De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 64

Chapter 643,722 wordsPublic domain

Toen het leger, dat Bonaparte naar Egypte bracht, in 1798 Malta voorbijging, bezat de Orde ondanks den achteruitgang in haar financiën er toch nog een voorraad van 1500 kanonnen, mortieren en houwitsers, 35.000 geweren, 12.000 vaten kruit, twee schepen van groote afmetingen, een fregat, drie galeien enz. Het personeel bestond uit een effectief van 17.000 man, onder wie 332 Ridders. Die hulpbronnen, die toch werkelijk niet te versmaden waren, werden ongebruikt gelaten door den Grootmeester; hij liet, zonder weerstand te bieden, Bonaparte zich van La Valette meester maken en ook van de oude stad. Den 13den Juni werd er een overeenkomst gesloten, waarbij de heerschappij over Malta en onderhoorigheden overging aan de Fransche Republiek. Die verovering van Malta door de Franschen maakte een einde aan het politiek bestaan der Ridders van St. Jan.

De ontruiming van het eiland door den Grootmeester en de Ridders berokkende den bewoners onberekenbare verliezen. Vooreerst was de Grootmeester hun schuldenaar voor ongeveer een millioen francs, en de op Malta wonende Ridders ten getale van meer dan 600, lieten aanmerkelijke schulden na. Aan den anderen kant waren vele familiën, waarvan de leden ambten op het eiland bekleedden, geruïneerd.

De verplichting, die hun werd opgelegd, om officieren te herbergen, werd als een zeer hinderlijke maatregel beschouwd. De zeden der Maltezers werden gekrenkt door het feit, dat de menschen vreemdelingen tot hun huiselijken kring moesten toelaten. Eindelijk werkte ook de belasting, die er moest worden opgebracht, om in de onkosten van de kazerneering der soldaten te voorzien, de ontevredenheid in de hand. Deze openbaarde zich in heviger mate te La Valette dan op het platteland.

Zoodra het eiland onder fransch bestuur was gekomen, werd het door Sicilië op den index geplaatst, en dat eiland weigerde den toegang tot zijn havens aan de verschillende maltezer schepen, die er zich van levensmiddelen kwamen voorzien. De verschijning van enkele engelsche fregatten in de wateren van Malta, kort na de bezetting door de Franschen, belette het uitgaan der koopvaardijschepen, geladen met katoen voor Spanje uit de haven van La Valette. Daar zoo de katoenhandel geknakt was, waren de vrouwen, die over het algemeen geen andere hulpmiddelen hadden dan het spinnen, tot den bedelstaf gebracht.

Alles scheen buitendien samen te werken, om de Maltezers ontevreden te stemmen. Men had het grootste gedeelte van het zilver, dat zich in de schatkist van de oude stad bevond, weggehaald, om er geld van te munten. De kloosters, behoorende tot dezelfde Orde, moesten tot een enkel worden vereenigd, en de acten van den Burgerlijken Stand moesten in orde worden gemaakt als in Frankrijk. Velen meenden daaruit te moeten opmaken, dat de doop was afgeschaft en dat voortaan het huwelijk als sacrament opgehouden had te bestaan, enz. enz.

Al die verschillende redenen van ontevredenheid, gevoegd bij de vooroordeelen, die men in den geest der Maltezers had doen ontstaan in zake de Fransche Revolutie, hadden het terrein uitstekend voorbereid voor den opstand, welke plotseling uitbrak tegen de fransche overheersching. De aanhangers van het hof van Napels en de Engelschen waren er mogelijk niet geheel vreemd aan....

Waarschijnlijk zal men met verbazing vernemen, dat de Orde der Maltezer Ridders nog bestaat. Evenals vroeger is zij in "Tongen" verdeeld, dat wil zeggen in verschillende nationaliteiten. Men heeft de italiaansche afdeeling, die tegenwoordig omvat het Groot-Prioraat van Rome, het lombardisch-venetiaansch Groot-Prioraat en dat der Beide Siciliën, dan de duitsche afdeeling, die het boheemsche Groot-Prioraat bezit en de spaansche afdeeling. Buiten die vier "Tongen" vormen takken der Orde geregelde genootschappen, dat der rijnsch-westfaalsche Ridders, dat der silezische Ridders, dat der engelsche Ridders en dat der fransche Ridders.

De Orde is vaak door de europeesche mogendheden erkend. Zij is diplomatiek vertegenwoordigd geweest op het Weener Congres in 1813 door twee gemachtigden, verder op het congres van Aken in 1818 en eindelijk op het congres van Verona in 1822.

In 1844 stelde de hertog de Broglie voor, de Orde af te vaardigen als gemachtigde van alle beschaafde volken naar een internationale conferentie tot afschaffing der slavernij in Afrika. Bij de nog niet lang geleden gehouden Conferentie van Genève werd de Orde van Malta officiëel opgeroepen, en zij nam door haar afgevaardigde aan de debatten deel, waaruit de beroemde Conventie van het Roode Kruis voortvloeide.

De heer L. de la Brière heeft een zeer belangrijk werk uitgegeven over de Orde der Maltezer Ridders. Ik heb er de gegevens aan ontleend, die ik hier heb gebruikt.

De Orde is erkend door den Pauselijken Stoel; ze heeft een officiëelen gezant op het Vaticaan, die er aan alle plechtigheden deelneemt. "De katholieke mogendheden", zegt de heer de la Brière, "houden de Orde in eere, al zijn ze nog niet tot een diplomatieke uitwisseling van vertegenwoordigers overgegaan. De uniform van Malta wordt altijd aan de hoven van Europa met onderscheiding behandeld, en alle vorsten dragen in persoon de eereteekenen der Orde."

De schrijver verhaalt een zeer belangwekkend feit, waarvan de graaf Chandon de Briailles de held was. Tijdens den fransch-duitschen oorlog onderhield de graaf te Epernay op zijn eigen kosten een ambulance van zeshonderd bedden. De Duitschers maakten zich van de stad en van de ambulance meester. De graaf de Briailles wordt verwijderd, bijna uit het bezit gestooten van zijn eigen ambulance. Daar komt hij op het denkbeeld, zijn costuum van Maltezer Ridder aan te trekken en zoo te midden van zijn zieken te verschijnen; dadelijk bewijzen de Duitschers hem alle eer, groeten hem beleefd, laten hem vrij, om zijn liefdadig werk te vervolgen, en toonen voor zijn persoon den grootsten eerbied. Dus is het Maltezer kruis het voorwerp van algemeene vereering.

De Orde bezit ondanks de beroovingen, waaraan zij dikwijls heeft blootgestaan, nog haar plaatselijke inkomsten, vooral in Boheme, Tyrol en Italië. Het zijn schenkingen, die voor hun geheele leven aan enkele leden der Orde zijn gedaan. De begiftigden deden echter afstand van hun eigendom, om zich aan werken van liefdadigheid te wijden. Te Rome heeft de Orde in de deftigste wijk, in de Condottistraat, een groot paleis, waar de Grootmeester en de kanselarij wonen; op den Aventijn bezit ze een kerk en een klooster van Maria met een villa en uitgestrekte tuinen.

In Italië, Oostenrijk en Boheme bezit de Orde een honderdtal Commandementen, o.a. te Pérouse, Ferentino, Osimo, Viterbo, Orvieto, Pontecorvo, Parma, Sorrento, Beneventum, Palermo, Reggio, Weenen en Brünn.

De Orde werkt op hospitaalgebied, dat haar oorspronkelijk terrein was. Ze heeft haar hospitalen in Europa en in het Heilige Land; ze houdt haar oorlogsambulances in goeden staat, dat ze dadelijk in functie kunnen treden, evenals de treinen voor de ambulances. Haar leden hebben vooral in Westfalen en Silezië de hulp aan de gewonden op het slagveld in hun handen gecentraliseerd, en bezitten er een machtige organisatie.

De tegenwoordige staat der Orde omvat twee soorten van leden, die scherp onderscheiden categorieën vormen.

De eersten, de Broeders, in de Orde Ridders van het Recht genoemd, zijn zij die, na hun bewijzen te hebben geleverd, dus na door authentieke stukken hun acht kwartieren van adeldom te hebben bewezen zonder een enkele mésalliance, toegelaten zijn met een noviciaat van tien jaren, en die de kloostergelofte in den traditioneelen vorm hebben afgelegd met het oude ceremoniëel. Zij blijven in de wereld leven, maar zijn streng gehouden aan het godsdienstig celibaat. Er zijn van die broeders tien in geheel Europa.

De leden van de tweede categorie, of leden van eer en devotie, zijn veel talrijker, hun aantal bedraagt meer dan duizend. Zij leggen geen enkele gelofte af en behouden den adellijken titel hunner geboorte.

Bij uitzondering kan de Grootmeester vanwege belangrijke diensten, aan de Orde bewezen, onder den naam van Ridders der Genade, enkele begunstigde leden toelaten, van wie geen bewijzen worden gevorderd. Zoo iemand was de beroemde kardinaal Berryer, was ook kardinaal Lavigerie en dan ook het Academielid Michaud, die de geschiedenis der kruistochten schreef.

In Frankrijk heeft men alleen Ridders van eer en devotie, en dat aantal is nog vrij gering. Op den uitdrukkelijken wensch van den Grootmeester en op initiatief van baron de Montaignac hebben die Ridders zich vereenigd tot een genootschap van liefdadigheid, zooals dat ook reeds hadden gedaan de Maltezer Ridders van sommige andere landen. Wijlen de hertog de Sabran en wijlen de hertog de Mortemart zijn successievelijk voorzitter geweest van de groep der fransche ridders, wier hoofd op dit oogenblik de graaf de Rohan-Chabot is. Twee fransche geestelijken behooren ook tot het genootschap, de abt Pascal, kapelaan, en de abt Gonon, pastoor van Sint Jan van Malta, te Aix in Provence.

Elk jaar houdt het Genootschap een vergadering, waar over de werkzaamheden beraadslaagd wordt en waarbij door den kapelaan een mis wordt voorgediend voor de overleden broeders in de kapel van de basiliek van Montmartre, die aan Johannes den Dooper is gewijd. Aan het slot van dien dienst vereenigen de Maltezer Ridders zich gewoonlijk aan een vriendschappelijken maaltijd.

Te Parijs hebben ze het Sint-Janshospitaal met consultatiekamer, een huis op de hellingen van Montmartre in de schaduw van de kerk van het Heilige Hart; er is niets schitterends aan, en men ziet er enkel een vriendelijke villa, die vroolijk en eenvoudig in het groen is gelegen. Bij de algemeene armenzorg van Montmartre is een deel van het werk aan de Ridders opgedragen, en verscheiden keeren roept op den heuvel van het Heilige Hart het hospitaal van Sint Jan onder de troepen hongerigen diegenen tot zich, die het meest te beklagen zijn, om ze te troosten, te helpen en hun wonden en kwalen te genezen.

Het witte kruis met de acht punten is op de poorten aangebracht en ook op de meubels in de consultatiekamer. Een der ridders, graaf Gaston Chandon de Briailles, houdt persoonlijk toezicht op het werk en geeft zijn krachten en zijn hart aan de zaak.

Een ander lid van de Orde, tevens medicus, doet het geneeskundig en chirurgisch werk, graaf Churchill. Nadat hij in de Orde van Malta was opgenomen, en nadat de gewone jaren der academische studiën voor hem voorbij waren, heeft deze met ambitie naar het goede strevende man zich met allen ernst op de studie toegelegd en heeft den graad van doctor in de medicijnen verworven, alleen met het doel, zich volgens de wet aan de zorg voor de armen te mogen wijden in den geest der Orde.

Er was op Malta zelf ook altijd voor de Ridders werk in overvloed, want in de aardige stad La Valette met haar interessante herinneringen kent men donkere en ellendig armoedige straatjes. Bij een wandeling met den secretaris van het fransche consulaat kwamen we toevallig onverwachts in de wijk Manderaggio, het treurigste hoekje op Malta.

Uit de zindelijke en lichte straten waren we plotseling zonder overgang in een wirwar van steegjes verzeild geraakt, smalle nauwe doorgangen tusschen hemelhooge huizen, alle oud en vervallen. Het was als een doolhof en telkens liepen we stomp en moesten omkeeren, om ons eindelijk weer bij het begin terug te vinden.

Bogen hangen hier en daar over de straatjes heen en geven, naar het schijnt, stevigheid aan de oude muren, die vol spleten zitten, afgeschilferd zijn en waar door vuile buizen onwelriekend vocht stroomt. De bodem wordt gevormd door groote, platte steenen, die glibberig zijn door vuil, kleverig vocht. Overal ligt afval te verrotten en vergiftigt de lucht, terwijl keukengeuren uit de donkere holen opstijgen en door hun scherpte den voorbijganger de keel als toeschroeven.

Wie echter veel houdt van schilderachtige dingen, niet al te hevig gehinderd wordt door onaangename geuren, kan met de levendigste belangstelling een wandeling doen door Manderaggio. De bevolking, die in die ongenoemde steegjes woont, in dien wirwar van zonderlinge huizen, biedt veel belangwekkends aan. Nu en dan valt er een vreemd en grillig licht op groepjes kinderen, die er, o wonder, frisch en gezond uitzien op dien mesthoop; zij zingen en spelen, en de huisvrouwen gaan heen en weer op onbezorgde en vroolijke manier, maken groenten klaar, bereiden visch, en onder het knetteren van het bakken mengt zich gelach en vroolijk geroep, maar ook het geklok van het vuile water, dat van de bovenverdiepingen haastig door de afvoerbuizen naar beneden loopt.

In Manderaggio ziet men in de donkere gangen van de zoo oude huizen en het weerzinwekkende vuil van eindelooze ellende het intense leven even goed of beter dan in de rijke wijken van La Valette.

Die armoedige bevolking is overigens vol eerbied en hulpvaardigheid voor den vreemdeling, die zich onder haar waagt. Het kwam mij zelfs voor, dat ik er oneindig veiliger was dan in de straten van Palermo en Grenada, of, om kort te gaan, in alle groote steden van Spanje en Italië, waar men ook die groote tegenstellingen aantreft van rijkdom en armoede.

Ik wil daarmee niet zeggen dat het onveilig zou zijn, in die steden bij dag door de volkswijken te gaan, maar men krijgt toch een gevoel, of men op zijn hoede moet wezen. Te Palermo bij voorbeeld zal men, als men met aandacht een of ander belangwekkend type bekijkt, al gauw aangezien worden op een manier, die u uw schreden doet verhaasten, zonder dat men lust krijgt zich er langer op te houden. Hier ondervond ik niets dergelijks. Men beweegt zich overal zonder eenig gevaar.

III.

De monumenten van La Valette.--De Sint Jans-kathedraal en haar achttien kapellen met de graven der Grootmeesters.--Geschiedenis der voornaamste Grootmeesters.--Het verlies van de schatten uit de Sint Janskerk.--Het paleis der Grootmeesters.--De bibliotheek.--Het Paleis van Justitie, de oude herberg van Frankrijk.--Het arsenaal.--Een met beenderen behangen zaal in een hospitaal.--De kerkhoven.--Bezoek aan Città Vecchia, de oude hoofdstad van Malta.--Aanzien van het land.--De Sint Paulsgrot.--De Maltezers en de engelsche overheersching.

De groote Sint Janskerk der Ridders, waar alle graven der Grootmeesters zijn te vinden, is het merkwaardigste bouwwerk van La Valette. Ik bedoel hier niet zoozeer uit het oogpunt van het uiterlijk, van de architectonische beteekenis, want het gebouw is zwaar, massief en streng, eerder een fort dan een kerk, maar uit historisch oogpunt. Twee kortdikke klokkentorens, een voorhal, een balcon of terras, waar de Grootmeester zich voor de eerste maal na zijn verkiezing aan het volk vertoonde, als het Conclave hem had aangewezen, dat is eigenlijk alles, wat het uitwendige van het heiligdom ornamenteels vertoont. Op den top van den gevel stond oudtijds een reusachtig borstbeeld van den Heiland, een bronzen beeld, dat de galeien der Orde bij het verlaten van de groote haven begroetten, wanneer ze uitgingen op een kruistocht tegen de Muzelmannen.

De Sint Janskathedraal is, afgezien van de rijke versieringen aan de wanden, in het inwendige van bijzonder eenvoudige conceptie. Het is een groot parallelogram, dat een gewelf met dubbele bogen draagt. Aan dat gewelf is in achttien afdeelingen of kaders de geschiedenis voorgesteld van den heilige, naar wien de kerk genoemd is. Het forsche, krachtige werk is men verschuldigd aan het penseel van den Ridder Matthias Préti, bijgenaamd de Calabrees, leerling van du Guerchin en vriend van Rubens. Maar ongelukkig zijn die schilderijen slecht gerestaureerd en hebben veel van hun oorspronkelijke bekoring verloren.

Achttien kapellen, die in elkander loopen en zoodoende een soort van galerij vormen, bevinden zich in elk der zijvleugels. Zeven ervan waren gewijd aan de zeven "Tongen", waaruit de Orde bestond. De wanden, versierd met houtsnijwerk, dat verguld en in houtreliëf is aangebracht, stellen symbolen en godsdienstige plechtigheden voor van de volken, waartoe leden der Orde behoorden, met de prachtige graven der Grootmeesters van elke afdeeling.

Al die graven, behalve die van de duitsche kapel, zijn met marmer bekleed, en erboven prijkt het borstbeeld of het beeld ten voeten uit van den overledene, terwijl er gebeeldhouwde medaillons en schilderwerk omheen zijn aangebracht. Verscheiden van die kunstwerken werden door Matthias Préti uitgevoerd. Die van de duitsche kapel zijn van een maltezer kunstenaar.

Als men de basiliek betreedt, die er van buiten zoo eenvoudig uitziet, wordt men allereerst getroffen door de rijke versiering. Men moet daarbij echter niet vergeten, dat meer dan drie eeuwen lang het heiligdom der Ridders voortdurend verfraaid kon worden door de groote mildheid der Orde, Boven het hoofdaltaar, dat druk bewerkt is, schittert op een breed voetstuk een groote marmeren groep, den doop van Christus door Johannes den Dooper voorstellend. Dat prachtige, witte kunstwerk is van den maltezer kunstenaar Melchior Gaffa, die het plan ontwierp en nog een begin maakte met de uitvoering. Na zijn dood werd het voltooid door den beroemden beeldhouwer Bernini.

Zilveren pilaren scheiden het koor van de rest der kerk. Het plaveisel der kerk bestaat geheel uit groote marmeren grafsteenen van verschillende kleur, waarin kostbare gesteenten mozaïeken vormen. Een reuzenbladzijde met necrologieën ontrolt zich voor onze voeten. Daar staan de groote heldenfeiten te lezen uit het leven der roemrijke strijders. De geheele hooge aristocratie van Europa kan er de eene of andere herinnering vinden van een voorvader of vriend.

Het graf van den Grootmeester Nicolaas Cottoner maakt vooral een diepen indruk. Op een voetstuk, door twee karyatiden gedragen, ziet men twee overwonnenen, een Muzelman en een neger in ketenen, verder het bronzen borstbeeld van den Grootmeester met den kraag der geestelijken en het harnas van den krijgsman, en dat alles op een hoop aan den vijand ontnomen vlaggen. Ook kan men er de halve maan der Mohammedanen op vinden met helmen, kanonnen en wapens van allerlei soort. Alles is in wit marmer uitgevoerd. Achter het borstbeeld verheft zich een pyramide met het wapenschild en de Faam, die op een bazuin blaast, terwijl een engel op de groep wijst. Die figuren, het schild en de pyramide zijn ook van marmer. Het geheel is van zeer decoratieve werking en maakt een rijken indruk.

De Orde had aan Nicolaas Cottoner den aanleg van verscheiden versterkingen te danken. Een ervan draagt nog zijn naam. Hij droeg veel bij tot de weerbaarmaking van Floriana en Marsa Muscet. Om de verdediging van den ingang tot de groote haven te voltooien, liet hij het fort Ricasoli of het Koningsfort aanleggen van de dertig duizend kronen, die een Ridder voor dat doel afstond. Paus Clemens de Tiende wenschte in een pauselijken brief den Grootmeester Nicolaas Cottoner geluk met zijn pogingen om Malta te versterken, Malta, dat het bolwerk was voor alle staten der christelijke wereld.

Het grafmonument, dat opgericht werd voor Raymond Perellos de Roccafoull van de "Tong" Aragon, baljuw van Negropont, vóór hij tot het grootmeesterschap werd verheven, is zeer rijk versierd en van groote uitwerking. Zijn bronzen buste komt naar voren uit een uitgehold marmeren medaillon. Erboven prijken zijn wapens, door vlaggen omgeven. Aan den voet staat een engel, leunend op de attributen der lictoren. Het Recht, voorgesteld door een vrouw, houdt de weegschaal; een vrouw zoogt een kind. Die beide vrouwenfiguren van wit marmer zijn gezeten aan weerszijden van het monument. Het voetstuk vertoont een bundel wapens en schilden, op het een waarvan men de halve maan ziet, terwijl op het andere een Gorgonenhoofd is afgebeeld.

De Grootmeester Raymond Perellos had een lange en aan feiten rijke regeering. Hij onderscheidde zich door zijne groote vrijgevigheid voor de gezinnen, wier leden in den dienst der Orde stierven; hij bracht veel nieuwe versterkingen aan en verwaarloosde niets van wat hij meende dat geschikt kon wezen om den glans en den roem der Orde te verhoogen. Tweemaal per jaar worden aan de muren van de kathedraal prachtige tapijten opgehangen, die het leven van den Verlosser voorstellen, en den Triomf van het Christendom. Ze zijn een legaat van den Grootmeester Perellos.

Het monument, dat gebouwd is voor den Grootmeester Marcus Antonius Zondodari, die uit Siena geboortig was, is ook zeer prachtig; het onderscheidt zich door een gelukkige vereeniging van marmer en brons. Als bij al die grafmonumenten in de Sint-Janskerk der Ridders van Malta, brengt een legende, in het voetstuk gebeeldhouwd, de deugden en weldaden van den Grootmeester in herinnering. Hier ziet men hem, liggend op zijn doodkist, die door naakte kinderen wordt gedragen. De Oorlog, voorgesteld door een vrouw, schijnt met behulp van een kind bezig, de plooien te leggen van de vlag, waarin hij zal begraven worden.

Antoine Manuel de Vilhena, Portugees van de afdeeling Castilië, werd tot Grootmeester gekozen bij den dood van Zondodari. Het voor hem opgerichte monument behoort tot de mooiste, die de prachtige Sint-Janskathedraal der Maltezer Ridders sieren. Altijd bewondert men de harmonieuse rangschikking der onderdeelen, die al die graven kenmerkt, den overvloed van motieven en symbolen, die er levendigheid aan geven, en den rijkdom en de verscheidenheid der gebruikte materialen.

Bij dit laatste wordt het borstbeeld, gevat in een medaillon, door een krans van laurierbladen gevormd, door engelen aangeboden. Op de voorzijde heeft de Faam naast de wapens met een kroon er boven de bazuin aan den mond gebracht. Op de sarcofaag, door bronzen leeuwen gedragen, houdt een kind het zwaard opgeheven, den enormen eeredegen van den Grootmeester. Andere kinderen storten tranen.

Antoine Manuel de Vilhena had alle rangen der Orde doorloopen. Hij was gewond geworden bij een aanval op twee tripolitaansche schepen, die generaal Antoine Corea de Souza in 1680 buit maakte. Hij werd achtereenvolgens benoemd tot majoor, kolonel en commandant van een galei, tot commissaris der bewapening, groot-kanselier der Orde, baljuw van Acre en eindelijk tot schatmeester der Orde. In zijn qualiteit van Grootmeester liet hij het fort Manuel oprichten op het eilandje Marsa-Muscet.

Wij mogen bij deze beknopte opnoeming niet vergeten het graf van Jean de la Valette, die in 1586 stierf. Een lang opschrift telt zijn heldendaden op, zijn overwinningen op de Turken, de beroemde belegering, die hij van het leger van Soliman had te doorstaan, en vooral de stichting van de groote stad, die door zijn toedoen zoo gevreesd werd. Soliman de Tweede zag met de grootste bezorgdheid de toenemende macht, welke de Ridders in de Middellandsche Zee kregen, en waarvan hij de duidelijkste blijken kreeg door de vernieling van de meeste zijner vloten. Hij besloot Malta aan te vallen en er de Ridders uit te verdrijven, die hij te voren reeds van Rhodus had verjaagd. In den loop van het jaar 1565 drongen honderd-vijftig turksche schepen in de haven van Marsa Scirocco binnen, en zetten er zestig duizend gewapende mannen aan land, onder bevel van den pacha Mustapha, van Dragut, en van den dey van Algiers.

De gedenkwaardige belegering van La Valette deed de dapperheid der Ridders duidelijk uitkomen. De Grootmeester van Malta, Jean Parisot de la Valette, bewees in die moeilijke omstandigheden, dat hij waardig was de opvolger van L'Isle Adam te zijn. Zijn stoutmoedigheid en zijn militaire talenten gaven hem daar recht op.