De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 73
In een der lage zalen van het klooster, misschien een ruime sacristie, heeft men een massa ongelijksoortige voorwerpen bijeengebracht, die meer of minder droevige of merkwaardige gebeurtenissen in de herinnering terugroepen, zooals schilderijen, stukken gebeeldhouwden steen of houtsnijwerk, émails en eerwaardig ijzerwerk. Te zamen heet het min of meer pompeus het Provinciaal Museum. Men kan er een bezoek brengen, als de portier zoo vriendelijk is op het schellen aan de deur te letten. Indien zijn bezigheden hem in zijn vertrekken vasthouden, mag men wachten; maar als men niet wordt binnen gelaten, behoeft men daar niet al te rouwig om te zijn; alle voorwerpen, die werkelijk eenige waarde hadden, zijn naar Madrid gebracht.
Isabella liet het niet bij die vrijgevigheid jegens de oude hoofdkerk van Castilië. In de laatste jaren van haar leven begiftigde zij haar nog met het toevluchtsoord van Santa Cruz voor vondelingen. Toen zij den bouw van dit schoone gebouw ondernam, trad zij op als uitvoerster van den uitersten wil van haar getrouwen minister, kardinaal Mendoza, denzelfden staatsman, wien zij met geweld een laatste rustplaats schonk in de Capilla Mayor van de kathedraal.
De kardinaal was gestorven in 1495, vóór de eerste steen was gelegd. De koningin kwam dadelijk tusschen beide, hief de moeilijkheden op, die rezen naar aanleiding van de verwerving van terreinen, in handen van kloosterorden, en toen zij op haar beurt stierf, in 1503, waren alle schikkingen zoo goed getroffen, dat de bouwmeester Enrique de Egas op geen enkelen hinderpaal stuitte. Tien jaren later was het gesticht gereed. Het is gebouwd in den vorm van een grieksch kruis of het kruis van Jeruzalem. De kerk bevond zich vroeger bij het snijpunt van de armen van het kruis; de gebruiksverandering tot Kadettenschool heeft ertoe geleid, dat het altaar verplaatst werd naar het uiteinde van een der armen.
Ofschoon het vondelingenhuis van Santa Cruz zeer weinige jaren na San Juan de los Reyes gebouwd is, lijken de stijlen niets op elkaar. De velerlei aanraking met Italië had Spanje de oogen geopend voor nieuwe richtingen. Dadelijk had het die met geestdrift aanvaard, vergetend zijn eigen verleden en de overleveringen, die uit Bourgondië en Vlaanderen in vroeger eeuwen waren overgekomen. Alleen de prachtige houtbetimmeringen met de houtmozaïeken in de vier zijbeuken zijn van die mozarabische kunst, waarvan Toledo zooveel kostelijke voorbeelden bezit.
Rechts van de ruimte, die tegenwoordig tot ingang dient, is een kloostergang met zuilen in klassieken stijl. Men komt op de bovenverdieping langs een zeer fraaie trap, die begint onder een portiek, gevormd door drie zuilen met verrukkelijk fijn snijwerk. Groote treden uit één stuk fijn, wit marmer voeren naar galerijen, waar bedelaars en plunderaars de houtbekleeding van hebben weggeroofd, zoodat men nu van balk op balk moet springen op gevaar af in de spleten te vallen en door het dunne plafond terecht te komen op de steenen van de lager gelegen gang.
Deze gang staat in verbinding met een andere kleinere, die zware zuilen en kapiteelen heeft, afkomstig uit de antieke kapel van de H. Leocadia. Uit de weinige vensters, die een paar cellen van die kloostergangen verlichten, ziet men neer in de kloof, waar de Taag door stroomt, op de brug van Alcantara en het kasteel van San Cervantes, dien mooien, strengen toegang tot Toledo. Men kan zich zeer goed voorstellen, dat de overlevering op de terreinen, nu door het hospitium ingenomen, het oude Alcazar heeft geplaatst, dat zich in 1085 aan koning Alfonsus VI overgaf, gedwongen door een hongersnood, dien een streng en langdurig beleg had veroorzaakt. Op geen enkele plaats kon men een betere positie innemen ter verdediging van de rivier. Wat is er van die vesting overgebleven? Niets dan een vervallen en half ingestorte toevlucht, die er uitziet of ze een beleg heeft doorstaan, en dan de diepe melancholie van de dingen die niet worden gebruikt.
Het werk van Karel V is niet enkel vertegenwoordigd door de Visagrapoort, Toledo is ook aan hem verschuldigd het mooie binnenplein van het Alcazar, en bovendien dateert uit zijn regeering het hospitaal van San Juan a Fuera, gebouwd door den kardinaal-aartsbisschop Dom Juan Tavera. In 1541 begonnen, werd het eerst in 1624 voltooid. De indrukwekkende gevel van uitstekenden smaak strekt zich uit over een lengte van ongeveer honderd meter. Uit de kerkpoort zagen wij de zusters van Sint Vincentius a Paulo komen met haar witte mutsjes, die alleen al door haar tegenwoordigheid den indruk van orde en netheid geven, die ieder moet treffen zoodra hij den drempel overschrijdt.
Welk een verrassing is het, de steenen van de gangen zonder vlekken te zien, de hoeken zonder vuil en de oude mannen gewasschen en gekamd, terwijl er geen bewakers rondloopen, die bedelen met een dreigement in den blik! Men gevoelt, dat Frankrijks goede engelen over de bergen zijn gevlogen, en dat voor haar goede werken de wereld nooit groot genoeg zal zijn.
Bij de kruising van het schip der kerk met de armen van het kruispand welft zich een zeer hooge en wijde koepel over het graf van den stichter van het liefdehuis. Dat is het laatste werk van Alonso Berruguete. Mogelijk is de koepel zelfs wel afgemaakt door zijn zoon, in 1561. De jaren hadden de hooge vlucht van den kunstenaar wat getemperd, want hij heeft nooit beter de zachte kalmte van den dood van den rechtvaardige weergegeven. De versieringen van de sarcofaag zijn van een lateren tijd dan het beeld van den doode, en hoewel in goeden italiaanschen stijl, zijn ze veel minder waard. Zij zijn het werk van een inlandschen kunstenaar; maar in dien tijd, en als ze zich aan het marmer waagden, waren de spaansche beeldhouwers zoo gewend aan de italiaansche manier, dat het moeielijk wordt, hun werk te onderscheiden van wat uit de werkplaatsen in Genua en Florence kwam.
De burgers van Toledo mogen graag hun stad vergelijken bij de hoofdstad der Christenheid. De parallel valt dan geheel in hun voordeel uit. Men oordeele:
Toledo en Rome hebben zeven heuvels, Toledo en Rome hebben een tarpeïsche rots; Toledo en Rome zijn beide vol kloosters; Toledo en Rome hebben beroemde prelaten zien geboren worden; maar het Rome van Italië heeft ernstige fouten begaan en dwaasheden, waarvoor het Rome van Spanje zich heeft weten te behoeden. En eindelijk steekt Toledo haar mededingster de loef af door de algemeene vermaardheid, die haar marsepein heeft verkregen, het marsepein met amandels; op dat gebied behoeft niet te worden gestreden, daar komt de eerepalm toe aan het Roma del Marzapan.
Ik geloof, dat geen vreemdeling Toledo beter heeft gezien dan ik onder het geleide van mijn uitstekenden vriend, professor Ventura y Reyes. Er is geen stukje van de oude stad, of hij heeft het onderzocht met een talent, dat alleen te vergelijken is met zijn bescheidenheid. Daar vandaag, Zondag, het provinciaal museum gesloten was, had de doctor mij ten zijnent geïnviteerd, om dan samen een wandeling buiten de stad te doen.
"Wij hebben daar," had hij tot mij gezegd met een zekere geheimzinnigheid, "twee vrouweportretten, die u zeer zullen interesseeren".
"Uit welken tijd?"
"Uit den tijd van Filips IV."
"Een Velasquez, een Greco?"
"Wie weet?"
Ik ging heen in groote spanning. Wat een rijkdommen heeft toch dat Spanje, dat zoo geheimzinnig is en zoo bescheiden! De ontroering deed mijn hart sneller kloppen, toen wij in de bibliotheek binnen gingen. Achter in de zaal, in een soort van afgesloten hoekje bij den katheder van den professor, hingen twee doeken van vrij groote afmeting tegenover elkander. Ik liep er snel op toe; mijn oogen doorboorden de duisternis, en ik zie een prachtige vrouw met een baard, omringd door haar man en kinderen. Een roode sluier bedekte het gelaat, terwijl het laag uitgesneden corsage de borst van de kleur van leliën en rozen liet zien.
Natuurlijk heeft Velasquez niets met dit portret uit te staan.
"Wat zegt u ervan?" vraagt mij lachend mijn gids.
"Dat moet een reclame wezen van een fabrikant van schoonheidsmiddelen of van een middel voor den haargroei."
"U vergist zich; het is het authentieke portret van een dochter van het blonde Germanië. Geboren in Duitschland, in 1620, kwam zij in 1664 in Spanje, en zoowel om haar baard als om haar talent als organist wist zij belangstelling te wekken. Dit portret en het uitvoerige opschrift dat het draagt, zijn er de onmiskenbare blijken van. En nu, keer u eens om."
't Is, of het om een weddenschap te doen is! Daar sta ik weer tegenover een vrouw met een baard!
"Meent u dan, dat Spanje bij Duitschland achter heeft willen blijven?"
De eerste vrouw was hoogblond en zag er vroolijk uit; deze tweede met witten baard heeft een zeer streng uiterlijk. Hier geen laag uitgesneden kleed; een hooge guipure en een stijve kraag omsluiten hals en borst en het gezicht kon dat zijn van een uit China teruggekeerden zendeling. Onder dit beeld zocht ik te vergeefs naar een opschrift, en ik vond er slechts een cijfer. Deze tijdgenoote van Filips IV was vijf-en-vijftig jaar, toen men haar weinig aantrekkelijk uiterlijk vereeuwigde.
Neen, de jeugdige leerlingen van het provinciale lyceum worden niet op de proef gesteld door wat men hun te zien geeft!
Maar wat is de aanleiding geweest tot de dwaasheid, dat deze dochteren Eva's er zoo op gesteld waren, aan de wereld den rijkdom van haar baard te vertoonen? De methodische exploitatie en het winstgevend bedrijf om phenomenen te laten zien, was nog niet in de zeden doorgedrongen.... Een paar eeuwen later zou Barnum haar fortuin en het zijne hebben gemaakt.
De dag, die onder zoo gelukkige voorteekenen was begonnen, was als een vergoeding voor de ernstige studiën van de vorige week. Sedert mijn aankomst had ik vertoefd in de geheimzinnige schaduw der kerken, onder kloostergewelven, bij graven en tot ruïnen vervallen paleizen; had ik dan niet verdiend, ook eens naar buiten te gaan?
Zoodra we de stad hadden verlaten, was het alles een schittering van licht en vreugde; de herfstzon glimlachte met haar vriendelijkste gezicht. Toch keerde ik mij even om, en keek naar de versterkte poort, die ik was doorgegaan. Een engel stond daar met een zwaard in de hand, streng en toornig tusschen twee zware torens. En de bewoners van Toledo, de jongen en de ouden hebben zich afgevraagd, waarom die godsgezant hun een zoo donker gezicht liet zien. Er moest een verklaring wezen, en er is een legende ontstaan.
De engel des Heeren waakt over Toledo en verbiedt de rampen en ellenden de stad te naderen; zij, die zooveel leed over de arme menschheid brengen.
Eens verscheen de afschuwelijke pest en vroeg om te worden toegelaten.
"Wat komt gij hier doen?" vroeg de engel in woede ontstoken.
"Ik ben een gezant van God, gij hebt niet het recht mij te weren."
"Mijn volk is vroom; als God in zijn ontevredenheid enkele armzalige visschers wil tuchtigen, dat hij er ten minste rekening mee houde, dat Toledo trouw de Heilige Maagd heeft gediend. Beloof mij, dat gij u met twintig slachtoffers zult tevreden stellen."
De engel bad en smeekte; maar de pest vond dat niet genoeg en wilde niet met minder dan tweehonderd tevreden zijn.
Toen moest de vreeselijke schatting, die gevraagd werd, worden toegestaan. De pest ging binnen, en gedurende drie maanden richtte zij vreeselijke verwoestingen aan en deed de bewoners van Toledo bij duizenden sterven.
"Ellendeling, leugenaarster, meineedige!" schreeuwde de engel, toen de ziekte eindelijk vertrok. "Ik zal u bij den hemel aanklagen."
"Waarom die woede? Gij hadt mij de levens van tweehonderd slachtoffers afgestaan. Die heb ik genomen. De anderen zijn allen van vrees gestorven. Daar heb ik geen schuld aan!"
Van de vlakte, waarop men uitkomt, als men de wallen achter zich heeft gelaten, rust het oog eerst op de meer dan middelmatige beelden van eenige koningen van Spanje, om daarna in het dal af te dalen naar de ruïnen van een romeinsch circus, dat systematisch verwoest werd, toen Abd el Rahman, gouverneur van Tolestane, zich onafhankelijk trachtte te maken.
Langzaam dalend, komt men bij het heiligdom van Cristo de la Vega. Het kerkgebouw is opgericht op de plek, waar de heilige Leocadia den marteldood onderging.
Leocadia was schoon en werd bemind. Toen men van haar eischte, dat zij het Christendom zou afzweren, was zij bang, niet sterk te zullen zijn en door de pijn te zullen worden overwonnen en haar God te verraden. Daarom riep zij hem te hulp en smeekte hem, haar tot zich te roepen en haar de smadelijke ontrouw aan het geloof te besparen. En terwijl zij met haar hand een kruis op den grond teekende en dat eerbiedig kuste, stierf zij met den naam van Jezus op de lippen.
Er verloopen eeuwen. Pas tot het Christendom bekeerd, heeft koning Sisebuth een prachtigen tempel laten oprichten op de plek, waar de martelares gestorven is. In de nabijheid van haar hoogvereerd graf werden conciliën gehouden. Monarchen en bisschoppen hebben naast haar willen rusten, en daar op eens doet een nieuw wonder de vroomheid van het volk en de koningen nog stijgen.
Het was op 9 December 666. Bisschop Ildefonsus vierde in het heiligdom den jaardag van den dood der heilige. Plotseling verdween de grafsteen in den glans eener lichtende verschijning. Een engelengedaante gehuld in witte sluiers, vertoonde zich voor de blikken der aanwezigen. Leocadia leeft, zij glimlacht, zij spreekt, zij prijst Ildefonsus, dat hij op het Concilie de maagdelijkheid van de Moeder Gods heeft verdedigd.
De bisschop is op de knieën gevallen, hij luistert, beeft en twijfelt. Neen hij is niet het slachtoffer van een gezichtsbedrog, de verrukking, die op aller gezichten te lezen staat, stelt hem gerust. Hij beeft van vreugde, strekt zijn handen naar de verschijning uit, en, aangemoedigd door den koning, wil hij de stralende grijpen. Maar Leocadia behoort niet meer tot deze wereld van smarten; zij zal zich niet door een aardsch wezen laten aanraken. Zij wordt minder duidelijk zichtbaar en verdwijnt als een vluchtige schaduw onder den steen, die zich weer sluit. Maar de verdwijning heeft niet snel genoeg plaats gehad. Een slip van haar lichten sluier is tusschen den steen en den vloer blijven zitten. De vorst springt naar voren om die te grijpen, maar plotseling tegengehouden door het gevoel zijner onwaardigheid, reikt hij den bisschop zijn degen toe, die het kostbaar stuk, getuigenis van het wonder, afsnijdt.
"Maagd en martelares," roept de bisschop uit, "gij, die waardig zijt, den Verlosser in zijn hemelsche glorie te aanschouwen, die uw leven hebt gegeven, om zijn liefde te verdienen, zie met genadig oog neder op de stad, waar het Gode behaagd heeft, u te doen geboren worden, bescherm haar, en laat uw tusschenkomst strekken tot heil van den monarch, die plechtig uwen feestdag viert."
Nog heden wordt in de kathedraal de eenige reliek der schutsvrouw van Toledo bewaard. Een standbeeld van de H. Leocadia, dat echter niet veel kunstwaarde heeft, is in de kapel te zien.
In den zonneschijn te middernacht.
Naar het Duitsch van _Karl von Dahlen_.
In de Lapland-express! Behagelijk zit een klein reisgezelschap in den rooksalon bij elkaar. Het toeval heeft ze uit alle deelen der aarde hier bij elkaâr gebracht en op zulk een tweedaagsche spoorreis wordt men spoedig vertrouwelijk. Daarbuiten ligt de gloed van een noorschen nacht over de eentonige wildernis. Bosch, bosch, zoo ver het oog reikt, maar niet het schoone hoogstammige woud, de vriend van een mensch, die een wandelaar vriendelijk in zijn armen sluit, maar dat eindelooze bosch, zonder paden of wegen, het wreede beeld van den moeielijken strijd om het bestaan, waar het kleine het groote verwoest, en de ongelukkige sparren, geheel bedekt met blad- en korstmossen, tusschen groote granietblokken hopeloos een langzamen dood afwachten. In het spookachtige licht van den nacht schijnt het landschap geheel doodsch en uitgestorven, en het is alsof men zich over het uitgestrekte oppervlak van een andere planeet beweegt.
De aardige zweedsche dokter dringt wel is waar tot rusten, maar de helderheid van den nacht laat ons niet slapen. Houdt de trein eens op, om water of kolen in te nemen, dan is het toch al te verleidelijk om in dit middernachtelijk uur eens naar buiten te gaan in het zwijgende land. Men is zoover van het eigenlijke Europa verwijderd, en de weinige schreden naar beneden, de glooiing af, om bessen of mossoorten te verzamelen, brengen ons onmiddellijk in een vreemd land. Langzamerhand sterft de plantengroei onder de harde hand van een noordschen hemel, kleiner en kleiner worden de boomen, spoedig ontdekt mijn plantkundige reisgenoot de eerste gletscherberk met zijn fijn getande bladeren. De bloemen lichten ons tegen met haar teringachtige kleuren, en daar in de verte schemert de sneeuw ons tegen, als reuzenflarden van een verscheurd lijkkleed. Zoo gaat het voort door Lapmarken, voorbij de steden Gellivara en Viruna, die een amerikaanschen indruk op ons maken.
Welk uur onze horloges ook mogen aanwijzen, aan ieder station staat de bevolking gereed ons te begroeten. Langzaam klimt de trein naar boven. Het naakte graniet komt meer en meer te voorschijn, en ofschoon wij slechts een paar honderd meter boven 't zee-oppervlak zijn, heeft de geheele omgeving het karakter van het hooggebergte. Dezelfde aangrijpende verlatenheid als in de Alpenpassen, maar nu op reusachtige wijze uitgebreid. Hier en daar glinsteren kleine meren tusschen de gesteenten, de beken storten zich woest van boven neer en aan de rechter zijde schittert de zilveren streep van Torne Fräsk, de groote binnenzee in het Noorden van Zweden.
Boven de bergen aan den anderen oever ligt een donkere muur van wolken, maar de eene waterval naast den anderen schijnt uit de wolken neer te storten, en hunne zilverachtige strepen komen helder uit tegen de blauwe bergwanden. Hier en daar weiden enkele troepen rendieren en vluchten in moeilijken gang, zoodra de fluit van de locomotief zich doet hooren. Tegen den middag bereiken wij de grens tusschen Zweden en Noorwegen; "Riksgränsen" heet trotsch hier het kleine stationnetje. Daar heerscht nu een opgewekt leven; jonge Zweedschen, met heerlijk blond haar, zijn zoo even van een voetreis in het binnenste van Lapland teruggekomen. Ze dragen de bij de Lappen gebruikelijke schoenen met banden, hebben den Alpenstok in de hand, de botaniseerbus op den rug en maken een ondernemenden indruk. Hun eenig geleide is een jonge, nauwelijks de school ontgroeide student. Onwillekeurig denkt hierbij iemand aan de plaats in Goethe's Brieven uit Zwitserland, waar hij van de zorgvuldige voorafgaande onderzoekingen en de omvangrijke voorbereidingen verhaalt, vóór de oude Saussure met zijn reisgezelschap besloot in den laten herfst in het Chamonixdal tot aan den voet van den Mont Blanc door te dringen. Welk een onderscheid! Tegenwoordig ontmoet men de jeugdigste reizigsters bijna zonder geleide op een tocht door een onbebouwde wildernis aan de grenzen van het poolgebied.
Van Riksgränsen daalt men, met talrijke bochten, door vele tunnels heen, naar de zee af. Al groener en groener wordt de bodem. Eindelijk: Thalatta, Thalatta! In de diepte schittert de stille waterspiegel van den Rombake-Fjord, waarin zich aan alle zijden witschuimende watervallen uitgieten. Spoedig is Narwik bereikt. Wij verlaten den trein, en Anna, de keukenmeid van een eetsalon, die ons elken morgen zoo vriendelijk begroette, wuift tot afscheid met haar witte muts.
Nu moeten wij ons aan de goden der zee toevertrouwen en menigeen mijner reisgenooten zinkt het hart in de schoenen, als hij het kleine stoombootje ziet--"Hadsel" is zijn naam--dat ons tot aan de noordelijkste punt van het vaste land moet brengen. Dwergachtig klein ligt het daar naast de groote stoombooten, die het in Kiruna gewonnen erts hier laden, en de hemelhooge rotswanden van den fjord doen trouwens elk menschenwerk nietig schijnen.
Wij vormen echter ook maar een zeer klein reisgezelschap, niet meer dan een dozijn, en in een vroolijke, moedige stemming lichten wij het anker en stoomen nu noordwaarts. Welk een zonderlinge sprookjesachtige wereld rondom ons! De hoogste bergtoppen zijn in donkere wolken verborgen, de rotswanden zien donkerblauw, groengrijs glanst de zee. Heinde en ver ziet het oog geen andere stoomboot. Slechts een paar visschersschepen, juist zoo gebouwd als de oude draakschepen der Vikingen, vóór en achter met den hoog opstijgenden boeg, en met roest-bruine zeilen, kruisen onzen weg. Maar in het water wordt het levendig; dolfijnen spelen rondom het schip, nu eens ziet men hun plompe lichamen in de lucht opspringen, dan weer kan men in het heldere water hun bliksemsnelle bewegingen volgen. De lommen tuimelen voor ons heen; angstig beproeven zij zich in de lucht te verheffen, en storten zich dan weer met den kop omlaag in de diepte. De meeuw stoot zijn schril geluid uit en de kormoraan vliegt met stillen vleugelslag voorbij. Zoover het oog reikt, rijen zich eilanden aan eilanden; de boomgroei wordt steeds schraler, maar toch bedekt nog een licht, geelachtig groen de fijne rotswanden. Dichter en dichter trekt zich de hemel om ons heen te zamen, en in de onzekere schemering nemen de rotsachtige eilandjes steeds phantastischer vormen aan. Het maakt den indruk, alsof wij door een groote kudde voorwereldlijke reuzendieren omgeven zijn, die, half in het water verborgen, zich plotseling op ons konden werpen, om onzen notedop te verpletteren. O, anti-diluviaansche stemming! Men zou hier weder aan de Scylla en Charybdis gaan gelooven.
Zoodra echter de zon den sluier verscheurt, en een frissche wind uit de IJszee de wolken uit elkaar jaagt, ziet men overal rondom ons toppen en spitsen, en heel in de hoogte glanzen gletschers. Zoo stoomt en stampt onze kleine "Hadsel" langzaam vooruit. Niet voor ieder passagier is echter deze vaart een onvermengd genot. Meestal beschut ons, wel is waar, de voor ons liggende keten van eilanden, maar als op open plekken de zware deining van den oceaan ons scheepje bereikt, danst het lustig op en neer, en menigeen buigt zich in stilte voor deze hoogere macht.
Terwijl wij kort voor middernacht bij een glas warme groc--de thermometer wijst maar een paar graden boven nul--in de kajuit bij elkaar zitten, schitteren plotseling de ruiten der ronde venstertjes, het koperwerk glanst helder op, het licht wordt gegrepen door onze glazen op tafel en weerkaatst op onze gezichten. Daarna, in eens, is alles weer koud en vaal. Het was de eerste luchtige groet van de middernachtzon!
Onze weg voert ons langs een der grootste vogelbergen van het Noorden. Reeds van verre hoort men het krijschen der schuwe dieren; naderbij gekomen ziet men ze in tallooze rijen op de rotsen neergehurkt. Nu lossen wij een kanonschot en iets wonderbaars gebeurt er. De berg schijnt als een veêren kussen uiteen gebarsten te zijn. Als een wolk omhullen ons plotseling millioenen en millioenen vogels, het is een oorverdoovend leven; wie naar boven ziet, meent zich in een dichte sneeuwbui te bevinden. Wij vervolgen onzen koers, maar nog zwermen de opgeschrikte vogels in dichte wolken rondom hunne rotsen.