Part 6
Jean had niets gezien. Hij had de belofte aan zijnen peetoom gedaan, vergeten. En waarom had hij haar vergeten? Omdat mevrouw Scott en miss Percival hunne voetjes op de voetbankjes hadden gezet die voor hunne leuningstoelen met kussens overladen, geplaatst waren. Toen hadden zij zich lui achterover gevlijd, en door deze beweging waren vier kleine voetjes te voorschijn gekomen.
Jean keek naar deze voetjes en vroeg zich zelve af:
--Welke zijn de kleinste?
Terwijl hij dit raadsel trachtte op te lossen, zeide Bettina plotseling, fluisterend:
Mijnheer Jean! Kijk toch eens naar mijnheer de pastoor, hij slaapt.
--O goede Hemel! dat is mijn schuld.
--Hoezoo! uw schuld? vroeg mevrouw Scott, eveneens fluisterend.
--Ja... Mijn peetoom staat 's morgens zeer vroeg op en gaat vroeg ter ruste; hij heeft het mij zoo op 't hart gedrukt, hem niet in te laten slapen. Bij mevrouw de Longueval dommelde hij, na den eten, zeer dikwijls in. Gij hebt hem zoo hartelijk ontvangen, dat hij in zijne oude gewoonte is vervallen.
--Of hij gelijk heeft, zeide Bettina. Laten wij hem niet storen.
--Dat is lief van u, mejuffrouw; maar de avonden worden frisch.
--Dat is waar--hij zou kou kunnen vatten. Ik zal een mantel gaan halen.
--Ik geloof dat het beter is, mejuffrouw, om hem op eene listige wijze wakker te maken, dat hij niet merkt dat gij het gezien hebt.
--Laat mij maar begaan; Suzie, laat ons wat zingen, eerst zacht, maar dan sterker...
--Gaarne. Maar wat?
--Laat ons: Something childish ... zingen. De woorden zijn juist geschikt.
Suzie en Bettina zongen:
If I had but two little wings And were a little feathery bird, etc.
De pastoor bewoog zich niet. Harder klonken de stemmen:
But in my sleep to you I fly; I'm always with you in my sleep! etc.
En nog bewoog de pastoor zich niet.
--Wat slaapt hij rustig! ... zeide Suzie; het is eene schande om hem wakker te maken.
--Het moet toch!... Luider, Suzie, luider.
En helder klonken de stemmen:
Sleep stays not, though a monarch bids; So I love to wake ere break of day, etc.
De pastoor werd met schrik wakker. Na een oogenblik van angst, herademde hij... Niemand had blijkbaar gemerkt, dat hij geslapen had. Hij richtte zich op, rekte zich langzaam uit... Hij was gered.
Een kwartier later, deden de zusters den pastoor en Jean uitgeleide tot aan het hek van het park. Toen men dit hek genaderd was zeide Bettina tot Jean:
--Ik heb eene vraag aan u te richten. Toen wij van morgen aankwamen, hebben wij een bleek jongmensch ontmoet, met blonde snorren; hij bereed een zwart paard; hij heeft ons gegroet.
--Dat is Paul de Lavardens, een mijner vrienden. Hij is reeds aan u voorgesteld ... ofschoon zeer oppervlakkig. Hij brandt van verlangen om u weder voorgesteld te worden.
--Nu, dan moet gij hem een dezer dagen eens mee brengen, zeide mevrouw Scott.
--Maar niet voor den 25^{en}, riep Bettina uit. Wij willen niemand zien behalve u, mijnheer Jean--maar gij, gij telt niet. Ik zeg het misschien niet goed, maar het is een compliment. Ik wilde u juist iets zeer vriendelijks zeggen.
--En dat doet gij ook, mejuffrouw.
--Des te beter, wanneer u mij begrepen hebt.--Tot ziens, mijnheer Jean, tot morgen.
Mevrouw Scott en Bettina sloegen langzaam den weg naar het kasteel in.
--Je zult mij wel zeker beknorren Suzie, zeide Bettina.
--Waarom! beknorren?
Omdat ik te familiaar tegen dit jonge mensch geweest ben.
--Neen, volstrekt niet. Dit jonge mensch, heeft op mij dadelijk een zeer aangenamen indruk gemaakt. Ik stel het volste vertrouwen in hem.
--En ik ook.
--Ik ben verzekerd dat hij een goed vriend voor ons zijn zal.
--Dat hoop ik van harte... Te meer, Suzie, daar ik reeds, sedert ik in Frankrijk ben, veel jongelui ontmoet heb... En hij is werkelijk de eerste, in wiens oogen ik niet dadelijk gelezen heb, "Goede hemel! wat zou ik blij wezen, wanneer ik de millioenen van dit persoontje trouwen kon!" Dat kan men duidelijk op het gelaat der anderen lezen, maar niet op het zijne. Maar nu zijn wij thuis... Nacht Suzie, tot morgen.
Mevrouw Scott ging hare kinderen een goedennacht kus geven.
Bettina stond nog geruimen tijd tegen de balustrade van haar balcon geleund.
--Ik geloof, zeide zij tot zich zelve, dat ik deze streek zal liefkrijgen.
VII.
Den volgenden morgen toen de schietoefeningen afgeloopen waren, wachtte Paul de Lavardens, Jean op. Hij liet hem nauwelijks tijd om van zijn paard te stijgen ... en begon reeds dadelijk:
--Hoe is het diner gisteren afgeloopen. Ik heb ze 's morgens gezien. Ik heb ze gegroet. Hebben ze mij herkend? Wanneer breng je mij naar Longueval? Maar antwoord toch, geef antwoord!
--Antwoorden, antwoorden!--Op welke vraag?
--Wanneer breng je mij naar Longueval.
--Over een dag of twaalf. Zij willen op dit oogenblik niemand zien.
--Dus ga je eerst over een dag of twaalf weer naar Longueval?
--O, ik! ik ga er van daag weder heen. Maar ik tel niet. Jean Reynaud, het peetekind van den pastoor! ik kom onder bescherming en waarborg der kerk... En daarenboven, ik kan als gids dienst doen, ik ken het land... In een woord, ik ben niemand, terwijl jij, graaf Paul de Lavardens, iemand bent! Wees dus maar niet bang, jou beurt komt met de feesten en de bals, wanneer men moet schitteren en dansen. Dan trek ik mij in de vergetelheid terug.
--Ja, spot maar zoo veel je wilt... Het is toch maar waar, dat je in die tien dagen een voorsprong zult winnen!...
--Hoe zoo? een voorsprong?
--Kom Jean, wil je mij nu werkelijk doen gelooven, dat je al niet reeds verliefd op een van de twee vrouwen bent? Hoe is het mogelijk, zooveel schoonheid! zooveel weelde! En dan die kleine ... Bettina ... is het niet?
--Ja, Bettina.
--Bettina! ... gravin Bettina de Lavardens. Klinkt het niet aardig! En wat een ideaal van een mannetje zou zij aan mij hebben! Het is mijn voorland om de man van eene schatrijke vrouw te zijn! Dat is niet zoo gemakkelijk als men denkt! Men moet rijk kunnen zijn, en dat talent bezit ik. Ik heb al wat geld opgemaakt--en wanneer mama mij niet tegengehouden had!... Maar ik ben bereid, om dadelijk weer te beginnen. Wat zou zij gelukkig zijn! Ik zou ze niet alleen beminnen, maar ik zou het haar aangenaam maken... Kom Jean, wees eens goed; breng mij van daag bij mevrouw Scott.
--Ik verzeker je, ik kan niet.
--Nu, dan in tien dagen; maar dan waarschuw ik je, ik ga naar Longueval, en kom er niet meer vandaan. Maar dan hoop ik, dat je tegen dien tijd zoo vriendelijk zult zijn, om mij te waarschuwen ... welke van de twee je aan mij overlaat: mevrouw Scott of miss Percival.
--Je bent gek. Ik denk er niet aan, en zal er niet aan denken...
--Hoor eens Jean, je hebt de wijsheid in pacht; maar je hebt mooi zeggen en mooi praten--luister naar hetgeen ik zeg: Jean, je zult in dat huis verliefd worden.
--Ik geloof van niet, antwoordde Jean lachend.
--Ik ben er echter zeker van... Tot ziens.
Jean was dien morgen volkomen oprecht. Hij had den vorigen nacht uitstekend geslapen. Bij het tweede bezoek aan de zusters, was de onrust die zijne ziel beheerschte, als weggevaagd. Er was te veel geld, als dat de liefde van een armen drommel zooals hij, daar eerlijk plaats zou kunnen vinden.
Vriendschap, dat was iets anders. Met hart en ziel wenschte hij, en met alle macht zou hij trachten de achting en de toegenegenheid dezer twee vrouwen te winnen. Hij zou zijn best doen, om de schoonheid van Suzie en Bettina niet te veel optemerken. Men had hem oprecht, hartelijk gezegd: "Gij zult onze vriend zijn." Hij wenschte niets anders! En hij zou het zijn!
Gedurende de tien dagen die nu volgden, scheen alles tot het welslagen van deze onderneming mede te werken. Suzie, Bettina, de abbé en Jean brachten den tijd in de vertrouwelijkste gemeenzaamheid door. In den morgen maakten de zusters groote rijtoeren met den pastoor; en in den middag gingen zij met Jean paardrijden.
Jean gaf zich geen rekenschap van zijne gevoelens. Hij was volkomen gelukkig, volkomen gerust. Dus, hij was niet verliefd, want liefde en kalmte gaan zelden samen in het menschenhart.
Toch zag hij met spijt en innig leedwezen den dag te gemoet, dien de Turners, de Nortons, en het geheele Amerikaansche gezelschap naar Longueval zou brengen. Deze dag naderde met rassche schreden.
Jean kwam Vrijdag den 24^{en} Juni, om vier uur op het kasteel. Bettina ontving hem zeer verdrietig.
--Wat treft het ongelukkig! zeide zij, mijne zuster is ongesteld. Zij heeft wat hoofdpijn. Het zal morgen wel over zijn; maar nu durf ik niet met u alleen uit rijden te gaan. In Amerika zou het kunnen; maar hier, neen, niet waar?
Zeer zeker niet, antwoordde Jean.
--Nu ben ik wel genoodzaakt om u weg te sturen, en dat spijt mij.
--Het spijt mij ook, want nu zal ik den laatsten avond niet bij u kunnen zijn. Maar daar het moet!...
Maar u behoeft toch zoo gauw nog niet weg? Ik moet u spreken. Zet u daar neder--en luister goed naar mij. Wij hadden afgesproken, mijne zuster en ik, om na den eten eene kleine toespraak te houden; zij had u dan datgene gezegd, wat ik nu uit naam van ons beiden, zal trachten te zeggen. Lach niet, het is zeer ernstig. Wij wilden u beiden hartelijk dank zeggen, dat gij sedert onze komst zoo vriendelijk, zoo goed, zoo hartelijk, zoo...
--O! mejuffrouw, wat ik u bidden mag, het is aan mij...
--Val mij niet in de rede ... dan raak ik verward. Dan weet ik niet meer waar ik ben... Trouwens, ik houd vol, dat wij u moeten bedanken, niet u ons. Wij kwamen hier als vreemden, en wij hebben dadelijk vrienden gevonden--ja, vrienden. Gij hebt ons overal heengebracht ... en overal houdt men zoo veel van u, dat men van den weeromstuit, ook van ons is gaan houden.--Men aanbidt u in deze streek, weet u dat?
--Ik ben er geboren... Al die goede lieden kennen mij van mijne jeugd af, en zijn dankbaar voor hetgeen mijn grootvader en mijn vader voor hen gedaan hebben. En dan ... ik ben van het zelfde geslacht. Mijn overgrootvader was een landbouwer uit Bargecourt, een dorp, twee mijlen van hier.
--En gij zijt er trotsch op!
--Noch trotsch, noch vernederd.
--Vergeef mij ... gij maaktet eene trotsche beweging! Welnu, ik zal u dan ook vertellen, dat de overgrootvader van moederszijde, eene boerderij in Bretagne had. Hij is naar Canada gegaan, aan het einde der vorige eeuw, toen Canada nog Fransch was... En gij houdt veel van dit land, waar gij geboren zijt?
--Zeer veel. Ik zal het misschien spoedig moeten verlaten.
--Waarom?
--Wanneer ik bevorderd word, zal men mij naar een ander regiment overplaatsen, en dan zal ik van garnizoen, naar garnizoen trekken... Maar wanneer ik een oude gepensioneerde kolonel of overste ben, zal ik zeker hier terugkomen om in het huisje van mijn vader te sterven.
--Altijd alleen?
--Waarom alleen?--Ik hoop van niet.
--Zijt gij van plan te trouwen?
--Ja, zeker.
--En gij maakt er werk van?
--Neen, men kan aan trouwen denken, maar er geen werk van maken.
--En toch zijn er menschen die dit doen ... dat verzeker ik u ... en zelfs gij, men heeft u uit willen huwelijken.
--Hoe weet u dat?
--O, ik weet al uwe aangelegenheden! U is, wat men noemt--eene goede partij ... en men heeft u willen uithuwelijken.
--Wie heeft u dat gezegd?
--Mijnheer de pastoor.
--Dat was verkeerd van mijn peetoom, zeide Jean haastig.
--Neen, neen, volstrekt niet. Wanneer iemand schuld heeft, dan ben ik het, en schuldig uit hartelijkheid, niet uit nieuwsgierigheid. Ik heb opgemerkt, dat uw peetoom nooit gelukkiger is, dan dat hij over u spreekt; daarom spreek ik, wanneer wij 's morgens alleen zijn, over u, en dan vertelt hij mij uwe geschiedenis. Gij zijt welgesteld.--Gij krijgt van het gouvernement twee honderd dertien francs in de maand... Is het zoo niet?
--Ja, zeide Jean, die zich voornam om de onbescheidenheid van den pastoor niet kwalijk te nemen.
--Gij hebt acht duizend francs rente.
--Ten naaste bij, niet geheel.
--Voeg daar uw huis bij, dat een dertig duizend francs waard is. Dan bent u welgesteld, en men heeft reeds om uwe hand gevraagd.
--Om mijne hand gevraagd?--Neen! Neen!
--Zeker, zeker! Twee maal ... en gij hebt twee zeer goede huwelijken afgeslagen. Zeg mij waarom? Gij moest eens weten hoe nieuwsgierig ik ben.
--Wel, het waren twee allerliefste meisjes...
--Dat spreekt van zelfs? dat zegt men altijd.
--Maar die ik nauwelijks kende. Men heeft mij gedwongen,--want ik stribbelde tegen,--men heeft mij gedwongen, om met haar op twee of drie partijen te komen, verleden winter.
--En toen?
--Toen, ik weet niet goed, hoe ik het u zal uitleggen, toen voelde ik geen verlegenheid, geen aandoening, geen vrees, geen onrust.
--In een woord, zeide Bettina vastberaden, niet de minste zweem van liefde.
--Neen, niet de minste ... en ik ben kalmpjes naar huis gegaan; want ik vind, dat het beter is in 't geheel niet te trouwen, dan zonder liefde te trouwen.
--En dat vind ik ook.
Zij keek hem aan. Hij keek haar aan; en tot hunne groote verbazing, wisten zij niets meer tegen elkander te zeggen, niets meer. Gelukkigerwijze kwamen Harry en Bella, op dit oogenblik naar binnen stormen.
--Mijnheer Jean! mijnheer Jean is u er! Ga mee naar onze hitjes kijken.
--Edwards is van Parijs teruggekomen, zeide Bettina op eenigszins onzekeren toon, en hij heeft voor de kinderen miniatuur-paardjes medegebracht. Zullen wij ze gaan zien?
Men ging naar de paardjes kijken, die werkelijk waard waren, om in de stallen van den koning der Lilliputters eene plaats te vinden.
VIII.
Drie weken zijn vervlogen. Jean moet den volgenden dag met zijn regiment vertrekken, om schietoefeningen te houden; hij gaat een soldatenleventje lijden: tien dagen op marsch, voor het heengaan en het terugkomen, en tien dagen in het kamp van Cercottes, in het bosch van Orleans. Het regiment komt den 10^{en} Augustus te Souvigny terug.
Jean is niet meer gerust; Jean is niet meer gelukkig. Hij ziet het oogenblik van vertrek met ongeduld en tegelijkertijd met angst te gemoet... Met ongeduld, want hij lijdt helsche kwalen; hij wil zoo gauw mogelijk weg... Met angst, want, wat zal er deze twintig dagen van hem worden, zonder haar te zien, zonder haar te spreken? Het is Bettina die hij bemint!
Sedert wanneer? Sedert het eerste oogenblik af, sedert hunne ontmoeting, in Mei, in den tuin van den pastoor! Dat is de waarheid! Maar Jean worstelt en strijdt tegen deze waarheid. Hij gelooft dat hij Bettina slechts bemind heeft, van het oogenblik af, dat zij vroolijk, vriendschappelijk, in het kleine salon zaten te praten. Zij zat op de blauwe canapé, bij het raam, en vermaakte er zich al pratende mede, om het toilet in orde te maken van eene Japansche prinses, eene pop van Bella, die op een stoel lag, en die Bettina werktuigelijk had opgenomen.
Waarom had miss Percival over deze twee meisjes, die hij had kunnen trouwen, gesproken? De vraag had hem trouwens in 't geheel niet in verlegenheid gebracht. Hij had geantwoord, dat hij toen volstrekt geen lust in trouwen had. Hij glimlachte, toen hij dit zeide; maar eenige oogenblikken later lachte hij niet meer. Zijne gevoelens, zijne gejaagdheid, die aandoening, nu begreep hij ze pas. Jean liet zich niet misleiden; hij gaf zich rekenschap van de diepte van de wonde; zij had hem midden in het hart getroffen. Jean gaf echter den moed niet op. Toen hij dien dag vertrok, dacht hij: "Ja, het is zeer ernstig, maar het zal wel overgaan." Hij zocht deze dwaasheid te vergoelijken; hij schoof alles op de omstandigheden. Dit bekoorlijke wezentje, was te dikwijls in deze tien dagen met hem alleen geweest! Hij was verrukt over hare schoonheid, over hare bekoorlijkheid. Maar morgen zouden twintig personen op het kasteel aankomen, en dan zou deze gevaarlijke vertrouwelijkheid een einde nemen. Hij zou den moed hebben, om zich op een afstand te houden, en Bettina minder van nabij te zien... Haar nooit meer te zien, daar kon hij niet aan denken! Hij wilde de vriend van Bettina blijven, daar hij slechts haar vriend zijn kon.
Want er was eene gedachte, die zelfs niet in het brein van Jean opkwam; deze gedachte scheen hem vreeselijk toe. Jean was een eerlijk man. Het geld van Bettina wekte afschuw bij hem op.
Van den 25^{en} Juni af, kwamen de gasten op het kasteel Longueval. Mevrouw Norton was met haren zoon, Daniel Norton, aangekomen, en mevrouw Turner kwam met haren zoon Filip; beiden, Daniel en Filip maakten deel uit van het vermaarde broederschap der vier en dertigen. Het waren oude vrienden; Bettina had hen als zoodanig behandeld, en had hen openhartig verklaard, dat zij vergeefsche moeite deden; zij waren echter niet uit het veld geslagen, en vormden het middelpunt van een kleinen kring aanbidders, die zich om Bettina geschaard hadden.
Paul de Lavardens was op het tooneel verschenen en was spoedig een allemansvriend geworden. Hij had de schitterende, volmaakte opvoeding genoten van een jongmensch, dat slechts voor zijn genoegens leeft; wanneer het er op aankwam om zich te amuseeren: hetzij te paard, of met croquet, lawn-tennis, polo, dansen, charades en comedies, hij stond altijd klaar, hij overtrof allen. Paul werd met algemeene stemmen tot directeur en commissaris der feesten in Longueval gekozen.
Bettina aarzelde geen oogenblik. Jean had Paul de Lavardens aan haar voorgesteld, en toen deze nauwelijks het gebruikelijke complimentje gestameld had, fluisterde zij Suzie in het oor.
--De vijf en dertigste!
Zij ontving Paul echter zeer hartelijk, en zóó hartelijk zelfs, dat hij zich gedurende eenige dagen liet misleiden. Hij geloofde, dat zijne aangename persoonlijkheid hem deze vriendelijke ontvangst bereid had. Het was eene groote vergissing. Hij was door Jean voorgesteld; hij was de vriend van Jean; en daarin bestond, in de oogen van Bettina, zijn geheele verdienste.
Het kasteel van mevrouw Scott stond voor iedereen open; men werd niet voor eenen avond, maar voor elken avond gevraagd; en Paul maakte er gretig gebruik van. Zijn droom was vervuld. Hij vond Parijs in Longueval terug!
Paul was noch dwaas, noch verwaand. Hij was werkelijk, van miss Percival's zijde, het voorwerp van bijzondere oplettendheden en gunstbewijzen; zij kon zeer lang met hem alleen zitten praten... Maar, wat was het eeuwige, onuitputtelijke onderwerp van het gesprek? Jean, en nog eens Jean, altijd Jean!
Paul was oppervlakkig, lichtzinnig, losbandig, maar hij werd oogenblikkelijk ernstig, wanneer men van Jean sprak; hij wist hem naar waarde te schatten, hij hield van hem. Niets was hem aangenamer dan van den vriend zijner jeugd, al het mogelijke goeds te kunnen zeggen. En daar hij zag, dat Bettina er behagen in schepte om naar hem te luisteren, liet Paul aan zijne welsprekendheid den vrijen loop.
Maar Paul--en hij had er recht op--wilde nu ook eens het voordeel van zijn edelmoedig gedrag smaken. Hij had een kwartier met Bettina gesproken. Toen het gesprek afgeloopen was, ging hij Jean opzoeken en zeide:
--Je hebt mij het veld geruimd ... en ik heb mij maar dadelijk van miss Percival meester gemaakt.
--Nu, je kunt over den uitslag tevreden zijn. Je schijnt goede vrienden te wezen.
--Ja, zeker... Het gaat ... zoo zoo. Er bestaat geen liefelijker wezen, dan miss Percival; maar, onder ons gezegd, zij laat mij eene ondankbare, bespottelijke rol spelen, eene rol die niets geschikt is voor mijn leeftijd. Ik, ik heb de leeftijd om verliefd te zijn, maar niet om als vertrouwde dienst te doen.
--Vertrouwde?
--Ja, mijn waarde, vertrouwde! Ziehier mijne bezigheid, in dit huis. Je hebt straks naar ons zitten kijken. O! ik heb goede oogen. Nu, weet je waarover wij spraken? Over jou, beste, en over niemand anders! En zoo is het elken avond. Eindelooze vragen: Of wij samen opgevoed zijn, enz. enz. O Jean! wanneer je het wenschte!...
Jean werd boos. Paul verwonderde zich zeer over deze plotselinge prikkelbaarheid.
--Wat heb je? Ik heb toch niets gezegd...
--Vergeef mij, ik had ongelijk; maar hoe kan je zoo iets bespottelijks verzinnen!
--Bespottelijk? dat zie ik niet in... Ik zelf heb wel deze bespottelijke gedachte opgevat.
--O, jij!
--Hoezoo, ik? Als ik het denk, dan kan jij het ook denken... Je bent beter dan ik...
--Paul, ik bid je!
Jean voelde zich klaarblijkelijk niet op zijn gemak.
--Laat ons er niet meer over spreken. Maar wat ik zeggen wilde, miss Percival vindt mij in één woord allerliefst; maar met mij meent zij het nooit ernstig. Ik ga mijn geluk bij mevrouw Scott beproeven.
Paul zocht zijn geluk bij mevrouw Scott, maar tot zijne groote verwondering stootte hij hier op Jean; deze nam werkelijk geregeld in den kring van mevrouw Scott, die net als Bettina hare aanbidders had, plaats. Jean zocht hier bescherming, een toevluchtsoord, eene schuilplaats.
Op den gedenkwaardigen dag, dat het gesprek over huwelijken zonder liefde plaats had, had Bettina ook voor de eerste maal de behoefte om te beminnen, die in elk hart van een jong meisje sluimert, in zich voelen opkomen. Beiden hadden het zelfde gevoeld. Hij had zich verschrikt teruggetrokken. Zij had zich integendeel, in de volle onschuld haars harten, door deze gemoedsbeweging laten medeslepen.
Zij wachtte op de liefde ... als het eens liefde was! De man die haar geheele gedachte, haar leven, hare ziel moest vervullen, als hij het eens was! Waarom niet? Zij kende hem beter dan al die anderen, die een jaar lang op haar fortuin hadden geaasd, en wat zij van hem wist, was genoeg om het vertrouwen en de liefde van een eerlijk meisje te winnen.
Beiden deden er wel aan, beiden handelden naar plicht en naar waarheid: zij, zich overgevend; hij, weerstand biedend; zij, geen oogenblik aan de armoede van Jean denkend; hij, terugdeinzend voor al die millioenen, zooals hij voor eene misdaad zou terugdeinzen; zij, die meende, dat men niet den spot moest drijven met de liefde; hij, geloovend dat men geen recht had, zijn eergevoel prijs te geven.
Daardoor kwam het dat Bettina zich ongedwongen aan hare eerste liefde overgaf, terwijl Jean met elken dag zwaarmoediger en gejaagder werd. Hij was niet alleen bang om te beminnen; hij was bang om bemind te worden.
Hij had thuis willen blijven, hij kon niet... De verleiding was te groot en sleepte hem mede. Hij ging er dus heen... Zij kwam dadelijk naar hem toe, een glimlach op de lippen, en den blik vol liefde. Haar geheele wezen scheen hem toe te roepen: "Laat ons trachten om elkaar te beminnen, en, wanneer wij kunnen, laten wij dan elkander liefhebben!"
Eene vrees overviel hem. Hij wilde den blik ontwijken, die teeder lachend, vragend en angstig, de zijne zocht. Hij deinsde voor de noodzakelijkheid terug om tegen Bettina te moeten spreken, en om hare stem te hooren. Toen zocht hij zijne toevlucht bij mevrouw Scott; en deze meende toen, dat de onsamenhangende, verwarde woorden die niet voor haar bestemd, toch aan haar zelve gericht waren.
Suzie kon er zich gemakkelijk in vergissen. Bettina had haar niets van de gevoelens gezegd, die nog in haar hart sluimerden. Zij bewaakte en koesterde het geheim van deze eerste liefde, zooals een gierigaard de eerste goudstukken van zijn schat bewaard.
Mevrouw Scott was er eindelijk toegekomen, om de van dag tot dag toenemende zwaarmoedigheid van Jean aan haar zelve toe te schrijven. Zij was er door gevlijd,--want het mishaagt eene vrouw nooit, zich bemind te wanen,--zij was er dus door gevlijd, maar tevens over bedroefd. Zij achtte Jean zeer hoog, en was hem zeer toegenegen: het deed haar leed, dat hij om harentwille treurig en ongelukkig was.
Suzie voelde zich trouwens onschuldig. Tegen de anderen was zij wel eens coquet. Die hadden niets te doen, en deugden nergens voor; het was voor hen en voor haar een tijdverdrijf... Maar met Jean had zij niet gecoquetteerd. Hij was beter dan de anderen; hij was een man die werkelijk lijden zou, en dat wilde zij niet. Zij was reeds eenige malen van plan geweest om hem eens kalm toe te spreken, maar zij had zich bedacht... Jean ging nu vertrekken; wanneer het bij zijn terugkeer nog noodig was, dan zou zij hem de les lezen.