De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 9

Chapter 93,757 wordsPublic domain

In 't voorjaar, als de hitte zich in de woestijn doet gevoelen, de zonnebrand het schaarsche gras verdort, maken de nomaden zich op, om met hunne kudden naar de noordelijker gelegen bergstreken te trekken, waar zij voedsel voor hun vee vinden. In 't najaar heeft de trek in omgekeerde richting plaats. Daar wij juist in 't voorjaar te Biskra waren, konden wij getuigen zijn van het drukke verkeer, dat er dien tijd heerscht. In lange rij kwamen de karavanen uit de binnenlanden opzetten, al naarmate van den rijkdom des eigenaars door groote of kleinere kudden schapen, geiten en kameelen vergezeld. Meestal reed de eigenaar op een vurig paard voorop, dan volgden vrouwen en kinderen op den rug der kameelen, de vrouwen nu eens gesluierd, dan weer door een palankijn van bont gestreept doek voor onbescheiden blikken verborgen. Huisraad en koopwaren, zooals dadels, harst en houtskool, waren eveneens op kameelen en ezels verpakt. Vlugge, slanke, bruine jongens en mannen liepen hier en daar naast den stoet, een wakend oog op de kudden zwarte schapen en geiten houdend. Voor de kameelen is dit niet noodig, die volgen van zelf een enkele moederkameel vergezeld van een jong, dat gedwee bij de moeder blijft en er in zijn schonkige magerheid onoogelijk uitziet. Herbergen, gelijk bij ons, kent men in 't Oosten niet. De karavanen moeten hun toevlucht zoeken in een gebouw, karavanserai genoemd, bestaande uit vier vleugels, rondom een vierkante plaats. Op dit plein verzorgt men het lastvee en in het gebouw betrekt de Bedouïn een cel, waarin hij niets vindt dan een mat. Het is een schilderachtig tafereel, een drukke karavanserai, maar de zindelijkheid laat er veel te wenschen over. Natuurlijk vinden in den drukken tijd lang niet alle karavanen er plaats, en daar de toegang aan de vrouwen verboden is, geven de meeste Bedouïnen er de voorkeur aan, in de open lucht te kampeeren. Onder een paar palmboomen wordt de tent opgezet, en broederlijk huist de geheele familie daar te zamen met honden, schapen en geiten. Sommige dier tenten zijn van zeildoek of linnen, en men kan zien, dat daar binnen eenige welgesteldheid heerscht; de eigenaar ligt in zijn volle waardigheid zijn pijp te rooken, vrouwen en meisjes zijn bezig met den maaltijd toe te bereiden, of weven doeken en shawls uit kleurige stoffen.

Andere tenten zijn niets dan een lappendeken van vodden op eenige staken, omringd met een doornhaag (zeriba) ter bescherming van het vee; groezelige vrouwen zitten neergehurkt voor den ingang, of werpen den vreemdeling schuwe blikken door de scheuren der tent toe; magere half wilde honden blaffen hem toe, en havelooze, smerige, halfnaakte kinderen stuiven op hem af, onder 't geroep van "donnez un sou, m'siou" ('t eerste wat elk Arabierenkind leert), waarbij zij zoo onbeschaamd aanhouden, dat men ze bijna met geweld verjagen moet.

Evenals in alle steden, die zich kenmerken door een internationaal va-et-vient van reizigers, is ook te Biskra voor de noodige afleiding en ontspanning gezorgd.

Na zijn zwerven door de woestijn, dikwijls gekweld door hitte, dorst en den verraderlijken woestijnwind, den simoun, wil de Arabier, zelfs de meest nomadisch aangelegde, wel weer eens de genietingen der beschaafde wereld smaken.

Daarbij komt, dat het drukke vreemdelingenverkeer nu niet bepaald voordeelig op de zeden gewerkt heeft, zoodat te Biskra druk aan Venus en aan 't spel geofferd wordt; ook houden de Arabieren zich daar niet zoo streng aan de wet van den profeet als hun voorgeschreven is ten opzichte van wijn en alcoholische dranken, zooals wij zelf eenmaal aan onzen gids konden bemerken. Des avonds en gedurende een deel van den nacht is het in sommige straten vrij druk en rumoerig; danshuizen en café's stralen van licht, harde snerpende muziek weerklinkt, in 't kort een soort oostersch boulevard-leven in 't klein. Dit concentreert zich voornamelijk in de zoogenaamde straat der Oulad-Nayl. De Oulad-Nayl is een Bedouïnenstam, die in het gebergte van dien naam ten westen van Biskra huist. Tegen den winter gaan de dochters van dien stam naar die plaats toe, om er zich in de arabische café's als dansmeisjes te verhuren, tevens haar harten zoo wijd mogelijk voor alle vreemdelingen openstellend. In 't Oosten wordt de danskunst in 't openbaar slechts uitgeoefend door meisjes van twijfelachtige zeden.

Dit doet echter der dochters der Oulad-Nayl geen kwaad. Integendeel. Want evenals de japansche Greishameisjes, zijn zij bij haar terugkeer naar haar stam met de opgespaarde verdiensten als bruiden zeer gezocht.

In tegenstelling met de andere Arabische vrouwen ongesluierd, zitten zij voor de deuren van haar lage huizen, in lange bonte kleederen gehuld, den kleurigen tulband op 't hoofd, dat aan weerskanten omlijst is met een dikken dot valsche krullen van dunne zwarte wol, hals en borst behangen met tallooze kettingen van louis d'or, munten, steenen en schelpen; armen, polsen en enkels met armbanden en ringen versierd, de nagels rood geverfd met hennéh, de wenkbrauwen met kohl tot één dikke zwarte streep getrokken, die de donkere oogen onnatuurlijk groot maakt. De vreemdelingen gaan natuurlijk een kijkje in deze wijk nemen, omdat zij hier een eigenaardig stuk oostersch leven te zien krijgen en niets dat tegen de borst stuit. In 't café binnengetreden, waar een talrijk publiek van allerlei stand en landaard is, zetten zij zich op de met tapijten belegde steenen banken neer, om naar het dansen toe te zien. Op een soort estrade maken eenige muzikanten eentonige muziek, eerst zacht en slepend, om eensklaps over te gaan tot fortissimo in een razend tempo, dat eindigt met den Europeaan wanhopig te maken. Op de maat dier muziek voeren de dochters der Oulad-Nayl hare gracieuse dansen uit, met voorzichtige schuifelende passen, lenige lende- en heupbewegingen en sierlijk soms statig armgebaar.

Een kunststukje daarbij is, een ontvangen geldstuk op het voorhoofd te plaatsen en dit onder 't dansen en 't achteroverbuigen van het bovenlichaam steeds daarop te houden.

Uren lang kan de Arabier naar die dansen toezien; voor den Europeaan worden zij spoedig eentonig. In een ander café worden krijgsdansen uitgevoerd door negers uit Centraal-Afrika, die zich daarbij zoo afschuwelijk mogelijk toegetakeld hebben, behangen als zij zijn met lynx- en vossevellen. Onder het uitstoot en van rauwe, brullende kreten, die niets menschelijks meer hebben, draaien zij met snelle sprongen en bewegingen om elkander heen, onder 't zwaaien van kromme sabels, met klapperende castagnetten en een kleine oorlogstrom een oorverdoovend lawaai makend.

Zoodanig tooneel biedt de straat der Oulad-Nayl den vreemdeling des avonds. Door zijn licht en leven, zijn oostersche vrouwen en kleurenpracht en al het exotische maakt deze plek een eigenaardigen indruk, dien hij niet licht vergeet.

Zeer loonend en vol afwisseling is een wandeling door het dorp oud-Biskra, bewoond door de eigenlijke inwoners der oase. Men bewondert hier even als te El-Kantara het kunstige irrigatie-stelsel en de hoog opschietende dadelpalmen, terwijl de nettere, ruimere woningen van meer welstand dan ginds getuigen.

Niet ver van daar liggen op een lagen heuvel de overblijfselen van een turksch fort, dagteekenende uit den tijd dat het gezag van den Grooten Heer te Constantinopel zich nog over Tunis tot aan de grenzen der Sahara uitstrekte. Van den top heeft men een gezicht op het zuidelijk gedeelte van Biskra en tevens op den Col des sfa (sfa: kameelen), waar een vale, golvende streek te kennen geeft, dat hier het ruwste en onvruchtbaarste deel der Sahara, de zandwoestijn, waar de simoun heerscht, door de Arabieren El Erg genoemd, een aanvang neemt.

Beter nog dan van den heuvel bij oud-Biskra kan de reiziger de zandwoestijn aanschouwen van den toren der moskee van Sidi-Okba. Dit is een dorp geheel bewoond door Arabieren, op 3 uur rijdens van Biskra verwijderd. Het is voor hen een beroemde bedevaartplaats, want in de moskee ligt begraven Sidi-Okba, een neef van Mahommed en fanatiek strijder voor 't geloof van den profeet, die in den strijd met de Berbers sneuvelde. Hier ziet men geen Europeesch gebouw, geen spoor van westersche beschaving. Men is geheel in een Arabisch milieu, hetgeen het interessante van het bezoek verhoogt, maar in hooge mate de vrijheid van beweging belemmeren zou, als niet de Fransche regeering speciaal een Arabier als beambte aangesteld had, om de vreemdelingen als gids te dienen en tegen de al te groote indringerigheid en bedelzucht van zijn landgenooten te beschermen.

Bij 't bezoek aan het graf, dat met kostbare wijgeschenken en fraai met goud en zilver bestikte tapijten versierd is, bestijgt men ook den toren der moskee; en van den omgang, waar de muezzins bij 't ondergaan der zon met luidklinkende stem de geloovigen tot het avondgebed oproepen, heeft men een onmetelijk uitzicht op de golvende zandzee, die zoo veel drama's en verschrikkingen in haren schoot bergt en waarvan het kleine, in het zonlicht schitterende dorp met zijn slanke palmen slechts een verlaten post schijnt te zijn. Toch is het bewoond door ongeveer 3000 Arabieren en negers.

Een der voornaamste aantrekkelijkheden van het reizen in Algerië is de groote afwisseling, die de natuur telkenmale aanbiedt. Een halve dagreis is dikwijls voldoende om den reiziger in een landstreek te brengen, die zoo in alle opzichten verschilt van die, waar hij den vorigen nacht het moede hoofd ter ruste legde, dat hij zich zelf bijna verwonderd afvraagt, of deze verandering toch werkelijk in zoo korten tijd heeft plaats gehad. Grooter tegenstelling dan tusschen het landschap van Biskra en Kabylië is wel niet denkbaar. Kon ginds de blik een onmetelijken horizon bevatten, zoo wordt hij hier op korten afstand gestuit door massieve bergmassa's waarvan de toppen met sneeuw bekroond zijn, want Kabylië is het hoogste en meest uitgestrekte bergland van geheel Algerië. Het behoort tot twee provincies. De oostelijke helft is de grootste en ligt in de provincie Constantine. De bergen bereiken er echter niet zoo'n hoogte als die der westelijke helft, in de provincie Algiers gelegen. Van Constantine naar het Westen sporend, komt de reiziger eerst in de door graan vruchtbare maar eentonige vlakte van Sétif. Langzamerhand, bij 't naderen van den Biban-keten, wordt het landschap woester en meer bergachtig; steunend en hijgend zwoegt de machine tegen de berghelling op, van tijd tot tijd stil houdend, waar werklieden bezig zijn den veel onderhoud vereischenden weg te herstellen. Het is of men in een Zwitsersch landschap verplaatst is. Verdwenen zijn de karavanen met Bedouïnen en kameelen, als waren zij door den sirocco weggevaagd, verdwenen ook de palmen met hun sierlijke bladerkronen. De beambten en arbeiders langs den weg zijn bijna allen van Europeeschen stam en de schilderachtige oasen zijn vervangen door spaarzame boomgroepen van het soort dat men "pin d'Aleppe" (een variatie van den den) noemt en naakte, loodrecht oprijzende rotswanden. Steiler wordt de weg, langzamer kruipt de trein naar boven, tot hij bij de Portes de Fer het hoogste punt bereikt heeft. Van daar daalt de weg dan weder met vele zig-zagwendingen en slingeringen in de vruchtbare vlakte van de Sahel, waar talrijke olijfboomgaarden en velden met wijnstokken en graan beplant, van de vruchtbaarheid getuigen. Steeds breeder en liefelijker wordt het dal, tot de spoorweg zijn eindpunt, het aan zee gelegen Bougie bereikt, waar ook de Sahel zich in zee stort. Geen plaats in Algerië is schooner gelegen dan Bougie, amphitheatersgewijze tegen de heuvels gebouwd, die een tamelijk groote golf omringen. Het gezicht, dat men op de golf heeft van de balkons van het in Zwitserschen trant gebouwde hôtel, is werkelijk eenig mooi. Op den voorgrond de kleine haven, waar slanke vaartuigen met driehoekige zeilen op de donkerblauwe watervlakte heen en weer schommelen; aan den overkant bergketenen uit de zee oprijzend, steeds hooger en hooger, de voorste lagere, met groenenden wasdom, de achterste hoogere, witgekuifd door sneeuw; aan de linkerhand de volle zee, aan de rechter de vruchtbare vlakte der Sahel, hier en daar door verschillend genuanceerde, groenende boomgroepen onderbroken. Op een eenzame, ver in zee uitstekende rots, kaap Carbon, staat een vuurtoren met draaiend licht, hetwelk op 45 K.M. van uit zee te zien is. Want de kust is hier zeer gevaarlijk, daar er dikwijls zoo'n sterke mist heerscht, dat men geen twee passen voor zich uit kan zien.

Bougie is het uitgangspunt voor tochten te voet en per rijtuig door Groot- en Klein Kabylië. Wegen, hôtels en middelen van vervoer laten er echter nog veel te wenschen over, zoodat de Arabieren met dien primitieven toestand hun voordeel doen en er geen streek is, waar de reiziger meer op zijn tellen en op zijn beurs moet passen dan in dit deel van het beschaafde Algerië.

Onderscheidt Kabylië zich, wat de natuur en de gesteldheid van den bodem betreft, van het Zuiden, ja men kan veilig zeggen van geheel het overige Algerië, zoo is er ook op het gebied van bevolking groot verschil. De Kabyl is een afzonderlijk type, dat zich door de afgeslotenheid van zijn ontoegankelijke bergen door vele eeuwen heen zeer zuiver gehandhaafd heeft, weinig vermengd als het is door nauwere aanraking met de verschillende volksstammen, die achtereenvolgens het land overstroomden. Van middelbare gestalte, lenig, welgemaakt en gespierd, met blauwe oogen en rosachtig haar, vertoont hij een geheel ander type dan de Arabier. Hij behoort tot de oorspronkelijke Berberstammen, die voor de komst der Romeinen het land bewoonden en zich gedurende de onophoudelijke oorlogen en vervolgingen in het ontoegankelijke gebergte terugtrokken. Ook in het Aôures-gebergte vindt men dergelijke stammen. Fanatiek, sober, dapper en vrijheidslievend, met open, vrijen oogopslag, heeft de Kabyl al de deugden van den bergbewoner. Een langen, hardnekkigen oorlog hebben de Franschen in Kabylië moeten voeren, eer het voor goed onderworpen was. Telkens verslagen, trokken de bewoners zich weder in ontoegankelijke streken terug, om den aanval onverwacht te hervatten als de kans hun gunstig scheen. Vele Fransche veldheeren hebben hun sporen in dezen veldtocht verdiend. Ook de hertog van Aumale, later stadhouder van Algerië, heeft er als dapper soldaat zijn plicht gedaan. Onder de dweepzieke leiding van den bekenden emir Abd-el-Kader was Kabylië een brandpunt van verzet. Een treurige vermaardheid verwierf er door zijn wreedheid de overste Pelissier, later voor zijn verdienste bij Sebastopol tot hertog van Malakoff benoemd. In 1845 liet hij een geheelen Kabylenstam ten getale van 800, die met vrouwen en kinderen in een ruime rotsspelonk gevlucht waren en van overgave niets weten wilden, door den rook van een brandende houtmijt door verstikking om 't leven komen. Eerst in 1857 gelukte het generaal Randon den taaien tegenstand der Kabylen te breken en daarmede Algerië tot aan de Sahara te onderwerpen. In 't midden des lands werd een sterkte, Fort National, gebouwd, van waaruit excursies ondernomen werden om het land tot rust te brengen. Een wijs en gematigd bestuur heeft er zeer toe bijgedragen de onderwerping te bevorderen. Na verloop van tijd hebben de Kabylen zich in 't onvermijdelijke geschikt, zoodat de regeering van Algerië hen thans onder haar beste onderdanen moet rekenen. Geen nomaden, als de Arabieren, zijn zij aan hun bergen, aan vaste woonplaatsen gehecht en houden zich met goed gevolg met landbouw en veeteelt bezig.

Is Tunis een echte Arabische stad, waar men de Mooren (zoo noemde men vooral ten tijde der Republiek de inwoners der steden aan de Noord-Afrikaansche kust) nog in al hun oorspronkelijkheid kan gadeslaan, geheel anders is het met Algiers gesteld. Algiers is geheel en al een Fransche stad. Men zou denken in de een of andere Fransche havenstad der Middellandsche zee te zijn, zoo Europeesch is het uiterlijk met de ruime haven, uitgestrekte kaden en prachtige, uit vele verdiepingen opgetrokken, hôtels en gouvernementsgebouwen. Wandelt men dieper de stad in, zoo wordt die indruk nog versterkt. Van een uitgestrekte Arabische wijk, zooals te Tunis, geen spoor en bijna met verbazing beschouwt men de moskee El-Djedid met haar in 't felle zonlicht schitterende muren en met een halve maan gekroonde koepeldaken op de Place du Gouvernement, juist tegenover het ruiterstandbeeld van den hertog van Orleans, alsof men dit gebouw nu het allerminst hier verwachtte. Eigenlijk is het niet meer dan natuurlijk, dat de stad Algiers haar oorspronkelijk karakter nagenoeg geheel verloren heeft, zoo men bedenkt dat de Franschen zich daar het eerst gevestigd hebben. De bezetting dateert van 1830.

In dat jaar had in de kasbah van den bey de befaamde audiëntie plaats, verleend aan den Franschen consul. Deze had zich over eenige rooverijen en andere schendingen van 't volkenrecht door Algerijnsche onderdanen ernstig te beklagen, welke klachten door den despoot met zeer ongepaste woorden beantwoord werden. In zijn toorn liet hij zich zelf vervoeren, den consul met zijn waaier in 't aangezicht te slaan, een daad, die hem zijn heerschappij kostte. Daar elke voldoening geweigerd werd, landde een Fransch leger onder maarschalk Bourmont aan de kust, maakte zich zonder veel moeite van de stad en omgeving meester en zette den bey af. Nog heden ten dage toont men op de kasbah aan de vreemdelingen het Pavillon du coup d'éventail, waar die gedenkwaardige audiëntie plaats greep. De omstandigheid, dat Algiers de residentie der geheele kolonie werd, droeg er eveneens toe bij de stad meer en meer Fransch te maken in de 70 jaar, sinds de bezetting verloopen.

Bovendien is Algiers zeer gezocht, om het heerlijke klimaat als winterverblijf, door tallooze vreemdelingen, een reden te meer, waarom het inlandsche element op den achtergrond treedt.

De ligging aan een ruime baai, die het volle uitzicht op de zee verleent en met haar rechteroever in een zachten boog naar het Noord-Oosten loopt, is eenig schoon.

Niet weinig dragen daartoe bij de twee voorsteden, Mustapha inférieur en Mustapha supérieur, juist in die boog gelegen, de landstreek aan zee en de glooiende heuvels bedekkend met vroolijke landhuizen en prachtvolle villa's, afgewisseld door welige boomgroepen en boschpartijen. De beide Mustaphas worden bij voorkeur door de vreemdelingen gezocht.

Ook de gouverneur-generaal van Algerië heeft zijn zomerpaleis in Mustapha supérieur. Op een heuvel gelegen, biedt het, tusschen de breede bladeren der palmen door, een verrukkelijk uitzicht op de zee en is door een uitgestrekt park omgeven. Voor den ingang staan op zuilen de marmeren busten van eenige vroegere gouverneurs, meest militairen, die een groot aandeel gehad hebben in de verovering. Men leest de namen van Bugeaud, den grooten generaal-pacificateur, Randon, Mac-Mahon, Chanzy, die Frankrijks eer en wapenroem redde in den rampspoedigen veldtocht aan de Loire, en van zoovele anderen. Tegenover het paleis vindt men het museum van oudheden, met vele schatten op oudheidkundig gebied, door de opgravingen der laatste 25 jaren aan 't licht gebracht. In 't bijzonder zijn hier eenige zeer fraaie mozaïeken te zien, geheel ongeschonden en van groote afmeting. Deze komen in grooten getale in Algerië voor.

Het mooiste in de omstreken van Algiers, en geen vreemdeling verzuime dit te gaan zien, is de Botanische tuin van le Hamma.

Op korten afstand van de stad, onmiddellijk aan zee gelegen, is deze tuin eenig in haar soort, en hij wordt slechts door dien van Buitenzorg overtroffen. Van al de proeftuinen, overal in Algerië door de Franschen aangelegd, is deze tuin van Hamma (zoo wordt hij genoemd naar een dorpje in zijn nabijheid) de oudste en de belangrijkste. Door een breeden schaduwrijken rijweg omgeven, bedraagt de uitgestrektheid 84 hectaren, welke in twee deelen verdeeld is, waarvan het aan zee gelegen gedeelte den eigenlijken tuin uitmaakt, terwijl het andere bestaat uit met verschillende houtsoorten bewassen heuvels. De ingang is in de onmiddellijke nabijheid der zee, op een historische plek. Want in 1541 mislukte hier een strafexpeditie van Karel V tegen den dey van Algiers. Zijn kostbaar uitgeruste vloot werd door geweldige stormen deels op het strand geworpen, deels door de zee verzwolgen. Zelfs met moeite gelukte het den machtigen keizer zich te redden. Het heerlijke klimaat van Algiers kwam den tuin zeer ten goede en bracht de vele uitheemsche tropische gewassen tot snellen wasdom. Bij 't binnenkomen betreedt de bezoeker een der vier prachtige lanen, die deze tuin rijk is en die hem in verschillende richtingen doorkruisen.

Het is de palmenlaan, afwisselend bestaande uit Amerikaansche palmen die de aandacht trekken door hun forschen, knoestigen stam en kolossale waaiervormige bladen, en uit kaarsrechte, slanke dadelpalmen, hun wuivende kruin hoog in de reine lucht verheffend. Voorts is er een laan eeuwenoude platanen, van den voet tot hoog in de takken met klimop omrankt. In de bamboes-laan buigen de stammen met het dun uitloopende eind naar elkander toe tot zij elkander aanraken, zoodat het den bezoeker toeschijnt als wandelt hij in het schip eener kathedraal. Het meest wordt hij echter getroffen door de prachtige laan van ficussen, 20 minuten gaans lang, waar elke boom afzonderlijk een weelde der oogen is. Vijftien tot twintig luchtwortels, meer of minder dik, hangen bij den stam neer, omstrengelen hem met forsche omarmingen, of richten zich bij den voet weer omhoog, zoodat het geheel een grillig complex van wortels en takken vormt, overschaduwd door de machtige bladerkroon. Men is verrukt door de zeldzame sycadaëen, door de musa's met hun breede, laag neerhangende bladeren en purperen vrucht. Een wonderlijken indruk maakt de pinangboom, met kegelvormigen stam, licht grijs van kleur, hard en glad als steen. In 't bijzonder munt deze tuin uit door het groote getal exemplaren van eene zelfde boomsoort in één groep bijeengeplant. Zoo ziet men b.v. een groep van 40 verschillende palmen uit alle deelen der wereld afkomstig. Op groote schaal worden in den tuin allerlei gewassen aangekweekt, die door de kolonisten in cultuur kunnen gebracht en voor hen tegen matigen prijs verkrijgbaar worden gesteld.

De provincie Algiers is de vruchtbaarste van geheel Algerië en wordt door de provincie Oran alleen wat betreft den rijkdom van graan overtroffen. De tel, het bebouwbare land, heeft er de grootste breedte en de vlakten van de Sahel en van de Metidja leveren de grootste verscheidenheid van producten op. Rijk aan wijn, heeft dit edele vocht al sinds jaren in geheel Europa, ook in ons land het burgerrecht verkregen. Keeds in 1865 bedroeg de uitvoer 3 millioen H.L. en in jaren van misgewas zijn de wijnboeren uit Frankrijk blijde, hun voorraad uit de Algiersche wijnen te kunnen aanvullen. Overal in de omstreken van Algiers uitgestrekte velden met Europeesche groenten en breedbladerige artisjokken, waarmede des winters de markt van Parijs voorzien wordt.

Niet alleen om hare snelle, gestadige ontwikkeling, maar ook uit een politiek oogpunt neemt de provincie Oran, meer dan de andere, de aandacht van het bestuur van Algerië en van de regeering te Parijs in beslag. Zij is niet veilig tusschen twee andere gelegen, als Algiers, grenst evenmin aan een land als Tunis, waarover Frankrijk door zijn protectoraat de beschermende en strenge hand uitstrekt, maar heeft tot nabuur het woelige Marokko, waar de heerscher slechts in schijn gezag uitoefent. Vooral in 't zuiden zijn de nagenoeg onafhankelijke Bedouïnenstammen, die zich aan bevelen en vertoogen uit Fez niets gelegen laten liggen, bij voortduring een onrustig en beroering brengend element.