De Abbé Constantijn

Part 5

Chapter 54,010 wordsPublic domain

Men maakte het hof aan mevrouw Scott, men maakte haar zelfs zeer het hof ... men maakte het haar in het Fransch, in het Engelsch, in het Italiaansch, in het Spaansch. Want zij sprak deze vier talen ... en dat is nog een voorrecht, dat de vreemdelingen op die arme Parisiennes voorhebben, die gewoonlijk slechts hunne moedertaal kunnen spreken en dus niet de genoegens der internationale hartstochten leeren kennen. Mevrouw Scott gebruikte geen stok om de heeren de deur te wijzen. Zij had tien, twintig bewonderaars te gelijk. Niemand kon zich op eenige onderscheiding beroemen; aan allen bood zij de zelfde vriendelijke tegenstand... Men zag duidelijk dat zij zich vermaakte, en geen oogenblik het spel ernstig opnam. Zij speelde uit louter genoegen, voor de eer, uit liefde tot de kunst. De heer Scott had nooit de minste vrees; en hij had gelijk... Nog meer, hij verheugde zich over het succes zijner vrouw; hij was gelukkig wanneer zij gelukkig was. Hij had haar zeer lief ... nog iets meer, dan zij hem liefhad. Zij beminde hem dat is alles.

Wat Bettina betrof, om haar was het eene formeele belegering! Zulk een fortuin! Zulk eene schoonheid! Miss Percival was den 15^{en} April te Parijs gekomen; er waren nauwelijks veertien dagen verloopen, of het regende huwe-aanzoeken. In den loop van dit eerste jaar,--Bettina had er nauwkeurig aanteekening van gehouden--had zij, wanneer zij gewild had, vier en dertig keer kunnen trouwen... En welk eene verscheidenheid van pretendenten.

Men vroeg hare hand voor een jongen banneling, die bij zekere gebeurtenis geroepen zou kunnen worden, eenen troon te beklimmen, een zeer kleinen wel is waar, maar toch eenen troon.

Men vroeg hare hand voor een jongen hertog, die een goed figuur zou slaan aan het hof, wanneer Frankrijk--en dat was onvermijdelijk!--hare dwalingen zou inzien en zich voor haren rechtmatigen heer en meester zou buigen.

Men vroeg hare hand, voor een jongen prins, die eene plaats kreeg op de trappen van den troon, wanneer Frankrijk,--en dat was onvermijdelijk!--de keten der traditiën van Napoleon hernieuwde.

Men vroeg hare hand, voor een jongen republiekeinschen afgevaardigde, die eene schitterende redevoering in de Kamer gehouden had, en voor wien eene schitterende toekomst was weggelegd; want de Republiek was nu in Frankrijk op onverdelgbare grondslagen gebouwd.

Men vroeg hare hand, voor een jongen Spanjaard uit den aanzienlijksten stand; men gaf haar zelfs te verstaan, dat het huwelijkscontract in het paleis eener koningin zou gesloten worden, die niet ver van de "Arc de l'Etoile" woonde... Trouwens, men kan haar adres in den Almanak van Bottin vinden ... want er bestaan tegenwoordig koninginnen die hun adres in de Bottin hebben staan, tusschen een notaris en een tuinier. Alleen de koningen van Frankrijk wonen niet meer in Frankrijk.

Men vroeg hare hand, voor den zoon van een pair van Engeland en voor den zoon van een lid van het Hoogerhuis uit Weenen; voor eenen bankierszoon in Parijs en voor den zoon van een Russischen gezant; voor een Hongaarschen graaf en voor een Italiaanschen prins ... en ook voor eenige zeer brave jongelingen, die niets hadden en niets waren, noch naam noch fortuin. Maar Bettina had met hen gedanst, en, daar zij zich onweerstaanbaar waanden, hoopten zij, dat zij haar kleine hartje sneller hadden doen kloppen.

Niets had het tot nu toe sneller doen kloppen, en allen hadden hetzelfde antwoord ontvangen:

--Neen!--Neen! Nog eens neen!... Altijd neen!

Eenige dagen na de opvoering van _Aïda_ hadden de twee zusters lang en breed over deze groote, eeuwigdurende huwelijksquaestie gesproken. Mevrouw Scott had een zekeren naam genoemd, waarop miss Percival kort en bondig een weigerend antwoord gegeven had.

Suzie had lachend tegen hare zuster gezegd:

--Je zult toch wel genoodzaakt wezen ééns te trouwen, Bettina...

--Ja, zeker!... Maar ik zou het vreeselijk vinden, zonder liefde te trouwen!... Mij dunkt, dat mocht ik daar nog eens toe komen, ik eerst gevaar zou moeten loopen als oude jongejuffrouw te sterven ... en zoover ben ik nog niet!

--Neen, nog niet.

--Dat kan ik nog wachten!

--Maar onder al die aanbidders, die je nu al sedert een jaar achter je aansleept, waren er toch wel aardige, knappe bij, en het is wel vreemd, dat geen een...

--Geen een!... Suzie, geen een! Waarom zou ik niet de waarheid spreken? Is het hunne schuld? zijn zij onhandig geweest? Hadden zij misschien, wanneer zij het beter aangelegd hadden, den weg tot mijn hart kunnen vinden? Is deze weg misschien onaangenaam, steil, hobbelig, ongenaakbaar, waar nooit iemand over zal gaan? Zou ik misschien een ondeugend, koud, koel wezentje zijn, dat veroordeeld is om nooit lief te hebben?

--Dat geloof ik niet...

--Ik ook niet, maar tot nu toe is het toch zoo! Neen, ik heb nooit iets gevoeld, dat naar liefde zweemde... Je lacht... Je denkt, wat weet dat kleine nest van liefde af! Je hebt gelijk, ik weet het niet--maar ik vermoed het. Beminnen, niet waar Suzie, is iemand boven alles, boven iedereen liefhebben?

--Ja, dat is het.

--Nooit moede worden, dien persoon te zien, en zijne stem te hooren, zonder zijn bijzijn niet meer te kunnen leven, en weder plotseling te herleven, wanneer hij verschijnt? Is het niet dat?

--O! O! dat is verhevene liefde!

--Welnu, dat is het droombeeld mijner liefde...

--En deze liefde komt niet?

--In 't geheel niet--tot nu toe. En toch bestaat zij, de persoon, die ik boven alles liefheb... Weet je wie het is?

--Neen, ik weet het niet ... maar ik denk--

--Ja, jij bent het, lieveling, en daardoor ondeugende zuster, ben ik misschien zoo ongevoelig en wreed. Ik houd te veel van je. Mijn hart is vol! Je hebt het geheel ingenomen, er is voor niemand anders plaats. Iemand boven je verkiezen! Iemand meer liefhebben!--Dat zal ik nooit kunnen!...

--O! zeer zeker!

--O! zeer zeker niet!... Op eene andere wijze van iemand houden--misschien?--Maar meer, neen! Dat moet hij zich maar niet verbeelden die mijnheer, dien ik verwacht en die niet komt.

--Wees maar niet bang, lieve Betty. Er is plaats in je hart voor allen die je moet beminnen; voor je echtgenoot, voor je kinderen, en ook, zonder dat ik er iets bij verlies, voor je oude zuster. Het menschenhart is klein, maar toch zeer groot.

Bettina omhelsde hare zuster hartelijk; en haar hoofdje zacht op den schouder van Suzie vlijend:

--Wanneer het je echter verveelde, mij bij je te houden, wanneer je mij kwijt wildet zijn, weet je wat ik dan doen zou? Ik zou om twee van die heeren loten... Er zijn er, strikt genomen twee, die ik niet zoo zeer onaangenaam vind.

--Welke twee.

--Raad eens...

--Prins Romanelli.

--En de andere!

--Mijnheer de Montessan.

--Ja, dat zijn ze: die twee zijn aanneembaar maar ook niet meer ... en dat is niet genoeg.

Daardoor kwam het, dat Bettina met ongeduld den dag van hun vertrek naar Longueval te gemoet zag... Zij voelde zich vermoeid van al de vermakelijkheden, van zooveel succes en van zoovele huwelijksaanzoeken. Zij was van het eerste oogenblik af in den Parijschen maalstroom medegesleurd, die haar niet los had gelaten. Geen oogenblik van rust of herademing... Zij voelde de behoefte om zich ten minste voor eenige dagen af te zonderen, om met zich zelve te rade te gaan en in volkomen rust en eenzaamheid van het landleven, haar hart te onderzoeken.

Vroolijk en blijde, stapte Bettina den 14^{en} Juni in den trein, die haar naar Longueval zou brengen. Toen zij alleen met hare zuster, in de coupe gezeten was, riep zij:

--O! wat ben ik gelukkig! Laat ons eens goed ademhalen. Tien dagen met jou samen! Want de Nortons en de Turners komen eerst den 25^{en}.

Wij zullen onzen tijd te paard, in een rijtuig, in het bosch, in de weilanden doorbrengen.

Tien dagen van vrijheid! En in dien tijd geen aanbidders! geen aanbidders meer! En goede hemel, waarop waren al die aanbidders toch verliefd? Op mij of op mijn geld? Dat is de vraag, het ondoorgrondelijke geheim.

Toen de trein zich langzaam in beweging zette, overviel Bettina eene dwaze gedachte; zij boog zich uit het raampje en riep, terwijl zij hare woorden met eene handbeweging deed vergezeld gaan:

--Dag! aanbidders, dag!

Toen trok zij haar hoofdje snel terug, en barstte in een schaterlach uit.

--O! Suzie! Suzie!

--Wat is er?

--Een man met eene roode vlag in de hand... Hij heeft mij gezien! hij heeft het gehoord! ... en hij keek zoo verbaasd!...

--Je bent zoo onverstandig!

--Ja, het is waar, om zoo uit het portier te roepen, ... maar niet, omdat ik gelukkig ben bij de gedachte, dat wij alleen zullen blijven.

--Alleen! ... niet geheel. Wij hebben, om te beginnen van avond twee heeren te dineeren.

--O, dat is waar ... maar dat spijt mij niet... Ja, ik ben blij dat ik den ouden pastoor terug zie, en vooral dien jongen officier...

--Hoedat! vooral?

--Zeker ... het was zoo aandoenlijk, wat dien notaris uit Souvigny ons verleden verteld heeft, het is eene goede daad van dien grooten artillerist, toen hij klein was, zoo goed, dat ik van avond eene gelegenheid zal zoeken het hem te zeggen ... en ik zal haar vinden!

Toen plotseling aan het gesprek eene andere wending gevend, zeide Bettina:

--Men heeft toch gisteren wel het telegram aan Edwards gestuurd, voor de hitjes?

--Ja, gisteren, voor het diner...

--Ik mag ze toch tot voor het kasteel mennen; ik zou het zoo prettig vinden om door de stad te gaan, en met eenen sierlijken zwaai, zonder ophouden het plein op te rijden, tot voor het perron! Zeg ... mag ik?

--Natuurlijk, jij mag mennen.

--Wat ben je toch goed, Suzie!

Edwards was de pikeur. Hij was reeds drie dagen op het kasteel om de stallen in orde te brengen, en om den dienst te regelen. Hij verwaardigde zich om zelf mevrouw Scott en miss Percivall tegemoet te gaan. Hij wachtte met de vier hitjes voor het stationsplein, in gezelschap van eene groote menigte. Men kon zeggen dat geheel Souvigny aanwezig was. Het rijden door de stad met de hitjes, had opzien gebaard. De bewoners waren uit hunne woningen gesneld en hadden elkander gretig afgevraagd:

--Wat is dat?

Eenigen hadden deze meening geuit:

--Misschien een kermistroep...

Maar van alle kanten had men geroepen:

--Hebt gij dan niet gezien hoe het er uitzag ... en het rijtuig ... en het tuig dat als goud blonk ... en de kleine paardjes met hunne witte rozen aan weerskanten van den kop.

De menigte was nog steeds aangegroeid, en de nieuwsgierigen vernamen toen, dat zij de eer zouden hebben bij de aankomst van de eigenares van Longueval tegenwoordig te zijn.

Men was wel een weinig teleurgesteld toen de twee zusters zich vertoonden, wel is waar zeer mooi, maar zeer eenvoudig in hun reistoilet. Die goede menschen hadden zeker twee sprookjesprinsessen verwacht, in zijde en brocaat gekleed, schitterend van robijnen en diamanten. Maar zij zetten groote oogen op, toen zij Bettina langzaam om de vier paardjes zagen heengaan, ze één voor één zachtjes met de hand liefkozen en met een kennersoog het tuig monsteren. Het was Bettina niet onaangenaam--dat moet bekend worden--om een zekeren indruk op deze gapende menigte te maken.

--U mag wel oppassen, juffrouw, zeide Edwards; de paarden zijn zeer wild vandaag.

--Wees maar niet bang, antwoordde Bettina, ik ken ze.

Miss Percival had eene zeer vaste, zeer lichte en toch zeer zekere hand. Zij hield de paardjes eenige oogenblikken in, en dwong hen om in de rij te blijven staan; toen, de twee voorste paarden tegelijk met haren zweep aanrakend, zette zij met eenen slag het gespan in beweging en met eene onvergelijkelijke handigheid verliet zij op meesterlijke wijze het voorplein van het station, te midden van het gemompel der bewonderende, verbaasde menigte.

Totdat zij de stad achter zich hadden, hield Bettina hunnen gang in; maar, nauwelijks zag zij den grooten weg voor zich, of zij liet de paardjes langzamerhand den vrijen loop ... en zij liepen als den wind.

--Wat ben ik gelukkig, Suzie! riep zij uit. Wil jij niet eens mennen? Het is een genot wanneer men ze zoo kan laten draven! Zij zijn zoo vlug en zoo gedwee! Kom, neem de leidsels.

--Neen, houdt ze, het doet mij genoegen, wanneer ik zie, dat jij je amuseert.

--O! wat dat betreft! Ik houd er zoo veel van--een vierspan te mennen, en ruimte om ze te laten draven!... In Parijs, zelf des morgens durfde ik niet ... men keek mij te veel aan ... dat hinderde mij... En hier ... niemand! niemand!

Op het oogenblik dat Bettina dit "niemand! niemand!" triomfantelijk uitriep, kwam een ruiter stapvoets aangereden.

Het was Paul de Lavardens... Hij stond daar al sedert een uur op wacht, om het genoegen te smaken de twee Amerikaanschen voorbij te zien gaan.

--Je vergist je, zeide Suzie, hier is iemand.

--Een boer, dat telt niet ... boeren; die vragen niet om mijne hand.

--Het is volstrekt geen boer. Zie maar.

Paul de Lavardens groette de twee zusters zeer eerbiedig toen hij voorbij het rijtuig ging; een groet, die duidelijk den Parijzenaar verraadde.

De paardjes liepen zoo snel, dat de ontmoeting het werk van een oogenblik was.

Wie is die mijnheer, die ons gegroet heeft? riep Bettina uit.

--Ik kon hem nauwelijks zien, maar ik geloof wel dat ik hem ken.

--Je kent hem?

--Ja, ik wed dat ik hem dezen winter bij mij gezien heb.

--Goede hemel! zou het een van de vier en dertig zijn? Gaat het alweer beginnen?

VI.

Op dien zelfden dag, kwam Jean tegen half acht den pastoor halen en beiden sloegen den weg naar het kasteel in.

Sedert eene maand had zich een geheel leger van werklieden van Longueval meester gemaakt; de herbergen en de kroegen van het dorp maakten fortuin. Groote verhuiswagens hadden uit Parijs scheepsladingen meubels en tapijten gebracht. Acht en veertig uur voor de komst van mevrouw Scott had juffrouw Marbeau, de post-directrice en mevrouw Lormier, de vrouw van den burgemeester, zich toegang tot het kasteel weten te verschaffen; hunne verhalen brachten de hoofden op hol. De oude meubels waren verdwenen; men liep te midden van eene opeenstapeling van prachtstukken. En de stallen! en het koetshuis! Een exprestrein had van Parijs, onder het hooge toezicht van Edwards, een twaalftal rijtuigen, en welke rijtuigen! een twintigtal paarden, en welke paarden! aangebracht.

De abbé Constantijn dacht, dat hij wist wat weelde was. Hij dineerde eens in het jaar bij zijn bisschop, den Hoogwaarden heer Foubert, een aangenaam en rijk prelaat, die zeer goed ontving. Tot nu toe, had de pastoor gedacht, dat er op de geheele wereld niets vorstelijkers te zien was, dan het bisschoppelijk paleis van Souvigny, dan de kasteelen van Lavardens en van Longueval... Na alles wat hij gehoord had, begon hij nu te begrijpen, dat de weelde der groote huizen uit den tegenwoordigen tijd, de ernstige, stijve weelde uit de oude huizen van den vroegeren tijd, ver overtrof.

Toen de pastoor en Jean een eind de laan van het park, die naar het kasteel leidde, op waren gegaan, zeide hij:

--Zie eens Jean, welke eene verandering! Dit gedeelte van het park was geheel verwaarloosd--en nu is alles met zand bestrooid... Ik zal mij hier niet meer thuis gevoelen... Het zal te mooi worden! Ik zal niet meer mijn oude leuningstoel terugvinden, waar ik zoo dikwijls na den eten in geslapen heb. Wat zal ik doen, als ik van avond inslaap? Zal je er op letten, Jean... Wanneer je ziet dat ik indommel, moet je mij van achteren in den arm knijpen. Beloof je het mij?

--Ja peetoom, ik beloof het u.

Jean luisterde maar half naar het gesprek van den pastoor. Hij was zeer nieuwsgierig om mevrouw Scott en miss Percival terug te zien; maar deze nieuwsgierigheid ging met eene groote angst gepaard. Zou hij ze in het groote salon van Longueval terugzien, zooals hij ze in de kleine kamer van de pastorie ontmoet had? Misschien zou hij, inplaats van deze twee vrouwen die zóó eenvoudig, zóó vriendelijk waren en die hem van den eersten dag af met zooveel bevalligheid en minzaamheid ontvangen hadden, twee mooie, elegante, koude en correcte modepopjes terug vinden. Zou de eerste indruk uitgewischt worden?--verdwijnen? Of zou hij integendeel nog aangenamer, nog dieper gewaarwording teweeg brengen?

Zij klommen de zes trappen van het perron op, en werden in de vestibule door twee lakeien ontvangen. Deze vestibule was vroeger eene groote, kale ruimte met steenen muren; deze muren waren nu met prachtige tapijten behangen, die tafereelen uit de mythologie voorstelden. De pastoor keek er nauwelijks naar, maar dit was genoeg om te bemerken dat de godinnen die zich onder het lommer bewogen in de zeer luchtige kleederdracht der oudheid gehuld waren.

Een der lakeien deed de deuren van het salon open. Hier hield de oude markiezin zich gewoonlijk op, rechts van den hoogen schoorsteen gezeten, en links stond de groote leuningstoel. Geen leuningstoel meer! Het oude meubel uit den Empiretijd was verbannen en door een prachtigen stoel uit het einde der vorige eeuw vervangen. Een aantal kleine stoeltjes en poufjes van alle kleuren en van alle vormen waren hier en daar met een schijn van onorde verspreid, die het toppunt van kunst moest verbeelden. Mevrouw Scott stond op, toen de pastoor en Jean binnenkwamen, en ging hen te gemoet:

--Het is zeer vriendelijk van u, mijnheer de pastoor, dat gij gekomen zijt... En gij ook mijnheer ... wat ben ik blij u weer te zien gij mijne eerste, mijne eenige vrienden in deze streek!

Jean herademde. Het was wel dezelfde vrouw.

--Mag ik u mijne kinderen voorstellen? voegde mevrouw Scott er bij ... Harry en Bella ... kom hier.

Harry was een aardig ventje van zes en Bella een lief meisje van vijf jaar; zij hadden de groote zwarte oogen en de gouden lokken hunner moeder.

Nadat de pastoor de twee kinderen gekust had, zeide Harry, die met bewondering naar de uniform van Jean keek, tot zijne moeder:

--Mama, moet ik dien militair ook een kus geven?

--Als je wilt, antwoordde mevrouw Scott, en indien mijnheer het toestaat.

De kinderen waren een oogenblik later op de knieën van Jean gezeten en overlaadden hem met vragen.

--Bent u officier?

--Ja, ik ben officier.

--Van wat?

--Van de artillerie.

--Artilleristen ... dat zijn die, die een kanon aftrekken... O! wat zou ik het prettig vinden om dat eens te zien!

--Gij moet ons eens meenemen, wanneer men het kanon aftrekt; zeg, wilt u?

Mevrouw Scott en de pastoor zaten in dien tusschentijd samen te praten, en Jean keek, terwijl hij de vragen der kinderen beantwoordde, naar mevrouw Scott. Zij droeg een kleed van wit neteldoek, maar het neteldoek was geheel door strookjes van Valencienne bedekt. Het lijf was van voren laag vierkant uitgesneden. De armen waren tot aan de ellebogen ontbloot, zij droeg een groote ruiker roode rozen aan haren boezem, en eene roode roos in het haar, die door een diamanten speld werd vast gehouden, niets meer.

Mevrouw Scott merkte plotseling dat Jean door hare kinderen in beslag was genomen.

--O! ik vraag u wel excuus, mijnheer! Harry! Bella!

--Ik bid u mevrouw, laat ze toch.

--Wat spijt het mij, dat ik u zoo lang op het diner laat wachten. Mijne zuster is nog niet beneden. O! daar is zij.

Bettina trad binnen. Dezelfde japon van wit neteldoek, dezelfde kanten, dezelfde roode rozen, dezelfde bevalligheid, dezelfde schoonheid en hetzelfde lachende, vriendelijke, hartelijke onthaal.

--Uwe onderdanige dienares, mijnheer de pastoor. Hebt gij mij mijne vreeselijke vrijpostigheid van verleden vergeven? Zich toen naar Jean wendend en hem de hand toestekend:

--Dag mijnheer--mijnheer... Nu heb ik werkelijk uw naam vergeten ... en toch komt het mij voor alsof wij reeds oude vrienden waren?--

--Jean Reynaud.

--Jean Reynaud ... dat is ook waar. Nu, dag mijnheer Reynaud! maar, ik waarschuw u, wanneer wij in een dag of tien werkelijke oude vrienden zijn, dan zal ik u mijnheer Jean noemen... Het is een zeer mooie naam, Jean.

Men kwam zeggen dat het diner gereed was. De gouvernantes kwamen de kinderen halen. Mevrouw Scott nam den arm van den pastoor, Bettina, den arm van Jean.

Het gesprek was weldra zeer levendig... De zusters waren geheel opgetogen. Zij hadden reeds eene wandeling in het park gedaan, morgen wilden zij een langen wandelrit in het bosch maken. Paardrijden was voor hen een genot, een hartstocht! Daar het voor Jean ook een genot was, vroeg men hem aan dezen rit deel te nemen. Hij nam het met blijdschap aan. Niemand kende de omstreken zoo goed als hij; het was zijn land. Hij zou zoo gelukkig wezen, wanneer hij hen alles kon laten zien!

--Rijdt gij elken dag paard? vroeg Bettina hem.

--Elken dag en gewoonlijk twee maal per dag. Des morgens voor dienst en 's avonds voor mijn genoegen.

--Des morgens vroeg?

--Om half zes...

--En het is al dag?

--O! nu klaar licht en dag.

--Zoo vroeg op te staan, is heerlijk! Wij eindigen onzen dag dikwijls, wanneer gij den uwen begint. En gij hebt uw beroep lief?

--Zeer. Het is zoo heerlijk om zijn bestaan en plichten duidelijk voor oogen te hebben.

--Nooit zijn eigen heer en meester zijn, altijd te moeten gehoorzamen, zeide mevrouw Scott!...

Dat is het, wat mij het beste bevalt. Niets is gemakkelijker dan te gehoorzamen ... en, te leeren gehoorzamen, is het eenige middel om te leeren bevelen.

--O! hoe waar is hetgeen gij zegt!

--Ja zeker, vervolgde de pastoor, maar wat hij u niet zegt is, dat hij de beste officier van zijn regiment is...

Dat weten wij, mijnheer de pastoor, viel Bettina hem in de rede. Wij zijn zoo onbescheiden geweest om inlichtingen omtrent mijnheer ... ik had bijna mijnheer Jean gezegd ... mijnheer Reynaud in te winnen.

--Ik zou wel eens willen weten, zeide Jean...

--Niets, gij zult niets weten. Ik wil u niet laten blozen.

Zich toen tot den pastoor wendend:

--Maar wij hebben ook naar u gevraagd. Gij schijnt een heilige te zijn...

--O! dat, dat is zoo! riep Jean uit.

Deze keer was het de pastoor die een einde aan de welsprekendheid van Jean maakte. Het diner was afgeloopen. Men diende de koffie op het terras, voor het kasteel rond; men hoorde in de verte de oude dorpsklok negen uur slaan. De bosschen en de velden waren in rust gedompeld. Het park zag er als eene golvende, onzekere massa uit. De maan steeg langzaam van achter het geboomte op.

Bettina nam eene kist met sigaren van de tafel.--Rookt gij? vroeg zij aan Jean.

--Gaarne, mejuffrouw.

--Neemt u dan, mijnheer Jean... Maar neen, luister eerst:

--Het is nu donker, en gij kunt naar hartelust blozen. Ik ga u nu zeggen, wat ik u aan tafel niet zeggen wilde. De oude notaris uit Souvigny, die vroeger uw voogd geweest is, is mijne zuster in Parijs komen opzoeken, wegens de betaling van het kasteel. Hij heeft ons verteld, wat gij na den dood van uwen vader, toen gij nog een kind waart, voor die arme moeder en dat arme jonge meisje gedaan hebt. Wij waren er zeer van aangedaan, mijne zuster en ik.

--Ja, mijnheer, vervolgde mevrouw Scott, en daarom hebben wij u met zoo veel genoegen bij ons gezien. Wij zouden niet iedereen zoo ontvangen hebben, daar kunt gij verzekerd van zijn. Neem nu uw sigaar; mijne zuster wacht. Laat ons buiten gaan zitten, in de heerlijke avondlucht... Neem uwe koffie...

--En laat ons niet spreken, Suzie. Deze landelijke stilte na al dat gewoel van Parijs, is heerlijk! Laten wij naar den hemel, naar de maan en naar de sterren kijken.

Alle vier stemden hier in toe. Suzie en Bettina kalm, rustig, geheel los van hun vroeger bestaan, hechtten zich reeds aan deze streek die hen opgenomen had en die zij niet meer wilden verlaten.

Jean was minder gerust; de woorden van Miss Percival hadden hem hevig ontroerd; zijn hart had zijne vroegere kalmte nog niet herkregen.

Maar de gelukkigste van allen was de abbé Constantijn.

De pastoor was in een aangenaam gepeins verzonken; hij gevoelde zich weer thuis, geheel thuis; zijne gedachten vloeiden langzamerhand ineen en verwarden zich. Het gepeins werd verdooving, de verdooving slaperigheid; het onheil was weldra geschied, onherstelbaar. De pastoor sliep in en sliep vast. Het fijne diner en de twee of drie glazen champagne, hadden het hunne er toe bijgedragen.