De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 65
De resultaten van de toen op de Turken behaalde overwinning waren niet gering. Malta was bevrijd; Italië was weer veilig en Europa kon gerust zijn. Twintig duizend Turken waren op het slagveld gebleven, en generaal Mustapha, hun aanvoerder, had met het overschot van zijn leger een toevlucht gezocht aan boord van zijn schepen en ging heen van Malta. Keizer Soliman kreeg een zeer diepen indruk van deze nederlaag. Hij dacht er over, een nieuwe expeditie te organiseeren, die hij zelf wilde leiden en waarover hij in persoon het bevel dacht te voeren, toen de dood hem overviel te midden van zijn plannen van wraak en vernieling.
Na die roemrijke zegepraal liet de Grootmeester La Valette, ondanks zijn hoogen leeftijd en zijn wonden altijd even onvermoeid, de versterkingen, die de Turken hadden verwoest, herstellen. Hij beloonde op edelmoedige wijze zijn bondgenooten en de bewoners van het eiland, die hem met zelfverloochening hadden bijgestaan, en die bij dit beleg meer dan zeven duizend van hun landgenooten hadden verloren.
Toen was het, dat met den materiëelen steun, dien Frankrijk, Spanje, Portugal en de italiaansche vorsten hem verleenden, hij in 1566 de fondamenten legde van de naar hem genoemde stad.
Wij hebben nog niet van de oneenigheid gesproken, die er ontstond tusschen hem en den paus en die de laatste jaren van het roemrijk bestaan van Jean Parisot de La Valette verbitterden. Om de droefgeestigheid te verjagen, die zich van hem had meester gemaakt ten gevolge van die moeilijkheden, steeg hij te paard, gevolgd door zijn jachtgezelschap, en begaf zich naar de vlakte aan de golf van Sint Paul, om er patrijzen te jagen. De zeer groote hitte van dien dag hinderde hem; hij kreeg een zonnesteek en kwam met koorts in de stad terug. Na den dood van de La Valette vermeerderden de Grootmeesters, zijn opvolgers, de versterkingen der door hem gebouwde stad.
Zij bouwden ook nieuwe forten in het binnenland van het eiland en stelden de kusten beter in staat van verdediging. Maar deze maatregelen bleken nog niet voldoende, om aan de sultans van Turkije alle hoop te ontnemen, zich eenmaal weer van dat eiland meester te maken, dat hun handel steeds maar weer afbreuk deed. Zij deden van tijd tot tijd landingen, maar ze werden telkens verslagen en met groot verlies teruggeslagen. Eindelijk maakten de Maltezers zich meester van een turksch schip, dat met aanzienlijke rijkdommen beladen was. Het had prins Osman en prinses Fatima aan boord, kinderen van keizer Ibrahim, die op weg waren naar Alexandrië met het plan naar Mekka te reizen.
Op Malta werden de doorluchtige reizigers met de grootste onderscheiding behandeld en men bewees hun alle eer, die men aan hun rang verschuldigd was. En wat als bewijs kan dienen voor de groote edelmoedigheid der Ridders, prinses Fatima werd, met geschenken overladen, op haar eigen schip teruggezonden naar Konstantinopel. Prins Osman, die getroffen was door zooveel edelmoedigheid, wilde Malta niet weer verlaten. Hij ging tot het Christendom over en werd monnik op Sint-Dominicus, waarvoor hij afstand deed van de kroon van een groot rijk, zonder zelfs de waardigheid te willen aannemen van kardinaal, welke de paus hem aanbood. Ibrahim, die ten diepste gegriefd was in zijn hart en in zijn politiek, besloot zich te wreken door de verwoesting van Malta. Hij maakte reeds verbazende toebereidselen voor dat doel, toen de dood hem verraste, zooals hij het Soliman had gedaan, vóór de wraakplannen tot uitvoering waren gekomen.
In de kapel, aan de "tong" van Frankrijk gewijd, herinnert het graf van graaf du Beaujolais aan het lijden van een ongelukkigen prins uit het huis Bourbon, die in 1808 op Malta stierf, waar hij om gezondheidsredenen was heengegaan. Men vindt er ook het graf van den Grootmeester Emmanuel de Rohan, welke graftombe een schoon kunstwerk te zien geeft, de onthoofding van Johannes den Dooper voorstellend, van de hand van Michel Angelo van Caravaggio.
In de krypt bevinden zich de graven van verscheiden andere Grootmeesters, o.a. dat van Villiers de l'Isle Adam. De onderaardsche kapel van het Heilige Kruis bevat ook de graven van Pierre du Pont, gestorven in 1535, dat van Jean d'Omèdes, die de Sint-Elmus- en Sint-Michielforten liet bouwen en vele bastions liet aanleggen. Hij overleed in 1533. Dan is er het graf van Claude de La Sangle, aan wien de verdedigingswerken van de naar hem genoemde voorstad veel te danken hebben; verder de graven van Guidalotti de Monte en van Jean Lévèque de le Cassière, in 1581 overleden. Aan dien Grootmeester heeft men ook den bouw van de Sint-Janskathedraal te danken, en hij zorgde ervoor, dat de stoffelijke overblijfselen van zijn doorluchtige voorgangers daarheen werden overgebracht.
De schatkamer der Sint-Janskerk was in den tijd der Ridders door geheel Europa beroemd, zoo groot was het aantal zeer kostbare voorwerpen, dat ze bevatte.
Men kon er als reliek een hand van Johannes den Dooper zien, in goud gevat en ingelegd met diamanten, robijnen en andere kostbare steenen. Zij was door Bajazet geschonken aan Pierre d'Aubusson, Grootmeester van Rhodus. Er wordt ook melding gemaakt van een kruis van edelgesteenten, dat een stukje van het echte kruis zou bevatten, dan van een gouden lampetkan, gevuld met kostbare steenen, die Hendrik de Achtste van Engeland aan Villiers de l'Isle Adam had aangeboden na het verlies van Rhodus; dan van een prachtigen degen en van een dolk, door Filips den Tweeden, koning van Spanje ten geschenke gegeven aan den Grootmeester La Valette na zijn roemrijke verdediging tegen de Turken. In grooten getale waren er verder de voorwerpen van goud, zilver en diamanten, die de Grootmeesters en Groot-Priors van iedere "tong" der Orde verplicht waren elke vijf jaar, aan de kerk aan te bieden. Geen enkele basiliek bezat zooveel kostbare voorwerpen, zooveel lampen en kandelabers van zilver en van die hoogte en zwaarte, dat twee mannen ze slechts met moeite konden dragen. Van al die rijkdommen is er niets meer over. Men beschuldigt het Directoire ervan, ze te hebben geroofd.
De vlag der Orde, en de kostbare schatten van de Sint-Janskerk, welker waarde verscheiden millioenen bedroeg, werden meegevoerd op het fregat La Sensible. De commandant van het schip, die tusschen Malta en Toulon door de Engelschen werd aangevallen, liet, vóór hij zich overgaf, alles over boord werpen. Zoo werden de schatten van de Sint-Janskerk op Malta vernietigd; alleen de staatsiedegen, dien de Grootmeester der Orde bij plechtige gelegenheden droeg, ontkwam aan de algemeene ramp. Bij de capitulatie van het eiland werd het staatsiewapen ter hand gesteld aan Napoleon, die het toevertrouwde aan markies de Dolomieu, door wien het Directoire ervan in het bezit werd gesteld. En zoo dient die degen nu tot opluistering van een vitrine in de Nationale Bibliotheek, afdeeling medailles.
Midden in La Valette, op het plein Saint-Georges, staat het Regeeringspaleis, oude residentie der Grootmeesters, gebouwd door Hyacinthe del Monte. Dat is een groot en zwaar bouwwerk, meer op een vesting dan op een paleis gelijkend. Twee overdekte terrassen en balkons versieren den voorgevel; maar dat zijn toevoegsels van betrekkelijk nog jongen datum. Onder Grootmeester de Pinto werden beide poorten, die uitkomen op het plein Sint-Georges, verfraaid met enkele versieringen, waarvan de stijl slecht past bij het overige gebouw.
Er is een opschrift, dat mij, als ik den muur, waarop het is aangebracht, aanzie, aan het droomen brengt. Het luidt: "Magnae et invictae Britanniae-Melitensium amor et Europae vox--has insulas confirmant--A.D., 1814" d.w.z.: "Aan het groote en onoverwinnelijke Brittannië--de liefde van de Maltezers en de stem van Europa--wordt het bezit van deze eilanden gewaarborgd."
Maar daar de waarheid is, dat het Congres van Weenen in 1814 aan de Engelschen Malta liet behouden met de eilanden in de buurt, kan men moeilijk beweren, dat het de liefde der Maltezers is geweest, waardoor dat bezit werd gewettigd.
Het Regeeringspaleis, de oude verblijfplaats der Grootmeesters, wordt tegenwoordig bewoond door den gouverneur van Malta, en de administratie is er met haar kantoren gevestigd. Op een binnenplein staat een bronzen beeld van Neptunus, een werk van Jean de Boulogne, dat eertijds in het Marinegebouw stond.
Nadat men een breede, witmarmeren trap is opgegaan, komt men door galerijen, waarvan één versierd is met de portretten van de Grootmeesters der Orde, en de andere met schilderijen, voorstellende de wapenfeiten en de heldendaden der Ridders.
Die laatste galerij leidt naar de feestzaal, waar een vorstelijke troon staat met de wapens van Engeland, en in de tapisseriezaal, waar vroeger de Raad der Orde bijeenkwam voor zijn beraadslagingen.
De leunstoel van den Grootmeester is er nog. De gobelins, die de wanden bedekken, personifiëeren de vier werelddeelen. Enkele schilderijen van veldslagen dragen tot de versiering bij. Op de galerij komt ook uit de groote wapenzaal met de bijzonder mooie en rijke verzameling wapens uit de Middeleeuwen, maliënkolders, dijharnassen en armstukken, kurassen, helmen, schilden en hellebaarden, de eerste vuurwapenen, vuursteen- en andere geweren, in het geheel veertig duizend, en eindelijk het zwaard van den beruchten zeeroover Dragut. Tusschen al dat moordtuig hangt het portret van den Grootmeester Wignacourt, door Caravaggio geschilderd.
De bibliotheek van La Valette is ondergebracht in een sierlijk gebouw, dat onder den Grootmeester de Rohan tot stand is gekomen. Zij is gesticht in 1760 door den franschen baljuw Louis Guérin de Tencin en ze werd eerst overgebracht naar het gebouw, waar zij zich thans in bevindt, enkele jaren voor de verspreiding der Orde door Bonaparte.
De boekenschat werd samengesteld uit de particuliere boekenverzamelingen der Ridders, die gehouden waren hun boeken na te laten aan die openbare instelling. Het gebouw staat in een tuin, en is in ionischen stijl opgetrokken, sober van versieringen en toch bijzonder mooi.
Een breede laan leidt erheen. Een trap, die zich bovenaan in tweeën splitst, geeft aan de eene zijde toegang tot de administratiekamer en aan de andere tot de bibliotheek met haar 60.000 deelen. Er zijn daar kostbare manuscripten, oude drukwerken en zeer interessante archieven, die betrekking hebben op de oudste tijden der beschaving van het eiland Malta. Opmerkelijk is ook, in een klein museum naast de bibliotheek, een rijke collectie van voorwerpen der natuurlijke historie van het eiland en vooral van de mineralogie. Met belangstelling zal men er kennis nemen van oude dingen van phoenicische en grieksche afkomst, op Malta en Gozzo aangetroffen.
Onder de interessante gebouwen van La Valette moet het Justitiegebouw worden genoemd, dat oudtijds een geheel andere bestemming had, want het was de herberg van de "tong" Frankrijk. Genoemd moeten ook worden de beide schouwburgen, de eene, die reeds oud is, werd opgericht onder den Grootmeester Manuel de Vilhena. De andere, van jongen datum, is grooter en weeldiger ingericht. Het is het Massimo- of Koningstheater. In 1873 werd het door brand verwoest, waarbij alleen de muren bleven staan; het is sedert dien tijd weer opgebouwd, maar het heeft nooit de schoone versieringen teruggekregen, die de zaal vóór den brand opluisterden.
Het Marine-arsenaal, dat men niet zonder speciaal verlof mag bezoeken, is hoogst belangwekkend. Men kan er alle moderne verbeteringen aanschouwen ter zake van zeevaart en den oorlog ter zee, en het geeft te denken naar aanleiding van de macht der britsche marine. Alle machines ziet men er in beweging; alle instrumenten zijn gereed of kunnen dadelijk in werking worden gesteld, als er iets aan eenig schip moet worden gerepareerd. Voorraadmagazijnen grenzen aan het arsenaal en kunnen de vloot en het leger van het noodige voorzien, zoowel in tijd van oorlog als in dien van vrede. In de buurt zijn de dokken, die de grootste pantserschepen van de engelsche zeemacht kunnen bergen.
Er zijn te La Valette verscheiden hospitalen, waarvan één in het westelijk deel van de voorstad Floriana. Er zou niets bijzonders zijn te zeggen over die laatste inrichting, als zij niet de allervreemdste zaal bevatte, die men maar met mogelijkheid kan zien, en ik betwijfel het, of er wel ergens een dergelijke te vinden is. Het is werkelijk niet te begrijpen, hoe men op het zonderlinge en lugubere denkbeeld is gekomen, de wanden dier zaal geheel uit beenderen te doen bestaan. Bovendien is in een hooge nis een symbool van den tijd geplaatst, een skelet met een zeis in de hand, omgeven door de begrafenisattributen van den sombersten aard.
Van beenderen heeft men er allerwonderlijkste wapenrustingen gemaakt, voorts teekeningen, guirlanden en allerlei versieringsmotieven. Op enkele plaatsen zijn symmetrisch en op bepaalde afstanden hoopen schedels neergelegd; elders heup- en dijbeenderen, die als degens elkander kruisen. Het is griezelig en belachelijk tevens, en men kan zich geen voorstelling maken van het denkbeeld, dat bij die decoratie heeft voorgezeten.
Op korten afstand van La Valette zijn twee kerkhoven, de turksche begraafplaats met opengewerkte koepels en witte minarets, die het kerkhof in de verte op een kleine oostersche stad doen gelijken, en het stadskerkhof op een plateau, waar een gothische kerk staat met een slanken klokkentoren.
Op een dag verliet ik La Valette, om mij naar Città Vecchia te begeven of Città Notabile, de oude hoofdstad van het eiland. Bij het verlaten van de stad door de massieve poort aan de wallen, die den naam draagt van de Città-Vecchiapoort, lag er een in verblindend zonlicht badende weg voor mij. Ik zag de reusachtige waterleiding, die de Grootmeester Aloys de Wignacourt had laten aanleggen in 1616, en die nu nog La Valette van water voorziet. Altijd bleef het een verblindende zon, waarin ik slechts met moeite de voorwerpen herkende, een terugkaatsing van het licht, die pijnlijk was, zoodat ik met half gesloten oogen liep.
Nu en dan verrees er in de verte een witte massa en draaide in spiralen rond, werd grooter en steeg op naar de lucht, om dan met verwonderlijke snelheid ons te naderen en te omhullen. Het was een stofwolk, door den wind voortgedreven, en een tweede wolk volgde nog op de eerste.
Dan plotseling lag weer het land onder de schitterende zonnestralen te branden, dor en droog en als verkalkt door de hitte, neerdalend van den donkerblauwen hemel.
Alles was verblindend, de grond, de boomen, de verre gebouwen. Het leek op sneeuw of op ongrijpbaar wit poeder, dat alles overdekte. De lucht zelve was er door verduisterd.
Meer op een afstand teekende, op een hoogte, een stad zich af tegen den horizon, een mooie stad met een middeleeuwsch silhouet en palmen, uitstekend boven de muren; dat was Città Vecchia. Op de golvende vlakte links zag men dorpjes met alleenstaande klokkentorens.
Steenen muren, waarop enkele vijgeboomen met hun stoffige bladeren groeiden, omgaven de tuinen en sloten den weg in. Nu en dan ging mij een voetganger voorbij, gebogen onder den storm van zon en stof, of een arme vrouw, die een half naakt kind aan de hand had, en dan was de stilte weer daar.
Wij beklommen den heuvel, gingen over een ophaalbrug, en waren in een smalle straat, die bochtig was, maar ons toch naar de kathedraal zou brengen, het eenige bouwwerk, dat wij te Città Vecchia hebben te bezoeken.
Die oude hoofdstad van Malta, welker stichting nog tot vroegeren tijd moet opklimmen dan de stichting van Rome, was in den aanvang van betrekkelijk weinig belang; er wordt zelfs gezegd, dat het slechts een gewoon versterkt kamp was. Er werden vele grieksche en romeinsche oudheden gevonden, ook overblijfselen van tempels, gewijd aan Juno en Proserpina. Op den top van den heuvel, waar de oude stad ligt, heeft men de sporen van een prachtig romeinsch paleis ontdekt. Twee-en-twintig eeuwen gingen over deze ruïnen heen, gedurende welke de Arabieren, meesters van Malta, er de graven van gebruikten, want men vindt er tegenwoordig nog de beenderen van hun dooden in. Men zou gezegd hebben, dat de stad voortaan niet anders dan een doodenstad moest zijn. Men heeft de fondamenten van de zuilengang van dit paleis blootgelegd, verder prachtige mozaïeken, vazen en tal van merkwaardigheden, die den oudheidkundige belang inboezemen. De overblijfselen leggen getuigenis af van een vergevorderde beschaving in den tijd dat barbaarschheid nog heerschte in een groot deel van Europa.
Vóór de kathedraal van Città Vecchia ligt een steenen trap met twee oude kanonnen, die door ik weet niet welken souverein aan de Ridders werden aangeboden. Alleen om deze reden hechtten de Maltezers er aan. De kathedraal verrijst op een pleintje en wel op dezelfde plaats, waar het paleis van Publius lag, den prefect van Malta, die Paulus opnam, toen deze apostel op reis van Palestina naar Rome, schipbreuk leed op de kust. Publius, tot het Christendom bekeerd, werd tot bisschop benoemd door Paulus en werd later als martelaar gedood te Athene. De kathedraal dagteekent van 1702 en werd gebouwd volgens de plannen van den maltezer architekt Lorenzo Gaffa. Aan elke zijde van het altaar zijn twee tronen opgericht, die van den bisschop en die van de koningin. Het gewelf van de kerk werd versierd met schilderwerk van Vincent Manno. Het schilderwerk van het inwendige der kerk is afkomstig van den Calabrees, wiens leerlingen de wanden der kapellen versierden. Er zijn ook enkele moderne kunstwerken te bewonderen in de kerk, o.a. de inlegwerken van het koor en twee mozaïekmedaillons, voorstellend de apostelen Petrus en Paulus.
Niet ver van de oude kathedraal herinnert een onderaardsche galerij, die nog slechts voor een klein deel onderzocht is, aan de tijden van vervolging, toen de Christenen zich moesten verbergen. Er zijn nergens zulke uitgestrekte catacomben, en men weet nog volstrekt niet, hoe groot ze wel zijn. De gedeelten, waar de mysteriën gehouden werden, zijn nog aan te wijzen, en men vindt er eveneens een aantal kleine holen, waar de eerste Christenen hun dooden begroeven.
Het is interessant, de grot van den H. Paulus te bezoeken, in de rots uitgehouwen, waar de apostel een schuilplaaats vond en waar hij gevangen werd gehouden gedurende zijn verblijf op het eiland, dat drie maanden duurde.
Die crypt is in de zachte rots gemaakt. Enorme hoeveelheden van het gesteente werden er langen tijd uitgehaald en naar alle deelen der wereld verzonden, waar Christenen woonden. Er werd een koortswerende kracht aan toegeschreven, en het werd genaamd pietra della grazia, steen der genade.
Monseigneur Lavigerie had te Carthago een pelgrimstocht in het leven geroepen, die de in zoo grooten getale in Tunis wonende Maltezers moest herinneren aan de Madonna van Melleha, welk beeld het hoogst vereerde heiligdom in hun geboorteland versiert, de Paulusgrot. Het was een der redenen waarom de kardinaal bij de Maltezers zoo bemind was. Die Madonna zou door den apostel Lucas zelven op de wanden der grot geschilderd zijn, toen hij er met den apostel Paulus een toevlucht had gezocht na hun schipbreuk. De kardinaal had het schilderij te Carthago laten reproduceeren.
De Paulusgrot is een heilige plaats gebleven. Op een altaar staat een beeld van den heilige van wit marmer. Het is het werk van den maltezer beeldhouwer Melchiore Gaffa. Aan den voet van het beeld brandt altijd een lamp.
Volgens de Handelingen der Apostelen maakte Paulus na zijn schipbreuk een vuur van takken aan, om zich te verwarmen. Een adder, die zich in het hout bevond, beet hem in de hand en bleef eraan hangen. De bewoners, die om hem heen stonden, zeiden onder elkaar: "Stellig heeft die man een moord begaan, want pas is hij aan de woede der golven ontkomen, of nog vervolgt hem de goddelijke wraak." Maar Paulus schudde zijn hand en liet er het reptiel afglijden, dat hij in het vuur wierp. De omstanders waren overtuigd, dat het venijn van de adder zijn uitwerking niet zou missen, dat de hand zwellen, en dat de zwelling zich weldra aan het geheele lichaam zou meedeelen, zooals gewoonlijk gebeurt.
Maar Paulus scheen in het geheel geen pijn te hebben, en de beet had geen enkel nadeelig gevolg. Toen waren de Maltezers door het wonder getroffen en vereerden Paulus voortaan als een god.
Publius, gouverneur van het eiland, die hem bij zich ontving en zijn goede zorgen aan hem wijdde, bracht hem aan het bed van zijn vader, die door een hevige koorts was aangetast. Paulus legde hem de handen op, begon te bidden en genas hem. Dat bericht verspreidde zich snel over het eiland, en dadelijk stroomden de zieken in massa toe. De apostel genas ze en bracht drie maanden op Malta door, voor hij naar Rome ging.
Dichtbij de grot, op de plek waar een standbeeld Paulus voorstelt de menigte toesprekend, is een holte in den grond, waar veel beroemde personen der Christenheid begraven wilden worden als op gewijden grond. De dooden zouden er rusten in volkomen vrede onder de hoede van den apostel, die schipbreuk had geleden op de noordkust van het eiland.
Van de hoogten van Città Vecchia had ik een groot deel van Malta aan mijn voeten zien liggen in doodsche eentonigheid. Men zag er slechts kale, boomlooze golvingen van den bodem, zonder groen, en overal steenen en nog eens weer steenen met enkele dorpen, kloosters en woonhuizen. Steden en dorpjes waren trouwens op deze plek dichtbij, en de vrije natuur was eigenlijk ver te zoeken, zoodat het den indruk maakte, dat een enkele stad de geheele oppervlakte van het eiland overdekte.
Hoezeer bewonderde ik toen de groote werkzaamheid der Maltezers, die met geduld en volharding erin geslaagd zijn, hun rots prachtige oogsten te doen voortbrengen. Want die droge en steenachtige terreinen, waar bijna overal de rots aan de oppervlakte komt, geven een opbrengst van veertig ten honderd. En de aarde, waar krijgen ze die vandaan? Er is mij verteld, dat ze dikwijls de rotsen afgeschraapt hebben, om grond te maken, en het is zeker, dat zeer vaak aarde op menschenruggen naar de tuinen wordt gevoerd. Geen duimbreed rotsgrond wordt ongebruikt gelaten; de bewoners hechten hun groenten vast aan elk uitstekend punt van de rotsen; zij maken overal terrasjes en profiteeren zelfs van natuurlijke spleten en holten.
Men ziet geheele gezinnen van Maltezers volijverig boerenwerk verrichten, wieden en spitten en onvermoeid gieten.... Maar het gaat vaak lastig, want er is niet zelden gebrek aan water.
Uit het oogpunt van schilderachtigheid zijn er weinig plekken te roemen; maar al is het natuurschoon schaarsch, toch moet men niet verzuimen een bezoek te brengen aan de Makluba in het Zuiden van het eiland, aan de grens van het gebied van Krendi. Het is een zeer diepe inzinking van den grond, een donkere kuil tusschen steile rotswanden, waartusschen men in de diepte een tuin ziet liggen.
Op korten afstand van dien afgrond, te Gebel-Kim, vindt men de reusachtige ruïnen van een phoenicischen tempel, tegenwoordig aangeduid met den naam Pietra della Venerazione. Opgravingen, die men vroeger in die ruïnen heeft gedaan, hebben beenderen van dieren aan het licht gebracht en een menschelijken schedel van ongewonen vorm. Een geleerde bibliothecaris van La Valette beeft bewezen, dat de tempel aan den phoenicischen Hercules was gewijd. Niet ver van dit heiligdom was er een andere tempel, aan Esculapius gewijd. Er zijn daar steenen van reusachtige afmetingen, die in hun behouwen toestand uitstekend zijn bewaard gebleven.
Op Malta bestaan nog andere ruïnen van deze soort, vooral in het oostelijk deel van het eiland. Malta was inderdaad in de Middellandsche Zee een punt van al te groot belang, dan dat het de aandacht niet zou hebben getrokken van de Phoeniciërs en de andere zeevaarders der Oudheid. Vooral de Phoeniciërs waren gewoon, alle kusten met hun handelskantoren te overdekken.
Het grootste aantal monumenten, dat ze er hebben nagelaten, bevindt zich op de zuid- en de oostkust. Ik heb ze gezien aan zee te Marsa Scirocco, te Krendi en op het eiland Gozzo.