De Abbé Constantijn

Part 2

Chapter 24,086 wordsPublic domain

--Zeer toevallig!... Tante Valentine ontving dien avond. Ik kom om tien uur ... en drommels! ze zijn niet zeer amusant, die Woensdagavonden bij Tante... Ik was er tien minuten, toen ik Roger Puymartin zag, die zich behendig uit de voeten maakte. Ik haal hem in de vestibule in. Ik zeg: Laat ons samen naar huis gaan.--O, ik ga niet naar huis.--Waar ga je heen?--Naar een bal.--Bij wie?--Bij de Scotts; ga je mee?--Maar ik ben niet gevraagd.--Ik ook niet!--Wat, jij ook niet?--Neen ik wacht een mijner vrienden op.--En kent die vriend de Scotts?--Nauwelijks, maar genoeg om ons beiden voor te stellen... Ga mee... Je zult mevrouw Scott zien.--O! Ik zag haar te paard in het Bois.--Zij is niet gedecolleteerd als zij te paard zit. Je hebt haar hals niet gezien en die moet je zien... Je kunt niets mooiers bedenken... Nu, ik ben naar het bal geweest ... en ik heb de roode haren en de mooie hals van mevrouw Scott gezien ... en ik hoop ze weer te zien, wanneer men later te Longueval bals geeft...

--Paul! zeide mevrouw de Lavardens, op den pastoor wijzend.

--O pardon, mijnheer de pastoor... Heb ik iets gezegd? Neen hé?...

De arme pastoor had niets gehoord. Zijne gedachten waren elders. Hij zag reeds de dominée van het kasteel langs de huizen gaan en onder elke deur een traktaatje schuiven.

Paul gaf vervolgens eene geestdriftige beschrijving van het huis, dat een pronkjuweel was.

--Een slechten smaak ... te veel luxe, viel mevrouw de Lavardens hem in de rede.

--Volstrekt niet, mama!... Er was niets overtolligs... Prachtige meubelen, alles met smaak en originaliteit gerangschikt, niets bonts of schreeuwend... Eene zeldzaam mooie serre, badend in eene zee van electrisch licht. Het buffet was in die serre opgesteld, onder een prieel van druiven ... in de maand April! ... en men kon er zooveel van nemen, als men wilde! De cotillon moet veertig duizend francs gekost hebben. Juweelen, bonbondoosjes, beeldige snuisterijen, die men mocht medenemen. Ik heb niets genomen; maar velen lieten het zich niet tweemaal zeggen... Puymartin vertelde mij de geschiedenis van mevrouw Scott ... zij komt niet geheel met die van mijnheer de Larnac overeen. Roger zeide, dat mevrouw Scott als kind door kunstenmakers gestolen werd, en dat haar vader haar terugvond, toen zij bij een reizenden troep over linten en door hoepels sprong.

--Eene paardrijdster! riep mevrouw de Lavardens uit, dan nog maar liever eene bedelaarster!

En terwijl Roger mij dit nieuwtje uit de Petit-Journal mededeelde, zag ik de paardrijdster uit het circus uit eene gaanderij komen, in een schitterend waas van satijn en kanten gehuld, en ik bewonderde haren hals, hare blanke schouders, waarop een collier van diamanten schitterde. Men zeide dat de Minister van Financiën in 't geheim de helft der kroondiamanten aan mevrouw Scott verkocht had. Daarbij moet nog worden gezegd, dat zij er als eene dame uit de groote wereld uitzag, die kleine paardrijdster, en dat zij te midden van al dien rijkdom, volkomen op haar gemak scheen.

Paul was zoo aan het doordraven, dat zijne moeder hem moest tegenhouden. Hij gaf tegenover de heer de Larnac, die slecht geluimd was, te veel blijk van zijne ingenomenheid, deze wonderbaarlijke Amerikaansche tot buurvrouw te hebben.

De abbé Constantijn maakte zich gereed om naar Longueval terug te keeren; maar Paul hield hem tegen.

--O neen, mijnheer de pastoor, gij moogt niet ten tweede male in deze hitte, den weg naar Longueval afleggen. Ik zal u met het rijtuig thuisbrengen. Het spijt mij, dat u zoo bedroefd bent. Ik zal u wat afleiding trachten te bezorgen. O! u bent wel een heilige, maar ik maak u toch wel eens aan 't lachen met mijne dwaasheden.

Een half uur later reden beiden, de pastoor en Paul, naar het dorp. Paul sprak steeds door! Zijne moeder was er nu niet om hem tegen te houden. Hij was uitgelaten van vreugde.

--Neen, werkelijk, mijnheer de pastoor, gij moet niet alles zoo zwaar opnemen... Kijk nu eens naar mijne merrie, hoe zij draaft, hoe zij hare pooten oplicht! Gij hebt ze nog niet gezien. Weet gij hoeveel ik er voor betaald heb? Vierhonderd francs. Ik heb ze veertien dagen geleden in eene berrie van een groentenwagen opgespoord. Als ze eens in gang is, doet ze vier mijlen in een uur, en men heeft er de handen vol mede. Kijk toch eens hoe zij trekt!... Vooruit! hût! hût!... U hebt geen haast, niet waar? Wilt gij door het bosch terugkeeren? Het zal u goed doen... Gij weet, mijnheer de pastoor, hoeveel achting en hoeveel toegenegenheid ik voor u gevoel! Heb ik iets gezegd, wat dwaas was? Dat zou mij spijten!...

--Neen, mijn jongen, ik heb niets gehoord.

Na rechts afgeslagen te zijn, kwam Paul op zijn eerste gezegde terug:

--Ik zeide u immers, dat gij niet alles zoo zwaar moest opnemen. Zal ik u eens wat zeggen? Het is zeer gelukkig, dat alles zoo gekomen is.

--Zeer gelukkig?

Ja... Ik heb liever de Scotts in Longueval, dan de Gallards. Hebt gij niet gehoord hoe mijnheer de Larnac hen dwaselijk betichtte, te veel geld uit te geven? Dat is nooit dwaas. Wat dwaas is, is om het te houden--uwe armen, want het is aan uwe armen dat gij denkt,--wel, uwe armen hebben vandaag een goeden dag gehad. Dat is mijne opinie. De godsdienst? Ja, zij zullen niet naar de mis gaan! dat doet u leed, dat is zeer natuurlijk, maar zij zullen u veel geld sturen en gij zult het aannemen, en daar hebt u gelijk aan. Ziet gij wel, dat gij niet neen zegt. Er zal over het geheele land een regen van goudstukken nederdalen... Eene drukte, een leven! rijtuigen met vier paarden, voorrijders met gepoederde pruiken, rallye-papers, parforce-jachten, bals, vuurwerk... En hier, in het bosch, zullen wij weldra Parijs terugvinden. Ik zal de twee Amazones en de twee kleine palfreniers, waar ik zoo even over sprak, terugzien. Gij weet niet, hoe lief zij er te paard uitzien, die twee zusters! Eens op een morgen, heb ik achter hen het geheele Bois de Boulogne door gereden. Ik zie ze nog. Zij droegen hooge grijze hoedjes, korte zwarte voiles en twee lange amazones zonder snid, met eene naad in den rug, en vrouwen moeten al zeer goed gevormd zijn, om zulke amazones te kunnen dragen!...

De pastoor had al sedert geruimen tijd niet meer naar het gesprek geluisterd. Het rijtuig rolde nu over een zeer langen rechten weg. Aan het einde van de laan zag de pastoor een ruiter in galop naderen.

--Kijk eens, zeide de pastoor tot Paul, gij hebt betere oogen dan ik, is dat niet Jean, daarginds?

--Ja zeker, het is Jean. Ik herken zijne grijze merrie.

Paul hield van paarden en keek altijd eerst naar het paard en dan naar den ruiter. Het was werkelijk Jean, en toen hij in de verte de pastoor en Paul zag, zwaaide hij met zijne kepi, met twee gouden strepen versierd. Jean was luitenant der artillerie, te Souvigny in garnizoen.

Eenige oogenblikken later hield hij bij het kleine rijtuigje stil, en zich tot den pastoor wendend:

--Ik ben bij u geweest, peetoom, Pauline zeide mij, dat gij naar Souvigny waart, voor den verkoop. En wie heeft het kasteel gekocht?

--Eene Amerikaansche, mevrouw Scott.

--En Blanche-Couronne?

--Dezelfde mevrouw Scott.

--En la Rozeraie?

--Weer mevrouw Scott.

--En het bosch... Nog altijd mevrouw Scott?

--Juist, antwoordde Paul .... en ik ken mevrouw Scott ... en men zal zich te Longueval amuseeren... Ik zal je voorstellen... Alleen spijt het mijnheer de pastoor vreeselijk, ... omdat het eene Amerikaansche, eene protestante, is.

--O! dat is waar, arme peetoom... Nu, daar zullen wij morgen nog wel eens over spreken. Ik kom bij u eten, ik heb Pauline al gewaarschuwd. Ik heb geen tijd, ik heb de week, en om drie uur dienst. Tot ziens Paul! Tot morgen, peetoom!

De luitenant der artillerie vertrok in galop; Paul liet het paard den teugel vieren.

--Wat een beste jongen is die Jean! zeide Paul.

--O, ja!

--Men vindt geen beter mensch dan Jean!

--Neen, geen beter!

De pastoor keek nog eens om naar Jean, die reeds uit het gezicht verdwenen was.

--O, toch, gij, mijnheer de pastoor!

--Neen, ik niet, ik niet!

--Nu, dan zal ik u eens iets zeggen, mijnheer de pastoor, er zijn geen betere menschen te vinden, dan u en Jean! Dat is de waarheid!... Wat een heerlijke weg om te draven! Ik zal Niniche eens hard laten loopen... Ik heb haar Niniche genoemd.

Paul raakte met de punt van de zweep Niniche's zijden aan, die nu over den weg vloog.

--Maar zie toch eens, hoe zij hare pooten oplicht, mijnheer de pastoor! Zoo gelijk!... Kijk toch eens. De pastoor boog zich voorover, om Paul genoegen te doen, en keek _hoe Niniche hare pooten oplichtte_... Maar, hij dacht aan iets anders.

II.

De artillerie-luitenant heette Jean Reynaud. Hij was de zoon van den geneesheer, die op het kerkhof van Longueval rustte. Toen de abbé Constantijn in 1846 de kleine pastorie in bezit nam, bewoonde een zekeren dokter Reynaud, de grootvader van Jean, een klein lief huisje, op den weg van Souvigny, tusschen het kasteel van Longueval en van Lavardens. Marcel, de zoon van dezen dokter Reynaud, was te Parijs, om zijne studiën in de medicijnen te voltooien. Bij het toelatings-examen verwierf hij den eersten graad. Hij besloot in Parijs te blijven en er zijn geluk te beproeven... alles beloofde reeds eene schitterende, gelukkige carrière, toen hij in 1852 de doodstijding van zijnen vader, die door eene beroerte getroffen was, ontving. Marcel snelde diepbedroefd naar Longueval. Hij beminde zijn vader zeer. Hij bleef eenige weken bij zijne moeder, en sprak er toen eerst over, om naar Parijs terug te keeren.

--Ja, het is waar, het wordt tijd dat gij vertrekt.

--Hoo zoo! dat ik vertrek?... Dat wij gaan. Gelooft u, dat ik u hier alleen zal laten?... Ik neem u meê.

--In Parijs wonen!... Deze streek verlaten waar ik geboren ben, waar uw vader gewoond, en waar hij gestorven is?--dat kan ik niet, kind, neen nooit! Ga alleen, want je toekomst, je leven, alles ligt daarginds. Ik ken je. Ik weet dat je mij niet vergeten zult, dat je mij heel dikwijls zult komen opzoeken.

--Neen, moeder, antwoordde hij, ik blijf.

Hij bleef... Zijne hoop, zijne eerzucht, alles werd in een oogenblik vernietigd... Hij had maar één doel voor oogen, ééne plicht, zijne oude, ziekelijke moeder niet te verlaten. In dezen plicht, die zoo oprecht volbracht en zoo dankbaar aangenomen werd, vond hij het geluk.

Marcel voegde zich spoedig in zijne nieuwe omgeving. Hij volgde het voetspoor van zijnen vader, zooals deze het achter gelaten had. Hij gaf zich geheel, zonder leedwezen, zonder nadenken aan dit vergeten bestaan van plattelandsgeneesheer over. Zijn vader had hem eenig geld en een klein stukje land nagelaten. Hij leefde zeer eenvoudig, en wijdde het grootste gedeelte van zijn bestaan aan de armen, van wie hij nooit geld aannam. Dit was zijn eenig genoegen.

Hij ontmoette een allerliefst jong meisje, zonder fortuin, dat alleen op de wereld stond. Hij huwde haar. Dit gebeurde in 1855, het jaar daarna bracht den dokter Reynaud een groot verdriet en eene groote vreugde: de dood van zijne oude moeder en de geboorte van zijn zoon Jean.

In zes weken tijds sprak de abbé Constantijn de gebeden der dooden over het graf van de grootmoeder, en hield als peet, het kleinkind ten doop.

Daar zij zich steeds aan de sponden der lijdenden en der stervenden ontmoetten, voelden de dokter en de pastoor zich meer en meer tot elkander aangetrokken. Zij behoorden tot hetzelfde slag menschen, zij waren van hetzelfde ras, het ras der weekhartigen, der rechtvaardigen en der weldoeners.

Jaren vervlogen, jaren van kalmte, rust en vrede, geheel aan arbeid en aan plicht gewijd. Jean groeide op... Van zijn vader kreeg hij de eerste spellessen, van den pastoor zijn eerste latijnsche les. Jean was verstandig en arbeidzaam, hij maakte zulke vorderingen, dat de twee leeraars--vooral de pastoor--er na eenige jaren wel een weinig verlegen mede waren. De leerling was te knap voor hen. Toen kwam de gravin zich na den dood van haren echtgenoot, te Lavardens vestigen. Zij bracht een gouverneur mede voor haren zoon Paul, die een zeer aardig, maar een zeer lui ventje was. De kinderen waren van dezelfde leeftijd; zij kenden elkander reeds, van hunne prille jeugd af.

Mevrouw de Lavardens hield zeer veel van dokter Reynaud; eens op een dag zeide zij tot hem:

--Stuur mij Jean elken morgen, dan zend ik hem u 's avonds terug. De gouverneur van Paul is een zeer achtenswaardig jongmensch; hij zal de kinderen wel aan 't werk zetten... Jean zal aan Paul een goed voorbeeld geven.

Zoo werd alles geschikt; en werkelijk, de kleine burgerjongen gaf, wat ijver en werken betrof, een uitstekend voorbeeld aan den kleinen edelman; maar het goede voorbeeld werd niet nagevolgd.

De oorlog brak uit. Den 14^{en} November des morgens om zeven uur, vereenigden zich allen die te Souvigny onder de wapenen geroepen waren, op het stadsplein; de abbé Constantijn was aalmoezenier, dokter Reynaud was chirurgijn-majoor. Beiden hadden tegelijk dezelfde gedachte opgevat; de priester was twee en zestig jaar, en de dokter vijftig jaar oud. Bij het vertrek, volgde het bataillon den weg die door Longueval en langs het huis van den dokter liep. Mevrouw Reynaud en Jean wachtten aan den zoom van den weg. Het kind wierp zich in de armen van zijn vader: "Neem mij meê!" Mevrouw Reynaud weende, de dokter omhelsde hen beiden innig, en liep toen verder.

Op honderd passen afstand maakte het pad eene kromming, de dokter keek om, en wierp een langen teederen blik op zijne vrouw en zijn kind ... de laatste! Hij zou ze niet meer terugzien.

Den 8^{en} Januari 1871, vielen gemobiliseerden van Souvigny het dorp Villersexel aan, dat door de Pruisen bezet was, die de muren van schietgaten voorzien, en zich in de huizen verschanst hadden. Het geweervuur knetterde. Een der soldaten die in het eerste gelid liep, viel, door een kogel in de borst getroffen. Een oogenblik van aarzeling en verwarring volgde. "Vooruit! Vooruit!" riepen de officieren. De manschappen stapten over het lijk van hunnen makker heen, en trokken onder een regen van kogels, het dorp binnen.

Dokter Reynaud en abbé Constantijn liepen met den troep mede. Zij hielden bij den gewonde stil. Het bloed stroomde hem uit den mond.

--Hier is niets meer te helpen, zeide de dokter; hij sterft, hij behoort u toe.

De priester knielde bij den stervende neder en de dokter vervolgde zijnen weg naar het dorp. Hij had nog geen tien passen afgelegd, toen hij stilhield en de armen opheffend, plotseling neerstortte. De priester vloog naar hem toe. Hij was dood, door een kogel aan den slaap getroffen.

Tegen den avond behoorde het dorp aan de Franschen en den volgenden dag, legde men het lijk van den dokter Reynaud op het kerkhof van Villersexel ter rustte. Twee maanden later, bracht de abbé Constantijn de doodkist van zijnen vriend naar Longueval, en achter deze kist liep een wees. Jean had ook zijne moeder verloren. Toen zij de doodstijding van haren echtgenoot ontving, was zij vierentwintig uren lang als versteend, verpletterd geweest, zonder een woord uittebrengen, zonder een traan te storten. Toen had zij koorts gekregen, en was gaan ijlen, en na veertien dagen was zij gestorven.

Jean was alleen op de wereld. Hij was veertien jaar oud; van deze familie, waarvan allen sedert jaren eerlijk en goed geweest waren, bleef er slechts dit kind over, dat daar bij het graf nederknielde en nu ook beloofde even eerlijk en goed te zijn als zijn grootvader en vader geweest waren. Jean droeg zijn leed als een man. Lang bleef hij bedroefd en stil. De avond na de begrafenis nam de abbé Constantijn hem mede naar de pastorie. Het was een regenachtige, koude dag geweest. Jean was bij den haard gaan zitten. De pastoor las zijn brevier. De oude Pauline was met het opruimen bezig. Een uur was stilzwijgend voor-bij-gegaan, toen Jean plotseling het hoofd opheffend, zeide:

--Heeft mijn vader mij geld nagelaten, peetoom?

Deze vraag was zoo vreemd, dat de pastoor zich verwonderd afvroeg of hij wel goed gehoord had...

--Je vraagt mij of je vader?--

--Of mijn vader mij geld nagelaten heeft, peetoom?

--Ja, er moet geld zijn...

--Veel, niet waar? Ik heb dikwijls hooren zeggen dat vader rijk was. Vertelt u mij eens hoeveel hij zoowat nagelaten heeft.

--Maar ik weet niet.--Je vraagt mij daar iets...

De arme pastoor was diep verslagen. Op dit oogenblik, zulk eene vraag te doen! Hij meende toch Jean zoo goed te kennen, en zulke gedachten moesten toch niet in zijn hart opwellen.

--Ik bid u, peetoom, zegt het mij..., vervolgde Jean zacht. Ik vertel u naderhand waarom ik u dit vraag.

--Welnu, men zegt dat uw vader twee of drie honderd duizend francs heeft nagelaten.

--En dat is veel geld?

--Ja, zeer veel.

--En alles behoort mij toe?

--Ja alles.

--O, des te beter, want op den zelfden dag, dat mijn vader daarginds gevallen is, hebben de Pruisen den zoon van eene arme vrouw uit Longueval ... moeder Clément, u weet wel, gedood. Zij hebben ook Rozalie's broeder gedood, waar ik altijd mede speelde toen ik klein was. Welnu, daar ik nu rijk ben, en zij arm zijn, wil ik met moeder Clément en Rozalie het geld deelen.

Toen hij deze woorden hoorde stond de pastoor op, nam de handen van Jean in de zijne, en hem naar zich toe trekkend nam hij hem in zijne armen. Het witte hoofd boog zich tot het blonde neder. Twee dikke tranen rolden langzaam over zijne wangen en bleven in de rimpels van zijn gelaat hangen.

De pastoor moest echter aan Jean uitleggen, dat, ofschoon hij de erfgenaam zijns vaders was, hij toch niet het recht had, vrij over zijn erfdeel te beschikken. Er zou een familieraad bijeen geroepen, en een voogd benoemd worden.

--Gij zeker, peetoom?

--Neen, ik niet kind, een priester mag geen voogdijschap aanvaarden. Men zal zeker mijnheer Lenient, de notaris van Souvigny kiezen, die een van de beste vrienden van je vader was.

Je kunt met hem spreken, en hem zeggen wat je wenscht.

De heer Lenient werd werkelijk tot voogd benoemd. Jean smeekte zoo dringend, zoo aandoenlijk dat de notaris er in toestemde, om hem van zijne inkomsten eene som van tweeduizend vierhonderd francs uittekeeren, die elk jaar tot aan de meerderjarigheid van Jean, tusschen moeder Clément en de kleine Rozalie verdeeld werden. Mevrouw de Lavardens deed zich onder deze omstandigheden, weder in al hare goedheid kennen. Zij ging naar den abbé Constantijn.

--Geef mij Jean, zeide zij, geef hem mij totdat zijne studiën voltooid zijn. Ik zal hem u elk jaar in de vacantie terugbrengen. Het is geen dienst die ik u doe, maar eenen dienst die ik u vraag. Voor mijn zoon kan ik niets beters wenschen. Ik ben er toe besloten om Lavardens tijdelijk te verlaten; Paul wil Cadet worden, naar Saint-Cyr gaan. Ik kan slechts te Parijs de beste meesters, de beste hulpmiddelen hiertoe vinden. Ik zal er beide kinderen heenbrengen; zij zullen onder mijn toezicht samen opgevoed worden. Ik zal geen onderscheid tusschen hen maken, daar kunt u verzekerd van zijn.

Het was moeielijk zoo'n voorstel te weigeren. De oude pastoor had wel gewenscht Jean bij zich te houden; zijn hart kromp ineen bij de gedachte aan eene scheiding; maar wat was het beste voor het kind zelf? dit moest men zich het eerst afvragen. Al het andere werd op den achtergrond gedreven... Men liet Jean binnenkomen.

--Wil je met Paul en mij voor eenige jaren naar Parijs gaan, vroeg mevrouw de Lavardens hem.

--U bent wel vriendelijk, mevrouw, maar ik had zoo zeer gehoopt, hier te kunnen blijven!

Hij keek naar den pastoor die het hoofd afwendde!

--Waarom vertrekken? vervolgde hij, waarom Paul en mij medenemen?

--Omdat je slechts in Parijs je studiën kunt voltooien, Paul wil zich voor Saint-Cyr voorbereiden, je weet dat hij soldaat wil worden.

--En ook ik, wil soldaat worden.

Jij soldaat? zeide de pastoor, maar dat heeft je vader nooit gewenscht... Je vader heeft in mijn bijzijn dikwijls over je toekomst, je loopbaan gesproken. Je moest dokter worden zooals hij, en geneesheer te Longueval ... en, zooals hij, de armen verzorgen en de zieken oppassen. Jean, kind, denk daaraan.

--Ik denk er aan, ik denk er aan.

--Nu, dan moet je doen wat je vader wenschte. Het is je plicht, Jean. Je moet naar Parijs gaan. Je zoudt hier willen blijven, o! dat begrijp ik ... en ik ook, ik zou het willen--maar het kan niet... Je moet gaan en werken, hard werken. Dat is niet wat mij verontrust, want je bent een echt kind van je vader. Je zult een eerlijk en een arbeidzaam mensch wezen. En dan zullen de armen uit dezen streek, eens in het huis van je vader, daar waar hij zooveel goed gedaan heeft, een anderen dokter Reynaud terugvinden, die hen ook op zijn beurt helpen zal. En wanneer ik dan misschien nog tot de levenden behoor, dan zal ik op dien dag zoo gelukkig, o zoo gelukkig zijn! Maar het is niet goed om over mij zelve te spreken... Dat moest ik niet doen ... ik tel niet meê... Je moet aan je vader denken. Ik herhaal het nog eens, Jean, het was zijn hartewensch. Je kunt het niet vergeten hebben.

--Neen, ik heb het niet vergeten; maar als mijn vader mij ziet en mij hoort, weet ik zeker dat hij mij begrijpt en mij vergeeft, want het is om hem...

--Om hem?...

--Ja, toen ik hoorde dat hij dood was, en hoe hij gestorven is, heb ik dadelijk, zonder mij te bezinnen, tot mij zelve gezegd dat ik soldaat wilde worden ... en ik zal soldaat worden!--Gij peet, en gij mevrouw, wat ik u bidden mag, houdt mij niet tegen...

Het kind barstte in een wanhopend snikken uit. De gravin en de abbé zochten hem met teedere woordjes tot bedaren te brengen.

Ja--ja--het is al goed--doe wat je wilt.--Beiden hadden de zelfde gedachte: de tijd doet wonderen. Jean is nog een kind, hij zal van meening veranderen. Waarin beiden zich vergisten, Jean veranderde niet van meening.

In September 1876 werd Paul te Saint-Cyr afgewezen en Jean kreeg no. elf op de Polytechnische school. Op den zelfden dag dat de lijst der toegelaten candidaten openbaar werd gemaakt, schreef hij aan den abbé Constantijn.

"Ik ben toegelaten. Ik wil bij het leger dienen, en niet in den staatsdienst blijven... Wanneer ik mijne plaats op de school behoud, zal het aan een mijner makkers ten goede komen. Hij krijgt dan mijn plaats."

Dit gebeurde ook... Jean deed beter, dan zijne plaats behouden. Bij het eindexamen kreeg hij no. zeven. Maar in plaats van zijne studiën voort te zetten, ging hij in 1878 naar Fontainebleau. Hij was een en twintig jaar oud. Hij was meerderjarig, hij had de vrije beschikking over zijn fortuin, en zijn eerste werk was, eene zeer groote uitgaaf te doen. Hij kocht voor moeder Clément en voor de kleine Rozalie, die nu al groot geworden was, twee obligatiën, van vijftienhonderd francs ieder. Dit kostte hem zeventigduizend francs, bijna zooveel als Paul, in het eerste jaar dat hij te Parijs was, voor juffrouw Lise Brugère, van het theatre du Palais-Royal, uitgaf.

Twee jaar daarna, verliet Jean als no. één de school te Fontainebleau, waardoor hij het recht verwierf zijne eigene standplaats te kiezen. Er was eene plaats open bij het regiment dat te Souvigny stond; en Souvigny was op drie kilometers van Longueval gelegen. Jean vroeg om de plaats en verkreeg haar.

Zoo kwam het, dat Jean Reynaud, luitenant bij het 9^e regiment artillerie, in de maand October van het jaar 1880 weder bezit nam van het huis van dokter Marcel Reynaud. Zoo kwam hij weder in het land terug, waar hij zijn jeugd had doorgebracht en waar iedereen zich nog het leven en het afsterven van zijnen vader herinnerde.

Hierdoor werd ook aan den abbé Constantijn de vreugde gegund, om den zoon van zijnen vriend terug te zien... En, om de waarheid te zeggen, hij was niet boos op Jean, dat hij geen dokter geworden was. Wanneer de oude pastoor uit de kerk kwam, wanneer hij het gerol der kanonnen hoorde, of den weg in een stofwolk gehuld zag, dan stond hij stil, en verheugde zich als een kind, wanneer het regiment voorbijkwam.--Want het regiment vertegenwoordigde Jean! Het was deze sterke, krachtige ruiter, op wiens gelaat openhartigheid, moed en goedheid te lezen stond.