De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 74

Chapter 743,852 wordsPublic domain

Eindelijk duikt de Noordkaap voor ons op. Scherp, als de ram van een panterschip, steekt zij uit de oneindige zee op. Onze "Hadsel" vaart er langzaam om heen en gaat dan in een door rotsen omsloten bocht voor anker. De oever der vergetelheid. De zee ligt bijna doodstil, de steile wanden hebben een vochtigen glans, hun kleur is staalgrijs, erboven zijn dichte wolken opgestapeld, een sneeuwveld trekt zich in een hoek terug en zendt een kleinen waterstroom uit, die met dof gemurmel in zee valt. Overigens diepe stilte. Op den achtergrond in de bocht een kleine hut, nauwelijks zichtbaar; daarin wonen een paar visschers, en een Duitscher, die aan de zomertoeristen daarboven op de hoogte prentbriefkaarten en champagne verkoopt. Met moeite beklimmen wij den vrij steilen wand. Tusschen het sneeuwveld en den zigzagsgewijs loopenden weg is een schoon bloemtapijt uitgespreid. In het langdurige licht van den zomer komen hier de bloemen tusschen sneeuw en ijs met wonderlijke kracht te voorschijn. Daar ziet gij een zeer zeldzame soort van gevulde ranonkel; gele viooltjes komen te voorschijn, geel en wit zijn over 't algemeen hier de heerschende kleuren. In de vreeselijkste woestenij het heetste verlangen naar het leven!

Juist toen wij het plateau bereikt hadden, omhulde een wolk den geheelen top. Een oogenblik zagen wij totaal niets. Langzamerhand gewent echter het oog aan de schemering en nu liepen wij, geleid door een gespannen touw, naar de uiterste punt van ons vaste land. Wit glinstert het graniet op den grond, daartusschen schittert een kleine anjelier. Sneeuwhoenders loopen voor ons uit en verdwijnen in den nevel. De branding wordt steeds luider, en spoedig zijn wij bij het paviljoen, waar men, ter viering van het oogenblik, een glaasje champagne pleegt te drinken.

Maar waar is de zon? De stoomfluit maant ons reeds aan, terug te keeren. Daar komt er plotseling beweging in de ons omringende massa's, sneller en sneller trekken de nevelstrooken voort; op eens ontstaat een breede spleet en ver aan den horizon, dicht boven de phosphoresceerende zee staat de lichtende zonneschijf. Daarop valt het gordijn neder, en verheugd over het genoten schouwspel, dat niet allen reizigers naar de Noordkaap ten deel valt, beginnen wij af te stijgen.

Onze "Hadsel" zet nu haar koers weer naar het Zuiden. Een kort bezoek wordt gebracht van Hammerfest, dat zonder zon onder een regenzwangere lucht een uiterst melancholieken indruk maakt. Maar dan komt een glanspunt van den tocht, de Lyngen-fjord. Hier vereenigen zich zee en bergen tot een grootsch natuurbeeld. Langzaam vaart de stoomboot langs de steile rotswanden, en terwijl wij in stomme bewondering op het dek neerzitten, trekt de eene gletscher na den anderen ons voorbij, donkerblauw aan den bergrug hangend, met hun ijstong tot in het donkere water reikend.

Niet ver achter Tromsö opent zich dan eindelijk de wonderwereld van het Noorden. De rotsenwildernis der Lofodden neemt ons in zich op. Het is moeielijk met woorden een ook maar eenigszins gelijkend beeld van dit zinnenverbijsterend schouwspel te geven. Is het een verzonken gebergte of een nieuw uit zee opduikende wereld? De schoonste van al de Lofoddenstroomen is de Raftsund. Een breede rivier midden door het hart van een indrukwekkend gebergte. Hier ontsluiten zich voor het oog beelden, die anders slechts de bergbeklimmer na een moeielijken tocht te zien krijgt. De Troldfjord is het wonderlijkste in deze wonderwereld. Het schip vaart recht op een loodrechten rotswand aan, dan een kleine wending, en voorzichtig glijden wij door een smalle spleet tusschen blanke, gladde granietmuren door. Nu drijven wij op een klein, donkergroen Alpenmeer, onder in de diepte van een ketel tusschen de bergen. Er omheen sneeuw en ijs; een waterval stort zich met dof gebruisch in het meer, maar zijn spiegel blijft onbewogen. Roode algen schijnen te roeien door het klare water, de lomme duikt op en verdwijnt weder, de zwarte zeezwaluwen zweven langs de rotswanden, anders alles doodstil! Alles houdt hier onwillekeurig den adem in. Troldfjord noemen de Nooren deze plaats; iets spookachtigs zit er in de lucht, een sprookjesstemming waart er rond. Hier hebben de Grieken den ingang naar de onderwereld gezocht.

Soolvär, de hoofdplaats der Lofodden, is ons laatste station. Daar verlaten wij onze kleine "Hadsel", om met een grooter schip de reis naar het Zuiden voort te zetten. In de oude kroningsstad Drontheim gaan wij weer aan land. Nog omgeeft ons de ernstige natuur van het Noorden, maar na het huiveringwekkende schoon, dat wij hadden gezien, scheen ons hier het landschap lief en vriendelijk. Wederom legt de lichte nacht zijn schemering over land en zee. Het is bijna middernacht, als wij uit de stad naar buiten gaan, naar berg en bosch. Jongens en meisjes komen ons tegen, hand aan hand, met bloemen getooid. Het eene paartje na het andere; de nacht is hier ook zoo wonderlijk licht. Frissche hooigeur doorwasemt de lucht. En terwijl wij nu omzien en neerkijken op den zilveren fjord, is het ons als voelden wij, na het doodsche van het Noorden, hier voor de eerste maal weder den levenden polsslag van onze liefhebbende moeder natuur.

In het bergland van Tripolis.

Naar het Fransch van A. de Mathuisieulx.

Mijn eerste onderzoekingstocht in Tripolis in 1901 was maar zeer onbeteekenend geweest door opgekomen politieke moeilijkheden. Gelukkig heb ik daarna nog twee reizen kunnen doen, namelijk in 1903 en 1904, waarbij ik een veel uitgestrekter gebied heb kunnen bezoeken en meer op mijn gemak dit deel van Afrika heb bestudeerd, dat tot hiertoe nog zoo weinig bekend is. De onderzoekingen, in het geheele vilayet ingesteld, tot de streken, behoorend bij Fezzan, worden in dit verhaal weergegeven.

Den 20sten Maart 1903 verliet mijn karavaan Tripolis bij het aanbreken van den dag. Ik had buiten mijn eigen personeel den ouden Arabier Hammer meegenomen, die mij reeds in 1901 had vergezeld, en dan den jongen Maltezer Pepino.

Wij sloegen ons eerste kamp zes kilometer ten westen van Tripolis op, te Gargaresj, opdat onze lieden veel tijd ervoor zouden hebben, want ze waren nog nieuwelingen in het werk, dat natuurlijk in den beginne met veel misgrepen en onhandigheden gepaard gaat. De tenten, de keuken, alles was in orde, toen de leden van het Consulaat-Generaal van Frankrijk ons in den namiddag een bezoek brachten voor een laatste afscheid. Daar mijn landgenooten den wensch te kennen hadden gegeven, hier te dineeren, zette de fezzansche kok hun een vrij bescheiden maal voor, dat echter door hen op de vriendelijkste manier tot gul en hartelijk onthaal werd gestempeld.

Toen de bedienden den volgenden morgen het kamp opbraken onder het oppertoezicht van Pepino, bracht ik een bezoek aan de omstreken en aan een dubbel graf van hooge antiquiteit, dat kort geleden gevonden was in een onderaardsch vertrek. Dit monument, met fresco's versierd, werd gebouwd door een weduwe, Arisuth genaamd, voor haar man Juratanus en voor haar zelve. De namen van de bedoelde personen verraden reeds hun afrikaansche afkomst, en wel een numidische voor den echtgenoot en een semitische voor de vrouw. Zooals zoo dikwijls gebeurt bij archaeologische ontdekkingen, hebben de opschriften van dit graf het mogelijk gemaakt, een belangwekkend punt uit de geschiedenis op te helderen. De heer Clermont Ganneau heeft er het bewijs in gevonden van de opneming der vrouwen in de heidensche secte van Mithra. Mevrouw Arisuth bekleedde daarin een eereplaats en had recht tot deelneming aan de godsdienstige feesten. Tot nu toe had men gemeend, dat alleen mannen tot den dienst van Mithra werden toegelaten, dien machtigen arischen godsdienst, welks wieg dezelfde is als die van het gansche menschengeslacht, en die zich over de geheele wereld heeft verspreid gedurende de oudheid, zelfs tot de verst verwijderde grenzen van Perzië ter eene, en de Zuilen van Hercules ter andere zijde.

In de buurt van die graven gaat een romeinsche toren voort, met al meer te vervallen. Het is waarschijnlijk, dat in de middeleeuwen de Arabieren zich ervan bedienden voor de lijn van telegraafposten, die ze langs de kusten der Middellandsche Zee hadden opgericht; bekend is, dat een reeks van optische seintoestellen de afrikaansche kust volgde, zoodat de berichten in een enkelen dag van Egypte naar Marokko konden worden overgebracht.

Vóór we ons zuidwaarts wenden, om ons in het binnenland te wagen, volgen wij eerst de kust tot Aboe Adjila, om daarbij de ruïnen van de haven Sabathra te bezoeken, die we in 1901 maar even hadden gezien. Op die plaats werd ik ontvangen door een arabischen kaïmakan, een hoog personnage. Ahmed Bey behoort tot de oudste en rijkste familie uit Tripolitanië; daaraan heeft hij het te danken, dat hij reeds op zeer jeugdigen leeftijd een prachtige oase te besturen kreeg, waar omheen de weelderigste havervelden lagen, die ik ergens in Afrika heb gezien. Om mij het verblijf bij de ruïnen van Sabathra aangenamer te maken, laat hij een arabisch kamp oprichten aan den oever en laat er gerechten heen brengen, die een verrassend menu vormen in een zoo van voedingsmiddelen misdeeld land.

De vrijheid van handelen en het schoone jaargetijde staan mij thans toe, de overblijfselen van Sabathra te bestudeeren, voor zoo ver dat mogelijk is in het turksche dorp, waar opgravingen strikt verboden zijn. Die ruïnen op 80 KM. afstands van Tripolis zijn die van een der drie handelsplaatsen, welke daar hebben gelegen. Evenals te Oea en Leptis Magna waren ook hier de Phoeniciërs de stichters, die er een karakteristieken naam aan hebben gegeven, want Sabathra beteekent Korenmarkt. De Romeinen maakten er een gemeente van en verhieven de plaats tot kolonie. De moeder van Titus en Justinianus, die er beiden geboren werden, stelde bijzonder veel belang in de stad. De plotselinge achteruitgang en de latere totale ondergang van de plaats dateeren van de invallen der Arabieren.

Het zand bedekt bijna geheel de kostbare resten, en de zee ondermijnt de mooie muren van de haven. Naarmate de wind een hoekje der duinen opruimt en een standbeeld voor het licht brengt, of een zuil, of wel een mozaïek, haasten de dweepzieke Arabieren zich, die relieken der gehate Roemi's te vernielen. Gelukkig bewaart het zand trouw en goed die historische rijkdommen, en er zal een heele schat van in te zamelen wezen, als eenmaal verlof tot opgraven zal worden gegeven. De sporen der wallen en andere duidelijke resten toonen inderdaad, dat daar een groote en rijke stad moet hebben gelegen; de lengte was meer dan drie kilometer langs de kust; er waren zeer veel paleizen en tempels, en het theater kon tien duizend toeschouwers bevatten. Men kan nog de plaats onderscheiden, gereserveerd voor de Garamantes-stammen uit Fezzan, die er hun tenten kwamen opslaan ten tijde van de groote jaarmarkten.

Waaraan moet de keus voor de plek van deze zeehandelsstad worden toegeschreven? Dit deel van de kust biedt toch in het minst geen beschutting aan. Gebouwd aan een der einden van de bebouwde zone en ver van de vermaarde zoutwerken van Zarzis, kon ze geen middelpunt voor landbouw of industrie worden. De ligging van Sabathra laat zich, naar mijne meening, alleen verklaren als directe uitvoerhaven van Rhadames, het oude Cydamus, bij den doorgang van den breeden pas van Djado, waar de karavanen door gingen, en waar ze nu nog passeeren, om zoo de streek van Rhadames met de zee te verbinden.

Tusschen de kust en Djado heeft men over een breedte van 100 KM. de groote vlakte, een uitgestrekt gebied van laag land, Djeffara genaamd, den toegangsweg van de zee naar het hooge plateau in het binnenland. De vlakte loopt onmerkbaar op naar den voet der hooge rotsen van den Djebel of het bergland, waar ze door een reeks van onafgebroken verhoogingen eindelijk 300 M. hoogte bereikt.

Gedurende de zes-en-vijftig uren rijdens door Djeffara moesten wij steeds op onze hoede zijn, vooral des nachts, want arabische roovers zwerven onophoudelijk door deze streek, op de zoek naar een karavaan of een kamp, die niet voldoende beschermd zijn.

Het zand, dat afkomstig is van het verweerende gesteente, dekt de meeste der kleine heuvels, welke zich op de vlakte verheffen; maar tusschen die onbeteekenende hoogten vinden de Arabieren soms water genoeg, om haver te planten, omdat een laag van blauwachtig leem het regenwater vasthoudt.

Djeffara is in dit gebied veel minder dor dan in het Zuiden van Tripolitanië. Dit jaar is de oogst bijzonder goed geweest. Wij ontmoeten dan ook dikwijls inboorlingen, die hun voorraad in naburige silo's bergen. Zoo worden hier als elders de onderaardsche bergplaatsen genoemd, die in den vorm van een karaf worden gegraven met een nauwen ingang van boven. Men daalt er in af met een touw van alfa en de opening wordt gesloten met een grooten steen. De inrichting laat zich misbruiken voor verschrikkelijke dingen. Zoo heeft in het weidegebied van Montsor een Arabier onlangs zijn broer levend begraven, omdat hij diens erfenis begeerde. Toen men het lijk vond, bleek, hoe de ongelukkige tegen de verstikking geworsteld had.

De weg, dien men volgt in Djeffara, is aangewezen door de punten, waar water te vinden is, en die op groote afstanden van elkander liggen. De putten aanvankelijk in de buurt van de zee niet zeer diep, nemen snel in diepte toe. In zeer harden grond gegraven, bevatten ze een helder water, dat van uitstekende qualiteit is; maar het ontbreken van een steenen rand om de putten en van toestellen, om het water op te hijschen, gevoegd bij de zorgeloosheid van de Arabieren, doet het zand van boven steeds in den put vallen en maakt het vocht vuil en modderig. Om water te putten, maakt ieder voorbijganger een touw los van zijn kameel en laat den zak van schapevel zakken, die het voornaamste stuk huisraad is in een nomadische huishouding. Indien de kampen niet te ver af zijn, nemen ze soms een koe mee, waaraan ze het uiteinde van het touw vastmaken, en het dier hijscht den vollen zak op, door zich van de opening te verwijderen.

Op die vlakten ziet men in het verblindende licht alles wit. De overdaad en de scherpte der zonnestralen eten de kleuren op, en het oog heeft moeite de bijzonderheden te onderscheiden. Het zand, de wol van de kudden, de kleeding van de inboorlingen, alles wordt op korten afstand reeds een verwarde massa. Alleen de kleine vlekjes menschelijk aangezicht vormen bruine ovaaltjes, en het mooie licht, dat overal elders zooveel vroolijkheid brengt, is hier de bron van een onverbiddelijke melancholie.

Voordat wij den voet van het groote tripolitaansche bergland hebben bereikt, passeeren we nog twee smalle zones, die ermee evenwijdig loopen, eerst een lint van weiden, dan een tweede lint van reuzenkeien. Het eerste is een gevolg van de wadi's der hooge gronden, die daar alle doodloopen op een tiental kilometers afstands van de Djebels, en den grond vruchtbaar maken; het tweede is het bekken, waarin het bergpuin zich verzamelt. Die beide strooken, zoo verschillend van aanzien, zetten zich onafgebroken voort van de grens van Tunis tot Tarhoena over een lengte van meer dan 200 K.M.

De bestijging van de rots, ofschoon vergemakkelijkt door de bressen, die vroegere waterstroomen erin hebben geslagen, vereischt drie of vier uur arbeids, de reiziger kan zich op de klimpartij voorbereiden door in de oase aan den voet uit te rusten. De palmentuinen van Sjeiksjoek beneden Djado boden ons een rustgelegenheid, waaraan mijn lieden de grootste behoefte hadden.

De bewoners van die tuinen vegeteeren in een armzalige armoede, en de koorts woedt er met ongekende hevigheid door een naburige bron, die in een moeras uitloopt.

De steensoort van Sjeiksjoek dient voor de vervaardiging van molensteenen, die de bewoners van den stam der Sjograns te Tripolis verkoopen, om in hun behoeften te kunnen voorzien. Dichtbij het dorp kan men nog het graf vinden van Aboe Obeïda, een plaatselijke beroemdheid, die over de heele streek gezag uitoefende en zich in bloedige gevechten wikkelde met de Berbers van de hooge plateaux, om de macht te behouden, hem door den imam geschonken.

Op den 28sten Maart bestegen wij te voet de wijde spleet bij Djado, waardoor de rivier Djinaoen het bergland verlaat. De kameelen en paarden volgden ons en klommen minder moeilijk dan wij door dien doolhof van verbrokkelde rotsen, waar voetpaden op de schuine hellingen boven onpeilbare afgronden smalle linten vormen. Zoo ging het door palmboschjes, die hier en daar in de holten gegroeid waren en soms boven het ledige schenen te hangen als kraaiennesten op den nok van kathedralen.

Als men ze van dezen kant nadert, lijken de hooge gronden van Tripolis op een echt bergland, en men kan best begrijpen, dat de inboorlingen den naam van Djebel gegeven hebben aan deze noordgrens van het plateau, vanaf de bergen van Tunis, waarmee zij samenhangt door Doeïrat, tot aan Gariana toe. Maar in werkelijkheid is het niets anders dan een eindeloos vlak terras, dat naar Djeffara steil afloopt met een muur van 800 M. hoogte. De atmosferische invloeden hebben niet weinig ingewerkt op deze grens en hebben er over een terrein van 10 tot 12 K.M. in de breedte diepe kloven in uitgehold vol bochten, hebben alleenstaande toppen afgeslepen en, zware steenblokken ondergravend, ze als gevaarlijke uitsteeksels boven afgronden opgehangen. Heeft men eenmaal den schilderachtigen doolhof van dit verweerde gebergte beklommen, dan ziet men voor zich tot in oneindige verte de vlakke en eenvormige uitgestrektheden van Afrika's binnenland.

De wijdste spleten tusschen de rotsen dienen tot doorgangen tusschen de lage landen en het plateau. Zooals te Gariana en te Kikla de wegen naar Fezzan geopend worden, zoo opent de kloof van Djado, die wij zullen passeeren de route naar de oasen van Rhat en Rhadames aan de kust.

De naam Djado is die van het dorp, waarboven de Turken hun fort hebben gebouwd; de toppen van het dal dragen veel dorpen, tot het administratieve district Fossato behoorend. Rondom die naar de vlakte open baai vormen de plaatsen Moghat, Ojlin, Mesdoe, Endabas, Masgoera, Oeïfat en Regreg volkrijke middelpunten, omringd door olijfboomen.

In Tripolitanië hebben de invallen der Arabieren de Berbers teruggedrongen in de Djebels, en die laatsten zijn daardoor bijna uitsluitend bergbewoners geworden, zooals ook met hun broeders, de Kabylen uit Algerië het geval is. Alleen zij, die zich hebben verscholen in de oase van Rhadames en op het eiland Djerba maken daarop een uitzondering. Die Berbers, even werkzaam als de Arabieren lui zijn, houden zich met landbouw bezig. Bij hen is op de kleinste bebouwbare plekjes, die beschermd worden door steunmuurtjes op de steile hellingen der kloven, haver geplant; andere minder bewerkte gedeelten, waar het verweerde bergland in de vlakte begint af te dalen, dragen mooie aanplantingen van olijfboomen. Ik heb er besproeiingswerken gezien, die voor onze europeesche ingenieurs onmogelijk zouden zijn. Ook kan men zeggen, dat de bergen van Nefoesa het rijkste deel zijn van het vilayet.

De geschiedenis van deze Berberstammen moet nog worden geschreven. De arabische auteurs leveren ons geen gegevens voor de verschillende perioden; de geschriften van de bergbewoners zelven, in het Arabisch vervat, maar in Tamazirletters zooals die van de Toearegs, worden in de moskeeën angstvallig bewaakt door de kadi's. Ik heb te vergeefs beproefd, mij die kostbare boeken te verschaffen, door er sommen voor aan te bieden, die in dit land een fortuin vertegenwoordigen. Geen enkele inboorling was bereid, zulk een heiligschennis te plegen.

Het is zeker, dat men in de Berbers, die tegenwoordig in Tripolis wonen, geen rechtstreeksche afstammelingen kan zien van de volken, die bij Herodotus en Strabo worden genoemd. Men vermoedt, dat een stam uit Azië of Ethiopië zich vermengd heeft met de oorspronkelijke bewoners, en dat zoo de stammen van Zoeara, Nefzaoea enz. zijn ontstaan.

Men ontmoet dikwijls onder die bergbewoners, die zeer donker zijn, enkele blonde individuen met blauwe oogen, juist als in Algerië en Marokko. De oorsprong van die talrijke afwijkingen blijft nog onverklaard en de verschillende hypothesen, opgesteld om ze op te helderen, spreken elkander tegen. Op grond van het bestaan der monumenten van groote steenblokken of megalithen, die volkomen gelijk zijn aan die van Europa, geven enkele geleerden ons als broeders blonde bergbewoners uit Noord-Afrika; andere zoeken ze in Midden-Azië of in Ethiopië. De theorie van de eenen steunt op het bestaan van die typen in Egypte, die der anderen op de aanwezigheid van het blonde ras in Algerië. De onwetendheid, waarin men verkeerde ten aanzien van Tripolis, wees van beide zijden deze streek aan als grens der verhuizingen van uit tegengestelde richtingen. De aanwezigheid van individuen van het blonde type is geheel berbersch. Tripolitanië zal de quaestie nog maar meer ingewikkeld maken, tot een of ander archaeologisch document, dat onbetwistbaar is, haar kome oplossen.

Hoe het zij, bruin of blond, de Berbers van Tripolis vormen een zeer apart ras, afgezonderd van de arabische wereld, die door hen veracht wordt en waarvan ze zich altijd afgezonderd hebben gehouden in die mate, dat ze nooit een huwelijk toelieten tusschen de vrouwen uit de bergen en de afstammelingen der overweldigers. De Islam is er verspreid geworden, maar de standvastigheid van het ras heeft een menigte oude leerstellingen behouden, waardoor hun godsdienst veranderd is in een bijzondere secte van den abhadietischen tak. Men vindt er christelijke overleveringen in terug, vermengd met heidensch bijgeloof, zooals bij de bewoners van het land Mzab in Algerië, waaraan zij nauw verwant zijn. De lieden van Nefzaoea, Rhadames en Mzab gehoorzamen aan een kerkelijk hoofd, die in Oman zijn zetel heeft.

De tripolitaansche Berber gevoelt zich krachtig en flink en is zeer ingenomen met zijn betrekkelijke onafhankelijkheid, die hij in het midden van de vorige eeuw dapper tegen de Turken heeft verdedigd, zooals hij dat in de elfde tegen de Arabieren had gedaan. Ook onderhoudt het turksche gouvernement te Djado alleen een garnizoen van achthonderd man, wier citadel de heele streek beheerscht. De woeste stammen mogen in het geheel geen vuurwapenen bezitten, en ze blijven thans rustig in hun dorpen en komen 's avonds samen, om elkander met verhalen over de heldendaden van de voorvaderen te vermaken. Die bijeenkomsten, waar de roem van den vermaarden Roema het voorwerp is van een waren eeredienst, eindigen meestal met vaderlandsche liederen, vervat in de taal, die ook de Toearegs van de Sahara gebruiken. De moderne beschaving heeft geen vat op deze menschen, die de hulp van een geneesheer weigeren en liever sterven onder de handen van onwetende toovenaars. Zij voeren de matigheid zoo ver, dat ze zich van sigaretten en thee onthouden, omdat het gebruik van tabak en thee zonde is in hun oogen. Toch is het bekend, hoe de menschen in Afrika op het rooken gesteld zijn, en hoeveel ze van thee houden, die overal voor koffie in de plaats komt.

Te Djado, zooals in bijna het geheele bergland, is het water ondrinkbaar door de vele magnesia, die het bevat. De bewoners moeten daarom naar de vlakte, om zich van het noodige te voorzien. De turksche troepen, genesteld in hun kasr of vesting ter hoogte van 750 M., gebruiken een kudde kameelen voor het opvoeren van de gevulde waterzakken, hetgeen een groote vermeerdering van kosten meebrengt.

Daar de belastingen overal in natura worden opgebracht, zoowel in mannen als in dieren en landbouwproducten, regelt de ottomaansche regeering die naar een omslag, verschillend naar de opbrengst der verschillende streken. Te Djado betalen een man en een kameel een éénheid, dat wil zeggen, dezelfde belasting als twee koeien, of tien schapen, of vijf-en-twintig geiten, of vijf-en-twintig olijfboomen, of vijftig palmboomen, of tweehonderd vijgenboomen.