De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 67

Chapter 673,716 wordsPublic domain

Dit merkwaardige stuk werd in 1590 uitgevoerd door de burgers van Gratz, Thomas Auer en Max Wening, en doet de inlandsche kunst alle eer aan. Terecht laat een geharnast ruiter de panthervlag van Stiermarken boven zijn hoofd vrij uit waaien. Op den muur naast den put herinnert een gedenkplaat eraan, dat de groote sterrenkundige Kepler te Gratz verblijf hield van 1594 tot 1606. Hij was uit Tübingen erheen geroepen, om wiskunde te onderwijzen, trouwde in het land, maar moest, daar hij de leer der Hervormden was toegedaan en men dien godsdienst in Stiermarken niet gunstig gezind was, het land verlaten, dat hem als een nieuw vaderland lief was geworden.

Aan het Landhaus grenst een smal zeer typisch gebouw, het Arsenaal of Tuighuis. Het is van 1642 tot 1644 gebouwd door Adam Wundegger en heeft een belangwekkenden hoofdingang, geflankeerd door twee nissen, waar de eenigszins gemaniëreerde beelden van Mars en Bellone staan in decoratieve houdingen, die van den italiaanschen invloed getuigen. Wat van het arsenaal in Gratz iets eenigs maakt in zijn soort is, dat het geen museum is, geen kunstmatige opeenhooping van ongelijksoortige voorwerpen, onttrokken aan hun natuurlijke omgeving, maar dat het 't wapenmagazijn der stad is, juist zooals het op het eind der zestiende eeuw in gebruik was, toen de Staten er de noodige wapens bijeenbrachten, die benoodigd waren voor het contingent, dat zij in den strijd tegen de Turken hadden op te brengen. Er zijn daar meer dan 28.000 voorname nommers, methodisch gerangschikt in lange zalen.

Hoewel het hoogst interessant is, zoo de merkwaardigheden op hun eigen plaats te zien, toch moet men niet verzuimen, het museum een bezoek te brengen, namelijk het Johanneum, zoo genoemd ter herinnering aan aartshertog Johan, en gehuisvest in een elegant gebouw, dat in 1895 werd ingewijd. De belangrijkheid van dit museum is vooral gelegen in zijn verzamelingen van cultuurhistorischen aard en in wat het aan voortbrengselen van kunstnijverheid bezit.

Men vindt er kamers met prachtige lambrizeeringen, als in de eerezaal van het kasteel Radmannsdorf in Weiz, van 1564; of bescheidenlijk gestoffeerd, als dat boereninterieur, waarvan de groote kachel met een bank eromheen het hoofdmeubel is en dat 's avonds alleen verlicht wordt door een brandend stuk hout aan een ijzeren staaf gebonden; of gemaniëreerd, als het rococosalon met japansch schilderwerk op de paneelen. Verder zijn er reuzenkachels van porselein; fijne clavecimbalen, die de voorloopers onzer piano's waren; allerlei ander huisraad van onze vernuftige voorvaderen, zooals bij voorbeeld dat braadspit, dat bewogen wordt door den rook uit den schoorsteen. En dan historische merkwaardigheden, als de koets van keizer Frederik den Derde, een lange karos met gotische bogen, gebeeldhouwd, verguld en beschilderd; merkwaardige voorwerpen van goud en zilver, zooals een vrouwehaarvlecht van zilver, afkomstig uit de veertiende eeuw, die als zwaarwichtige herinnering door den weduwnaar om den hals werd gedragen; de beker van den Landschadenbund, een meesterstuk van augsburgsche goudsmeedkunst uit het einde der zestiende eeuw; de zegelpers van de Landhausvergadering met den panther van Stiermarken erop en versierd met geëmailleerde schilden en fijn filigraanwerk.

De heuvels en bergen rondom Gratz, die het dal der Mur omsluiten, vormen een aantrekkelijk kader voor de mooie stad. De Franschman, altijd galant, heeft haar eens genoemd, la ville des Grâces a la rivière de l'Amour. Rondom de vlakte van het Gratzer Feld, die in het Noorden afgesloten wordt door de hooge Alpenketenen, licht een dichte opeenhooping van heuvels en dalen, vol schilderachtige hoekjes tusschen weiden en bosschen, die als een mantel de hellingen bedekken, bezaaid met witte kerkjes, pelgrimsoorden, als Maria Trost en Maria Grün. Het zijn ook alle geschikte plaatsen voor uitstapjes, een aantrekkelijkheid dus voor de vele burgerlijke en militaire gepensionneerden van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie, die deze stad bewonen en haar den schertsenden naam Pensionopolis hebben bezorgd.

Onder de vele kasteelen, die om Gratz verspreid zijn, is het belangrijkste het slot Eggenberg, met de stad verbonden door een prachtige kastanjelaan. Het is een zwaar bouwwerk uit de zeventiende eeuw, met roode daken en een menigte vensters, juist zooveel, heet het, als het jaar dagen heeft. De groene luiken dier vensters steken scherp af tegen de gele pleisterkalk. De familie van Eggenberg, een der oudste van Stiermarken, maar die thans is uitgestorven nadat zij uit in den adelstand verheven kooplieden der vijftiende eeuw was ontstaan, heeft aan Oostenrijk een heele reeks staatslieden en veldheeren geleverd. De bekendste is Ruprecht von Eggenberg, die in 1503 den bloedigen slag bij Sissek won op de Turken, toen dezen viermaal talrijker waren dan hun tegenstanders, terwijl de veldheer van Oostenrijk hen tot den laatsten man in de Kulpa dreef. Toen de Franschen Gratz in 1809 belegerden, vestigde Macdonald zijn hoofdkwartier op het slot Eggenberg.

Boven Gratz loopt de Mur nog eenigen tijd in Stiermarken door een breed dal tusschen met wijnbergen begroeide heuvels. Dichtbij het punt, waar zij Hongarije bereikt, verheft zich boven op een hooge, steile bazaltrots het kasteel Riegersburg, een wonderlijk complex van bastions, binnenpleinen en geheime poorten, alles bedoeld als verdediging tegen Turken en Hongaren. Het gebouw kreeg zijn uitgebreidheid pas in de zestiende eeuw tijdens het beheer van een vrouw, die een merkwaardigen zin voor bouwen had.

Dat gedeelte van Stiermarken, dat ten zuiden van het Murdal is gelegen, omvat hoeken van de dalen der Drave en der Save, welke laatste het van Krain scheidt. Daar de groote inhammen van de hongaarsche vlakte er diep in doordringen, is het, zoowel uit natuurkundig oogpunt als wat de bevolking aangaat, zeer verschillend van Boven-Stiermarken, waaraan het alleen door het toeval der staatkundige grensregelingen is verbonden en dat duitsch, niet, zooals het Zuiden, slavonisch is.

Marburg, waar admiraal Tegetthof, de held van Lissa geboren werd, is er feitelijk de voornaamste stad van; maar Cilli is het centrum van de slavonische politieke verlangens. Die stad, waar, toen zij nog Celeja heette, de proconsuls Pertinax, Septimius Severus, Valerianus en Aurelianus resideerden, voor ze keizers werden, heeft nog andere dan romeinsche herinneringen.

De macht der graven van Cilli groeide in de veertiende eeuw snel aan en ging echter spoedig te niet in de vijftiende. Herman de Eerste huwde de dochter van den koning van Bosnië; zijn neef Wilhelm trouwde met de dochter van den koning van Polen, Casimir den Groote, en zijn dochter besteeg den troon van Polen als echtgenoot van den eersten der Jagellonen, Wladislaw. Diens zoon, Herman de Tweede, was de gunsteling van den hongaarschen koning Sigismund, in 1410 tot koning gekozen, die met zijn dochter Barbara trouwde en haar met voorrechten overlaadde.

Maar daarna neemt de geschiedenis een tragische wending. De oudste zoon van Herman den Tweede, Frederik, doodde zijn vrouw, om een adellijke jonkvrouw uit Kroatië, Veronica, te trouwen. Zijn vader liet hem in de gevangenis werpen en was voornemens hem te onterven. Intusschen stierf zijn tweede zoon door een val van zijn paard, en daar de koning van Bosnië hem zijn kroon had nagelaten, moest hij zich met zijn oudsten zoon verzoenen. Maar eerst wilde hij zich van Veronica ontdoen. De jonge vrouw ontvluchtte en leidde in de bosschen een zwervend leven. Men maakte zich van haar meester en trachtte haar als toovenares veroordeeld te krijgen onder beschuldiging, dat zij den graaf behekst had. Toen de rechters geen bewijzen tegen haar in handen konden krijgen, liet graaf Herman haar in het bad verdrinken. Nadat dit bezwaar uit den weg was geruimd, verzoende hij zich met zijn zoon Frederik, die bij zijn dood door keizer Sigismund tot den rang van rijksvorst werd verheven. De zoon van Frederik, Ulrich de Tweede, die ertoe had bijgedragen, dat de jonge Ladislas tot koning van Hongarije was verkozen, een zoon van keizer Albert den Tweede, zette het kind geheel naar zijn hand en nam de eerste plaats in het rijk in. Hij werd te Belgrado vermoord door een zoon van zijn doodsvijand, Johan Hunyados. De heraut riep op zijn graf driemaal uit: "Vandaag nog graaf van Cilli en voortaan nooit meer!" Hij brak het schild met het wapen, en het huis Cilli had opgehouden te bestaan.

Laat ons op onze schreden terugkeeren en naar Boven-Stiermarken gaan, waar we minder historische herinneringen zullen aantreffen, maar een schilderachtiger natuur, ook grootscher landschappen, en waar we ons in het echte hart van Stiermarken bevinden. Wij hebben bij Bruck het dal verlaten, waarin tot nu toe de Mur vloeide, om met de rivier ons te begeven naar de kloven, leidend naar Midden- en Beneden-Stiermarken. Daarna komen wij in dat dal terug, als we de oevers van de Mürz volgen, die er dan door stroomt.

Het landschap vervult nog niet de gedane beloften. Het dal is breed, bebouwd, omgeven door middelmatig hooge bergen en wordt door talrijke dalen, die een eentonige reeks beboschte driehoeken vormen op de hellingen, doorsneden. Men krijgt nog geen vermoeden van de schoonheden van het hooge bergland, want om die te vinden, moest men de dalen aan den linkerkant hoogerop volgen.

De streek, waar wij nu zijn, is rijk aan legenden. Daar ligt op een bergtop het pelgrimsoord Rehkogel, waar een herder in het bosch geiten geknield vond liggen voor een beeld van de Moeder Gods. Te Krieglach dreef er eens een kruikje met het portret van den H. Jacobus op het meer, dat toen nog het dal vulde, en op de plek, waar het kruikje aan land spoelde, werd een kapel gebouwd. In een naburigen berg hoort men steeds een kindje schreien, dat door de moeder verlaten werd. Deze had in een grot hoopen goud en kostbare steenen gevonden, waardoor ze haar kind vergat en de plaats niet kon terugvinden, waar ze het gelaten had. Ginds is een rots, genaamd de Teufelstein, basis van een toren, dien de duivel eens wilde bouwen in den Kerstnacht en die tot den hemel reiken zou, een onderneming, die jammerlijk mislukte.

Hier in de buurt zijn ook nog overblijfselen te vinden van versterkingen tegen de Turken. De Fischbacher Alpen zijn inderdaad de kam van het naar Hongarije afdalende bergland; de Raab en zijn zijtakken dalen ervan af naar de vlakte. Men vond er vroeger een reeks kasteelen en "tabors". Men noemde tabor een kring van huizen rondom een kerk, en ingesloten door een muur met schietgaten en door een gracht. De bevolking zocht daarbinnen een schuilplaats, als de ottomaansche benden aanrukten.

In dit land van de Raab verrijst ook het oude klooster Vorau, gesticht in 1163, waarop de aandacht der paleografen is gevestigd door de vondst van de Keizerkroniek, een rijmkroniek uit de twaalfde eeuw, en waar men nog veel andere documenten vindt, die van waarde zijn voor de geschiedenis van het land.

Dichtbij Krieglach staat de Kluppeneggerhof, waar Rosegger in 1843 geboren werd, de nationale stiermarksche dichter en schrijver, die met fijne opmerkingsgave den bergbewoner van zijn land heeft geschilderd en daardoor gelegenheid heeft gevonden voor het teekenen van zooveel aardige, typische tooneeltjes, vol karakteristieke trekjes, nog interessanter gemaakt door het dialect, waardoor hij een der origineelste schrijvers van Oostenrijk is geworden. Dat dialect is door hem tot den rang van schrijftaal gerezen en er verschijnt daarin sedert 1876 ook een maandblad "Der Heimgarten", waarvan Rosegger redacteur is.

Stiermarken is door aartshertog Johan, die het land goed kende, genoemd het land van hartelijkheid en gemoedelijkheid. Het is ook een land van dans en vroolijkheid, waar de paren zwieren bij de muziek van het "Hackbrett" een snaarinstrument, dat met twee hamers bespeeld wordt, en de stiermarksche volksdans heeft ver de grenzen van zijn vaderland overschreden en is in de internationale opera's te huis. De dans voert den zang in zijn gevolg, en Rosegger heeft eens aldus de prijzen uitgereikt aan de landen der Oostenrijksche Alpen: Stiermarken gaat voorop met de dichtkunst, dan volgt Karinthië met muziek en daarna Tirol met beeldende kunst. Het bergland trilt van de liedjes van de Alm, die houthakker, jager en strooper zingen en die tot tal van nabootsingen hebben aanleiding gegeven, zoodat Rosegger, die het beroemdst is geworden, niet alleen staat.

Maar zullen die originaliteit en die eenvoudige gevoelens lang bestand zijn tegen de invasie van toeristen en Zondagsgasten?

Hoewel wij nog 130 kilometer van Weenen verwijderd zijn, begint de groote stad toch al haar makers van uitstapjes hierheen te zenden, en tal van treinen brengen massa's toeristen naar Mürzzuschlag. Des winters is het een centrum voor de skisport, die er zachte, bijzonder geschikte hellingen vindt, en jaarlijks hebben er wedstrijden plaats, internationale zelfs, die een aantal mededingers lokken, tot zelfs uit Noorwegen.

Te Mürzzuschlag verlaten wij de Mur, maar volgen toch nog steeds de inzinking in het bergland, die we bij het begin der reis gekozen hebben. Nu vloeit er de heldere beek, de Fröschnitz, door een landschap, dat met weiden en bosschen een echt Alpenkarakter heeft. De bedoelde kloof loopt stijgend voort tot aan den Semmering, waar het bergland zich verbrokkelt in Beneden Oostenrijk, maar men kan haar dan nog volgen door het dal der Leitha. De Alpen zijn er ten einde, want zij zenden slechts een zeer onbeduidend takje als Wienerwald tot aan de poorten der hoofdstad en de oevers der Donau.

De Semmering, die zooals wij zeiden tot het gebied van Weenen behoort, is te cosmopolitisch geworden, dan dat wij er ons lang behoeven op te houden, en als wij dan ook op onze schreden terugkeeren, vinden we in het bovendal der Mürz een echt stiermarksche streek met het dorp Neuberg, welks huizen gedrukt worden door de aanwezigheid van een hooge kerk zonder toren, oprijzend uit een groep gebouwen van kloosterachtig aanzien.

Dat is inderdaad een Cistercienser klooster, gesticht in 1327 door Otto den Vroolijke, wiens naam een droevige tegenstelling vormt met het treurig lot van zijn broeder Frederik den Schoone, hertog van Stiermarken. Deze was eerst voor de keizerlijke waardigheid bestemd, maar hij werd verslagen en gevangen genomen bij Mühldorf door zijn mededinger Lodewijk van Beieren. Ten gevolge van dien tegenslag werden zijn haren plotseling grijs, zegt de kroniek, en zijn vrouw werd blind van het vele schreien. Het klooster werd in 1783 geseculariseerd door Jozef den Tweeden, en de binnenpleinen, die openbare doorgangen zijn geworden, zoowel als de groote gewitte gangen, waarop de deuren uitkomen van woningen en kantoren, zien er verwaarloosd uit als dingen, die niet meer voor hun ware bestemming worden gebruikt.

Die indruk van verwaarloozing blijft iemand ook bij onder de hooge gewelven van de kerk, die tegen het einde van de vijftiende eeuw voltooid werd onder keizer Frederik den Derde. Alles is er vervallen en koud en vochtig. De proporties zijn mooi, en aan de onderdeelen is indertijd veel zorg besteed. In stoffige hoeken ziet men resten van oude pracht, bij voorbeeld een prachtig gothisch doopvont, een merkwaardigen stoel met troonhemel, de portretten van de stichters der kerk, maar alles dooreen en ongeordend in het ruime schip der kerk zonder koor of zijbeuken.

II.

Jacht in Stiermarken.--De bedevaart van Maria Zell.--De Hochschwab.--Metalen in Stiermarken.--IJzererts.--Het Gesäuse.--De Admont-abdij.

Wij zullen nu een der wegen volgen van de bedevaartgangers van Maria Zell en in dat deel van Stiermarken, waar nog geen spoorwegen zijn, een bezoek brengen aan het beroemde heiligdom. Wij willen intusschen niet zoo trouw de pelgrims volgen, dat we te voet gaan, als die lange slierten bergbewoners op bloote voeten, die, naar het heet, soms als penitentie erwten of stukjes glas in de schoenen hebben en een zwaren zak op den rug of op het hoofd, en die wij langs den geheelen weg zullen zien, onder het zingen van liederen langzaam hun doel naderend, zonder zich om het weder te bekommeren, terwijl ze aan de twijfelzieke moderne wereld den roerenden en troostenden aanblik van het geloof aanbieden.

Wij hebben meer haast dan die pelgrims, en het stortregent. Dus huren we een stevige stiermarksche kales, en daar gaat het voort op den weg naar Mürzsteg. Een gedenkplaat op de rots van den Calvariënberg roept ons den populairen aartshertog Johan in de herinnering. De rook van de hoogovens van Neuberg is niet te onderscheiden achter het gordijn van regen, en wij rijden snel het Stiermarken der jagers binnen. Te Mürzsteg ontmoet men een keizerlijk jachtslot met in den gevel den verplichten hertekop. De herbergen, zelfs de meest bescheidene, hebben dat teeken, en als men in de "mooie" kamer komt, vindt men die onveranderlijk versierd met jachttrofeeën, welke gegroepeerd zijn om het portret van aartshertog Johan. Te Krampen reden we over een met moeite aangelegden weg, die naar een zeer hoog gelegen jachtslot voerde te midden der ondoordringbare bosschen van Nassköhr. Herten, gemzen, korhoenders hebben een veilige schuilplaats gevonden in die van de wereld verafgelegen kloven, en het jachtgebied of Revier van Mürzsteg is overrijk aan groot en klein wild.

Stiermarken is het echte land der groote jachtpartijen. De eigenaars der terreinen zenden heinde en ver uitnoodigingen voor de gemzen- en de hertenjacht. Zij vragen de ambtenaren, den predikant, den schoolmeester en de welgestelde boeren. De overige bewoners der streek doen als drijvers dienst, en zoo begrijpt men, dat de liefde voor de jacht den Stiermarker in het bloed zit en dat de volksliederen er vol zijn van den gemzenjager, die opklimt naar den Gemsberg. De aanzienlijken geven het voorbeeld, en de keizer zelf verzuimt nooit zijn jaarlijksch bezoek aan Stiermarken voor de jacht.

Het regent nog steeds, en de Hohe Veitsch verbergt zich in den nevel, waardoor wij alleen het naastbijzijnde zien. Het Scheiterbodendal, dat wij nu volgen, wordt smaller en smaller en is eindelijk niet meer dan een kloof met prachtig begroeide rotsen. Midden op den weg komt een breede waterstraal uit een spleet in den rotswand op ongeveer vijftig meter boven het dal, en stort zich in de Mürz onder schuimend uiteenspatten op de rotsen. Een houten trap met treden, die door het slijk glibberig zijn geworden, voert een eindje in de geheimzinnige duisternis van de spleet. Een grafkruis geeft iets lugubers aan deze plek, waar het donderend geraas van den waterval nooit ophoudt. Enkele passen verder had een ongeluk met haar paard bijna het leven gekost aan keizerin Elisabeth in 1883. De edele vrouw bleef toen bewaard, om later onder het mes van een moordenaar te vallen.

De donkere vallei, waar eens zeker een spoorweg door zal loopen, om de scharen pelgrims naar Maria Zell te brengen, loopt uit in een diepte, waar alles groen is en waar de kleine protestantsche gemeente Frein aan den voet van den Hohen Proles en den Hohen Student is gelegen. Bemodderde voetgangers, allen bedevaartgangers, de vrouwen met hoog opgeschorte rokken, stappen over de vuile dorpsstraat. De bosschen rooken, en de wolken hangen laag op de hellingen. Groen Stiermarken wordt al groener en groener, ook door den regen, die zijn deel heeft aan de frissche tinten.

Het dal, waardoor wij langzaam stijgen naar een pas, is geheel met een groen tapijt bekleed. Geen veld, geen rots, geen stukje grond, of het is een deel van de groote symphonie in groen. Alleen de hemel, die met grijze wolken is bedekt, steekt af bij de algemeene hoofdkleur.

Nu hebben wij den weg bereikt, die van het station Kernhof, het dichtst bij Maria Zell gelegen, naar de bedevaartplaats leidt. Het uithangbord van een herberg leert ons, dat wij de grens van Beneden-Oostenrijk naderen, en toen we stilhielden, kuste een oude bedelaar ons de hand met zijn zwaren, natten knevel. Dit is hier het dal der Salza, waardoor wij in enkele dagen dat der Enns zullen bereiken, de tweede hoofdader van Stiermarken naast de Mur.

Nog één steile helling, waar telegraafpalen aantoonen dat we beschaafder streken naderen, en we zijn boven Maria Zell, dat over de berghelling verspreid ligt en een prachtig ruim uitzicht geniet over wijde, groene golvingen. De kerk trekt dadelijk de aandacht, ofschoon groote moderne hotels er rondom heen verrijzen, zoodat zij niet meer als vroeger boven nederige hutten troont.

Die kerk, die zoo eerbiedwaardig is uit het oogpunt van het geloof, is zeer leelijk uit aesthetisch oogpunt. Men is op het crimineele denkbeeld gekomen, haar gothische spits te omlijsten met twee vierkante torens met toscaansche pilaartjes en leelijke rococo-daken, en daarachter verrijst een soort van duiventil in cilindervorm, waaruit men ieder oogenblik de vluchten witte duiven denkt te zullen zien uitvliegen.

Er blijft ons slechts één troost, namelijk een prachtig paneel in het hoofdportaal, het eenige voorbeeld van naïeve kunst, dat ontsnapt is aan de beeldstormers van de Renaissance. Het stelt voor den slag aan de Maritza, waarin koning Lodewijk van Hongarije de Turken, of liever de Hongaren, hun bondgenooten, versloeg. Het onderwerp is met een merkwaardige levendigheid behandeld, en boven een verwoed gevecht waait de standaard met het kruis van Hongarije. Naast dit tooneel van strijd troont de Heilige Maagd rustig in den hemel, terwijl de koning in geknielde houding haar het beeld overreikt, dat zijn wensch symboliseert. En daar er iets fantastisch moet wezen bij een voorstelling uit de Middeleeuwen, iets, dat aan magie herinnert, wordt een hoek van het paneel ingenomen door een onbegrijpelijke nabootsing van den duivel.

Al zijn er buiten aan de kerk nog sporen overgebleven van de gothische kerk uit het eind der veertiende eeuw, toen de zegevierende koning van Hongarije haar liet bouwen, wiens standbeeld vóór den ingang tegenover dat van markgraaf Hendrik van Moravië staat, van binnen is al het oude geheel verdwenen, zoo zelfs, dat men meende, dat alleen de middentoren van den gevel van het oude gebouw was overgebleven, totdat een kundig archaeoloog, professor Petschnigg, bewees, dat de oude kerk opgenomen was in de kerk van de zeventiende eeuw.

De slanke gothische pijlers zijn in de zware moderne pilaren opgenomen en het oude schip is verbreed en langer gemaakt. Wel heeft het inwendige van de kerk, waarvan de Italiaan Sciassia in 1644 de herstelling begon, iets grootsch en indrukwekkends door de wijde ruimten, de breede lijnen en de goede proporties; maar men moet zich wel met smart te binnen brengen, dat de arme, oude gothische kerk, die al het verledene heeft bijgewoond en die zoo luid tot onze verbeelding zou hebben gesproken, ingemetseld is als de personnages uit sommige legenden in de pilaren van deze pompeuse kerk, die wit en crême is als een salon, en vol geschilderde medaillons als aan den wand hangende schilderijen. Zoo wij er al geen pleizier aan hebben, deze weelde van slecht allooi boeit de goede bergbewoners, wier onder tucht staande groepen, blootsvoets en met hun bagage op den rug in alle richtingen door het kerkgebouw schrijden, terwijl de beelden van de Moeder Gods voor de processie uit gedragen worden.