De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 63

Chapter 633,830 wordsPublic domain

Enkele particuliere paleizen zijn een bezoek overwaard in La Valette, hetzij om hun architectorale beteekenis, hetzij om de historische herinneringen, die ze wekken. In het paleis van de familie Spinola woonden in 1808 de prinsen uit het Huis van Orleans. Het hôtel gaat door voor het mooiste van alle, en terecht. De bouwtrant is bekoorlijk, de versieringen zijn zeer rijk en toch niet overdadig. Het plan voor dit schoone gebouw is afkomstig van den bouwmeester Peruzzi. Het gebouw werd door een bisschop opgericht, aartsdiaken van de kathedraal; het werd door Bonaparte bewoond tijdens zijn verblijf op het eiland in 1798. Hij had er zijn hoofdkwartier gevestigd. Sinds dien hebben achtereenvolgens de engelsche generaals Stuart, Fox en Abercromby er geresideerd.

De dwarsstraten, die sterk hellen, en die dikwijls in trappen zijn veranderd, zijn evenals de andere zeer zindelijk, daar de onderaardsche afvoerbuizen voor den afloop van het water zorgen en voor dien van het vuil. De stad is zeer druk door veel beweging op straat en een levendig vervoer van goederen. De openbare gebouwen zijn regelmatig en wat koud van aanzien, opgetrokken van het maltezer gesteente, dat zeer zacht is en het nadeel bezit, spoedig te verweeren. De buitengewone witheid, doet, zooals we reeds zeiden, de weerkaatsing onaangenaam zijn. Trots die bezwaren is de steen lang een gewild uitvoerartikel geweest naar de Levant en vooral naar Smyrna.

De voorsteden van La Valette, Floriana, Burmole, Senglea en Borgo, zijn even druk als de stad. Men vindt er overal mooie gebouwen en openbare inrichtingen. Achter Senglea staat een groot gebouw, dat het huis wordt genoemd van Francisco da Cunha. Daar had de baljuw van Suffren een fabriek opgericht van katoenen stoffen, op het voorbeeld van die van Voor-Indië. Hij zou zelfs uit Mysore arbeiders hebben meegenomen, inlandsche mannen en vrouwen, om in zijn fabriek te werken. Ik weet niet, hoe het met die poging is gegaan.

II.

Malta in de oudheid als phoenicische kolonie.--Stichting van de orde der Hospitaalridders van Sint Jan te Jeruzalem, later geworden tot de orde der Maltezer Ridders.--Uit Jeruzalem verdreven, wijken ze eerst uit naar Saint Jean d'Acre, dan naar Cyprus, en nog later naar Rhodus.--Sultan Soliman verjaagt hen van Rhodus.--Karel de Vijfde geeft hun het eiland Malta in 1530.--De organisatie der Orde.--Haar lotgevallen ten tijde van de bezetting door de Franschen in 1798.--Nog altijd houdt de Orde der Maltezer Ridders zich in stand.--De schilderachtige voorstad Manderaggio.

Het eiland Malta, welks kusten door een menigte van kreken, baaien en golven ingesneden zijn, zou het oude, door Homerus bezongen Ogygia zijn. Daar werd Ulysses, na door den storm aan land geworpen te zijn, zeven jaren lang in zijn betooverde grot door de nymf Calypso vastgehouden. Er wordt nog een naar de nymf genoemde grot aangewezen, en het heet, dat het de grot was die zij bewoonde. Al zeer vroeg werd Malta door de Phoeniciërs gekolonizeerd, die te Krendi en op andere plaatsen van het eiland bouwwerken oprichtten, waarvan nog ruïnen over zijn.

De kolonie, die de Phoeniciërs op Malta stichtten, was een van hun meest welvarende stichtingen; spoedig werd ze beroemd om haar handel, haar rijkdom en de pracht harer tempels. Daar werden, evenals in Phoenicië aangebeden de goden Mytharas, Isis en Osiris. Twee tempels vooral waren beroemd, die van Juno of Isis en die van den Tyrischen Hercules, door de Grieken Alexicacos genoemd, dien de volken uit het Oosten op dit eiland kwamen aanbidden.

Men kan in het Museum van La Valette verscheiden punische gedenkpenningen zien. Onder de voorwerpen van dezelfde herkomst waren vroeger twee prachtige marmeren kandelabers met een phoenicisch en een grieksch opschrift. Een van die kandelabers werd door den Grootmeester Rohan aan Lodewijk den Zestienden ten geschenke gegeven. Het Journal de Trévoux, dat in 1786 van die beide voorwerpen gewag maakt, noemt ze zeer zeldzame en schoone kunstwerken, schatten, die de oudheid ons heeft nagelaten. Ziehier de vertaling van het opschrift, dat ze droegen.

"Abdassar en Asseremor, zoon van Asseremor, zoon van Abdassar, hebben de gelofte afgelegd voor onzen Heer Melkart, beschermheilige van Tyrus; moge hij hen beschermen op hun onzekeren weg. Denys en Serapion uit de stad Tyrus, beiden zonen van Serapion, voor Hercules bijgenaamd Archegetes."

Dit opschrift leert ons, dat de Hercules, die op Malta werd aangebeden, er ook wel Archegetes werd genoemd, dat hoofd of leider beteekent, en Melkarthos of Melkart, dat is "machtig koning."

In het jaar 736 v.C. werden de Phoeniciërs van het eiland verdreven door de van Sicilië gekomen Grieken. Dezen gaven aan het eiland den naam van Melita. Zou die naam Melita de bedoeling hebben gehad, te herinneren aan den uitstekenden honig, welke op Malta werd ingezameld, of is hij geschonken ter eere van de nymf Melita, dochter van Doris en Nereus? Het is onbekend.

Toen de Karthagers op Malta de plaats der Grieken innamen, en de Romeinen op hun beurt de Karthagers hadden verdreven, werd Malta een zelfstandige kolonie, en onder romeinsch bestuur behielden de Maltezers hun wetten en vrijheden.

In de negende eeuw van onze jaartelling kwam het eiland in de handen der Arabieren en werd de opslagplaats van hun handelsgoederen en schuilplaats voor hun vloten. Omstreeks het jaar 1190 werd het land veroverd door den Noorman Roger, en van dien tijd af deelde het eiland in de lotgevallen van Sicilië, tot op het oogenblik dat de Ridders van Sint Jan er zich kwamen vestigen.

De orde dier vermaarde ridders was gedurende de meer dan twee eeuwen durende souvereiniteit, die zij over het eiland uitoefende, een weldaad voor de bevolking. Zij bracht het land tot bloei en tot roem, terwijl ze voor geheel Europa van groote beteekenis was door den verwoeden oorlog, dien zij voerde tegen de barbarijsche zeeroovers en door de bescherming, die ze aan den zeehandel der christelijke staten bood. Het is wel de moeite waard een overzicht te geven van haar geschiedenis en van haar werk.

De orde der Hospitaalridders van Sint Jan van Jeruzalem, die later, zooals wij in het vervolg zullen zien, de Orde der Ridders van Malta werd, was gesticht door den Franschman Reymond du Puis tegen het eind der elfde eeuw met het doel, behoeftige pelgrims, die zich naar de heilige plaatsen begaven, te helpen en hun een onderkomen te bezorgen. De orde liet gewapende mannen de bedevaartgangers begeleiden en zorgde, dat de laatsten beschermd werden tegen de mohammedaansche benden, die het land afliepen. Zoo werden de ridders ertoe gebracht, hun organisatie tegelijk een militair en een godsdienstig karakter te geven.

In de twaalfde eeuw wijdde paus Paschalis de Tweede de orde bij kanoniek besluit in en gaf hun de roode banier met het witte kruis. Door de christelijke wereld ruim van geld voorzien, voerden de Broeders van Sint Jan voortaan den strijd tegen de ongeloovige Mohammedanen. Maar de overwinningen van Saladin verjoegen hen uit Jeruzalem. Zij verschansten zich in Saint-Jean d'Acre, daarna op Cyprus en eindelijk op Rhodus, waar ze zich twee eeuwen lang handhaafden tegen de onvermoeide pogingen der Turken, en waar ze den naam van Ridders van Rhodus aannemen.

Doch Soliman kwam aan de spits van een leger van 200.000 soldaten en sloot het fort in, dat door nauwelijks 600 ridders en 4000 man werd verdedigd. Na wonderen van dapperheid te hebben verricht, capituleerde de stad, wier hulpmiddelen uitgeput waren, in 1522. Des nachts verlieten de Grootmeester en de Ridders Rhodus in volslagen wanorde. Het was een bedroevende exodus van heldhaftige krijgers, vluchtend uit een land, dat twee eeuwen lang door hun roem bestraald was geworden. Toen de zieken, de kinderen en de vrouwen in de schepen in veiligheid waren gebracht, begaven ook de mannen zich scheep. Villiers de l'Isle Adam, de Grootmeester, scheepte zich het laatst in. De vloot, bestaande uit vijftig schepen, galeien, galjoten, brigantijnen, feloeken en het groote schip, waar zich de Grootmeester, de Commandeurs en de Ridders op bevonden, trok weg. Zoo werden al de goederen der Orde mee aan de zee toevertrouwd.

En zie, alsof de woede der elementen zich wilde paren aan de woede van de vijanden, dreef een storm in den Griekschen Archipel de vloot uiteen, die zooveel kostbaars herbergde. Maar volgens een dikwijls waargenomen verschijnsel, dat zoowel in het leven der volken als in dat der enkele menschen optreedt, kwam in den tijd van den hoogsten nood een onverwachte lichtstraal den schijnbaar hopeloozen toestand verhelderen. De verstrooide vloot kon zich weer aaneensluiten; de ontredderde schepen vonden een haven, en in goeden staat teruggebracht, konden ze weer zee kiezen en hun zwerftocht vervolgen.

... Op een lentedag verscheen vóór Messina een vaartuig, welks onbekende vlag in het licht schitterde. Het was een schip van kolossale afmetingen, en van den mast wapperde een banier met het beeld der Heilige Maagd, die in haar armen den gekruisigden Heer droeg. Er omheen stond het opschrift: "Afflictis spes unica rebus". Dat was als een verschijning van leed en ongeluk, een beeld van het uitgestooten geloof, dat eindelijk hulp kwam vragen in een christelijk land.

Het groote schip, de koningin der zeeën, zooals de Sarracenen het noemden toen het nog aan hen behoorde, was een vaartuig, dat om zijn afmetingen iets legendarisch had gekregen. Er werd verteld, dat de top van de hoogste masten der grootste galeien nog niet tot de hoogte van zijn voorsteven reikte. Zes menschen konden nauwelijks den grootsten mast omspannen. Het schip had zeven verdiepingen, waarvan twee onder de waterlijn. Buiten de lading en de bemanning kon het duizend soldaten bergen, en honderd kanonnen bewapenden de drijvende vesting.

Van Messina gingen L'Isle Adam en de zijnen naar Viterbo in den Kerkelijken Staat. Daar bleven ze, tot Karel de Vijfde hun het eiland Malta tot residentie schonk. De acte van schenking werd te Castelfranco, bij Bologna, opgesteld in 1530. Er werd in gezegd, dat de keizer in zijn hoedanigheid van koning van Sicilië aan de Orde van Jeruzalem de eilanden, kasteelen en dorpen Malta, Gozzo, Commino en West-Tripoli afstond met alle souvereiniteitsrechten. De schenking geschiedde op de volgende voorwaarden: Ten eerste zou de Orde jaarlijks een valk leveren aan den koning van Sicilië; ten tweede zou de bisschop van Malta altijd door den koning worden benoemd; ten derde zou de admiraal der Orde altijd een Italiaan wezen, en ten vierde zouden de inwoners van Malta en de overige eilanden hun rechten en privileges behouden.

Toen Karel de Vijfde het eiland Malta aan de Ridders van Sint Jan van Jeruzalem gaf, zond de Raad der Orde, vóór hij de gift aanvaardde, acht ridder-commissarissen er heen, om er den staat van zaken op te nemen en te onderzoeken, of het eiland geschikt was voor den zetel der Orde en voor haar bedoelingen. Ziehier de voornaamste punten uit het rapport der afgevaardigden. Het resultaat was niet zeer hoopvol:

"Het eiland is buitengewoon dor, ontbloot van alle bosch, en het hout, dat er gebrand wordt, moet van Sicilië worden aangebracht. De inwoners maken, om hun ovens te stoken gebruik van een soort van doornige distels, die ze op de onvruchtbaarste plaatsen inzamelen. Zij gebruiken ook wel voor het koken van hun zeer eenvoudig potje den mest der ezels en runderen, die ze in de zon laten drogen, welker stralen zoo krachtig door de rotsen worden weerkaatst, dat de hitte in den zomer sterk genoeg is, om die stoffen zoo droog te maken, dat ze als brandstof bruikbaar zijn.

"Het eiland is vrij goed bevolkt. De inwoners zijn gevestigd in verspreide en open liggende dorpen. Hun taal is de moorsche, en ze leven in uiterst bekrompen omstandigheden. Het koren, dat ze verbouwen kan hen niet langer voeden dan voor een derde van het jaar, en voor de rest moeten zij het van Sicilië laten komen. Het bedoelde eiland is daarbij onophoudelijk blootgesteld aan de rooftochten der ongeloovige zeeroovers, die, zonder eenige vrees te toonen voor het kasteel, vrij in de havens binnenvaren en zeer dikwijls een groot aantal arme Maltezers in ballingschap meevoeren."

Toen de commissarissen van hun zending en hun rapport bij den Grootmeester en den Raad rekenschap moesten komen afleggen, antwoordden zij nog, dat het verblijf op Malta zeer onaangenaam was, ja in den zomer zoo goed als ondragelijk; maar dat zij bij de gebleken moeilijkheid, om een betere plaats ter vestiging te erlangen, toch van oordeel waren, dat men de gift van den keizer moest aanvaarden. De Grootmeester gaf aan dien wenk gehoor en nam het geschenk aan.

De Grootmeester nam bezit van Malta op 26 October 1530. Hem vergezelden de voornaamste officieren der Orde en een groot aantal grieksche en rhodische familiën, die de Ridders gevolgd waren en zich met hen op Malta vestigden. Van dien tijd af zijn de ridders bekend geworden onder den naam van Maltezer Ridders.

Uit het boven aangehaalde rapport blijkt, dat het lot der Maltezers in dien tijd zeer onzeker was, daar ze zich in het geheel niet verdedigen konden tegen de invallen der barbarijsche zeeroovers. Steeds hing hun het gevaar boven het hoofd, dat hun huizen werden vernield en dat ze zelf in slavernij werden weggevoerd. De opperheerschappij der Orde beschermde hen onmiddellijk tegen die steeds dreigende gevaren, want de eerste zorg van den Grootmeester was, het fort Saint-Ange te laten herstellen, en La Sangle te versterken, om de galeienhaven te beschermen. Een nieuw fort, het Sint-Elmusfort, werd op het schiereiland opgericht, daar waar zich in het vervolg de stad La Valette verhief; het beschutte tegen een overval de beide voornaamste havens, die door het schiereiland werden gescheiden.

De Ridders van Sint Jan van Jeruzalem brachten, door op Malta den zetel van hun bestuur te vestigen, er een aanzienlijke geldswaarde in omloop. Zij beliep zelfs een minimum van vier millioen francs, wat een enorme som was voor dien tijd. Men rekent daar dan ook onder de uitgaven van de vele leden der Orde, die geregeld in grooten getale het eiland bewoonden.

De welstand nam te meer toe, daar de bewoners geen enkele directe belasting betaalden, en alleen aan vrij matige douanerechten waren onderworpen.

Men zal begrijpen, hoe groote voorrechten de Maltezers genoten onder het bestuur der Ridders, als men hun lot vergelijkt met dat der Sicilianen in dien tijd. Die laatsten waren, ofschoon ze een buitengewoon vruchtbaar land bewoonden, tot de diepste armoede gebracht door de zorgeloosheid en het despotisme hunner regeering. Op Malta daarentegen was de op zich zelf dorre grond vruchtbaar gemaakt door zorg en inspanning. Het eiland werd overdekt met een groot aantal kleine stadjes en ten gevolge van de veiligheid, die door de nieuwe regeering werd gewaarborgd, nam de bevolking van Malta en Gozzo, die in den aanvang van het bestuur der Ridders slechts 25.000 inwoners bedroeg, zoo toe, dat men er weldra meer dan 100.000 telde, terwijl Sicilië met zijn vruchtbaren grond niet anders te zien gaf dan tooneelen van ellende en een betrekkelijk veel kleiner aantal inwoners.

L'Isle Adam hield zich, nadat hij de verschillende punten van het eiland, waar de vijand een verrassing kon beproeven, had versterkt, ook bezig met de versterking van de vloot der Orde.

Alle inspanning had ten doel de bescherming van den handel der christelijke naties, die voortdurend werd bedreigd door de zeeroovers. Na zeer korten tijd werd de vlag der Ridderorde gevreesd door de zeeschuimers van de Middellandsche Zee.

Het komt mij wel belangwekkend voor, in het kort samen te vatten hoe de Maltezer Orde was georganiseerd, zij, aan wie de volken van Europa zoo langen tijd de veiligheid van hun handel op de Middellandsche Zee te danken hadden. De Hospitaalridders waren, voor zoo ver ze godsdienstige ridders waren, verdeeld in drie volkomen van elkander verschillende klassen; geboorte, rang en functies liepen uiteen.

De eerste klasse bestond uit de Ridders van het recht, die dezen eeretitel droegen op grond van hun edele afkomst. Alleen zij konden het brengen tot de waardigheid van Baljuw, tot die van Prior, Grootkruis geheeten, en tot die van Grootmeester. Later werden ook de Ridders der Genade ertoe gerekend, die, van een adellijken vader en niet adellijke moeder afkomstig, dispensatie van den paus noodig hadden, om tot die waardigheden te worden toegelaten. Een bepaling van de statuten hield in, dat zij, wier vader of die zelf den een of anderen handel hadden gedreven, die bankiers of wisselagenten, boekhouders of boeren waren geweest, die een winkel of magazijn hadden gehad, ook al waren zij van edelen bloede, nooit tot broeders-ridder konden worden toegelaten.

De tweede klasse omvatte de dienstdoende geestelijken in de kerken van Sint Jan, die aalmoezeniers konden worden op de schepen of galeien.

Een derde klasse omvatte de broeders-zieleherders, leden der Orde, die, zonder broeders of ridders te zijn, onder de bevelen der ridders dienden in den oorlog of in de hospitalen.

Daarna kwamen, niet de minst belangrijke, de priesters en dienstdoende broeders in de lagere ambten van klooster en hospitaal. En eindelijk had men nog de dames religieuses van de Maltezer Orde, wier kloosters in Frankrijk, Italië en Spanje waren gevestigd. Er werden voor hare toelating dezelfde eischen van adeldom gesteld als voor de Ridders.

De orde van Sint Jan van Jeruzalem was gesticht in denzelfden geest en naar hetzelfde model als de oude ridderschap. In het begin nam men enkel leden aan te Jeruzalem of ten minste op gewijden grond. Altijd werd als hoofdeisch voor de toelating gesteld, dat men authentieke bewijzen moest kunnen bijbrengen voor adellijke afkomst. Allen moesten adellijke krijgers tot voorvaderen hebben gehad. Later had men behoefte aan aanvulling der gelederen, die gedund waren in de oorlogen tegen de ongeloovigen, en de Hooge Raden der Orde stonden toe, dat na het onderzoek van de titels van adeldom men als nieuwelingen leden mocht opnemen uit de groote priorkloosters van Europa.

In het jaar 1355, waarin de oudste registers beginnen van de fransche grootprioraten, nam men enkel edellieden aan, wier namen en geslachten in hun provincie bekend en beroemd waren. En die gestrengheid werd niet alleen volgehouden, maar werd nog verscherpt, toen soms lieden van ouden adel rijke niet-adellijken huwden. Van dien tijd af werd een proces-verbaal gevorderd, dat de legimitatie en de afkomst van den candidaat boven allen twijfel stelde. Buitendien moest dit proces-verbaal formeel bewijzen, dat zijn ouders, grootouders, overgrootouders, tot meer dan een eeuw in de geschiedenis terug, edellieden waren geweest.

Drie bewijzen werden gevorderd, door getuigen, door brieven, door plaatselijke en geheime inlichtingen.

Het eerste vereischte het getuigenis van vier adellijke getuigen. De commissarissen, die meestal oud-commandeurs waren, deden hen, vóór ze werden gehoord, een plechtigen eed zweren. Het tweede bewijs bestond in een nauwkeurig onderzoek van de titels en aanspraken, door den candidaat ingeleverd. Om het derde bewijs te erlangen, waren de commissarissen genoodzaakt, zich te begeven naar de geboorteplaats van den candidaat, daar een zeer bescheiden, maar niettemin zeer nauwkeurig onderzoek in te stellen, en wel niet alleen waar de candidaat zelf was geboren, maar ook op de plaats, van waar de familie afkomstig was.

Waren zij in het bezit van al die bewijzen, dan maakten de commissarissen een proces-verbaal op, dat naar den Grootmeester op Malta werd gezonden, die, na den Raad der Orde te hebben gehoord, het godsdienstig gewaad aan den aanvrager liet uitreiken.

Men ziet dus, met hoe groote zorg de nieuwelingen onder de Ridders werden opgenomen, ten einde toch maar in die godsdienstige militie een hoogen en volkomen authentieken adel te behouden.

Als er niets mankeerde aan de bewijzen ten gunste van een candidaat, kon hij worden aangenomen op drie tijden of op drie verschillende leeftijden. Hij trad als mondig lid tot de Orde toe op zestienjarigen leeftijd, ofschoon hij zich eerst op 21-jarigen leeftijd naar Malta behoefde te begeven; hij betaalde als intreêgeld ongeveer 260 gouden kronen. De aangenomen candidaat kon ook als page van den Grootmeester al op twaalfjarigen leeftijd toetreden en mocht dat blijven tot zijn vijftiende jaar. En eindelijk, in de laatste jaren van het bestaan der Orde maakte men ook minderjarigen tot lid, namelijk kinderen in de wieg.

De Ridders, die in het Kapittel waren opgenomen, nadat ze de bewijzen van ouden adel hadden geleverd, welke wij hebben opgenoemd, huwden niet en kregen eerst stem in het Kapittel, als ze hun "karavaantocht" hadden meegemaakt, dat is, als ze aan de gewapende expedities hadden deelgenomen.

De Orde, die bestond uit Ridders van wel acht verschillende volken, werd verdeeld in acht "Tongen", namelijk Provence, Auvergne, Frankrijk, Italië, Castilië, Aragon, Engeland en Duitschland.

De "tong" Italië was bijzonder streng in de toelating, want ze eischte van elk der candidaten tweehonderd jaren van erkenden adel voor elk der vier kwartieren, terwijl die vier kwartieren reeds een onmisbare voorwaarde waren voor de toelating. Overeenkomstige eischen werden in de afdeelingen Aragon en Castilië gesteld. Maar er was op Malta geen volk, waarvoor de bewijzen nauwkeuriger werden onderzocht dan voor Duitschland.

De Ridders waren bijzonder gevoelig op het punt van eer, en tweegevechten kwamen veelvuldig te La Valette voor. Die duels waren echter aan zekere beperkingen gebonden. Zoo moesten de tegenstanders, wilden zij niet de zwaarste straffen over zich zien gebracht, den degen in de schede steken, onmiddellijk als een vrouw, een priester of een ridder het hun beval. Men zou geneigd zijn te denken, dat de duels in zulke omstandigheden zelden bloedig zouden zijn. Dat is echter een dwaling. Wanneer een Ridder in een duel was gedood, werd er altijd een kruis geteekend op den muur tegenover de plaats, waar hij gevallen was. Er waren veel van die kruisen te zien in de straten van La Valette.

Twee Ridders kregen eens twist bij het biljartspel. Een van hen, die den ander reeds veel beleedigingen had toegeslingerd, vergat zich ten slotte zoozeer, dat hij tot handtastelijkheden overging en den tegenstander sloeg. Daarna weigerde hij zijn verontschuldigingen aan te bieden of den degen te kruisen. Dat was een schandaal voor het geheele eiland Malta, waar geen voorbeeld bekend was van een dergelijke lafheid. De op zoo grove wijze beleedigde officier riep herhaalde malen zijn tegenstander op en liet hem telkens den tijd, na te denken over de gevolgen van een weigering. Maar alles was vergeefsch; de beleediger bleef zich onttrekken aan de gevolgen zijner daad.

Hij werd veroordeeld, gedurende vijf-en-veertig achtereenvolgende dagen boete te doen in de kathedraal van Sint Jan, daarna vijf jaren in een gevangenis door te brengen en zijn leven in gevangenschap in een fort te besluiten. Naar men meent is door geen maatregel van genade dit strenge vonnis verzacht.

De Orde was, zooals wij boven hebben gezien, verdeeld in "Tongen", en aan elk van die was een paleis toegewezen voor haar vergaderingen. De Ridders gebruikten er hun maaltijden; vandaar dat die paleizen wel herbergen werden genoemd. Die acht "herbergen" bestaan nog onder dezelfde namen van vroeger, dus herbergen van Provence, van Auvergne, van Frankrijk, van Italië, van Aragon, van Duitschland, van Castilië en van Engeland.

Frankrijk had drie herbergen. Daaruit kwamen de meeste Grootmeesters der Orde voort; zij leverde de meeste ridders en droeg het meeste bij tot den roem en de grootheid der Orde. Door een zonderlingen loop van zaken, die onverklaarbaar moet heeten, was het voor Frankrijk weggelegd, de grootsche instelling op Malta te vernietigen, welke het eeuwenlang toch zoo krachtig had gesteund.