Part 7
Jean vertrok den volgenden morgen... Bettina had er op aangedrongen, dat hij den laatsten dag in Longueval zou doorbrengen, en er zou blijven dineeren. Jean had geweigerd, eenige bezigheden voorwendend. Hij kwam des avonds, tegen half elf, hij was te voet gekomen, en had menigmaal onderweg op het punt gestaan om terug te keeren.
--Wanneer ik den moed bezat, zeide hij tot zichzelf, zou ik haar niet meer willen zien. Ik vertrek morgen, en kom niet meer in Souvigny terug... Dat heb ik mij vast voorgenomen.
Maar hij vervolgde zijnen weg; hij wilde haar nog eens ... voor de laatste maal ontmoeten.
Toen hij in het salon trad, kwam Bettina hem tegemoet loopen.
--Eindelijk!... Wat bent u laat!
--Ik had zooveel te doen.
--En gij vertrekt morgen?
--Om half zes.
--Neemt gij den weg dien langs het kasteel loopt?
--Ja.
--Waarom gaat gij zoo vroeg? Ik had u anders op het terras goeden dag komen zeggen.
Bettina had de hand van Jean in de hare gehouden. Langzaam trok hij deze terug.
--Ik moet uwe zuster gaan begroeten.
--Straks! zij heeft u niet gezien. Kom eerst wat bij mij zitten praten.
Hij moest nu wel naast haar plaats nemen.
--Wij vertrekken ook, zeide zij.
--Gij?
--Ja, wij hebben zoo even een telegram van mijnen zwager ontvangen. Hij zou eerst over eene maand terugkomen; hij kan in twaalf dagen hier zijn. Wij zullen hem in Hâvre opwachten... Wij vertrekken overmorgen. Wij nemen de kinderen mede... Wat zal mijn zwager blij zijn, kennis met u te maken!... Maar hij kent u al. Wij hebben in al onze brieven over u gesproken. Gij zult het goed samen kunnen vinden. Hij is zoo goed... Hoe lang blijft u?
--Twintig dagen.
--In het kamp?
--Ja, mejuffrouw, het kamp bij Cercottes.
--In het bosch van Orleans. Uw peetoom heeft mij dat van morgen uitgelegd. Het spijt mij toch, dat wij weggaan; anders was ik elken morgen naar de pastorie gegaan. Uw peetoom zou mij dan tijding van u gegeven hebben. Wilt u niet eens een woordje aan mijne zuster schrijven, om haar te zeggen hoe het u gaat, en of u ons nog niet vergeten hebt?
--U vergeten ... niet meer aan al die vriendschap en goedheid denken ... dat nooit mejuffrouw! nooit! zijne stem beefde. Hij was diep ontroerd. Hij stond op.
--Ik moet nu werkelijk naar uwe zuster toe... Zij kijkt hier heen.--Zij zou anders verwonderd zijn... Hij ging het salon door. Bettina volgde hem met de oogen. Mevrouw Norton was aan de piano gaan zitten, om de jongelui te laten dansen. Paul de Lavardens kwam naar miss Percival toe:
--Mag ik de eer hebben, mejuffrouw?...
--Ik geloof, dat ik het aan mijnheer Jean beloofd heb.
--Wanneer hij het niet is ... dan ben ik het.
--Dat is afgesproken.
Bettina ging naar Jean toe, die zich naast mevrouw Scott had nedergezet.
--Ik heb gejokt, zeide zij. Mijnheer de Lavardens heeft mij ten dans gevraagd, en ik heb hem gezegd dat ik u deze wals beloofd had... Ja, niet waar? gij wilt wel.
Haar in de armen te houden, de geur van hare haren in te ademen!... Dat ging zijne krachten te boven... Hij durfde het niet aannemen.
--Het spijt mij. Ik kan niet ... ik voel mij niet wel. Ik heb willen komen, om niet zonder afscheid te vertrekken; maar dansen, dat kan ik niet.
--Wel, vroeg Paul, die lachend aan kwam loopen; is hij het, mejuffrouw, of ik?
--Gij, zeide zij treurig, zonder de oogen van Jean af te wenden.
Een oogenblik daarna speet het haar, dat zij het aangenomen had. Zij had daar willen blijven ... maar het was te laat. Paul voerde haar mede.
Jean was opgestaan. Hij keek naar Bettina en Paul. Hij voelde een waas voor zijne oogen. Hij leed helsche kwalen.
--Het eenige wat ik kan doen, is weg te gaan, zeide hij tot zichzelf. Morgenochtend zal ik een briefje aan mevrouw Scott schrijven. Hij bereikte de deur... Hij keek niet meer naar Bettina. Wanneer hij naar haar gekeken had, dan zou hij gebleven zijn.
Maar Bettina keek naar hem, en plotseling zeide zij tegen Paul:
--Ik dank u mijnheer, maar ik ben wat vermoeid... Laat ons ophouden?
Paul bood haar den arm aan.
--Neen, dank u, zeide zij.
De deur werd gesloten. Jean was er niet meer. Bettina vloog de salon door, Paul zeer verwonderd achterlatend.
Jean was reeds op de stoep toen hij achter zich hoorde roepen:
--Mijnheer Jean! mijnheer Jean!
Hij keek om. Zij stond naast hem.
--Gij gaat weg--zonder mij goeden dag te zeggen!
--Vergeef mij, ik ben zeer vermoeid.
--Ga dan niet te voet weg.
Zij stak hare hand naar buiten.
--Kijk, het regent reeds. Ik zal u met het rijtuig terug laten brengen.
--Het is niet erg. De lucht zal mij goed doen ... ik moet wat loopen... Laat mij gaan.
--Ga dan!... Maar gij hebt geen mantel!
--Ik heb het niet koud ... terwijl gij, met dien open hals... Gij moet naar binnen gaan.
Zonder haar zelfs de hand toe te steken, liep hij haastig weg, de trappen af.
--Wanneer ik hare hand vasthoud, dacht hij, dan kan ik mijn geheim niet langer bewaren.
Zijn geheim! Hij wist niet, dat Bettina in zijn hart, als in een opengeslagen boek kon lezen.
Toen Jean beneden was, aarzelde hij nog een oogenblik. Deze woorden zweefden hem op de lippen, hij wilde zeggen:
--Ik heb je lief! ik aanbid je! en daarom wil ik je niet meer terugzien!
Maar hij sprak deze woorden niet uit, hij vertrok en was weldra in de duisternis verdwenen.
Bettina bleef op het perron staan, in de schitterende omlijsting van de deur. Groote regendruppels vallen op hare schouders en doen haar sidderen; zij slaat er geen acht op; zij hoort duidelijk het kloppen van haar hart.
--Ik wist wel dat hij mij liefhad, zeide zij tot zichzelve; maar ik weet nu ook zeker, dat ik ook ... ja, ik ook...
Bettina doet eenige schreden naar de salondeur... Zij hoort een hartelijk gelach, en de toonen van eene wals. Zij staat stil. Zij wil alleen zijn, en, zich aan een der lakeien wendend:
--Ga aan mevrouw zeggen, dat ik vermoeid ben, en naar mijne kamer ben gegaan.
Annie, hare kamenier, zat in een leuningstoel te slapen. Zij stuurt haar weg... Zij zal zich wel zelf ontkleeden... Zij laat zich op de rustbank vallen.
De deur wordt geopend. Mevrouw Scott treedt binnen.
--Scheelt je iets, Bettina?
--O Suzie, lieve Suzie! Wat lief dat je gekomen bent! Kom hier zitten.
Zij vlijt zich als een klein kind in de armen harer zuster, en streelt met haar gloeiend hoofdje, de frissche schouders van Suzie; plotseling barst zij in tranen uit.
--Bettina, lieveling, wat is er?
--Niets, niets--het zijn zenuwen ... het is uit vreugde?
--Uit vreugde?
--Ja, ja--laat mij maar uithuilen. Het zal mij goed doen.
Hare zuster kust haar teeder, en Bettina komt weldra tot bedaren.
--Het is al gedaan, ik zal je vertellen ... ik moet je over Jean spreken.
--Jean, je noemt hem Jean?
--Ja, ik noem hem Jean... Heb je niet gemerkt hoe ongelukkig en treurig hij er in den laatsten tijd uitzag.
--Ja, zeker.
--Wanneer hij kwam, ging hij dadelijk bij je zitten, en keek dan zoo stil voor zich uit, dat ik--vergeef me, dat ik zoo openhartig spreek,--dat ik dacht, dat hij van jou hield, Suzie. Maar neen, jij waart het niet, ik was het!
--Jij?
--Ja, ik! Luister. Hij durfde mij nauwelijks aanzien. Hij ontweek mij. Hij was bang voor mij--maar niet voor mij, voor mijn geld was hij bang! Dat geld, dat alle anderen aantrekt, dat geld schrikt hem af, en maakt hem wanhopend ... omdat hij niet zoo is, als al die anderen.
--Lieveling, wees voorzichtig, je vergist je misschien.
--O! neen, neen! ik vergis mij niet. Daarnet, op de stoep, heeft hij eenige woorden gesproken, en wanneer je zijn aandoening gezien had, niettegenstaande alle moeite die hij zich gaf om zich te bedwingen!... Suzie, lieve Suzie, bij al de liefde die ik je toedraag, en de Hemel weet hoe lief ik je heb! dit is mijne vaste overtuiging: wanneer ik inplaats van miss Percival, een arm meisje zonder fortuin was geweest, dan had Jean straks mijne hand gevat en hij zou mij zijne liefde verklaard hebben, en, wanneer hij zoo tot mij gesproken had, weet je wat ik dan geantwoord zou hebben?
--Dat je hem ook liefhebt.
--Ja, en daarom ben ik zoo gelukkig. Ik wil den man beminnen, die mijn echtgenoot worden zal--welnu ik zeg niet dat ik hem aanbid, maar...
--Bettina, het maakt mij beangst, je zoo opgewonden te zien. Ik neem aan, dat mijnheer Reynaud je zeer genegen is...
--O! meer dan dat.
--Je zeer liefheeft. Ja, je hebt gelijk. Hij houdt van je, en ben je die liefde dan niet waard? Wat Jean betreft,--daar noem ik hem ook al Jean--je weet wat ik van hem denk. Ik acht hem zeer hoog. Maar, is het wel eene geschikte partij voor je?
--Ja, wanneer ik hem liefheb.
--Ik heb eene ondervinding, Bettina, die jij niet hebt... Begrijpt mij goed... Zoodra wij in Parijs zijn komen wonen, kwamen wij dadelijk met de groote wereld in aanraking, je hadt reeds markiezin, prinses kunnen zijn...
--Ja, maar ik wilde niet....
--Zal het je geheel onverschillig zijn om mevrouw Reynaud te heeten?
--Totaal, daar ik hem liefheb. Jean gaat morgen weg. Ik zal hem eerst over twintig dagen terug zien. Ik zal dus genoeg tijd hebben, om mijn hart te onderzoeken, om te weten wat in mij omgaat, maar, ik heb je eene vraag te doen, zooals ik het aan mijne moeder zou vragen, als zij er was. Wanneer ik je, over twintig dagen zeg: "Suzie, ik weet zeker dat ik hem bemin!" Wil je mij dan toestaan, naar hem toe te gaan, en hem te vragen of hij mij tot vrouw wil, zooals jij met Richard gedaan hebt? Zeg, Suzie, beloof je het mij?
--Ja, ik beloof het je.
Bettina kuste hare zuster, en fluisterde zacht:
--Dank je, moedertje!
--Moedertje! Zoo noemde je mij, toen je nog een kind waard ... toen wij alleen op de wereld stonden, toen ik je 's avonds uitkleedde, in onze armoedige kamer, en wiegenliedjes voor je zong. En van dat oogenblik af, Bettina, had ik slechts je geluk voor oogen. Daarom zeg ik nog eens, bedenk goed wat je doet. Neen, antwoord mij niet, spreken wij er niet meer over. Ik wil je kalm, rustig houden. Wil je dat ik nog eens moedertje speel, en je uitkleed, net als vroeger? Maar zal je dan ook gauw gaan slapen?
--Dat beloof ik je.
Tien minuten later, lag het mooie hoofdje van Bettina rustig tusschen de kanten en de borduursels van het kussen. Suzie zeide tegen hare zuster:
--Ik moet naar beneden, naar al die menschen, die mij van avond geducht vervelen. Voor dat ik naar mijne kamer ga, kom ik nog eens kijken. Slaap nu.
Bettina bleef alleen. Zij gaf zich eerlijk, alle moeite om te slapen. Zij viel in eene lichte sluimering, tusschen waken en droomen. Zij had beloofd om nergens aan te denken, en zij dacht toch aan hem, altijd aan hem. Hoeveel tijd er voorbij was gegaan, kon zij niet zeggen.
Plotseling scheen het haar toe, dat men in hare kamer liep; zij opende de oogen, en dacht hare zuster te herkennen. Met eene slaperige stem, zeide zij:
--Ik heb hem lief.
--Stil... Ga slapen!
Nu viel zij werkelijk in slaap; tegen vier uur werd zij door een geluid opgeschrikt, dat haar den vorigen dag zeker niet had doen ontwaken. De regen viel in stroomen neer, en kletterde tegen de vensters harer kamer.
--Het regent; hij zal nat worden!
Dit was hare eerste gedachte. Zij staat op, loopt naar het raam, en opent een der luiken. Het was dag, grijs, koud, mistig; de lucht hing zwaar; een hevige wind zweepte de regen voort.
Bettina voelde dat zij niet meer slapen kon. Zij trok een morgenkleed aan en bleef voor het raam staan. Wanneer hij dan toch moet vertrekken, dan had zij liever gewild dat het mooi weer was, dat de zon scheen.
Acht of negen mijlen, in dezen stortregen! Arme Jean! Bettina denkt aan de jonge Turner, de jonge Norton, aan Paul de Lavardens, die nu gerust tot tien uur kunnen slapen.
Paul de Lavardens! Deze naam doet haar pijnlijk aan, zij denkt aan den walstoer van gisterenavond... Dat zij heeft kunnen dansen, toen Jean verdriet had! Het is vreeselijk!
Heeft zij later, bij het onderhoud met Jean ook niet te weinig moed en oprechtheid getoond? Hij kon, durfde niets zeggen; maar zij, zij had meer teederheid, meer hartelijkheid moeten toonen. Zij had hem terug moeten houden, tegen wil en dank. Jean heeft zeker gedacht, dat zij een schepseltje, zonder hart was, dat geen medelijden kende.
En in een half uur moet hij vertrekken... O! wanneer zij kon, wanneer er een middel was!... Maar dit middel bestaat... Het regiment komt voorbij het park, voorbij het terras. Een hevig verlangen bezielt haar, om Jean voorbij te zien gaan. Hij zal begrijpen, dat zij hem vergeving komt vragen, voor hare wreedheid van den vorigen avond. Ja, zij zal gaan, en als zij terugkomt, zal zij alles aan Suzie bekennen.
Zij zal gaan! Maar hoe zich aan te kleeden? Zij heeft slechts een mousseline morgenkleed, en blauw-satijne balschoentjes bij de hand. Hare kamenier wekken, kan zij niet--en de tijd gaat voorbij... Het regiment vertrekt om vijf uur.
Zij kan het morgenkleed en de schoentjes aan doen; zij zal wel in de gang een hoed, haar kleine tuinklompjes, en haar groote schotsche mantel vinden, die zij, wanneer het slecht weer is, bij het mennen gebruikt. Zachtjes opent zij hare deur, en loopt stilletjes naar beneden. Alles slaapt. Wanneer zij de klompjes maar vindt! Hier zijn ze. Zij trekt ze boven hare satijnen schoentjes aan, en wikkelt zich in den grooten mantel. Zij ontdekt een van die groote parapluies, die door de lakeien gebruikt worden, wanneer zij op den bok zitten; zij grijpt er een, zij is klaar--maar toen zij naar buiten wil gaan, ziet zij dat de deur door een zwaren grendel gesloten is. Zij tracht hem op te heffen, maar hij is te zwaar, en langzaam doet de groote klok van de vestibule, vijf slagen hooren. Nu vertrekt hij! Zij wil hem zien, zij zal hem zien! Zij doet eene laatste poging, de grendel wijkt ... zij neemt haar parapluie op, draait de sleutel om, opent de deur.
Eindelijk! Zij is buiten!
Het is een vreeselijk weer. Regen en wind schijnen hemel en aarde te bewegen. Er zijn vijf minuten noodig om het terras te beklimmen, Bettina loopt moedig voort, het hoofd gebogen, onder haar groote parapluie bedolven. Plotseling komt er eene hevige windvlaag opzetten, die Bettina woedend, verblindend omvat, zich in haar mantel verward, haar meesleept, haar opneemt, haar bijna vastengrond doet verliezen, en de parapluie omwaait. Dat is nog niets. Tot overmaat van ramp heeft Bettina een harer klompjes verloren...
En terwijl Bettina, wanhopend met den storm worstelt, en met haar satijnen schoentje in het natte zand trapt, hoort zij in de verte het geschetter der trompetten. Het is het regiment dat vertrekt! Bettina neemt een kloek besluit; zij laat hare parapluie in den steek, raapt haar klompje op, trekt het zoo goed mogelijk aan, en loopt hard den heuvel op. Eindelijk is zij onder het gebladerte; de boomen beschutten haar. Weer hoort zij het getoeter der trompetten. Nog eene laatste poging. Zij is op het terras... Het werd tijd! Zij ziet in de verte de witte paarden der trompetters, en op den weg, ziet zij vaag eene lange rij kanonnen naderen. Zij zoekt eene schuilplaats onder een der hooge linden, die aan den rand van het terras staan. Zij kijkt, zij wacht. Daar komen zij aan. Zou zij hem herkennen? En hij, zou hij haar zien? Zal hij het hoofd naar dezen kant wenden?
Bettina weet dat hij luitenant bij de 2^e batterij van zijn regiment is; en zij weet, dat eene batterij uit zes kanonnen en zes kruitwagens bestaat, dit heeft de abbé Constantijn haar verteld. Dus moet zij eerst zes kanonnen tellen en dan zes wagens, en dan komt hij. Werkelijk, hij is het, in zijn langen mantel gehuld; hij, die haar het eerst herkent. Eenige oogenblikken te voren, had hij aan eene wandeling gedacht, die hij eens op een avond met haar naar het terras gemaakt had. Hij had de oogen opgeslagen, en, hij had haar op die zelfde plaats teruggevonden.
Hij groet haar, en bloodshoofd, in den regen, kijkt hij haar, zich op zijn paard omwendend, zoo lang mogelijk na. Hij herhaalde bij zich zelve, wat hij den vorigen avond gezegd had:
--Het is de laatste maal!
Zij wuifde hem met hare beide handjes een afscheid toe, en deze beweging, die zich zoo dikwijls herhaalde, bracht hare handjes zoo dicht bij haren mond, dat men zou kunnen gelooven...
--O! zeide zij tot zich zelve, wanneer hij nu nog niet begrijpt dat ik hem liefheb, en wanneer hij mij mijn geld nu nog niet vergeeft!...
IX.
Het is den 10^{en} Augustus. Jean komt vandaag te Longueval terug.
Bettina wordt vroeg wakker, staat op en loopt dadelijk naar het venster. De zon schijnt helder, door de nevelen der morgenstond. De hemel was den vorigen avond met zware wolken bedekt, Bettina heeft weinig geslapen, steeds had zij tot zich zelve gezegd:
--Als het morgen maar niet regent!
Het wordt een prachtigen dag. Bettina is een weinig bijgeloovig. Het geeft haar hoop en goeden moed. De dag begint goed, hij zal ook goed eindigen.
Mijnheer Scott is sedert eenige dagen terug. Bettina wachtte hem, met Suzie en de kinderen, op de kade van Hâvre, bij de aankomst van den mailboot op.
Nadat men elkander hartelijk gekust had, zeide Richard lachend, zich tot zijne schoonzuster wendend:
--Nu, wanneer heeft het huwelijk plaats?
--Welk huwelijk?
--Met den heer Jean Reynaud.
--Heeft Suzie je geschreven?
Suzie? Volstrekt niet... Zij heeft geen woord gezegd--jij zelf hebt mij geschreven. In al je brieven, is er slechts sprake van dien jongen officier.
--In al mijne brieven?
--Ja, ja ... en je hebt mij meer, en langere brieven geschreven, dan anders. Ik beklaag er mij niet over; maar, wanneer stel je mij nu mijn zwager voor.
Hij schertst maar Bettina antwoordt hem:
--Spoedig, hoop ik.
Mijnheer Scott merkt nu dat het ernst is. Wanneer zij in den trein zitten, vraagt Bettina hare brieven terug. Zij herleest ze; en werkelijk, op elke bladzijde staat zijn naam. Jean in den tuin van de pastorie--en dan nog eens Jean, altijd Jean! Zij merkt nu, dat zij al veel langer van hem hield, dan zij dacht.
Het is dus den 10^{en} Augustus. Op het kasteel heeft men reeds het ontbijt genuttigd. Harry en Bella zijn ongeduldig. Zij hebben gehoord, dat het regiment tusschen een uur en half twee, door het dorp moet trekken. Men heeft hen beloofd, dat zij er naar mochten gaan zien, en het is dus ook voor hen, even als voor Bettina eene groote gebeurtenis.
--Tante Betty, zeide Bella, tante Betty, ga mee.
--Ja, kom, zei Harry; wij zullen onzen vriend Jean op zijn grooten schimmel zien.
Bettina weigert, en toch, hoe verleidelijk is het! Maar neen, zij zal niet gaan, zij wil hem 's avonds terugzien, zij wil eindelijk tot eene verklaring komen.
De kinderen vertrekken met hunne gouvernantes. Bettina, Suzie en Richard zetten zich in het park, dicht bij het kasteel neder, en zij zijn nauwelijks gezeten, of Bettina zegt tegen Suzie:
--Ik kom je aan je belofte herinneren. Je weet dat wij overeengekomen zijn, dat, wanneer ik bij zijn terugkeer zeggen zou, "Suzie, ik weet zeker dat ik hem bemin," je het mij zoudt toestaan, om openhartig met hem te spreken en hem te vragen, of hij mij tot vrouw wilde.
--Ja, ik heb het je beloofd. Maar ben je er volkomen zeker van?...
--Volkomen. Ik heb het mij voorgenomen om hem hier te brengen ... op deze zelfde plaats, voegde zij er lachend bij, op deze bank ... en hem zoowat hetzelfde te zeggen, als jij Suzie, aan Richard gezegd hebt.--Het is je gelukt ... je bent volkomen gelukkig... Ik wil het ook zijn! Richard, Suzie heeft je over mijnheer Reynaud gesproken.
--Ja zij heeft mij gezegd, dat zij niemand zoo hoogachtte, als hij; maar...
--Maar dat het misschien een te burgelijk huwelijk was... O! stoute zuster! Wil je wel gelooven, Richard, dat ik haar dat maar niet uit het hoofd kan praten. Zij begrijpt niet, dat ik vóór alles wil beminnen en bemind wil worden. Verleden week heeft zij mij eenen strik willen spannen! Je weet misschien dat er een zekeren prins Romanelli bestaat?
--Ja, en dat je prinses had kunnen zijn.
--Dat had niet veel gescheeld.--Welnu, ik heb eens de onvoorzichtigheid begaan, om aan Suzie te zeggen, dat Prins Romanelli nog misschien aanneembaar was. Suzie heeft een komplot gesmeed.--Men heeft ons samen te dineeren gevraagd ... maar de uitkomst was treurig... Aanneembaar!... Ik heb mij in die twee uren altijd door afgevraagd, hoe ik ooit zoo iets heb kunnen zeggen... Neen Richard, neen Suzie, ik wil mevrouw Jean Reynaud zijn--tenminste wanneer mijnheer Jean Reynaud het wil--en dat is niet eens zeker.
Het regiment trok door het dorp; plotseling hoorde men het vroolijke geschetter der trompetters, die eene marsch bliezen. Alle drie bewaarden het stilzwijgen. Het was het regiment, het was Jean die voorbijtrok... De tonen der muziek werden zachter, stierven weg. Bettina hernam:
--Neen, het is niet zeker. En toch houdt hij van mij, zeer veel zelfs, maar zonder goed te weten, wat ik waard ben. Ik geloof, dat ik hem niet zulk eene vrees zou inboezemen, wanneer hij mij beter kende, en daarom wil ik van avond ronduit met hem spreken.
--En wij geven onze toestemming, antwoordde Richard... Wij weten dat je nooit iets zult doen, Bettina, wat niet edel en oprecht is.
--Ik zal het ten minste trachten te doen.
De kinderen kwamen hard aangeloopen. Zij hebben Jean gezien; hij zag wit van het stof, hij heeft hen goeden dag gezegd.
--Maar hij was niets aardig, zeide Bella, hij heeft niet met ons gesproken ... anders doet hij het wel, en nu wilde hij niet.
--Ja, hij wilde wel, antwoordt Harry, want hij maakte eene beweging ... en toen, toen is hij toch vertrokken. U moest eens weten, papa, hoe goed hij is, hij kan zoo prettig met ons spelen!
--Wat kan hij mooi teekenen!... Weet je nog Harry, die groote hansworst met zijn stok?...
--En de kat, die groote kat.
De twee kinderen verwijderen zich, terwijl zij nog steeds over hunnen vriend Jean spreken.
--Zeker is het, zeide mijnheer Scott, dat iedereen hier in huis van hem houdt.
--En dat zal jij ook doen, zeide Bettina, als je hem kent.
Het regiment heeft zich aan het einde van het dorp in draf gezet. Hier is het terras, waar Bettina dien morgen gestaan heeft.--Wanneer zij er eens was! Jean vreest het, en toch hoopt hij het... Hij heft het hoofd op,--zij is er niet!
Hij heeft haar niet teruggezien! Hij zal haar niet terugzien ... ten minste, in lang niet. Hij vertrekt nog den zelfden avond, om zes uur, naar Parijs. Een der Chefs van het ministerie van Oorlog, stelt belang in hem. Hij wil zich bij een ander regiment over laten plaatsen.
Jean heeft nog eens goed over alles nagedacht, toen hij daar, in Cercottes, alleen was, en dit is het resultaat: hij kan, hij mag niet met Bettina trouwen!
De manschappen stijgen in de kazerne af. Jean neemt afscheid van zijn kolonel en van zijne kameraden. Alles is uit. Hij is vrij, hij kan vertrekken.... En toch vertrekt hij niet. Hij kijkt nog eens om zich heen... Hoe gelukkig was hij nog, drie maanden geleden, toen hij te paard, te midden van het gerommel der kanonnen, het voorplein van de kazerne afreed! Hoe treurig verlaat hij haar nu! Hier leefde hij ... waar zou hij nu heengaan?
Hij gaat naar huis, naar zijne kamer. Hij schrijft aan mevrouw Scott; hij zegt haar, dat hij voor dienstzaken genoodzaakt is, om dadelijk te vertrekken; dat hij niet kan komen dineeren; hij verzoekt Mevrouw Scott, zijne groeten aan mejuffrouw Bettina over te brengen... Bettina!... Het heeft hem moeite gekost dezen naam te schrijven!--Hij sluit den brief... Hij zal hem straks wegzenden.
Hij maakt de toebereidselen tot zijn vertrek. Daarna zal hij van zijn peetoom afscheid gaan nemen. Dit is het, wat hem het meeste leed doet... Hij zal slechts over eene afwezigheid van korten duur spreken.
Hij opent een der laden van zijn schrijftafel om er eenig geld uit te nemen. Het eerste waar zijn oog op valt, is een klein briefje. Het eenigste wat hij van haar ontvangen heeft:
"Wilt u de goedheid hebben, aan brenger dezes het boek mede te geven, waarover gij gesproken hebt? Het is misschien wel wat te ernstig voor mij... Ik wil het toch trachten te lezen... Tot straks. Kom zoo gauw mogelijk."