de war gebracht. Wanneer jij haar bemint, Jean, en zij jou liefheeft!
--Maar daarom juist moet ik weg. Als ik het alleen was! wanneer ik wist, dat zij zich niet van mijne liefde bewust was! dan bleef ik ... dan bleef ik ... alleen om haar te zien, ik zou haar in stilte beminnen, zonder eenige hoop, uit louter zaligheid haar te kunnen liefhebben... Maar neen, zij heeft het begrepen ... en in plaats mij den moed te ontnemen ... daarom moet ik vertrekken.
--Neen, ik begrijp het niet. Ik weet wel, dat ik over dingen spreek, waar ik niet veel van af weet, maar, gij zijt beiden jong, braaf... Je bemint haar ... zij bemint jou ... en je kunt niet!...
--En haar geld dan, peetoom, haar geld!
--Wat doet dat er toe! Je hebt haar toch niet om haar geld lief? Eerder het tegendeel. Je geweten zal daaromtrent wel gerust zijn, Jean, en dat is genoeg.
--Neen, dat is niet genoeg. Het is niet genoeg, om eene goede meening van zich zelf te hebben, wanneer die meening niet door anderen gedeeld wordt.
--O Jean! wie zou aan jou kunnen twijfelen!
--Wie weet?... Er is nog iets, behalve deze geldquaestie, iets dat veel ernstiger is. Ik ben niet de geschikte man voor haar.
--Wie zou meer waard zijn?...
--Het is hier niet de vraag, wie meer waard is, het is de vraag, wie zij is, en wie ik ben; wat haar toekomstig leven zijn moet, en het mijne.--Eens zeide Paul tegen mij,--u weet, hij kan zich zoo ruw uitdrukken,--wij spraken over haar. Paul wist van niets ... anders ... hij is goed ... zou hij zeker niet zoo gesproken hebben. Hij zeide: "Wat zij hebben moet, is een man die haar geheel toebehoort, die geen andere gedachte heeft, dan om van haar bestaan een eeuwigdurend feest te maken, in één woord een man, die zich geheel aan haar wijdt." Gij kent mij... Dat kan ik, dat mag ik niet zijn. Ik ben soldaat en wil soldaat blijven. Wanneer ik misschien eens, in een klein plaatsje van de Alpen of in een afgelegen dorp in Algiers geplaatst word, kan ik dan verlangen dat zij mij volgt? kan ik haar tot dit bestaan van soldatenvrouw veroordeelen! Denk eens aan het leven dat zij nu leidt, aan al die weelde, aan alle genoegens?...
--Ja, zeide de abbé, dat is ernstiger dan de geldquaestie.
--Zoo ernstig, dat ik niet aarzelen mag! Ik heb er lang over nagedacht, die twintig dagen die ik in het kamp heb doorgebracht ... ik heb aan niets anders gedacht ... en, daar ik haar zoozeer bemin, moet het wel eene gegronde reden wezen, die mij mijnen plicht zoo duidelijk doet inzien. Ik moet weg ... ver, ver weg. Ik zal er zeer onder lijden... Maar ik mag haar niet terugzien!
Jean viel uitgeput in een stoel neder. De oude pastoor keek hem aan.
--Je zoo ongelukkig te zien! mijn arm kind! dat zulk een ongeluk mij nog moet overkomen!... Het is te wreed, te onrechtvaardig!
Op dit oogenblik werd er zacht aan de deur geklopt.
--O, zeide de pastoor, wees maar niet ongerust Jean ... ik zal ze wel wegsturen...
De pastoor ging naar de deur, opende haar, en deinsde plotseling voor eene onverwachte gedaante terug.
Het was Bettina. Dadelijk had zij Jean herkent, en naar hem toegaande, riep zij uit:
--Gij? O! wat ben ik blij!
Hij was opgestaan... Zij had zijne handen gevat, en, zich tot den abbé wendend:
--Neem het mij niet kwalijk, mijnheer de pastoor, dat ik eerst naar hem toe ben gegaan. U, heb ik gisteren gezien ... maar hem niet in twintig dagen, sedert dien avond, toen hij treurig en bedroefd van ons gegaan is.
Zij hield nog altijd de handen van Jean vast. Hij had niet den moed zich te bewegen, noch een woord uit te brengen.
--Gaat het u nu beter, vervolgde Bettina? Neen, nog niet, ik zie het ... nog steeds treurig... Het is goed dat ik gekomen ben! Het was eene goede ingeving. En toch spijt het mij dat ik u hier tref. Gij zult mij misschien beter begrijpen, wanneer gij gehoord hebt, wat ik aan uwen peetoom kom vragen.
Zij liet de handen van Jean los en zich tot den abbé wendend:
--Ik kom u vragen, mijnheer de pastoor, om naar mijne biecht te luisteren... Ja, mijne biecht... Gij behoeft niet weg te gaan, mijnheer Jean. Ik wil mijne bekentenis openlijk afleggen. Ik wil gaarne in uw bijzijn spreken, en zelfs nu ik er over denk, is het beter zoo. Laat ons gaan zitten, wilt ge?
Zij was vol vertrouwen en vol moed. Zij had de koorts, maar die koorts, die aan den soldaat, op het slagveld, moed en doodsverachting geeft. De aandoening die haar het hart sneller deed kloppen, sproot uit edelmoedigheid en hooghartigheid voort. Zij had tot zich zelve gezegd: "Ik wil bemind worden! ik wil beminnen! ik wil gelukkig zijn, en dat hij gelukkig is! En, daar hij den moed niet heeft, is het aan mij om dien moed te bezitten, het is aan mij om alleen, het hoofd opgeheven en met een gerust hart, onze liefde, ons geluk te veroveren!"
Bettina had van het eerste oogenblik af een totaal overwicht over de abbé en Jean verkregen. Zij lieten haar begaan. Zij voelden dat het beslissende uur naderde, zij begrepen dat hetgeen nu komen zou, onherroepelijk was... Zij waren kalm gaan zitten, zij wachtten, zij luisterden... Tusschen deze twee verschrikte menschen, was Bettina de eenigste, die hare koelbloedigheid bewaarde. Het was met duidelijke, heldere stem dat zij begon:
--Ik zal u maar eerst zeggen, mijnheer de pastoor, en dit om u geweten gerust te stellen, dat ik hier ben, met de toestemming van mijne zuster en mijn zwager. Zij weten waarom ik gekomen ben, en wat ik ga doen, zij weten het niet alleen, maar zij keuren het ook goed. Welnu, wat mij hierheen voert, dat is uw brief mijnheer Jean, waarin gij mijne zuster schreeft dat gij niet bij ons kondet komen dineeren, en dat gij vertrekken moest. Deze brief heeft al mijne plannen in duigen doen vallen... Ik had van avond, na den eten, altijd met de toestemming van mijne zuster, met u naar het park willen gaan, mijnheer Jean, en daar op een bank willen gaan zitten,--ik had zelfs de plaats al uitgezocht,--en dan had ik u eene kleine toespraak gehouden, die ik bijna uit mijn hoofd heb geleerd; want sedert uw vertrek, denk ik nergens anders aan; u begrijpt dus, dat uw brief... Ik wist niet wat te doen... Ik heb eens goed nagedacht en heb tot mij zelve gezegd, dat wanneer ik deze redevoering tot uwen peetoom richtte, het net zoo goed zou zijn, of ik het tegen u zeide; en daarom verzoek ik u, mijnheer de pastoor, mij wel te willen aanhooren.
--Ik luister, mejuffrouw, stamelde de abbé.
--Ik ben rijk, en zeer rijk, en, om u de waarheid te zeggen, ik heb mijn geld zeer lief. Ik heb er al de weelde aan te danken, die mij omgeeft, en die mij, ik geef het toe, volstrekt niet onaangenaam is. Als verontschuldiging kan ik aanwenden, dat ik nog zeer jong ben, het zal misschien later overgaan... Maar dat is nog niet eens zeker. Ik heb eene andere verontschuldiging, en die is, dat ik het lief heb, omdat het mij veel aangenaams bezorgd, en omdat ik er veel goed mede kan doen. Ik geloof, dat mijn fortuin niet in zulke slechte handen is. Welnu, mijnheer de pastoor, evenals gij zielenhoeder zijt, zoo ben ik hoedster van geld. Ik heb altijd gedacht: Ik wil dat mijn echtgenoot, vóór alles waard is, dit groote fortuin met mij te deelen; ik wil er zeker van zijn, dat hij er een goed gebruik van zal maken, zoolang als ik er ben, en, na mij, wanneer ik het eerst opgeroepen word; en dan dacht ik: "Ik wil mijn echtgenoot beminnen!" Hier begint nu eerst mijne bekentenis. Er is een man, die sedert twee maanden, al het mogelijke gedaan heeft, om het voor mij te verbergen, dat hij mij liefheeft... Maar, ik twijfel er niet aan, dat die man mij bemint... Nietwaar, Jean, je hebt mij lief?
--Ja, zeide Jean, zacht, met gesloten oogen, als een misdadiger, ik heb je lief.
--Ik wist het wel; maar, je moest het mij zelf zeggen. En nu, Jean, wat ik je bidden mag, zeg geen woord. Elk woord zou tevergeefs zijn, zou mij beletten om tot het einde te gaan, en te zeggen, wat ik je te zeggen heb. Beloof mij, dat je zwijgen zult...
--Ik beloof het.
Bettina verloor een weinig van hare zekerheid, hare stem beefde. Zij vervolgde met eene eenigszins gemaakte vroolijkheid:
--Ik wil u niet beschuldigen, mijnheer de pastoor, maar het is een weinig uwe schuld, wat er gebeurd is.
--Mijn schuld!
--O, spreekt niet tegen mij, u ook niet.
--Ja, ik herhaal het, uwe schuld. Ik weet zeker, dat gij veel goeds van mij aan Jean gezegd hebt. Misschien had hij er anders niet aan gedacht... En aan mij ook, hebt gij niets dan goeds gezegd. Toen, ik heb zooveel vertrouwen in u, heb ik hem met meer oplettendheid gade geslagen. Ik heb hem met de anderen vergeleken, die sedert een jaar om mijne hand vragen. Het scheen mij toe, dat hij ver boven de anderen verheven was.--Toen heb ik, op zekeren avond--de avond voor je vertrek Jean--gemerkt dat ik je liefhad... Ja, Jean, ik heb je lief! Ik bid je Jean, zeg niets ... blijf zitten ... kom niet bij mij... Ik had, voor dat ik kwam, al mijn moed verzameld, maar nu heb ik geen moed meer, nu is het gedaan. Ik heb toch nog iets te zeggen. Jean, luister goed naar mij. Ik wil geen overhaast antwoord. Ik weet dat je mij liefhebt. Wanneer je mij wilt trouwen, wil ik niet dat het alleen uit liefde is; ik wil dat je er eene reden voor hebt. Je bent mij in den laatsten tijd zoo hardnekkig ontvlucht, elk gesprek vermijdend, dat ik mij niet heb kunnen voordoen, zooals ik ben. Ik heb misschien eenige kwaliteiten die gij nog niet kent...
Jean, ik weet wat je bent, ik weet waartoe ik mij verbind, wanneer ik je vrouw word, en ik zal niet alleen eene goede, liefhebbende gade wezen, maar eene moedige, sterke vrouw zijn. Ik ken je geheele leven, het is je peetoom die mij alles verteld heeft. Ik weet waarom je soldaat bent, ik weet welke plichten, welke opofferingen je in de toekomst wachten... Ik zal je nooit van je plicht afhouden, Jean twijfel daar niet aan. Wanneer ik je iets kwalijk kon nemen, zou het deze gedachte zijn, die je gekoesterd hebt,--o, je hebt het gedacht! dat ik je vrij en geheel voor mij wenschte, dat ik je zou vragen om je loopbaan voor mij op te offeren. Nooit! nooit, zal ik je zoo iets vragen. Ik heb je lief en zou niet willen dat je anders waart. Daarom juist, omdat je beter bent dan diegenen die mij tot vrouw wenschten, heb ik je boven al de andere verkozen. Ik zou minder van je houden, misschien in 't geheel niet--dat zou mij zeer moeilijk vallen,--wanneer je leefde, zooals al diegenen leven die ik niet hebben wilde... Wanneer ik met je mee kan gaan, zal ik mee gaan, daar waar jij zult zijn ligt mijne plicht, en overal waar jij zult gaan ligt mijn geluk. En wanneer de dag aanbreekt, om daarheen te gaan, waar je mij niet mee kunt nemen, de dag, waarop je alleen gaan moet, welnu, Jean, dan beloof ik je, dat ik moedig wezen zal, om jou ook den moed niet te ontnemen... En nu, mijnheer de pastoor, het is niet aan hem, maar aan u dat ik mij wend, ... gij moet mij antwoorden ... niet hij. Zeg mij, wanneer hij mij liefheeft, en mij zijner waardig vindt, is het dan rechtvaardig om mij voor mijn fortuin te laten boeten? Moet hij mijn hand dan niet aannemen?
--Jean, zeide de oude pastoor ernstig, trouw haar ... het is je plicht ... en het zal je geluk zijn!
Jean ging naar Bettina toe, nam haar in zijne armen en drukte de eerste kus op haar voorhoofd.
Bettina maakte zich zacht uit zijne omarming los, en zich tot den abbé wendend:
--Ik heb u nog iets te vragen, mijnheer de pastoor... Ik wilde ... ik wilde...
--Gij wildet?
--Ik bid u, mijnheer de pastoor, omhels mij.
De oude pastoor kuste haar vaderlijk op beide wangen, toen zeide Bettina:
--Gij heb mij dikwijls gezegd mijnheer de pastoor, dat gij Jean als een zoon beschouwdet,--ik ook, nietwaar? ik zal u eene dochter zijn. Nu hebt gij twee kinderen, dat is alles!
* * * * *
Eene maand daarna, den 12^{en} September, betrad Bettina, in een zeer eenvoudig bruidstoilet, de kerk van Longueval, terwijl achter het altaar verborgen, het 9^e bataillon artillerie vroolijke fanfaren schetterden.
Nancy Turner had verzocht, om bij deze plechtige gebeurtenis het orgel te mogen bespelen; want het kleine orgel was verdwenen. Een orgel met pijpen schitterde in het koor der kerk. Het was het huwelijksgeschenk van Miss Percival aan den abbé Constantijn. De oude pastoor las de mis. Jean en Bettina knielden voor hem neder; hij sprak de zegen uit en bleef toen eenige oogenblikken in gebed verzonken, de armen uitgebreid, met geheel zijn hart de genade des hemels afsmeekend voor zijne twee kinderen.
Het orgel deed toen dezelfde Rêverie van Chopin hooren, die Bettina de eerste maal gespeeld had, toen zij de kleine dorpskerk betrad, waar haar levensgeluk moest bezegeld worden.
En ditmaal was het Bettina die weende.
UITGAVEN
=van Blankwaardt en Schoonhoven=
's-GRAVENHAGE.
* * * * *