De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 71
Domenico Greco of Theotocopuli, om hem zijn waren naam te geven, is een van die langen tijd miskende kunstenaars, die een glorie zijn voor de steden, waar ze verblijf hebben gehouden. De strenge en forsche kleuren, de compositie vol harmonie, de magistrale teekening en de uitdrukking der gezichten zijn treffend. Deze waardige afstammeling van de groote kunstenaars uit Hellas was in Griekenland geboren, zooals zijn naam en zijn bijnaam aanduiden, en daarna was hij, na Italië te hebben doorreisd en daar een leerling van Titiaan te zijn geweest, naar Spanje gekomen en had zich te Toledo gevestigd. Buiten deze begrafenis van graaf Orgaz, dagteekenend van 1584, bezit de stad nog eenige prachtige portretten door dien grooten meester gemaakt en geschilderd in de grijze tinten, welke aan de manier van Frans Hals herinneren.
De kathedraal is nog tegenwoordig wel het middelpunt van Toledo. Van alle trekt zij het meest de aandacht. Nu eens ziet men haar boven de huizen verrijzen, dan weer vult ze open hoeken in het uitzicht tusschen de straatjes, die alle op dat kerkgebouw uitloopen. Aan beide zijden heeft zij zware contreforten, rondom zijn open galerijen, en boven steken dikke torens en spitse torentjes hun punten in de blauwe lucht op. Aan haar voeten dringen zich huizen samen en paleizen; maar men let daar niet op, zoo overheerschend is de kathedraal voor den geest en voor het oog.
Men vindt niets anders in de ruimte, en als men, gelijk opeenvolgende geologische lagen, de bijgebouwen, de sacristieën en de kapellen uit allerlei tijden naast en in het primitieve gebouw vindt, gaan die zaken, die al zoo langen tijd met elkaar in aanraking zijn geweest, zoo goed te zamen, dat de eeuwen er als ineensmelten, zonder dat men haar grenzen uit elkander houden kan. De kathedraal is de Sint-Pieterskerk van dit andere Rome, van die stad der zeven heuvelen; maar dan een zeer mystieke Pieterskerk, een zeer vrome, die ernstige gedachten wekt en niet de herinnering aan de fiere pracht van het Keizerrijk. Ik neem het Mariana kwalijk, dat hij haar de Rijke heeft genoemd, terwijl door de eeuwen heen Jupiter, Jezus, Allah en toen weer Jezus eerbiedig werden aangebeden op die plaats. De plek, waar zooveel menschelijke wezens hun geest tot de hoogte eener ideale wereld verhieven, zou een andere aanduiding verdienen.
De geschiedenis der kathedraal is niet alleen die van de stad Toledo, maar zij is die van geheel Spanje. De eerste christenkerk, die op de heidensche tijden volgde, moet opgericht zijn in de 4de eeuw. Zonder twijfel werd voor dat primitieve gebouw de kerk in de plaats gesteld, die gesticht was door Recarede, dien gothischen koning, die het Arianisme afzwoer en, het kerkgebouw onder de bescherming stellend van de H. Maagd, het den 12den April 587 inwijdde. Het moet een eenvoudig huis zijn geweest; maar binnen zijn muren werden de heilige bisschoppen van Toledo tot het pontificaat verheven. Dat geschiedde met Eugenius, Eladio, Ildefonso en Julianus; onder de gewelven der kerk kwamen de conciliën samen, waar de gothische monarchie haar wetten gaf en zich in theologische haarkloverijen verdiepte, terwijl de Arabier in den galop van zijn snel en vurig paard al meer naar het westen den teugel wendde.
De Halve Maan werd geplant op den grond, dien Viriathes zoo lang aan de Romeinen had betwist. De kerk werd omvergehaald en vervangen door een schitterende moskee, met kostbaar marmer bekleed. En toen na drie eeuwen de stad door de Christenen heroverd werd, was zij zoo schoon, dat de Mooren erdoor een afzonderlijk artikel van de capitulatie beslag op legden en van den overwinnaar de belofte kregen, dat zij er vrij hun godsdienstoefeningen zouden mogen houden. Koning Alfonsus beloofde onder eede, altijd aan deze plechtige overeenkomst trouw te zullen blijven.
De Mooren hadden met den koning onderhandeld, maar niet met koningin Constantia. In overleg met bisschop Bernard maakte zij van de afwezigheid van den vorst, die in verre landen oorlog voerde, gebruik, om te komen tot wat zij de kostbaarste der overwinningen noemde. Op een nacht vereenigden zich drieduizend goed gewapende Christenen onder haar bevelen en, door den bisschop aangevoerd, stormden zij op de moskee los. De deur bezweek onder hun slagen, en de verraste bewakers konden geen weerstand bieden. San Vincentius Ferrer moest het voorbeeld van overgave twee eeuwen later volgen.
Den dag na de inneming werd de moskee voor den christelijken eeredienst gewijd, en gesteld in het bezit van de kanonnieke rechten der kerk, die zij had vervangen, in spijt van de protesten van Aboe Valid, die met verontwaardiging eischte, dat het verdrag der capitulatie zou worden nageleefd.
Dadelijk zonden de Mooren een bode naar den koning met de opdracht, hun beklag te doen en naast de vervulling der belofte van den vorst ook de bestraffing te eischen van de koningin en den bisschop.
Alfonsus, in woede ontstoken, beloofde de schuldigen te straffen en sloeg in groote haast den weg naar Toledo in.
Toen ze den haastigen terugkeer van den koning vernamen, waren de koningin en de bisschop zeer verschrikt en vol vrees. Nu was er onder de Mooren een wijs en voorzichtig man, die niet te vergeefs zielkunde had bestudeerd.
"Wat zult gij lieden nu beginnen?" vroeg hij zijn geloofsgenooten. "Koning Alfonsus is eerlijk; hij zal zijn woord houden en hij zal, naar ze verdienen, straffen de koningin, die hij liefheeft en den bisschop, die zijn geheele vertrouwen bezit. Gij zult voor een oogenblik getriomfeerd hebben, maar weest er zeker van, dat, als er recht is gedaan, de rechter een wrok tegen u zal behouden. Om in het bezit te blijven van een moskee, die voortaan te groot voor ons zal zijn, zoudt gij de goede gezindheid van uwen souverein jegens u verspelen. Neemt u in acht voor de gevolgen, waardoor hij ons de strengheid zal doen berouwen, die wij van hem hebben gevorderd."
Deze alfaqui of wetgeleerde wist zijn gehoor te overtuigen, en nog dienzelfden avond reisde hij, door zijn geloofsgenooten afgevaardigd, den koning te gemoet, om zijn goedertierenheid ten gunste der schuldigen in te roepen.
Alfonsus gaf zijn groote ontevredenheid aan de koningin te kennen en aan den bisschop; maar in den grond van zijn hart gelukkig, dat hij niet de strengheid behoefde uit te oefenen, die de eer van hem eischte, toonde hij voortaan aan de in Toledo gebleven Arabieren zijn goeden wil en een welgezindheid, die slechts een rechtvaardige vergoeding waren voor het geweld, in zijn afwezigheid gepleegd.
Toledo behield gedurende meer dan anderhalve eeuw, de arabische moskee als kathedraal en eerst onder de regeering van Ferdinand III, den heiligen veroveraar van Sevilla, werd ze afgebroken. De eerste steen van de tegenwoordige kerk werd door dien monarch gelegd, bijgestaan door bisschop Dom Jimenez de Rada, op 4 Augustus 1227. Met den bouw is men bezig geweest tot op het einde van de 16de eeuw. De mozarabische kapel, die der laatste koningen, die van Sagrario, van Ochavo, de Sacristie, het huis van den Schatmeester, de Zaal der Onderhandelingen, de Leeuwenpoort en die der Voorstelling, het snijwerk van het koor en een menigte andere toevoegsels dateeren van nog lateren tijd.
De naam van den eersten bouwmeester is ons bewaard gebleven. Hij heette Pedro Perez, zooals men kan lezen op zijn grafschrift, dat in de kapel van Santa Maria gevonden is, toen die kapel werd afgebroken bij den aanleg van het Sagrario. Hij stierf op hoogen leeftijd in 1285. Onder zijn talrijke opvolgers moeten wij niet vergeten den beroemden Juan Guaz, wien de Katholieke koningen den bouw opdroegen van het klooster San Juan de los Reyes.
Het zou vervelend zijn de optelling te hooren van het aantal pilaren, die het schip van de kathedraal van Toledo dragen; van de vensters, die er licht geven; van de vierkante meters gewelven, die het overdekken; van haar kapellen, vensterruiten, deuren en binnenpleinen. De kanunniken zelf zouden u geen completen inventaris kunnen geven van de schatten van allerlei aard, die men er vindt. Ik wil mij er dus toe bepalen, de hoofddeelen te bespreken en allereerst mijn aandacht wijden aan drie groote figuren, die scherp uitkomen tegen de groepen van koningen, ministers, krijgslieden en bisschoppen, die allen te rusten gelegd zijn in de kathedraal of haar iets van hun eigen roem hebben meegedeeld. Ik zal namelijk spreken over Alvaro de Luna, den beroemden en ongelukkigen minister van Juan II, van den grooten kardinaal Mendoza, minister van Isabella de Katholieke, en van den niet minder grooten Ximenes de Cisneros, die, bekleed met koninklijke macht op het eind van het leven der groote koningin, ze behield in de eerste jaren der regeering van haar dochter, Johanna de Krankzinnige.
Zooals in bijna alle gothische kerken van Spanje, wordt de schoonheid van het centrale schip bedorven door de zware massa van het koor, dat onvermijdelijk voor de kanunniken moest gereserveerd. Maar toch, omdat het koor zoo mooi is, kan men het veel vergeven. Nadat men het prachtige hek van verguld koper en verzilverd ijzer heeft bekeken, waarin men de karakteristieke ornamenten aantreft van den platereskenstijl of dien der spaansche vroeg-renaissance; nadat men daarboven de wapens heeft herkend van kardinaal Siliceo, primaat van Spanje in den tijd toen de beroemde meester van het smeewerk, Domingo Cespedes, dit kunststuk voltooide in 1548; nadat men het opschrift heeft ontcijferd, dat vertelt, hoe dit wonder werd gewrocht onder de regeering van Karel V en onder het pontificaat van Paulus III, begint men de grieven te vergeten, die voor een opmerkzaam beschouwer van het schip der kerk geheel verdwijnen.
Langs de muren, die zich tot halver hoogte de zuilen verheffen, staan twee verdiepingen van koorstoelen van rijkgebeeldhouwd notenhout, maar van verschillende stijlen. De benedenste rij is niet de schoonste; maar wel is ze de oudste en de interessantste. Elk basrelief stelt een gebeurtenis voor uit den strijd, ter verovering van het koninkrijk Granada, door de Katholieke koningen gevoerd, en de daarna volgende inneming van de talrijke versterkte plaatsen, waardoor de tien jaren van den oorlog gekenmerkt waren. Die koorstoelen, die in 1495 werden voltooid, dateeren uit den tijd van kardinaal Mendoza en zijn het werk van den meester-beeldhouwer Rodriguez. Ze zijn in den bloemrijken gothischen stijl gemaakt en vloeien over van curieuse en aardige bijzonderheden over de vestingen, de kleederdrachten, de wapens, de gewoonten der Christenen en der Mooren op het tijdstip der verovering.
De stoelen van de bovenste rij zijn afkomstig uit de 16de eeuw en dragen alle den duidelijken stempel der Renaissance. Marmermozaïeken en inlegsels van jaspis en albast zijn ingevoegd in het notenhout van een mooie, warme tint, om de versieringen mee aan te brengen.
Filips Vigarni, genaamd van Bourgondië, heeft de linker koorstoelen gemaakt, terwijl Berruguete die aan den rechter kant vervaardigde. De figuren, die bijna levensgroot boven de leuningen zijn aangebracht, zijn ontleend aan het Oude en het Nieuwe Testament. De stoel van den aartsbisschop, die zoo bijzonder mooi is, was voor Berruguete bewaard gebleven. De dood overviel hem, en zijn medewerker had de eer het kunstwerk te snijden. Er staat het schild op van kardinaal Siliceo, onder wiens bestuur het werk werd voltooid in plaats van dat van den aartsbisschop Talavera, dat men op de andere stoelen vindt.
De bronzen zuilen, die het koepeltje steunen, dat zich er boven uitbreidt, zijn wonderlijk mooi gesneden. Op de leuning stelt een basrelief van albast, dat wij aan de beitel van Gregorio Vagarni verschuldigd zijn, broeder van Filips, genaamd van Bourgondië, de H. Maagd voor, zooals zij een kasuifel om de schouders van den H. Ildefonsus hangt. De bevalligheid en de schoonheid der heilige kunnen slechts vergeleken worden bij de verheven en verrukte uitdrukking van dengene, die haar aanschouwt. Een belangrijke groep is aangebracht boven het koepeltje en stelt de transfiguratie van Jezus voor, die tusschen Elia en Mozes staat. Berruguete had den tijd het werk te voltooien en zelfs om oneenigheid te krijgen met het kapittel over de betaling van zijn arbeid. De bouwmeester van het Alhambra, Pedro Machuca, werd als deskundige gekozen en stelde den prijs vast op 82628 realen, een zeer belangrijke som voor dien tijd, want ze staat gelijk met 13000 hollandsche guldens.
Boven de koorstoelen vindt men rechts en links orgels, die om de schoonheid der registers en de voortreffelijkheid van het mechanisme terecht beroemd zijn. Het eene is van 1756, het andere van 1796, en beide zijn vervaardigd door bekende orgelbouwers. De overige meubels van het koor kunnen wedijveren met de stoelen. In het midden draagt een arend met ontplooide vleugels, de klauwen rustend op een gothisch voetstuk van ouderen stijl, de enorme en zware boeken van de liturgieën. Die schoone vogel is zeker uit Duitschland gekomen in den tijd der Renaissance. Twee andere lessenaars van verguld brons van verschillenden vorm, staan een weinig lager, gelijk met de stoelen. Zeer mooie basreliefs, die den doortocht door de Roode Zee en David, dansend vóór de ark, voorstellen, versieren de vlakke deelen van die lessenaars. Ze zijn zoo stevig verguld, dat men ze het gebruik niet kan aanzien, ofschoon ze van 1750 moeten dagteekenen. Indien dan al het kapittel veel van kunst hield, het hield ook veel van zuinigheid, want er rezen nog moeilijkheden met den vervaardiger Nicolaas de Vergara, den Oude. Er volgde een twist, maar ten slotte werd men het toch eens.
Tusschen het koor en de Capilla Mayor van tegenwoordig, die afgesloten wordt door een hek, waar een prachtige Christus aan het kruis boven hangt, ligt een vrij groote ruimte. Zij werd tot de 15de eeuw ingenomen door de oude Capilla Mayor, terwijl aan de achterzijde zich de kapel der Oude Koningen verhief, gesticht door koning Dom Sancho den Dappere, om als begraafplaats voor zijn familie te dienen. Toen Ximenes de Cisneros kardinaal en primaat van Spanje was geworden, verkreeg hij van de Katholieke koningen vergunning, om de stoffelijke overblijfselen hunner voorgangers naar elders over te brengen, en tevens om van de beide kapellen een enkele te maken van grooter afmetingen en dus meer in overeenstemming met de belangrijkheid van het gebouw. Zulk een optreden heeft natuurlijk meer sporen nagelaten. De Capilla Mayor ziet er, nadat ze de beelden en sieraden uit de beide heiligdommen heeft geërfd, overladen en vol en niet in harmonie met het andere uit. Onder de beelden van koningen en koninginnen is ook een binnengedrongen van een boer.
Toen de beroemde slag van las Navas aan den gang was, en het leger der Christenen door de ongeloovigen in het nauw was gebracht, en dreigde vernietigd te worden, verscheen er een herder voor koning Alfonsus VIII en bood hem aan, hem langs een onbekenden, maar volkomen veiligen weg buiten den pas te brengen, waar de troepen ingesloten waren. Toen hij zijn woord had gehouden, verdween de herder, zonder op den dank des konings te wachten of om een belooning te vragen. Dadelijk liep het gerucht, dat de redder van het leger der Christenen een afgezant van den hemel was. Ten bewijze van zijn dankbaarheid gaf Alfonsus bevel, een standbeeld op te richten voor den hemelschen gids en beschreef hem aan den kunstenaar, zooals hij hem had gezien.
Tegenover dien Pastor de las Navas staat de waardige gestalte van den alfaqui Aboe Valid, die door zijn beleid koningin Constantia redde van de straf, die zij wel een weinig verdiend had. Voorbij de koninklijke standbeelden dichterbij het altaar vindt men boven elkaar een rij van graven, waar de leden der koninklijke familiën rusten, die niet zijn overgebracht naar de kapel der Nieuwe Koningen. Daar heeft zich op een echt koninklijke plaats een persoon ingedrongen, die door zijn geboorte niet voor zulk een eer bestemd was. Het is niemand minder dan de beroemde Dom Pedro Gonzales de Mendoza, kardinaal, primaat van Spanje en eerste minister der Katholieke koningen.
Het heeft moeite gekost, om het stoffelijk overschot te plaatsen in een graf, dat meer op een kapel gelijkt, en waar een altaar staat. Op dat altaar moesten volgens de laatste wilsbeschikking van den prelaat drie missen per dag worden gelezen. Toen de kardinaal gestorven was, haastten zich de kanunniken, die hem misschien tijdens zijn leven wel eens lastig hadden gevonden, tegen de bepalingen van zijn testament te protesteeren.
De plaats, die de overledene had aangewezen, om er zijn graf te graven, kon, zoo zeiden zij in den aanvang, slechts aan een vorst of een prins van koninklijken bloede worden afgestaan. Toen Isabella, die door den slimmen Mendoza tot zijn executrice testamentaire was aangewezen, hoorde van den tegenstand, zond zij aan het kapittel het bevel, zich naar den laatsten wensch van den kardinaal te voegen. Toen men zich niet haastte om te gehoorzamen, dacht zij aan koningin Constantia. Door metselaars vergezeld, begaf zij zich des nachts naar de kathedraal en beval den werklieden, in haar tegenwoordigheid den dikken muur door te breken. Toen de kanunniken den volgenden morgen in de kerk kwamen, vonden ze de doorboring zoo goed als voltooid. Het gaf toen niets, nog langer te protesteeren.
De kapel, het graf en het mooie beeld, dat op de sarcofaag is geplaatst, zijn het werk van den meester Alonso de Covarrubias. Zeven-en-twintig beeldhouwers hielpen hem bij zijn arbeid. In vier jaren was die voltooid, en in 1504 werd het monument ingewijd, na den dood van Isabella.
Door aan het stoffelijk overschot van Mendoza een plaats af te staan tusschen die van koningen en prinsen van Castilië, had de koningin den trouwen dienaar willen beloonen, en den dapperen krijgsman, den grooten staatsman, die na den slag van Toro er toe had meegewerkt, haar den troon te verzekeren, en die vóór Granada haar zoo krachtig hielp in het winnen van een koninkrijk. Hij was het, die, zich stellende boven de vooroordeelen van zijn tijd, en van zijn Orde, het oor leende aan de smeekbeden van Columbus, voor diens inzichten gewonnen werd en hem den nog wel wat weifelenden steun van de koningin bezorgde. Zonder Mendoza zou Isabella misschien nooit vorstin over een Nieuwe Wereld zijn geworden.
Daar zij edelmoedig van aard en dankbaar was, nam zij het hem niet kwalijk, dat hij bij zijn leven zich den bijnaam had verworven van "den derden beheerscher van Spanje", en na zijn dood voerde zij gewetensvol zijn laatste wilsbeschikking uit. De kloosterschool van Santa Cruz te Valladolid en het hospitaal van denzelfden naam, waarvan zij den eersten steen te Toledo legde, zijn ook een uitvloeisel van die gevoelens.
De groote kardinaal was juist een man, zooals men zich de groote vorsten van dien tijd kan denken. Eens maakte een geestelijke, die op een dag in de tegenwoordigheid van den kardinaal preekte, van de gelegenheid gebruik, om uit te varen tegen de verslapping van den godsdienst in de tijden, die hij beleefde, en deed dat in zulke bewoordingen, dat het onmogelijk was, zich in zijn bedoeling te vergissen.
Het gevolg van den prelaat kookte van ongeduld en wilde zich op den overmoedige wreken. Maar wel verre van zich beleedigd te toonen, beval Mendoza den prediker een schotel wild te brengen, dien men hem nog denzelfden dag moest voorzetten, en hij liet het geschenk vergezeld gaan van een beurs, gevuld met dubloenen bij wijze van specerij.
Ter verontschuldiging van den wereldschen zin van Mendoza moet men bedenken, dat aan het celibaat der geestelijken niet de hand werd gehouden en dat het in Arragon zelfs aan afstammelingen van priesters geoorloofd was te erven van hun overleden ouders, ook al hadden dezen geen testament gemaakt. Dit zijn gebruiken, die men mudejarisch of mozarabisch zou kunnen noemen en die tot de westersche zeden in dezelfde betrekking staan en er op dezelfde wijze van verschillen als de architectuur der paleizen van Toledo, voor de Christenen gebouwd, van die der in denzelfden tijd in Frankrijk opgerichte gebouwen.
Bij een der laatste bezoeken, die Isabella bracht aan haar stervenden minister, vroeg de koningin hem, zijn opvolger aan te wijzen, een keuze, die van bijzonder groot belang was, daar de aartsbisschop uit den aard der zaak president was van den Raad van Castilië. Gedrongen, om den naam te noemen van dengene, die het meest waardig was deze dubbele functie te vervullen, beval Mendoza haar den broeder Francisco Ximenes de Cisneros, van de orde der Franciscanen aan, die reeds haar biechtvader was, ofschoon dan zeer tegen zijn zin. Nooit heeft Mendoza zijn vaderland een grooteren dienst bewezen, want hij vertrouwde den staat toe aan reiner handen dan de zijne, en stelde de leiding onder de hoede van een veelomvattenden geest, die in staat was Spanje verder te voeren op den weg der eenheid en de unificatie tot een goed einde te brengen.
Ximenes rust niet als zijn voorganger in de kathedraal van Toledo. Hij had als plaats om zijn laatsten slaap te slapen een bescheidener hoekje gekozen, namelijk in de universiteit van Alcala, die hij had laten bouwen; maar toch leeft de herinnering aan hem in zijn kerk en vooral in de mozarabische kapel, waar allerlei oude en de eeuwen trotseerende herinneringen opleven.
Wat is dat eigenlijk, die mozarabische eeredienst?
Toen de Mohammedanen Toledo hadden ingenomen, oefenden zij er zulk een gematigde heerschappij uit, dat de Christenen vergunning kregen, er hun eeredienst uit te oefenen. Drie eeuwen later vond Alfonsus VI, bij het heroveren der stad er een christelijke bevolking, die alle vormen van den ouden gothischen eeredienst had behouden, terwijl ze zich sterk hadden gewijzigd in landen, die christelijk waren gebleven. De toledaansche ritus werd dus bewaard in de zes kerken, waar hij in stand was gebleven tijdens de vreemde overheersching; maar langzamerhand nam het aantal Mozarabieren af, en die dienst zou onherroepelijk verloren zijn geweest, als Ximenes er niet een kapel aan had gewijd, die in directe gemeenschap werd gesteld met de kathedraal. De mis, die er dagelijks met groote praal wordt voorgediend, verschilt van de zoogenaamd romeinsche mis. Ofschoon er hier slechts sprake is van bloote vormquaesties, zooals van het breken der hostie in negen stukken, de volgorde der gebeden, de weglating van het laatste Evangelie enz. toch was er vroeger een hevige strijd tusschen de aanhangers der twee richtingen. Er werden formeele gevechten voor geleverd; ieder had zijn ridders, die voor haar in het strijdperk traden, en als de kamp onbeslist bleef, ging men tot de vuurproef over, om des hemels wil te vernemen. Er werd een brandstapel ontstoken, en in tegenwoordigheid van een angstig wachtende menigte werden de boeken van den eeredienst van Toledo en de latijnsche richting er tegelijk op geworpen. De eerste bleven ongedeerd, terwijl de andere verteerd werden. De stem des hemels had gesproken; de toledaansche ritus of die van den H. Isidorus werd behouden.
Tegenwoordig wordt de mozarabische mis min of meer als een curiositeit beschouwd; zij behoort tot het gebied der christelijke archaeologie. Hoewel de vreemdelingen er in grooten getale heen stroomen, kan men dat zelfde niet zeggen van de stadgenooten, die enkel door de ceremoniën der groote kerkfeesten er nog eens worden heengelokt. Het steeds afnemend aantal van de Mozarabieren behoeft geen verwondering te baren, als men bedenkt, dat bij de gemengde huwelijken de echtgenoot, die den latijnschen ritus aanhangt, meer voorrechten heeft dan hij, die den toledaanschen ritus volgt. Zoo ook moet in het eerste geval de vrouw terugkeeren in den schoot der latijnsche kerk, terwijl in het tweede zij niet mozarabisch wordt.