De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 62
"De zeer beroemde en vereerde broeder, Jean de la Valette, Grootmeester van de Orde der Hospitaalridders of der Ridders van Sint-Jan, die voor oogen heeft al de gevaren, waaraan zijn ridders en zijn volk van Malta hebben blootgestaan bij het jongste beleg en die in overleg met den Raad der Orde, om nieuwe ondernemingen van den kant der Barbaren tegen te gaan, het plan heeft gevormd, een stad te bouwen op den berg Scebarras, heeft heden, Donderdag 28 Maart van het tegenwoordige jaar 1566, na den heiligen naam van God te hebben ingeroepen, de tusschenkomst der Heilige Maagd te hebben gevraagd en die van den Heiligen Johannes den Dooper, den patroon der Orde, om den zegen des hemels af te smeeken op een zoo belangrijk werk, er den eersten steen van gelegd, waarop zijn wapen is gebeiteld met de gouden leeuwenmuilen. De nieuwe stad is op zijn bevel gedoopt met den naam Stad van La Valette."
Gouden en zilveren medailles, die een afbeelding der nieuwe stad droegen en liet opschrift: Melita renascens, d.i. "Het herboren Malta" met het jaar en den datum der stichting, werden in grooten getale in de fondamenten geworpen. Na die plechtigheid ging men met ijver aan het werk. Allen namen er aan deel, rijken zoowel als armen, edelen en handwerkslieden. Iedereen wilde deel hebben aan het werk, waarin het heil van allen was gelegen voor de toekomst. Een commandeur, de la Fontaine, die bekend was om zijn goed inzicht in de kunst van het aanleggen van versterkingen, had de opperste leiding der werkzaamheden op zich genomen. De ridders droegen er ook het hunne toe bij, enkelen begaven zich op de schepen der Orde naar Sicilië en Italië, om bouwmaterialen te halen, anderen gingen tot Lyon, om zich met de verbetering der inrichting van de artillerie bezig te houden. Wie bleven, hielden toezicht op de arbeiders bij de aardwerken, lieten openingen aanvullen, bressen herstellen en zorgden voor den aanleg der nieuwe versterkingen.
De Grootmeester verloor twee jaren achtereen de werkzaamheden niet uit het oog; hij woonde te midden der werklieden, nam zijn maaltijden juist als een gewoon arbeider en gaf het voorbeeld van den grootsten ijver. Daar de gelden niet alle regelmatig inkwamen, liet hij, om daarin te voorzien, kopergeld slaan, waaraan hij een verschillende waarde toekende naar zwaarte of model. Zoodra het verwachte geld inkwam, werd het andere aan de circulatie onttrokken. En daardoor kreeg het volk der werkers zooveel vertrouwen, dat het werk niet een enkelen dag stilstond.
Bij zulk een edele geestdrift, in zulk een gloed van ijver en werkkracht verrees die stad, die ik nu uit zee zag verrijzen, toen het schip naderde. Eindelijk lag ze schitterend voor ons uitgespreid.
Wij zijn juist de nieuwe invaart gepasseerd, waar de sterke batterijen van het Sint-Elmusfort zijn gevestigd, en de groote haven ligt daar als een prachtig meer met spiegelende oppervlakte, omringd door massieve bouwwerken.
Het is werkelijk een soort van binnenzee, waar kanalen en baaien op uitkomen, die de ruimte nog vergrooten, want zij vormen reeds op zich zelf veilige schuilplaatsen, waar geheele vloten zich zouden kunnen verbergen, om het juiste oogenblik af te wachten voor een aanval op den vijand.
De groote haven of de Marsa, want ze heeft haar ouden arabischen naam behouden, is zelve in twee deelen verdeeld door een schiereiland, dat als in een felle spoor uitloopt in het fort Saint-Ange op Isola Point. Op het oostelijk uiteinde staat het fort Ricasoli, genoemd naar den italiaanschen burgemeester, die het liet bouwen; in het zuidoosten en zuiden zijn het Sint-Michelsfort en het fort Salvator door zware versterkingen omgeven. Ze herinneren aan den Grootmeester Nicolaas Cotoner, die hun de verdedigingsmiddelen schonk.
Waarheen het oog zich wendt rondom den grooten plas, overal staren u in het licht de dreigende reuzenbouwwerken tegen met hun strakke profielen.
La Valette lijkt op niets wat ik reeds heb gezien; het is een eenig schouwspel, en men krijgt lust, het voor iets fabelachtigs te houden. Het is een opeenhooping van wanden van vuurmonden en vlammende rotsen, vol gaten als een honingraat. Tusschen de steilten ziet men de kanalen en grachten, en het maakt den indruk, of een steengroeve van cyclopen door de zee is overweldigd. Al de gebouwen der sterke forten gelijken op elkaar; alle hebben ze denzelfden vorm en dezelfde kleur. Wal volgt op wal met gekanteelde muren, en naast de eene rots verrijst onmiddellijk weer een andere. Hier en daar schijnen bastions in de lucht te hangen, men kijkt tegen bogen aan of tegen hooge torens met terrassen.
Dat eerste opdagen van La Valette is in mijn herinnering nog altijd even frisch gebleven als op den eersten dag toen ik er kennis mee maakte.
Als ik de oogen sluit, zie ik alles, de straten der stad met de hooge huizen, waar uit de vensters kleurig linnengoed te drogen hangt, dat door den wind wordt bewogen. Het was als op een feestdag, want het leek of de oude muren vlagden, en lompen worden zelfs mooi in het volle zonlicht. Ik kan nog telkens het vizioen vernieuwen van die eindelooze reeks vensteropeningen in die forten uit de legende, het spiegelende water en de stroomen van licht, die over de wijde ruimte vloeiden.
Ik zie weer op de kaden de drukke volksmenigte, de altijd weer bij de landingplaats aankomende booten, die koopwaren of passagiers innamen en dan wegvoeren; de uithangborden der winkels van scheepsbenoodigdheden met namen, die zoo moeilijk te begrijpen zijn, als alles wat het zeewezen aangaat.
Zoodra wij de haven binnenvoeren, waren de koetsiers uit de stad snel komen aanrijden. Zij veroorzaakten een opstopping op de kade en gesticuleerden om het hardst, om klanten te lokken, terwijl ontelbare bootjes om het schip heen draaiden en hun diensten aanboden met veelzeggende mimiek. De kleine booten zijn eigenaardig; ze gelijken wel iets op gondels, niet door hun sierlijkheid, want ze zijn kort en dik, maar door hun hoogen voorsteven. De meeste zijn groen geverfd en met bizarre teekeningen versierd. Aan weerszijden van den voorkant ziet men een oog geteekend van naïeve uitdrukking en vorm, wat het bootje er als een zeemonster doet uitzien. Over de meeste is een gekleurd zeil gespannen.
Ik volgde met belangstelling de voorvallen op de kade en bleef nog eenigen tijd aan boord. Eindelijk vertrok ik, en een kales bracht mij in snellen draf langs een helling naar de Levantstraat.
Overal hetzelfde verblindende licht, dat met het vele opdwarrelende stof aan La Valette het aanzien geeft van een brandende stad. Enkele fijne, violette schaduwen gaven in de gebouwen vormen van menschen en dingen aan. De meeste straten kwamen op de zee uit. De menigte liep af en aan even druk als aan het strand. Ernstige Arabieren, in hun burnoes gedrapeerd, vormden door hun kalmte een sterke tegenstelling met de Maltezers, de Grieken en de Levantijnen; een paar kooplieden van verkoelende dranken, met een vaatje op zij, boden hun waar aan, en van tijd tot tijd kwam een dorstige voorbijganger begeerig drinken.
Nu en dan kreeg ik op die wandeling door La Valette een vizioen van op rijen staande zwarte kanonnen, van scheepsmasten, dicht opeen gedrongen als boomen in een bosch, het wandelend bosch van Shakespere. Verscheiden straten zijn niet anders dan trappen, zoo bijvoorbeeld de Santa Luciastraat. Aan de meeste daarvan hebben de huizen platte daken met balkons met ramen erin, zeker een engelsche uitvinding.
De huizen in La Valette en op het geheele eiland Malta zijn gebouwd van een zachte, verblindend witte steensoort, afkomstig van het eiland. Langen tijd is er in dat gesteente een levendige uitvoerhandel gevoerd, omdat het zoo gemakkelijk te bewerken was, vooral naar Smyrna en de andere steden van de Levant.
Maar er zijn heel wat bezwaren aan die steensoort verbonden, want ze ondervindt sterk den invloed van het weêr, wat waarschijnlijk door de uit zee opkomende dampen bevorderd wordt. Ook geeft de verbazende witheid van de huizen aanleiding tot een terugkaatsing van het licht, die nadeelig is voor de oogen. De Maltezers kunnen aan het gesteente door polijsten een glans geven, die het op marmer gelijken doet.
De huizen hebben veelal platte daken, met buizen tot afvoer van het regenwater. Die daken, waarop bloemvazen en kuipen met planten prijken, zijn dikwijls kleine tuintjes, waar de bewoners op zomeravonden frissche lucht zoeken; ze gebruiken er ook vaak de maaltijden en ontvangen er gezelschap.
Op de hoeken van sommige straten staan heiligenbeelden in nissen, en de vrome Maltezers houden er nacht en dag de lampen brandende.
Het rijtuig hield eindelijk stil voor een hôtel. Ik rustte er uit in de schaduw, nog geheel verblind door de stroomen van licht, die langs en over mij waren gevloeid.
Nu was ik dan te La Valette, de oude hoofdstad van Malta, maar ik was er als onbekende, zonder aanbevelingsbrieven voor de enkele Franschen, die er woonden. Het beste in de gegeven omstandigheden was, mij aan te melden aan het fransche consulaat, waar ik kans had, vriendelijk te worden ontvangen. Dat was een goede gedachte; de consul was een hulpvaardig man, aangenaam in den omgang en bereidwillig gestemd ten opzichte zijner landgenooten.
Nog dienzelfden avond begaf ik mij met een brief van onzen consul naar de wijk Guardia mangia Pietà, waar een fransch koopman woonde, die sinds vele jaren op Malta gevestigd was. Hij had zich een mooie positie verworven en, naar men zeide, een aanzienlijk vermogen. Zijn naam was Ribot, en hij ontving mij met open armen.
Hij praatte veel met mij over de Maltezers. "Ik heb al sedert het begin van mijn zijn hier opgemerkt", zei ik tot hem, "dat hun gezicht een voor mij geheel nieuw karakter heeft, met die breede wangen, groote ooren, die ver naar achteren staan, de zwarte haren en de dikke bossige wenkbrauwen. Het komt mij in het geheel niet twijfelachtig voor, dat dit ras van phoenicische afkomst is. De Maltezer is levendig en bewegelijk; men voelt het, dat hij zich gelukkig voelt op zijn rots te midden der golven in een element van zonnegloed en zee."
"Ja, zoo is het inderdaad," antwoordde mij de heer Ribot, "de Maltezer is in zijn element, beter dan de anderen, die hier wonen. Morgen zult U opmerken, dat de vreemdelingen bleeke gezichten hebben met een vermoeiden trek, alsof hun bloed verdroogd was in de hitte der zon."
En op het gelaat van den spreker las ik de teekenen van neurasthenie, die hij zelf mij aanwees.
"Het komt," zei hij, "dat hier niets herinnert aan de geurige frischheid onzer kleine steden, de fluweeltint onzer heuvels en de geheimzinnige bekoring onzer dalen. Het geruisch der zee, en op dagen van boos weer het gebulder van den wind om de rotsen vervangen voor een poos de groote hitte van den zomer en de onbeschrijflijke doodschheid der in de gloeihitte der zon verpoeierende rotsen. Alleen des avonds herademt men en begint opnieuw te leven. Vaak ook zenden de winden uit de woestijnen van Afrika ons hun brandenden adem toe, en het zijn enkel de winden uit het Noordoosten, die de buitengewone warmte soms wat temperen."
De winter is gewoonlijk zeer zacht op Malta; het is een echte lente met overvloed van bloemen, die schitteren in rijke kleuren en verrukkelijk geuren. Een groot aantal engelsche familiën komen dan ook den winter op het eiland doorbrengen.
Een der gevaren van het klimaat zijn de plotselinge overgangen van hitte tot koude, die onophoudelijk terugkeeren, en waar het menschelijk lichaam zeer gevoelig voor blijft.
De vreemdeling vooral moet zich in acht nemen voor dit bezwaar, dat de Maltezers niet zoo sterk gevoelen. Als de zon brandend heet schijnt en de terugkaatsing van het licht verblindend is, krijgt men over het transpireerende lichaam bij den een of anderen hoek van een straat een ijskouden wind uit zee te voelen.
Zulke klimaatstoestanden zouden het waarschijnlijk maken, dat het leven der inboorlingen er door verkort werd; maar dat is in het geheel niet het geval. Het is volstrekt geen zeldzaamheid, hier wakkere grijsaards te ontmoeten, die nog in het bezit zijn van al hun vermogens en van de betrekkelijk groote lichaamskracht, welke zij tot op zeer hoogen leeftijd behouden. De Maltezers hebben zeker aan dit klimaat, dat de zenuwen voortdurend gespannen houdt, een buitengewone bewegelijkheid te danken van gevoel en van armen en handen, waardoor zij verbazend druk gesticuleeren. Ze hebben ook heftige hartstochten. Voor handel en scheepvaart toonen ze zich intusschen zeer geschikt, en hun eiland hebben ze zeer lief; die kalkrots Malta noemen zij de bloem der wereld, "fiore del mondo."
Ik heb overal opgemerkt, dat de eilandbewoners zeer aan hun land zijn gehecht, welks natuurschoon ze met naïeve overdrijving bewonderen, zooals ze ook vol lof zijn voor wat hun soldaten en hun mannen van wetenschap praesteeren. En het is ook immers algemeen bekend, dat hoe ondankbaarder de grond is, waar iemand woont, des te meer moeite kost het hem, zich ervan te verwijderen en des te meer is hij eraan gehecht.
In de dorpen van het binnenland op Malta ondervindt het huiselijk leven nog den invloed van de oude oostersche gebruiken. De mannen hebben de geheele oostersche jaloerschheid, en de vrouwen leiden een leven van afzondering. Een oude arabische spreuk schijnt er nog in eere te worden gehouden, namelijk dat de vrouwen slechts tweemaal in haar leven in het publiek moeten verschijnen, bij haar huwelijk en bij haar dood. De schoonste lof, die haar te beurt kan vallen, is in de oogen van den Maltezer, dat er nooit over haar wordt gesproken. Te La Valette is zulk een strengheid niet op te merken; de aanhoudende aanwezigheid van vreemdelingen, die er door den handel heen worden geroepen, de invloed van het vroegere Ridderhof, de bals en de schouwburgen hebben der vrouw meer vrijheid geschonken.
Maar die vrijheid is slechts schijn, en alleen de dames der uitgaande wereld hebben er voordeel van. Tijdens mijn verblijf te La Valette wenschte ik een der vele mooie kantwerkstertjes te teekenen, die in hun fijne zijden weefsels nog het kruis der Maltezer ridders borduren, te midden van de grilligste versieringen. Ondanks alle moeite, die de heer Ribot in het werk stelde, en ofschoon hij toch al zoo lang in het land woonde, ondanks het aanbod van een hooge belooning, kon hij geen familie vinden, die bereid was, een haar vrouwelijke leden voor een schilder te laten poseeren. Het gelukte mij zelfs niet, een enkele dier kantwerksters aan het werk te zien.
Ze zijn bekoorlijk, die Maltezer vrouwen; ze schijnen van de rotsen een tint als van doorschijnend ivoor te hebben aangenomen. Meestal zijn ze niet groot en hebben fijne trekken, iets onzegbaar teêrs, en haar groote oogen hebben een zachten glans onder de faldetta. Die faldetta is een soort van zwartzijden mantel, die tot het middel reikt, om het hoofd heengaat en er in een halven kring door stijf gaas van af wordt gehouden, zoodat zij het gelaat voor zon en wind en voor onbescheiden blikken behoedt. Als in een zijden schelp met liefelijken glans rust dus het hoofd, en met de hand wordt dat omhullend kleedingstuk gracelijk vastgehouden, terwijl ze er mee kunnen manoeuvreeren juist als de mooie Spaansche met haar waaier.
Deze fijne, teêre vrouwen hebben voorbeelden van heldenmoed gegeven, waartoe men ze, op het uiterlijk afgaande, niet in staat zou hebben geacht. Bij allerlei gelegenheden hebben ze haar eiland met moed verdedigd, vooral onder het beleg door Soliman den Tweeden.
De secretaris van het fransche consulaat, dien de consul wel te mijner beschikking had willen stellen, vond er een genoegen in, mij de bezienswaardigheden en het karakteristieke van La Valette te laten zien. Hij was mij een onwaardeerbare gids, en zijn groote bereidwilligheid verloochende zich nooit een oogenblik. Altijd vond ik hem gereed, mij met zijn vrijen tijd ten dienste te wezen.
"Als u wilt," zei hij op een dag tot mij, "zullen we van avond samen naar De Barraca gaan."--De Barraca?"--"U zult het wel zien. De Barraca is een zaak, waar men hier trotsch op is, en niemand, die in La Valette is geweest, mag vertrekken zonder de beroemde Barraca te hebben leeren kennen."
Des avonds begaven wij ons naar de bovenstad, op het gebied der hooge wallen. Daar betreedt men een donkere laan, waar eenige wandelaars loopen. Wij waren aangeland onder groote bogen, toen mijn gids uitriep: "Hier zijn we er!" Ik had gedacht aan een nachtelijke excursie naar ruïnen, want de naam Barraca alleen zei zoo weinig, en ik liet mijn oog zoekend rondgaan, om brokken muur te vinden of ontmantelde vestingwerken. Maar tegen de met sterren bezaaide lucht teekende zich geen enkele vorm af.
"Nee, nee," zei mijn begeleider, "naar beneden moet u kijken, heelemaal naar beneden."
En toen, tegen een balustrade leunend, keek ik naar beneden in het ledig. In de gapende diepte, de nachtelijke geheimzinnigheid, pinkten overal lichtjes, die in de verre verte al flauwer werden. Men kon de afstanden onmogelijk met juistheid schatten; maar heel ver schenen de lichtjes zacht te verdwijnen, om zich in de sterren op te lossen. In den helderen azuren hemel raakten ze den Melkweg, die als een doorschijnend gaas tot bij het zenith aan den hemel dreef.
Toen mijn oogen langzamerhand aan het duister gewend raakten, begon de nacht mij flauw verlicht te schijnen, en de aanvankelijk niet te onderscheiden vormen teekenden zich scherper af. Beneden ons heel in de diepte kon ik de stad met de haven vóór ons uitgespreid zien liggen.
Maar het was nog meer raden dan zien in dien afgrond, waar in het bleeke maanlicht bewegelijke lichtplekken zich bij en in de haven heen en weer bewogen.
Soms gingen plotseling lichten uit, en even plotseling werden andere ontstoken, vlamden op, gingen ten halve uit, om spoedig weer op te duiken. Het waren de lichten der stad, die aan onze voeten lag, de veelkleurige seinlichten en vuurtorens in de haven, de lichten van schepen en booten, die flikkerden en beefden, nu eens nader schenen te komen, dan terugweken als vallende sterren, of aan den horizon uiteenspatten als meteoren, terwijl er ook als pijlen in de schuimende zee neervielen.
Van beneden rezen, ik weet niet van waar, groote boomen omhoog, welker donkere silhouetten zich scherp afteekenden tegen het zoo vage beeld van het nachtelijk La Valette. Toen bespeurde ik zeer dicht bij ons de donkere profielen van enkele Maltezers, die onbewegelijk als beelden op hun rots stonden; naast hen, met de band onder de kin, stijf en hoekig een paar engelsche officieren, die onbewogen schenen te blijven tegenover de met sterren bezaaide zee.
Weinig panorama's kunnen een vergelijking doorstaan met dat van de Barraca superiore. Ik heb het op alle uren van den dag en nacht gezien, en in het heldere daglicht heeft zich de indruk van den nacht verduidelijkt. Van dit hooge punt omvat men de gansche uitgestrektheid der havens, en vanaf het fort Ricasoli aan den ingang der Marsa tot aan de nieuwe haven krijgt men de enorme uitgestrektheid te aanschouwen van een nu vooruitspringende, dan terugwijkende lijn, welke aan de kust den zoom van drie afzonderlijke steden afteekent, maar die dichtbij elkaar liggen en bijna in elkander overgaan. In het midden verrijst het historisch kasteel Saint-Ange, met de vier zware, naar buiten gerichte batterijen. Hier en daar bespeurt men opeenhoopingen van huizen, reuzengroepen, die aan den eenen kant uitloopen op een langen gordel van versterkingen, de Cotonera, aan den anderen bij de groote haven.
Op grooteren afstand breidt zich het open veld uit met zijn dorpen, en de klokkenhuizen, die op groote torens gelijken. Onder de voeten van den toeschouwer, onmiddellijk beneden hen, bevinden zich de kaden, waar het altijd druk is, met rechts de huizen van La Valette, de statige paleizen uit den tijd der ridders, en de campanile's.
De indruk, dien men krijgt, is die van ver weg zich op vleugels te hebben laten dragen; zoo schijnt het over dag, en des nachts kan men niet onder woorden brengen, wat men voelt; men is als het ware heengebogen over de ijle ruimte, waarin ongekende werelden zweven. En zoo geeft dus de dorre rots van Malta nieuwe, onverwachte tooneelen te zien. Ook dingen van wonderbaar poëtischen aard had zij voor mij bewaard.
Op een avond in de schemering, toen het stadsgewoel tot rust was gekomen en een parelmoeren licht zich over de ivoren stad uitspreidde, kwam ik op de markt tegenover het paleis van den Gouverneur. Aan den horizon, dien ik aan het eind der straten onduidelijk kon waarnemen, trokken nevels op. De zee lag kleurloos en vlak als een spiegel. En toen liet zich op het eenzame plein een zeer zachte muziek hooren. Het leken de zangen, gekomen van de in nevels gehulde bergen van het Noorden, zoet en klagend; men wist niet, of zij zongen van een droevig verleden of van een hoopvolle toekomst. Muziek doet dadelijk beelden voor mijn geest verrijzen. Hier zag ik de uitgestrekte heiden der landes, zoo ver het oog reikte, onder een grijzen hemel; bergen met donkere wouden, een verlaten land, en ik voelde mij koud door een onuitsprekelijk gevoel van vereenzaming....
Het was de muziek van de pijpers, de doedelzakblazers van de Hooglanders; soldaten van dat regiment liepen op het plein heen en weer, in automatischen pas, ernstig en onverschillig. Zij droegen de kilt, het korte rokje, geruit in de kleuren der clan, de muts met wapperende veeren, de plaid in heldere kleuren, met een gesp op den rechter schouder vastgehecht, en toen ik ze daar zoo kalm en ernstig zag loopen, meende ik, dat de tonen der bekende instrumenten in hun ziel de vriendelijke herinnering wakker riepen aan hun ver vaderland, en hun intieme, innige gewaarwordingen gaf.
Het tooneel was van korten duur; zij liepen een zeker aantal malen het plein op en neer, keerden met korten zwaai om, toen ze aan het eind gekomen waren, en toen de serenade afgeloopen was, verdwenen ze. Ik bleef. De tonen, zoo klagend, die ik pas had gehoord, ruischten nog in mijn ooren, en in die op het eind loopende schemering, op dat plein, dat de Maltezers schenen te vermijden op dit uur, terwijl de muziek der veroveraars er zich liet hooren, droomde ik van de schotsche heiden, die zoo aangrijpend somber zijn, van dien laag hangenden hemel vol wolken, waar zij zich in het oneindige in voortzetten.
Thans kregen de witte straten van La Valette, straten nog lauw van de hitte van den dag, een vreemde, doorzichtige tint in die onwezenlijke schemering. Op zee was alles rustig; zij was als een bleeke afgrond, waaruit de dorre rots oprees.
Welk een roerend denkbeeld voor een volk van zaken, om elken dag op deze rots, waar zooveel bloed gevloeid heeft, die muziek te doen hooren, die aan het afwezige vaderland herinnert! Herinnering en hoop gemengd, aan de zee toevertrouwd, vóór men zich ter ruste begeeft.
La Valette is, zooals wij reeds hebben gezien, amphitheatersgewijze gebouwd op een schiereiland, dat de beide voornaamste havens van Malta van elkander scheidt. De stad heeft een treffend, zeer bijzonder aanzien.
Drie hoofdpoorten geven toegang tot de stad, de Koningspoort, de Marinepoort en de poort van Marsa-Muscet. Twintig straten loopen door de stad, acht in de lengte, twaalf in de breedte. Ze zijn geplaveid met een zeer hard gesteente, zoncol genoemd, dat wel wat op Portland gelijkt en op den romeinschen travertino.
Onder de mooiste en breedste straten van La Valette heeft men eerst de Strada Reale, die over den top gaat van het schiereiland, waar de stad op is gebouwd en dien in de geheele lengte doorsnijdt van het Sint-Elmusfort tot aan de Koningspoort, voerend naar de voorstad Floriana, Als men er door gaat, heeft men eerst het Giorgio- of Raadhuisplein, dan het Bankplein, en verder draagt de straat verschillende namen.