De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 75

Chapter 753,974 wordsPublic domain

De moskeeën, die op enkele hoogten in het district Fossato staan, zijn oudtijds het godsdienstig middelpunt geweest der Nefoesiërs. De historische en philosofische wetenschap zijn er nog in eere, en de Berbers beschouwen het gansche district als een heilige plaats. Maar eenige van die moskeeën zijn tegenwoordig verlaten, en daar moeten, naar booze tongen verhalen, zeer weinig stichtelijke dingen gebeuren.

Als men Naloet bereikt aan het westelijk uiteinde van het gebied der Berbers, gaat men langs den voet der rotsen, en wij maken van de gelegenheid gebruik, om den geologischen bouw van die mooie, loodrechte wanden na te gaan. Op dezen weg passeeren we de tallooze stroompjes, die voor de afwatering zorgen van de hoogte, maar nu droog zijn. Zij graven ondiepe beddingen in Djeffara.

Bij de oase Djoch vond ik romeinsche ruïnen, te herkennen alleen aan eenige brokken muur. Toch was dit een voorname plaats, Sabria genoemd, naam die ook wel gegeven werd aan Sabratha aan de kust der zee. Die naam, die ontwijfelbaar van vreemden oorsprong was, duidt dus een in het binnenland liggend Sabratha aan, waarvan veel geleerden het bestaan geloochend hebben, ondanks de beweringen van Ptolemaeus. De grieksche aardrijkskundige was beter ingelicht dan wij, en als er een marktplaats bestond voor de groote haven aan de Middellandsche Zee, dan moest het hier wezen, bij een der hoofddepots, waar het plateau op de vlakte uitkwam.

Iets verder doet zich de oase Tizi voor, waar een ondragelijke stank viel waar te nemen. Toen we er aankwamen, vonden we er een troep Arabieren, bezig met een bron bloot te leggen, door met hun handen in den grond te graven.

Dit werk, waarmee ze al een maand aan den gang waren en dat op de alleronhandigste manier werd gedaan, heeft water over den omtrek verspreid; het gaat tot bederf over en vergiftigt de buurt. De grachten om het kerhof liggen vol lijken, die men zich de moeite niet geeft te begraven; en we zagen menig geraamte, waarvan het doodshemd tot lompen is geworden.

De ingang van de kloven van Naloet is nog grootscher dan die van Djado. Het dorp, dat de inboorlingen liever Daloet noemen, ligt op 750 M. hoogte op den top van een steile rots, die over afgronden van tweehonderd meter heen hangt. Een der woningen is gebouwd tegen de bijna loodrechte wanden van de rots, een ander ligt verspreid over het begin van het plateau. De oorsprong van een rivier dient tot hoofdstraat. Enkele van de andere straten zijn zoo nauw dat een man er niet langs kan gaan, zonder zijn schouders te stooten. Het dorp bestaat ten deele uit ondergrondsche woningen, want er zijn een massa troglodyten in het bergland van Tripolis.

De Turken hebben een fort gebouwd op een helling van de kloof; daartegenover staat tusschen de hutten een oude citadel, geheel in de rots uitgehouwen, zonder een enkel laagje steenen. Daar borgen de bewoners hun rijkdommen en daar vonden ze een schuilplaats in tijden van gevaar. Tegenwoordig bergen ze er nog hun koopwaren en hun voedingsmiddelen. Elke familie heeft haar eigen magazijnen in de vesting; in de rotswanden zijn de bergplaatsen gehouwen. En de driehonderd openingen, vrij regelmatig gerangschikt, geven aan het geheel het aanzien van een columbarium of romeinsche grafkamer met haar vele nissen voor de urnen met asch. Des morgens komen de huisvrouwen er weghalen, wat ze noodig hebben voor het maal van den dag; in den namiddag ziet men er de mannen hun handel drijven als op een markt, waarna ze den sleutel aan den bewaker ter hand stellen, die den naam van dellal draagt. Er is geen trap, om bij de bovenste openingen te klimmen, en de eigenaars hijschen zich tot vijf of zes meter in de hoogte, door zich aan de uitspringende gedeelten van de rots vast te houden.

Naloet lijkt als alle dorpen van den Djebel in de verte op een hoop puin, omdat de huizen er zijn aangelegd met de allergrootste minachting voor de rechte lijn en het effen vlak. De muren van pleister en steenen staan scheef en dragen een dak, dat een chaos is van balken van olijf- en palmhout.

Wat mij het meest verbaasde, is dat er geen ongelukken aan de kinderen overkomen in dit dorp boven afgronden, waar in de diepte nooit een zonnestraal doordringt. Ik zag er een troep jong goedje in lompen spelen aan den rand van gapende diepten, die iemand een huivering aanjagen. Van daar overzag men een panorama, dat zich tot dertig kilometer in het rond uitstrekte; aan den eenen kant de verweerde bergmassa's, aan den anderen de effen oppervlakte van het plateau. In een paar spleten waren palmboschjes gegroeid, waar beekjes hun oorsprong namen.

De huwelijksplechtigheden hebben veel eigenaardigs in Naloet. Vier geheele dagen lang blijven de genoodigden opgesloten en slijten den tijd met het eten van hoopen meel, met olie aangemengd. Op den dag der plechtigheid gaat de bruid eerst haar linnengoed wasschen in het geleide van een escorte van jonge meisjes. Door de vriendinnen wordt ze dan naar het huis harer ouders teruggebracht, en het echte feest begint met het zingen van gehuurde koorzangers. Een kameel met een palankijn van levendige kleuren voert daarna de bruid naar haren echtgenoot tusschen ruiters, die zich aan de meest woeste fantasia's overgeven. Alle aanwezigen blijven buiten de woning van de jonggehuwden en wachten, tot de echtgenoot hun komt mededeelen, dat de huwelijksvereeniging heeft plaats gehad. Op dat moment gaan van alle kanten voetzoekers af, om in de naburige dalen te verkondigen, dat er een huwelijk is voltrokken.

De ingewikkelde ceremoniën zijn daarmee niet afgeloopen, maar duren nog wel een week, waarbij ook de nachten aan spel en braspartijen zijn gewijd. Soms hebben gefingeerde schakingen plaats tusschen jonge mannen en jonge meisjes, en grijsaards komen dan tusschenbeide, om vrede te stichten tusschen de schuldigen en hun ouders. Dat zijn nog eens bruiloften, waar men zich vermaakt!

De kaïmakan van Naloet is een beminnelijke grijsaard, die aan een heupziekte lijdt, gevolg van een ongeluk, dat hij een twintigtal jaren geleden heeft gehad. Terwijl hij zich mengde in een bloedige vechtpartij, om er een einde aan te maken, had hij een kogel ontvangen, die nog niet is verwijderd. Voor mij was deze ambtenaar vol oplettendheden; zelfs werd ik genoodigd op een revue over de troepen van het garnizoen en genoot de eerbewijzen, die aan generaals toekomen, wat geen kleinigheid was voor een officier buiten dienst, die het nooit tot de hoogere rangen heeft gebracht.

Ongelukkig kon ik niet de toestemming krijgen om tot Rhadames door te reizen, waar wij nog slechts 250 K.M. van verwijderd zijn. De gouverneur-generaal, bij wien ik nog een poging deed, om verlof te krijgen, gaf een categorisch weigerend antwoord, het gevaar voorwendende, dat een Europeaan in die groote targuïsche stad liep. Ik moest mij tevreden stellen met kleine uitstapjes in die richting, en daarna ging het naar Wazzen, het laatste bewoonde middelpunt op de grens van Tunis.

Van Naloet keerden we op onze schreden terug, om geheel het bergland van het Westen naar het Oosten door te trekken, maar dezen keer over den kam van het plateau, hetgeen ons in staat stelt, alle berbersche districten te bezoeken. De eerste dagreis brengt ons te Mahmoed, een vesting, even hoog gelegen als de vorige. Het zigzagpad, dat er heen leidt, is zoo steil, dat de kameelen kermen en ten slotte uitgeput stilstaan. Wij moesten ze ontladen en de pakken één voor één naar boven dragen. Ik moest mijn met spijkers beslagen schoenen uittrekken, want de geringste glijpartij zou mij op een leelijken val zijn te staan gekomen.

Te Mahmoed is een deel der bevolking arabisch. Het is een der weinige plaatsen, waar de stroom der veroveraars uit de elfde eeuw er in geslaagd is, een der inhammen binnen te dringen, die tot boven op het plateau voeren. Ongeveer honderdvijftig huizen en enkele olijfboomen staan om de vesting. Het zeer smalle deel heeft mooie aanplantingen van olijven van, naar het mij voorkomt, nog jongen datum.

Onze weg liep nu verder in rechte lijn achter de laaglandzone en wij naderden die alleen, om de berbersche districten te bezoeken. Het volkomen verlaten plateau was met alfagras in dikke bundels begroeid, waarbij niemand op het denkbeeld komt, ze te exploiteeren, omdat men er te ver van de zee is verwijderd, waar schepen dit gras laden voor de papierfabrieken in Europa. Mijn gids, een kloeke Berber met koperkleurige huid, bukte zich herhaaldelijk, om iets van den zandigen grond op te rapen. Op een goeden dag bracht hij mij een gevuld zakje; het waren witte truffels, die hij onderweg had ingezameld. Dit knolletje heeft volstrekt niet den geur van zijn broertje uit Périgord, en het is, of men een raap proeft.

Mijn mooie gids, die op den naam van Ikissa antwoord geeft, heeft geen flauw begrip van tijd, noch van ruimte, hetgeen trouwens een gebrek is van veel nomaden. Als ik hem vraag, hoe lang het nog duurt, voor we bij de aangewezen plek voor het kamp zijn, kan hij mij altijd alleen deze aanwijzing geven: "We zijn er niet ver meer af, we zullen er spoedig wezen," en dan hebben we vaak nog vier of vijf uur vóór ons.

Zoo kwamen we op een avond zeer laat te Kabao, waar volgens de inlichtingen van Ikissa ik om drie uur in den namiddag had gehoopt aan te komen. Onze lieden waren zoo vermoeid, dat ieder ging slapen zonder avondeten. Maar wat was het een prachtig gezicht, toen de aanbrekende dag ons de stad vertoonde, hangend, als het ware, boven een diepen afgrond in een omlijsting, die het mooiste, wat de fantasie van Gustave Doré geschapen heeft, overtrof!

Rabao heeft een in de rotsen uitgehouwen vesting, zooals Mahmoed en Naloet, en die bestemd is voor hetzelfde doel. Het is de laatste, die wij zullen aantreffen. De stam van dit district, Baraba genaamd, is zeer geleerd en voorziet de geheele streek van priesters en godsdienstleeraars. Ongeveer vierhonderd huizen omringen den kasr en loopen door tot een moskee onder grond in een kloof, die op een reuzenwagenspoor geleek tusschen twee steile wanden van wel honderd meter hoogte, door nauwelijks twintig meter gescheiden.

De bebouwde centra zijn hier op ongeveer vijftig kilometer afstands van elkander, zoodat elk een dagreis voor ons is. Onze voorraad zou ons wel vergunnen, ons kamp op te slaan op het eenzame plateau, maar het is beter, zuinig te zijn met onze middelen in een land, waar men niet juist den duur van het verblijf kan bepalen. Overal waar we stil hielden, werd een schaap geslacht, en er werden bergen rijst aangevoerd of meel voor de karavaan, tegen prijzen, die in Europa belachelijk zouden klinken, maar die daarom toch hoog zijn in Nefoesa.

Landbouw en schapenteelt, die met zorg worden beoefend in de dalen tusschen de bergen en op enkele gedeelten van Djeffara of van het plateau, zijn de middelen van bestaan voor de bergbewoners. Aan havermeel, olie, vijgen en vleesch hebben ze zelden gebrek. In October begint het oogsten der olijven. De vijgen worden in April geplukt. De wijnbouw, die beoefend wordt op velden, waar de ploeg overgaat, houdt meer in het bijzonder kleine joodsche koloniën bezig, die verlof hebben er wijn te vervaardigen uit druiven, een wrang smakend wijntje. Het vee vindt in het slechte jaargetijde een schuilplaats in grotten; en als de eerste lauwe winden van de lente waaien, verspreidt het zich over de weiden van het plateau.

Sommige Berbers gaan zaaien tot midden in Djeffara. Ze laten hun vrouwen in de dorpen, om de woningen te bewaken en wollen kleedingstoffen te maken. Na drie maanden van afwezigheid komen die kolonisten dan terug.

Te Tramezin, als overal, waar geen bronnen zijn, hebben de inboorlingen waterréservoirs aangelegd, die in den winter boordevol loopen.

Slamat heeft een arabische bevolking, net als Mahmoed, en mooie vijgenboomen. Te Rhebat is de dichter Ismaïl geboren, die volgens Sjemmaki nooit één leugentje in zijn verzen liet binnensluipen. Die Ismaïl, die zijn gedichten zelfs in de gevangenis schreef, was daarbij een profeet. Toen hij Tripolis verliet, waar de pacha hem langen tijd in boeien had laten smachten, sprak hij over de stad den volgenden vloek uit: "Dat Grod u een vijand zende, die noch Hem, noch de zonde vreest!" En zeer kort daarna maakten de Christenen zich van Tripolis meester.

Wij passeerden Djado, zonder er ons op te houden ondanks het vriendelijk aandringen van den kaïmakan. De tijd drong, en wij konden dien niet besteden in plaatsen, waar we reeds geweest waren.

Zentan, 20 K.M. ten oosten van Djado ligt nog hooger dan de andere plaatsen aan het begin van het bergland. De Senoessi's hebben er een klooster in Elgoeassen en hebben rijke kudden van vrouwelijke kameelen voor de fokkerij. De meeste der woningen zijn onderaardsch. Ik geloof, dat het aantal inwoners de duizend overtreft, van wie de meeste landbouwers zijn. Er zijn veel oliepersen aan het werk, door kameelen in beweging gebracht, die met verbonden oogen in de molens rondloopen. De afval, tot koeken gemaakt, wordt bewaard en als veevoeder gebruikt.

Yffren kende ik reeds, daar ik er in 1901 had vertoefd, maar ik moest er nu stilhouden, om een bezoek te brengen aan den gouverneur-generaal van de Djebels, die er resideert. Die hooge ambtenaar had recht op mijn dankbaarheid, want aan zijn behulpzaamheid hadden wij de ontvangst te danken, die onze expeditie overal te beurt viel op zijn grondgebied. Daarbij had de beminnelijke monteçarref, zoo is zijn turksche titel, mij geschreven, dat hij mij in persoon eenige dagen wenschte te vergezellen op mijn verdere reis.

Wij kwamen juist te Yffren, toen een nieuw bataljon het oude kwam aflossen, dat er sedert een jaar verblijf hield. Het stadje was in groote drukte. De grootste en bontste levendigheid heerschte rondom de vesting en in de café's van Tagrebost. De esplanade vóór de kazerne weerklonk van het gehinnik der duizend kameelen, welke de benoodigdheden voor het nieuwe garnizoen hadden meegebracht. En dat alles gaf aan dit afgelegen hoekje in den verblindenden zonneschijn een vroolijkheid, die men er zelden zal treffen.

De Turken hebben een modern fort gebouwd op de plaats van de oude vesting, waar de Berber Roema in 1850 het turksche garnizoen opsloot en zoo voor een korten tijd het geheele district aan de overweldigers ontrukte. De herinnering aan den moedigen patriot is er dan ook nog levendiger dan elders. Dagelijks hoort men de heldendaden roemen van dien eersten schutter, die bij den krijg aan zijn omgeving den vijand aanwees, dien hij raken wilde en als hij het geweer tegen zijn wang had gelegd, nooit zijn schot miste. Zijn belangrijkste tactiek bestond in een nadering gedurende den nacht tot aan den voet der vestingen met al zijn aanhangers, die veel stroo droegen. Door middel van ladders en lange stokken wierpen dan de belegeraars bossen brandend stroo over de wallen en meestal stierven de garnizoenen den dood door verstikking, vóór ze zich nog hadden kunnen overgeven.

Bij mijn nieuwen gastheer vond ik een uitstekende keuken, waar onze vermoeide magen de grootste behoefte aan hadden. Aan tafel was een jonge gazelle van de partij, die uiterst aanhalig was en die allerlei lekkers kreeg. Maar liever dan iets anders had ze een snuifje tabak.

Toen we ons den 15den April weer op weg begaven, was onze karavaan vrijwat aangegroeid door het gevolg van den monteçarref Yoessoef, die vergezeld werd door zijn secretaris-generaal, zijn uitstekenden kok, een menigte bedienden en politiebeambten en eindelijk door de jonge negerin Zenep. Dit krachtige, mooie meisje van ongeveer twintig jaar wist niets van haar eigen afkomst. Al in haar eerste jeugd was zij door kooplieden van haar ouders weggevoerd en was naar Fezzan gebracht, waar de turksche overheden haar in vrijheid hadden laten stellen.

Ons doel was nu het district Orfella, dat is het zuidoostelijk gedeelte van het tripolitaansche plateau.

Geheel Tahar, zooals men het binnenland van het groote plateau wel noemt, helt af naar het Zuiden. De helling begint al bij den noordrand, zoodat de grond aan de Middellandsche Zee snel daalt, terwijl de kant van de Sahara geleidelijk overgaat tot de hoogte van Rhadames en Sokna. Een andere helling is aan den oostkant, maar die is nog van minder beteekenis dan de eerste. De wadi's Soff ed Dinn en Zemzem, de groote waterbergplaatsen van de streek, zouden dus zich naar het Zuiden moeten richten; maar zij stuiten op reeksen kleine rotsen, evenwijdig aan die van de Djebels, waarlangs ze genoodzaakt zijn een abnormale richting in te slaan, die ze naar de golf der Groote Syrte voert. Om van Yffren naar Orfella te gaan is de rechte weg, en de eenige bruikbare vanwege het water, de bedding van een dezer wadi's, de Soff ed Dinn. Wij betraden die bedding op eenige kilometers afstands van Djendoeba, waar we ons ophielden, om interessante ruïnen te zien.

We hielden er een triomfantelijken intocht, in staatsie begeleid door de notabelen van de plaats, die toegesneld waren voor de begroeting van hun grooten turkschen heer. Een talrijk escadron omringde ons met hulde, en de levendige, kleine paardjes van de inlanders gingen ten slotte allen aan het galoppeeren. Toen we het punt bereikten, dat voor het kamp bestemd was, konden velen hun paarden niet inhouden en reden een heel eind door.

De ruïnen van Djendoeba komen plaatselijk overeen met het Vinaza van de bekende route van Antoninus. De inboorlingen noemen de plaats tegenwoordig Ibaria of Jeriben. Ik heb daar veel overblijfselen gevonden van een dorp op een reeks van heuvels. Goed bewaard waren die van een christelijke basiliek, waar men de byzantijnsche kruisen nog op vele plaatsen kan herkennen.

Er bestaan in Tripolis verscheiden sporen van het Christendom, dateerend uit den tijd toen de keizers in Konstantinopel regeerden, of liever te Byzantium. Het zijn geen kluizen voor eenzamen zooals in Boven-Egypte, maar kloosters en kerken, zooals Pacho in zoo grooten getale heeft gezien op het cyreneïsche plateau. Zulke koloniën van geloovigen en getrouwen vindt men tot aan de uiterste grenzen van het vilayet en ze bewijzen, dat in den aanvang hunner heerschappij de overheerschers, die het mohammedaansche geloof aanhingen, de christelijke ongeloovigen met rust lieten. Maar dezen, die te kampen hadden tegen aanvallen van de zuidelijker wonende volken, versterkten hun woningen en verscholen zich erin bij het minste gevaar. Daarom treft men, als men verder naar het binnenland komt, een grooter zorg voor de weerbaarheid in die christelijke streken; van Misda af worden het echte vestingen, liggend op alleenstaande hoogten.

Gedurende drie marschdagen, drie lange en moeilijke dagen, ontdekten wij geen enkel nomadenkamp. De onvruchtbaarheid van den grond is zoodanig, dat men veronderstellen moet dat in de oudheid de streek tusschen Yffren en Misda al niet meer bevolkt was; maar er waren stellig enkele stations van een weg, die erdoor liep, want daarvan zijn sporen te vinden te Elmdina en Skiffa.

Elmdina, op 20 K.M. afstands ten zuiden van Djendoeba, is een eindelooze, zandige vlakte, in welker midden zich de muren van een groot vierkant verheffen. De schoonheid en de afmetingen van de behouwen steenen leggen getuigenis af van veel en zorgzamen arbeid. De plaats moet wel belangrijk geweest zijn, dat de Romeinen er gewerkt hebben met van verre aangebrachte materialen. De groote buitenmuur, waarvan elke zijde 40 M. lang is, diende zonder twijfel tot verblijf voor de karavanen, die op reis waren. Men kan er nog in het midden overblijfselen van de vesting vinden met den zeer versterkten ingang. De antieke documenten leeren ons niets omtrent Elmdina, dat van de Arabieren den bijnaam van Ragda heeft gekregen. Die benaming beteekent "Slapende Stad" en is waarschijnlijk afkomstig van een mohammedaansche legende, volgens welke het in de ruïnen spoken zou, zoodat er elken nacht schimmen zwierven, die dan op de muren zouden slapen.

Wij bereiken de bedding van de Soff ed Dinn bij de samenkomst met de wadi Lilla. Samenvloeiing zou men zeggen, als het rivieren waren, maar hier vloeit niets; het zijn niet anders dan kloven, waarin geen enkel adertje water te zien is.

Voortgekomen uit de golvende vlakten ten zuiden van Djado, wordt de Soff ed Dinn al gauw een kloof met loodrechte wanden. Te Misda is ze reeds een kilometer breed en verder strekken zich soms tien of twaalf kilometer uit tusschen den eenen en den anderen oever van de bedding.

Ik denk, dat de naam van Soff ed Dinn, die Dal der duivels beteekent, aan de wadi gegeven is om de massa slangen, die er in het zand leven. Die groote pythons maken slachtoffers onder de kudden vanaf de velden van Toeboel tot de zee toe. Mijn mannen lieten mij vlokken wol zien, die aan de struiken hingen. Dat waren volgens hen de bewijzen van verwoede gevechten tusschen de boa's en hun prooi. Ik heb in een doear den vader van een herder gekend, die gedood werd door een slang; dat was het vorige jaar gebeurd, en toen de kameraden van den jongen man op zijn kreten naderbij waren gekomen, hadden ze geen hulp meer kunnen bieden, want hij was al dood zonder een enkele wond. De slang werd doodgeslagen, maar men had nog alle moeite gehad, om het lijk los te maken, zoo vast had het gezeten tusschen de spiralen van het monsterachtige beest.

De reeks van ruïnen zet zich onafgebroken voort op de beide oevers der wadi. Tininaye bezit een mooien tempel met fraai behouwen steenen, waar de nomaden van heden de totems van hun stam op de wanden teekenen. De muren zijn er vol van.

Ronde torens vindt men vooral daar, waar de Soff ed Dinn zich tot een vlakte verbreedt. De kasr Argoes schijnt de hoofdvesting te zijn geweest voor het geheele vlakke land, want de hooggelegen ruïnen zijn ontegenzeggelijk die van een versterkt kasteel, waar desnoods alle bewoners der streek een toevlucht konden vinden.

Er bestaat een steeds weer voorkomend samentreffen van de romeinsche ruïnen en de tegenwoordige kampen van de nomaden. Wij konden dat vaststellen, niet alleen voor de bedding der Soff ed Dinn, maar ook voor alle andere wadi's uit de buurt. Dus zijn de bebouwbare gedeelten van het land dezelfde nu en vroeger.

Men treft geen enkel spoor der Romeinen buiten de laagten; een bewijs, dat de Romeinen zich, evenals de nomaden van thans, tot de beddingen der wadi's bepaalden. De voet der oude monumenten, gelegen aan de rand der steenachtige vlakten, toont buitendien, dat de grond zich op zijn niveau heeft gehandhaafd, en dat tusschen de rivierdalen de cultuur oudtijds even onmogelijk was als nu. Maar de sporen, die we ontdekken in de diepten der kloven, duiden op een veel belangrijker exploitatie van den grond dan tegenwoordig.

In een land, waar de oudheid haar rijke landouwen had, leidt de inboorling in onze dagen een kommervol bestaan. En toch zijn de klimaatstoestanden niet veranderd, zooals blijkt uit de teksten en de monumenten. Dat is een gevolg van het feit, dat de Romeinen werkers waren, terwijl de Arabieren in smadelijke luiheid verkwijnen. Men moet in Tahar zich de grootste inspanning getroosten, wil men op eenig resultaat hopen, omdat het water, dat aan de oppervlakte ontbreekt, overal onder den grond te vinden is. Zoodra men het maar boven brengt, om het leemhoudend zand te besproeien, groeit de haver, dat het een lust is. Maar de vochthoudende lagen liggen op groote diepte. De weinige putten, die ik heb ontdekt, hadden een diepte van 60 of 80 meter. Ten tijde der Romeinen had men door talrijke boringen en vernuftige stuwwerken, die eeuwen lang in goeden staat werden gehouden, schitterende resultaten bereikt. De Arabier wil liever in den zonneschijn liggen slapen en een ellendig leven leiden, en sinds hij zich in het land heeft neergezet, heerscht er de verlatenheid. Buiten enkele oasen aan de zee en de dalen, waar in het bergland Berbers wonen, wandelt de reiziger in Tripolitanië door maanlandschappen; als niet de intensiteit van licht en de hevige winden het anders leerden, zou men zich kunnen wanen op de koude schors van onzen nachtelijken wachter.