De Abbé Constantijn

Part 4

Chapter 43,897 wordsPublic domain

--Dat is het niet vader, zeide Richard haastig, dat vraagt juffrouw Percival niet.--Dat weet ik wel, maar wat zij mij vraagt, is onmogelijk... Hij staat op om mij uit laten... Toen overviel mij een aanval van zwakte, de eerste na mijns vaders dood; ik had mij tot nu toe opgehouden, maar mijne krachten begaven mij. Ik barstte in tranen uit. Eindelijk kwam ik tot bedaren, en vertrok. Een uur daarna was Richard Scott bij mij. "Suzie, zeide hij, beloof mij dat je datgene aan zult nemen, wat ik je aanbied." Ik beloofde het hem... "Nu, zeide hij, op eene voorwaarde, dat mijn vader er niets van te weten komt, stel ik de som die je noodig hebt, tot je beschikking."--"Maar gij moet toch eerst het proces kennen, dat gij weet wat het waard is? Ik weet niets van het proces ... en wil er niets van weten. Hoe zou ik mij kunnen verdienstelijk maken, wanneer ik wist dat ik mijn geld terugkreeg? Overigens, gij hebt het beloofd. Het is gebeurd. Gij kunt uwe woorden niet meer intrekken." Het werd mij zoo eenvoudig aangeboden, dat ik het aannam. Drie maanden daarna, was het proces gewonnen; de grond, die nu ons onbetwistbaar eigendom is, wilde men voor vijf millioen afkoopen. Ik ging Richard raadplegen. Weiger en wacht af, zeide hij, wanneer men je deze aanbiedt, dan is de grond het dubbele waard. Maar ik moet je toch het geld teruggeven.--O, wat dat betreft, daar is geen haast bij; ik ben nu volkomen gerust! mijn krediet loopt nu geen gevaar meer.--Maar ik wilde je dadelijk betalen; ik haat schulden. Er is maar een middel, zonder het terrein te verkoopen. "Richard, wil je mij trouwen?" Ja, mijnheer de pastoor; ja, zeide mevrouw Scott lachend, ik heb mij in de armen van mijn man geworpen. Ik heb hem ten huwelijk gevraagd. Dit kunt gij aan iedereen vertellen, en dan spreekt u de waarheid. Ik was trouwens wel genoodzaakt om zoo te spreken. Want nooit, nooit, dat weet ik zeker, had hij gesproken... Ik was te rijk geworden... En, daar hij van mij hield en niet van mijn geld, was hij doodsbang voor mijn geld. Dat is de geschiedenis van mijn huwelijk. Die van mijn fortuin is in twee woorden gezegd. Er zijn werkelijk millioenen in die terreinen van Colorado; men heeft er overvloedige zilvermijnen gevonden, en uit deze mijnen trekken wij elk jaar ongehoorde inkomsten. Wij zijn overeengekomen, om een groot gedeelte aan de armen te geven. Gij merkt het, mijnheer de pastoor, ... het is omdat wij zelf arm zijn geweest, dat wij zelf leed gekend hebben, dat gij ons altijd hulpvaardig zult vinden.

Maar ik heb u nog niet alles verteld. Gij moet weten hoe die onzinnige verhalen in de wereld zijn gekomen. Toen wij in Parijs kwamen wonen, hebben wij gedacht, dat wij dadelijk eene som aan de armen moesten geven. Wie heeft het verteld? Wij zeker niet; maar het werd in eene courant vermeld, met het cijfer er bij. Dadelijk kwamen twee verslaggevers bij mijnheer Scott, om hem een klein verhoor over zijn verleden te doen ondergaan. Zij wilden over ons schrijven. Mijnheer Scott is wel eens opvliegend. Hij was het dien dag, en gaf aan beide heeren hun congé, zonder iets te vertellen. En, daar zij toen onze werkelijke geschiedenis niets kenden, hebben zij er eene uitgevonden. De een vertelde dat ik in New-York gebedeld had, en de andere, om nog meer sensatie te verwekken, vertelde dat ik door papieren hoepels gesprongen had, in een circus van Philadelphia. Gij hebt dwaze couranten hier in Frankrijk... Trouwens, wij ook in Amerika.

Al sedert vijf minuten, deed Pauline wanhopige pogingen om de aandacht van den pastoor te trekken, zonder zich echter te doen bemerken, totdat zij eindelijk, ten einde raad, al haren moed te zamen nam:

--Mijnheer de pastoor, het is kwart over zeven.

--Kwart over zeven! O! dames, neemt mij niet kwalijk, maar ik heb van avond dienst voor de Maria maand.

--De Maria maand ... dienst, nu dadelijk?

--Ja, dadelijk.

--En onze trein, hoe laat vertrekt die?

--Om half tien, antwoordde Jean, en met een rijtuig hebt gij slechts twintig minuten noodig om aan het station te komen.

--Maar Suzie, dan kunnen wij naar de kerk gaan.

--Laat ons gaan, antwoordde mevrouw Scott; maar eerst heb ik een verzoek aan u, mijnheer de pastoor. Ik wil u absoluut bij mij zien, wanneer ik de eerste maal in Longueval dineer, en u ook mijnheer maar alleen, met ons vieren. O, gij moogt niet weigeren.

--En wij nemen het dankbaar aan, mevrouw, antwoordde Jean.

--Ik zal u schrijven. Ik kom zoo gauw mogelijk. In dien tusschentijd had Pauline miss Percival in een hoek der kamer getrokken, en stond druk met haar te spreken. Hun gesprek eindigde met de woorden:

--Zal je er zijn? vroeg Bettina.

--Ja.

--En je zegt mij wel wanneer?

--Ik zal het u zeggen, maar wees voorzichtig ... hier komt mijnheer de pastoor, hij mag niets... De zusters, de abbé en Jean verlieten het huis; om naar de kerk te gaan, moesten zij het kerkhof oversteken. Het was een heerlijke avond. Langzaam, stilzwijgend, liepen zij door eene laan, die door de stralen der ondergaande zon beschenen werd. Op hunnen weg bevond zich het eenvoudige monument van dokter Reynaud, maar dat zich toch door zijne grootte van de andere graven onderscheidde. Mevrouw Scott en Bettina bleven staan, getroffen door het opschrift:

_Hier rust dokter Marcel Reynaud, chirurgijn-majoor der dienstplichtigen van Souvigny, gesneuveld, den 8 Januari 1871, in den slag bij Villersexel._

_Bid voor hem._

Toen zij het gelezen hadden, zeide de pastoor, op Jean wijzend: "Het was zijn vader!"

De twee vrouwen stonden een oogenblik bij de graftombe stil, en spraken een kort gebed; zich toen tegelijkertijd omwendend, reikten zij aan den jongen officier stilzwijgend de hand en vervolgden hunnen weg naar de kerk. De pastoor ging zijn koorkleed en zijne stola aantrekken. Jean begeleidde mevrouw Scott naar de plaats, die gedurende twee eeuwen aan de eigenaars van Longueval had toebehoord. Pauline was vooruit gegaan. Zij wachtte miss Percival op, achter een pilaar der kerk verborgen. Zij klom met Bettina eene stijle trap op, en bracht haar bij het orgel.

Door twee koorknapen voorafgegaan, trad de oude priester uit de sacristie, en op het oogenblik dat hij voor het altaar nederknielde, zeide Pauline:

--Dit is het geschikte oogenblik, juffrouw. Goede lieve man, wat zal hij gelukkig zijn.

Toen hij de tonen van het orgel hoorde, die zich zacht klagend verhieven, werd de abbé Constantijn zoo door aandoening overstelpt dat de tranen hem in de oogen sprongen. Hij herinnerde zich niet meer geweend te hebben, sedert den dag toen Jean hem mededeelde, dat hij alles met de moeder en de zuster van degenen, die naast zijn vader gesneuveld waren, wilde deelen.

En om deze tranen te weeg te brengen, moest eene kleine Amerikaansche de zee oversteken, om in de kerk van Longueval eene Rêverie van Chopin te spelen.

IV.

Den volgenden morgen, om half zes steeg Jean te paard, om zich aan het hoofd zijner compagnie te stellen. Jean had zijn beroep lief; hij hield gewoonlijk nauwkeurig toezicht op het aanspannen en het optuigen der paarden en de uitrusting en de houding van zijne manschappen, maar op dezen morgen gaf hij nauwelijks acht op de kleinigheden die de dienst medebrengt.

Eene raadselachtige vraag hield hem bezig, kwelde hem, deed hem weifelen; en dit raadsel behoorde tot diegenen, waarvan men de oplossing niet op de polytechnische school leert.

--Welke van de twee is de mooiste?--Dit was de vraag waarop Jean zich geen antwoord geven kon.

Gedurende de eerste oefeningen in het artilleriepark, werkt elke batterij voor zich zelf, onder het kommando van den kapitein; maar dikwijls staat deze ook zijne plaats aan een van zijne luitenants af, om dezen aan de uitvoering van de zes veldstukken te doen gewennen. Juist op dien dag werd het kommando aan Jean overgegeven. Tot groote verwondering van den kapitein, die zijnen luitenant voor zeer bekwaam hield, ging alles mis. Jean wees eenige verkeerde bewegingen aan; hij wist de afstanden niet te handhaven, nog te herstellen; verscheidene malen kwam het gespan in botsing. De kapitein moest tusschenbeide komen; hij diende Jean eene berisping toe, die met deze woorden eindigde:

--Ik begrijp er niets van. Wat bezielt je van morgen? Het is de eerste keer dat je dit overkomt.

Het was ook de eerste keer, dat Jean op het exercitieveld iets anders voor oogen had, dan zijne kanonnen en zijne manschappen. Jean zag niet de 2^e batterij van het 9^e regiment rijdende artillerie, maar de gezichtjes van twee Amerikaanschen met zwarte oogen en gouden lokken; en terwijl hij eerbiedig de rechtvaardige aanmaning van zijnen kapitein aanhoorde, zeide Jean tot zich zelve:

--De mooiste is mevrouw Scott! Miss Percival is nog een kind. Hij zag zich weder in de kerk terug. Zij lag daar geknield voor hem, op haren bidstoel, haar mooi hoofdje in hare kleine handjes verborgen. Toen hoorde men de tonen van het orgel, en in de verte kon Jean het fijne figuurtje van Bettina onderscheiden.

Een kind? Was het nog een kind?

Terwijl de oefeningen nog steeds voortduurden, kreeg Bettina in de gedachten van Jean langzamerhand de overhand boven mevrouw Scott. Hij zag haar glimlachend, blozend gezichtje tusschen de verwarde krullen die door de zon beschenen werden.

--Ik vergiste mij, zeide Jean tot zich zelve, de mooiste is miss Percival.

De manoeuvres waren afgeloopen. Toen Jean met de sabel in de hand, voorbij de kolonel reed, verwarden en vloeiden de beeltenissen der twee zusters zoo in elkander, dat zij om zoo te zeggen ineen smolten en een en dezelfde persoon uitmaakten. Elke vergelijking werd onmogelijk gemaakt door de verwarring die juist deze vergelijking te weeg bracht.

Zoo bleven voor Jean, mevrouw Scott en miss Percival onafscheidelijk vereenigd, totdat hij het geluk mocht smaken, hen beiden weer te zien. Maar de indruk van deze plotselinge ontmoeting werd niet uitgewischt; zij bleef voortduren, zóó zelfs dat Jean er zich ongerust over maakte.

--Zou ik zoo dwaas geweest zijn, vroeg hij zich zelve af, om op het eerste gezicht razend verliefd te worden? Maar neen, men wordt verliefd op ééne vrouw ... en niet op twee tegelijk.

Dit stelde hem gerust. Hij was nog zeer jong voor zijne vier en twintig jaren. Nooit had de liefde zijn hart geheel beheerscht. De liefde kende hij slechts uit de boeken. En toch was hij geen engel. Hij vond de grisettes uit Souvigny heel aardig; hij maakte hen gaarne het hof; maar, om aan deze korte grillen, die zijn hart nauwelijks sneller deden kloppen, den naam "liefde" te geven, dat kwam niet bij hem op.

Jean had niet veel van de wereld gezien. Hij was misschien met Paul hoogstens twaalfmaal op soirees of op bals geweest. Maar hij kwam er altijd met een vervelend, onaangenaam gevoel vandaan. Deze genoegens deugden niet voor hem. Hij hield van de eenzaamheid, van werken, van boeken, van paarden. Hij was nog altijd een weinig boersch. Hij had zijn dorp lief en alles wat hem aan zijne jeugd herinnerde. Eene quadrille in een salon maakte hem doodsbenauwd, maar elk jaar danste hij lustig rond met de meisjes en de boerinnen uit den omtrek, wanneer zij het feest van hunnen schutspatroon vierden.

Wanneer hij mevrouw Scott of miss Percival bij hun aan huis, te midden hunner schitterende, elegante omgeving ontmoet had, had hij ze zeker uit de verte als een kunstvoorwerp bewonderd, en thuis gekomen, zou hij zoo rustig mogelijk ingeslapen zijn.

Maar dit was niet het geval geweest. Geheel toevallig, had hij de twee vrouwen in eene omgeving ontmoet die hem bekend en lief was. Eenvoudig, goed, oprecht hartelijk, dit was de eerste indruk geweest. Daarenboven waren zij zeer schoon. Jean was geheel betooverd.

Toen hij om negen uur in de kazerne afstapte, begon de abbé Constantijn vroolijk zijne ronde. Sedert den vorigen avond was de oude priester geheel in de wolken. Jean had weinig geslapen, maar hij, de arme pastoor, had in 't geheel niet geslapen.

Hij was heel vroeg opgestaan, en had, nadat alle deuren zorgvuldig gesloten waren, met Pauline zijn geld geteld en weder overgeteld, en het als een gierigaard op de tafel uitgespreid. Voor hem, voor zijne armen. Nadat de mis om negen uur geeindigd was, vertrok hij, en het regende goudstukken op zijnen weg. Allen kregen hun deel. Elke aalmoes ging van hetzelfde gezegde vergezeld:

--Van de nieuwe eigenaars van Longueval, twee Amerikaanschen... Mevrouw Scott en miss Percival. Onthoudt goed hunne namen en bidt voor hen, van avond.

Daarna maakte hij dat hij wegkwam; over velden en wegen, van gehucht tot gehucht, van hut tot hut ging zijnen weg, altijd voort ... altijd voort...

Een soort van bedwelming was hem naar het hoofd gestegen. Overal waar hij ging, gingen kreten van vreugde, van verbazing op. Al deze goudstukken vielen, als door een wonder in die arme handen, die slechts gewend waren kleine zilveren muntstukjes te ontvangen. De pastoor deed zelfs dwaasheden. Hij gaf aan degenen, die niet vroegen; en altijd herhaalde hij zijne lofrede op mevrouw Scott en miss Percival. Om zes uur keerde hij naar huis terug, geheel uitgeput, maar het hart vol vreugde.

--Ik heb alles gegeven! riep hij tegen Pauline, alles, alles!

Hij zette zich aan tafel, en ging daarna zijn avonddienst houden; maar toen hij voor het altaar knielde, bleef het orgel ditmaal zwijgen, miss Percival was er niet meer.

Op dit zelfde oogenblik was de kleine organiste geheel radeloos. In haar boudoir lagen twee japonnen uitgespreid, de eene wit, de andere blauw. Bettina vroeg zich zelve af, welke van de twee zij aan zou doen, om naar de opera te gaan. Zij vond ze beiden beeldig, maar zij kon er slechts één aandoen. Na lang aarzelen, koos zij de witte. Om half tien traden de twee zusters hunne loge binnen. Het ballet uit _Aïda_ was juist begonnen. Twee jongelui Roger de Puymartin en Louis de Martillet, waren in eene loge der baignoires gezeten. De komst van miss Percival maakte op beiden een grooten indruk.

--Kijk, kijk! zeide Puymartin, daar is de kleine goudmijn!

Beide richtten hunne kijkers op Bettina.

--De kleine goudmijn ziet er vanavond prachtig uit, zeide Martillet. Kijk eens--die hals--die armen.--Jong meisje en toch reeds vrouw.

--Ja, zij is bekoorlijk ... en vijftien millioen op den koop toe.

--Neen, vijf en twintig millioen! Een aardig sommetje voor Romanelli!

--Voor Romanelli?

--Nu, men zegt immers dat hij met haar trouwt, dat het huwelijk vastgesteld is.

Zij hielden met spreken op.

Mevrouw Scott volgde met zeer veel genoegen de verschillende bewegingen van het ballet; maar Bettina was plotseling stil geworden toen zij in een der loges een lang, jong mensch zag zitten.

Miss Percival zeide tot zich zelve:

--Wat te doen? Wat te beslissen? Moet ik met dien grooten jongen trouwen, die daar over mij zit? Straks zal hij wel bij mij komen, en ik heb slechts te zeggen: "Ja, hier is mijne hand... Ik zal je vrouw worden." En het is gedaan! Prinses! Prinses Romanelli!

Bettina Romanelli! Dat klinkt heel goed, heel aangenaam: "mevrouw de prinses is juist thuis gekomen... Zal mevrouw de prinses morgen paardrijden?... Zou ik het prettig vinden prinses te zijn?... Ja en neen. Van àl de jongelui, die mij nu sedert een jaar om mijn geld naloopen, is prins Romanelli nog de beste... Ik zal toch wel eens moeten trouwen... Ik geloof dat hij van mij houdt... Ja, maar ik, houd ik van hem? Neen, ik geloof niet ... en ik zou zoo gaarne willen beminnen!... O, ja, zoo gaarne beminnen!..."

Op hetzelfde oogenblik dat deze gedachten het aardige hoofdje van Bettina bezighielden, zat Jean alleen in zijn studeervertrek, met een groot boek voor zich. Hij moest met de onderofficieren van zijn regiment eenen cursus volgen, en bereidde zich tot de volgende les voor.

Maar plotseling ontdekte hij te midden van zijne getallen: Nordlingen, 1642; Mulhausen en Turckheim, 1674-1675, eene schets... Jean teekende niet slecht. De beeltenis van eene vrouw was uit zijne pen gevloeid. Wat deed zij daar, te midden der overwinningen van Turenne? En welke was het? mevrouw Scott of miss Percival? Zij geleken zoo sprekend op elkander!... En weder boog Jean zich met veel moeite en inspanning over zijn werk. En weder op hetzelfde oogenblik smeekte de abbé Constantijn, voor zijne legerstede geknield, met geheel zijn hart de zegeningen des hemels voor de twee vrouwen af, die hem zulk eenen aangenamen en gelukkigen dag bereid hadden. Hij bad God, mevrouw Scott en hare kinderen te zegenen en aan miss Percival den man harer keuze te geven.

V.

Parijs behoorde vroeger aan de Parijzenaars; en dit is hoogstens dertig of veertig jaren geleden. De Franschen waren toen meester van Parijs, zooals de Engelschen van Londen de Russen van St. Petersburg, enz. Deze tijden zijn voorbij. Parijs is eene groote toren van Babel geworden, eene internationale en universeele stad. De vreemdelingen brengen niet alleen een bezoek aan Parijs; zij gaan er wonen.

De Amerikanen voelen zich zeer tot Parijs aangetrokken. Er bestaat geen andere stad, waar men zoo gemakkelijk veel geld uit kan geven. Deze aantrekkingskracht oefende zich ook op mevrouw Scott en miss Percival uit.

De meest Franschgezinde kolonie is Canada en dat behoort niet meer aan Frankrijk. Suzie Percival had eene Fransche opvoeding genoten, en zij had hare zuster dezelfde liefde voor dit land ingeprent.

Zoodra deze goudregen op hen was nedergedaald, waren zij door een en hetzelfde verlangen bezield: naar Parijs te gaan wonen.

De heer Scott bood eenigen tegenstand.

--Wanneer ik niet meer hier ben, wanneer ik slechts twee of drie maanden van het jaar in Amerika kom, om over uwe belangen te waken, zullen uwe inkomsten verminderen.

--Wat doet het er toe! antwoordde Suzie, wij zijn te rijk... Laat ons vertrekken... Wij zullen zoo tevreden, zoo gelukkig zijn!

De heer Scott liet zich overhalen en Suzie, kon in de eerste dagen van Januari 1880, den volgenden brief aan hare vriendin, Katie Norton, schrijven, die reeds sedert eenige jaren te Parijs woonde:

"Victorie! Richard heeft toegestemd. Ik kom in April en word wederom Française. Je hebt mij aangeboden, om mij bij het zoeken van eene woning behulpzaam te zijn... Ik neem het aan."

"Ik zou gaarne, zoodra ik mijn voet in Parijs zet, van Parijs willen genieten en niet de eerste maanden mijn tijd bij meubelmakers, rijtuigfabriekanten en paardenkoopers verbeuzelen. Ik zou, wanneer ik uit den trein stapte, _mijn_ rijtuig, _mijn_ koetsier, _mijne_ paarden op het stationsplein willen vinden. Ik zou je op dien dag te dineeren willen hebben _in mijn huis._ Huur of koop een hotel, huur de dienstboden, kies de rijtuigen, de paarden, de livrei uit. Ik laat het geheel aan je over, als de livreien maar blauw zijn, dat is alles."

"Wij brengen maar zes personen naar Frankrijk mede: Richard, zijn kamerdienaar, Bettina en ik onze kameniers; de twee gouvernantes der kinderen; dan nog twee boys, Toby en Boby, die ons altijd volgen wanneer wij paardrijden.--Twee pronkjuweeltjes; zelfde groote, zelfde houding, bijna dezelfde gestalte; wij zouden nooit zulke palfreniers in Parijs vinden. Al de rest laten wij in New-York... Neen, niet alles, ik vergat vier kleine hitjes, vier schatjes, pikzwart met alle vier witte vlekken aan alle vier pooten."

Wij kunnen zeer goed een vierspan mennen, Bettina en ik.

"Vooral, lieve Katie, wees niet zuinig met geld... Dat is alles wat ik je vraag."

En zoo kwam het, dat toen mijnheer Scott, Suzie en Bettina den 15^{en} April met den sneltrein uit Havre, om half vijf, aan het station Saint-Lazare aankwamen, zij mevrouw Norton zagen, die tot hen zeide:

--De rijtuigen staan op het voorplein. Eerst een calêche, daarachter een landauer voor de kinderen, en daarachter een omnibus voor de dienstboden. Gij woont: 24, rue Murillo en daar gij mij twee maanden geleden te dineeren hebt gevraagd, neem ik het gaarne aan.

De eerste Parijzenaar, die de eer en het genoegen had om aan de schoonheid van mevrouw Scott en miss Percival hulde te brengen, was een kleine koksjongen van ongeveer twaalf jaar, die, geheel in 't wit gekleed, met zijn mandje op het hoofd stond te kijken, toen de koetsier van mevrouw Scott het voorplein van het station afreed. De kleine jongen bleef pal op de stoep staan, zette groote oogen op, keek de twee zusters vol verbazing aan en wierp hen dit kleine woordje vlak in het gelaat:

--Drommels!!!

Vijf minuten later reed de koets van mevrouw Scott, door twee prachtige paarden getrokken, in langzamen gelijkmatigen tred, langs de boullevard Haussman; Parijs telde twee Parisiennes meer.

Overal waar mevrouw Scott en miss Percival kwamen, verwierven zij een uitbundig succes.

De schoonheden van Parijs staan niet gelijk met die van Londen. Zij stellen hunne portretten niet in geïllustreerde of tijdschriften voor boekwinkels tentoon ... en toch bestaat er altijd een kleinen staf van een twintigtal dames die de Parijsche bevalligheid, de elegantie en de schoonheid vertegenwoordigen, en welke dan, na tien of twaalf jaren dienst, net als oude generaals, tot het reservekader overgaan.

Suzie en Bettina maakten dadelijk deel uit van dezen generalen staf. Het was het werk van vier en twintig uren; want dit alles gebeurde tusschen acht uur 's morgens en middernacht, den dag na hunne aankomst.

Stel u een soort van tooververtelling in drie bedrijven voor, waarvan het succes bij elk tafereel stijgt:

1^o. Een wandelrit te paard, des morgens om tien uur in het Bois, met de twee verbazingwekkende palfreniers, uit Amerika medegebracht, achter hen.

2^o. Daarna om zes uur eene wandeling in de allee der Acacias;

3^o. Des avonds om tien uur naar de opera.

De twee nieuwelingen werden dadelijk opgemerkt en naar waarde geschat, door de dertig of veertig personen, die eene zekere geheimzinnige rechtbank vormen, en die uit naam van geheel Parijs een oordeel zonder appel, vellen. Deze dertig of veertig personen hebben van tijd tot tijd den dwazen inval om zekere dame _bekoorlijk_ te vinden die ontegenzeggelijk leelijk is. Dat is voldoende. Van dit oogenblik af is zij _bekoorlijk._

De schoonheid der beide zusters was onbetwistbaar. Men bewonderde des morgens hunne bevalligheid, hunne elegantie en hunne voornaamheid; des middags verklaarde men, dat zij den trotschen, zelfbewusten gang van twee jonge godinnen bezaten; en des avonds, ging er maar een roep op, over de ideale volmaaktheid van hunnen hals en hunne armen. Het spel was gewonnen.

Het salon van mevrouw Scott werd weldra zeer gezocht. De vaste bezoekers van drie of vier groote Amerikaansche huizen begaven zich allen naar de Scotts, die op hunnen eersten Woensdag drie honderd menschen ontvingen. Weldra breidde zich hun kring uit; men ontmoette er zoowat van alles: Amerikanen, Spanjaarden, Italianen, Hongaren, Russen, en zelfs Parijzenaars.

Toen mevrouw Scott hare geschiedenis aan den abbé Constantijn vertelde, had zij niet alles gezegd. Zij wist dat zij mooi was, had gaarne dat men het opmerkte, en vond het aangenaam wanneer men het haar zeide. In een woord, zij was coquet. Zou zij anders een Parisienne geweest zijn? De heer Scott had het volste vertrouwen in zijne vrouw en gaf haar volkomen vrijheid. Hij liet zich zelden zien... Hij was een degelijk mensch, die zich eenigszins verlegen gevoelde zulk een huwelijk gesloten, zooveel geld getrouwd te hebben. Daar hij een man van zaken was, had hij zich geheel aan het beheer van de twee kolossale fortuinen die hij in handen had gewijd, om ze te vermeerderen en om elk jaar aan zijne vrouw en zijne schoonzuster te kunnen zeggen...

--Gij zijt nog rijker dan verleden jaar...