De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 61
Het schijnt dat hier, net als te Slivno, een rest woont van den een of anderen aziatischen stam, die nog sterk mongoolsch is, misschien vermengd met negerbloed. Ze maken den indruk van Kalmukken met sterk vooruitspringende jukbeenderen, zeer prominente onderlip en een daarbij passend kapsel, met op het voorhoofd een rij van lange ongekamde haren, die in donker door den een of anderen regimentskapper schijnen te zijn geknipt, terwijl van achteren vier of vijf kleine vlechtjes hangen, ten halve bedekt door een doekje en versierd met een onzinnig groote bloem, bij voorbeeld een pioen of een groote tros seringen. De verloofden voegen daar nog een heelen toren bij van veêren en rozen en gekleurde linten met kettingen van op den rug afhangende munten en verder colliers van penningen, armbanden, ringen, een heelen galanteriewinkel, waardoor ze er echt als wilden uitzien. Maar ze zijn ook halfwild en in verrassende mate onbeschaafd.
In dit dorp doen de vrouwen als in vele andere in deze streek nog aan allerlei industrieën en op zeer primitieve manier, zoodat het blijkt dat men er nog niets moet hebben van onze moderne machines. Overal ziet men kleine ovens, waarin elk gezin zelf zijn brood bakt, terwijl men voor eigen houtskool zorgt als brandstof en zelf zijn linnen spint en weeft.
Van Bela reden wij naar Slivno met een omweg over de steenkolenontginningen van Katsjarka. Weer overal begroeide heuvels. Wij daalden langs een klein dal, dat te Slivno uitkwam, nu eens de bedding der rivier volgend, dan de hellingen beklimmend, om een bocht af te snijden. Men komt nog al wat menschen tegen, te voet en te paard, maar in het geheel geen huizen, tot bij Slivno, waar op groote onderlinge afstanden molens zich vertoonen, daarna ook fabrieken en grootere gebouwen.
Het landschap krijgt werkelijk een grootsch karakter; de droge bedding der rivier wordt breeder, heeft kale rotswanden en vertoont een echt berglandaanzien.
Onze karavaan ziet er in dat breede dal vol steenen tusschen de kleine witte wateradertjes en de hooge hellingen, waar geen of weinig plantengroei is, min of meer algerijnsch uit.
Slivno, waarvan de naam beteekent "samenvloeiing", omdat het aan het punt van samenkomst van drie dalen ligt, is een industriestadje van 24000 zielen, het vijfde van Bulgarije. Er zijn veel lakenfabrieken, een tiental wel in het dal, waardoor wij rijden, en overal zagen wij vrouwen bezig met het uitspreiden, drogen, omkeeren of oprapen van hoopen witte of bruine wol, die op de steenen in de rivier hadden gelegen.
Daar is dan eindelijk het stadje, een indruk van rood tegen een achtergrond van donkere heuvels, en dichterbij gekomen, zien we leelijke, onsmakelijke voorstadjes met lage huizen, een onthoofde minaret, een paar openbare gebouwen in tuinen en, onder veel lage woningen, enkele van wat beter voorkomen.
Twee zijden van Slivno zijn wel aardig, de bovenstad met de Zigeunerwijk en de blauwe rotsen, en dan de benedenstad aan het stroompje, dat zich in de Toendsja stort. Ik ga eerst omhoog, zooals een conscientieus reiziger altijd moet doen, om een overzicht van het geheel van een stad te krijgen.
Aan den noordkant leunt de stad tegen rotsachtige kalkgebergten met een voor Bulgarije ongewoon voorkomen, dat aan Dolomietgebergten doet denken. Ze worden prachtig door de ondergaande zon verlicht, en in de diepten liggen zware donkere schaduwen van blauwe tint, die den naam van Blauwe Bergen verklaren. Aan het andere einde van de stad, meer naar beneden, ziet men in de verte een groote rivier over een breede steenachtige bedding zich spoeden naar een reeks van donkere heuvels aan den overkant van een reuzenvlakte, alsof ze daar de zee vermoedde.
Terwijl ik dit mooie schouwspel voor oogen had onder een dreigenden onweêrshemel met heldergele strepen tusschen de zwarte wolken, werden mijn oogen getrokken naar een druk bewegende menigte in een weide op de berghelling boven de stad. Daar begaf ik mij onmiddellijk heen, om het tooneel van dichtbij te zien. Het was daar een leelijke, armoedige wijk, die de stad ontsierde, en zelfs voor een vreemdeling kan men het geen schilderachtige plaats noemen, maar ze is wel amusant door de verschillende typen en kleederdrachten.
Daar houden zich de Zigeuners op, met zwarte haren en een tint, zoo donker, dat de menschen wel negers lijken, vooral ook door de ver vooruitspringende onderlip en den platten neus. De mannen droegen turksche kleeding, en de vrouwen hadden buitensporig groote bouquetten in het haar van kunstbloemen of natuurlijke bloemen, met veêren en andere sieraden, zooals ik al noemde bij de vrouwen van Bela. De dichte menigte menschen was druk in de weer, schreeuwde, gesticuleerde en scheen de brandende zon in het geheel niet te voelen, want telkens gingen er paren dansen, in een ronden kring, of in lange rijen.
Langs de weide aan den kant stonden lage hutjes van leem, geel en vuil en vensterloos, terwijl de stad op den achtergrond te zien was met pannen daken op de in het groen verscholen huizen. Toen ik er was binnengegaan, vond ik er niet veel bekoorlijks, maar een rij van turksche winkels zorgde toch nog voor de noodige kleur.
Een eind ten zuiden van de stad ligt een warme bron, waar een badplaats bij is ingericht met al wat daarbij behoort, zoodat het niet enkel een gewoon turksch bad is. Van daar uit ben ik op mijn eerste reis naar het station Karamenli gegaan, aan de lijn van Yamboli naar Nova Zagora, om naar Sofia terug te keeren. Maar enkele maanden later arriveerde ik weer te Nova Zagora, om over den Sredna Gora naar Tvarditsa te gaan, dan naar Slivno en verder den Balkan over te trekken langs Kotel naar Djoemaïa. Eenige schetsjes, ontleend aan dat tweede uitstapje, zullen de algemeene voorstelling van den Balkan voltooien, gezien dezen keer niet in den bescheiden tooi van September, maar in het groene kleed van Mei.
Nova Zagora, dat nog al pompeus op de kaarten staat, is slechts een stoffig dorp, groot en somber, waar onze eenige interessante bezigheid hierin bestond, dat wij niet zonder moeite er een rijtuig huurden voor ons uitstapje in den omtrek van de volgende dagen. Daar blijft men in dezelfde eentonige vlakte, die alle centrale laagten van Bulgarije inneemt, en zich voortzet tot de eerste heuvelrijen, hier voorgesteld door de voortzetting van den Sredna Gora.
Maar als men die hoogten over is, en naar de Toendsja afdaalt, is de verrassing groot en alleraardigst. In plaats van een steenachtige bedding, als zooveel rivieren in het Oosten hebben, of een dun waterloopje, vloeit hier een breede stroom van helder water, omzoomd door groote boomen, bezet met kleine eilandjes en met telkens molens aan zijn oevers. Hij beschrijft tal van bochten en gaat zigzagsgewijs gneissheuvels door, die heerlijk begroeid en door de zon verguld zijn.
Waar de weg en de rivier elkaar ontmoeten, is de badplaats, waar wij zullen logeeren, en die door enkele gebouwen wordt aangewezen. Daar rondomheen is een overvloed van groen; veel wilgen en populieren steken hun kruinen helder af tegen het goud van de ondergaande zon op den achtergrond van blauwe heuvels.
Men zou, en dat is geen gering compliment, zeggen, dat het een mooi riviertje van Frankrijk was, iets tusschen de Loir en de Sioule in Auvergne. Het moet voor de Bulgaren een waar genoegen zijn, uit hun warme vlakten van Yamboli, Zagora of Philippopoli zich hierheen te verplaatsen, naar dit coquette badplaatsje, om er de baden te gebruiken en van allerlei kwalen genezen te worden, door in de schaduw te wandelen langs de oevers van het rustige riviertje en des morgens te ontwaken door het gezang der vogels.
Toen wij zelf op die manier wakker werden, was het prachtig helder weêr; de velden waren groen, zoowel weide als bouwland, in deze mooie Meimaand, en overal was het land golvend en door boschjes afgebroken, die hoogerop tot groote eikenbosschen werden. Zoo daalden wij af in het dal der rozen, dat we in het najaar geheel kaal en ledig hadden gevonden, en dat nu herschapen was in een oneindige groene vlakte.
Ongelukkig waren de rozenstruiken van Tvarditsa, wier bloei ons was beloofd, dit jaar ten achteren, ofschoon het al de 17_de_ Mei was, zoodat wij nog maar enkele knoppen geopend zagen. Van Tvarditsa bereikten wij bij Binhos het dal der Toendsja. Het land is niet bepaald heuvelachtig, maar is toch niet zoo eentonig als de vlakte. Het is daarbij van het helderst groen, waartegen de witte koeien in de groote weide sprekend uitkomen, evenals de zwarte buffels en de hier en daar verspreide paarden, die langs de rivier op de weide liepen te grazen.
Als men Slivno achter zich heeft gelaten, volgt de weg naar Kotel nog drie uren lang de vlakte, voor hij begint te stijgen. Altijd hetzelfde vruchtbare en eentonige dal, dat wij nu langzamerhand wel grondig kennen. Eindelijk wenden wij ons naar het Noorden en passeeren eerst een heuvel van een honderd meters, om daarna in het Mokrenidal te dalen. Daar houdt men gewoonlijk rust op het terrasje, waar men het uitzicht heeft op den tuin, en een twintigtal bulgaarsche boeren aan een tafel ziet zitten, met hun bruine mutsen en roode gordels tegenover elkaar gezeten, alsof ze zoo een koor uit een opera zullen gaan zingen.
Na Mokreni volgt de Balkan, die nog niet steil is en waarvan, ten minste tot Kotel, de hellingen ongeloofelijk zacht zijn. Het groote centrale woud van den Balkan bestaat ongelukkig hier niet, en wij moeten ons met het lage eikenhout te vreden stellen, dat door de administratie van het boschwezen angstvallig wordt bewaakt en dat mogelijk eens in den loop der tijden mooie bosschen zal opleveren. Op vijfhonderd meter kregen wij een plateau met prachtig uitzicht; groote blauwe vogels vlogen voor ons op, in de weiden graasden talrijke kudden buffels, waarvan de Turken de haarlok op het voorhoofd met henneh kleuren, juist zooals zij de haren en de nagels hunner vrouwen graag gekleurd zien. Heldere bronnetjes spelen in het groen en vluchten weg onder de wilgen. De roode vlek van een gordel of een fez zorgt voor een fanfare, die de aandacht trekt.
Hoe verder men naar het Noorden komt, des te dichter worden de bosschen en des te meer groote boomen ontmoeten wij erin. Voor Kotel doen zich echte kloven voor tusschen de beboschte hellingen, met witte en grijze kalkrotsen. Overal bloeien in het bosch de seringen, zoodat alle vrouwen, die we op den weg ontmoeten, die bloemen in het haar dragen.
Eindelijk volgt een breed dal, dat tusschen boschrijke heuvels langzaam naar het stadje Kotel opstijgt, zooals het daar op een helling voor ons ligt.
Kotel is een oud, in de historie bekend stadje van den Balkan, een vroeger belangrijk provinciaal hoofdplaatsje, maar nu vrij ongeschikt gelegen in den bergpas. Een tiental jaren geleden is het bijna geheel afgebrand, dat was in 1895; misschien had men goed gedaan, toen van de gelegenheid te profiteeren en de plaats bij den herbouw naar elders te transporteeren. Men maakte er echter een quaestie van patriottische gevoelens van, en een nationale inschrijving werd in geheel Bulgarije geopend met het gevolg, dat ter eere der nationale herinneringen, Kotel op dezelfde plek weer werd opgebouwd, maar als een steenen in plaats van een houten stad. De huizen staan nu alle netjes in de rij, zijn alle banaal en aan elkaar gelijk en geven aan het geheel een schijntje van een industriestad.
Gelukkig bestaan er nog enkele hoekjes van het oude Kotel in de benedenstad, waar aan de rivier veel molens liggen en waar men de fabrieken van bulgaarsche tapijten vindt met hun ouderwetsche weefgetouwen. Des morgens bezochten we die wijk, om daar in de buurt de groote watervallen te zien, die als hun broeders uit Dalmatië, Bosnië en den Karst uit de kalksteenrotsen te voorschijn komen en dan in bruisende vaart diepe kommen vullen en zoo krachtig stroomen, dat de molens er lustig van draaien.
Dit was een aardig uitstapje, vooral omdat de rivier, die door de vallen wordt gevoed, zoo liefelijk door de met boomen beplante weiden stroomt onder houten bruggetjes door en langs de molens, waar de vrouwen aan het keuvelen zijn onder het ontwarren van de wol of het spinnen van het garen.
De echte kam van den Balkan, rijst vlak achter Kotel omhoog en wordt gevormd door die kalkbergen, welker spleten zooveel water absorbeeren en voedsel geven aan rijkvloeiende bronnen. Dit deel van onzen weg was geheel kaal, als de passen op de groote hoogten van de Alpen, waar men boven de grens van den boomgroei is. Beneden in de weiden ontmoetten wij een kamp van Zigeuners, vertooners van apen en beren. De mannen lagen in het gras en amuseerden zich met het oefenen van hun beesten. Hun donkere gezichten, bruine haren met roode vlekken erin en de bonte doeken en lappen, die rondom hingen, leverden een vreemd en boeiend tooneel op.
De Kasanpas is ook kaal met zijn steile kalkrotsen boven mager bosch; maar dan gaat het vlug naar beneden naar Titsja, waarbij geologisch een groote verandering intrad, waardoor ieder moet worden getroffen, ook al kent men er noch de verklaring, noch de ware beteekenis van.
Het is de plotselinge vervanging van het tafelland door het bergland. Hier zijn het horizontale kalklagen, die in de plaats komen van de verbrokkelde bergen, die wij sinds Kotel steeds voor oogen hadden gehad. Bij een rivierovergang kon men die horizontale structuur precies volgen, door de watervallen, die zich van de terrassen stortten. Toen verscheen Titsja aan den oever der rivier met de lage huizen, alle van hout en de kleine moskee.
Even namen wij den tijd, om de paarden te laten uitblazen, en gingen toen weer verder door het kreupelbosch, waar gewapende mannen met het voorkomen van roovers hier en daar de wacht hielden met het oog op den toevloed van menschen, door de groote kermis van Djoemaïa aangetrokken, waar zich de berenleiders en de goochelaars zouden vertoonen. Door de vlakheid der terreinen scheen het altijd, of wij de treden van een trap op of afgingen, want het geheele land had het karakter van een tafelland aangenomen, zooals ook eigen is aan het groote voorbalkansche plateau tot de Donau toe.
Osman Bazar ligt op een hooge vlakte met zijn roodgedaakte huizen, die op zijn turksch zeer laag zijn, en met vier of vijf minarets. Wij hielden stil op een groot, leêg plein tegenover een vierkanten toren, waarop een klokkentoren van hout, en waarnaast rechts een rij van lage huizen is te zien, terwijl links een oud bouwvallig bouwwerk waarschijnschijnlijk een overblijfsel is van een turksch bad. Er ging een weg omhoog naast onze herberg naar een grooten put met langen hefboom, een bewijs, dat we uit het gebied der bronnen zijn gekomen in dat van den eigenlijken Balkan.
Op het plein speelden kinderen vroolijk allerlei spelletjes, turksche kinderen met roode fez, roode of witte tulbanden en roode, paarse of oranje kieltjes.
Na Osman Bazar begon terstond een bosch van groote eiken, het eerste echte woud in dit deel van het gebergte, en vervolgens doet zich het land voor als een groene, golvende vlakte, met hagen en boomen in het veld en veel stroomend water.
Eindelijk gaan wij door den Dewentpas, een bergplooi in het tafelland, die een eigenaardig bergland vormt, verbrokkelde rotsen en door erosie uitgespoelde terreinen, naast steile bergen en diepe kloven.
In die kloven werden de bosschen en het kreupelhout weer bewaakt door gewapende Turken of Bulgaren, die op roovers geleken. Bloeiende seringen gaven aan de boschjes een lila tint. Daar zijn we eindelijk weer in de vlakte, volgend op het bergland, zooals dat laatste op het plateau was gevolgd. Het is, of wij van een hoog terras naar beneden zijn gedaald, en met ons doen dat de ontelbare stroompjes en wateradertjes, die door de bergen zijn gefiltreerd.
Nog enkele kilometers, en de Balkan verwijdert zich al verder van ons; tegen het vallen van den avond komen wij het volkrijk stadje Djoemaïa binnen, en treffen er de schilderachtige tooneelen, eigen aan die groote turksche markten of kermissen, die gedurende enkele dagen uit verren omtrek de menschen doen toestroomen als naar een geïmproviseerden bazar.
Malta en de Maltezer Orde.
Naar het Fransch van GASTON VUILLIER.
I.
Van Syracuse naar Malta.--La Valette en de stichting door den Grootmeester der Orde.--Aankomst in de groote haven.--Aanzien van de stad.--Koetsiers en schippers.--De witte steenen huizen.--Terrasvormige daken.--Mannen en vrouwen van Malta.--Het huiselijk leven.--Het gezelschapsleven.--De kantwerksters.--Een avond in de Barraea.--Het Hooglandersregiment en hun muziek op het plein.--De hoofdstraten.--De paleizen.
Ik was voornemens, mij van Tunis naar Malta te begeven, om er de plechtigheden van de Heilige Week bij te wonen, die mij als zeer origineel waren aanbevolen. Daar echter een onverwacht besluit van de engelsche autoriteiten de haven van La Valette gesloten had verklaard voor uit het Oosten komende schepen en voor wat van de kust van Afrika kwam, moest ik mijn reisplan veranderen. De vrees voor het overbrengen van de pest bij het bestuur van Malta leidde er dus toe, dat ik een plaats besprak op een paketboot van de Compagnie Générale Transatlantique. Deze bracht mij naar Tripoli, en ik had er geen spijt van.
Maar de toen opgedane ondervinding en een groot aantal andere omstandigheden, die zich in den loop van mijn reizen voordeden, deden mij besluiten, voor het vervolg geen vast reisplan te maken. Ik vond er meer genoegen in, mij op goed geluk te laten gaan, mijn fantasie te volgen of het toeval te laten beslissen.
Onder zulke omstandigheden nam ik plaats aan boord van een italiaansche stoomboot, die zich gereed maakte om uit te varen. De bestemming liet mij vrij koel, want een horizon vol geheimzinnigheden had toen groote aantrekkelijkheid voor mij. Het was te Syracuse, dat ik mij inscheepte, en toen ik mij op de brug bevond, zag ik om naar den grond van Sicilië, die mij zooveel rein en edel genot had geschonken, zooveel uren van bekoring in zijn toovertuinen en van angstige ontzetting op de woeste hellingen van zijn kraters. Ik moest nu misschien voor altijd dat mooie Trinakria vaarwel zeggen, en het was mij, of ik een deel van mijzelven achterliet tusschen de verre heuvels, die in de schaduw wegscholen.
De stad begaf zich ter ruste in het bleeke licht van den scheidenden dag. In den brandenden zonneschijn had ik de bergachtige omstreken doorwandeld tusschen de instortende oude muren, die resten zijn van monumenten uit een grootsch verleden. Ik had de tempels bewonderd van het antieke Ortygia, had rondgedwaald in de beruchte steengroeven van de Lautumiae en was genaderd tot dichtbij de geheimzinnige fontein, waar de nymf Arethusa, om hare liefde schreiend, eeuwig hare tranen mengt onder het water van de zee.
De avond was gekomen, en de stralen der maan, brekend door den nevel, wierpen als liefkoozend hun licht over de sombere grootschheid der oude heuvels. De duisternis roept droomen wakker; de ruimte vulde zich voor mij met gestalten, en ik zag het verleden oprijzen uit het stof en leven krijgen in die vage nachtelijke helderheid. Illusie! Alleen de asch der oude stad lag op de zwijgende hoogten en vervloog als alle glorie in het ledige, verstoven door den wind.
Weldra verdween Syracuse. Dichtbij ons trilde een vuurtorenlicht, ging weer uit om weer op te lichten en dan weer te verdwijnen, als een ironische glimlach van het lot, dat ons zelfs op zee herinnert aan zijn grilligheid en aan onze droomen, die illusies, aan onze wenschen, die bedrog zijn.
De uren glijden voort, ... het wordt dag. Wij krijgen Malta in het gezicht. De opgaande zon, die in haar maagdelijkheid rose uit het water opstijgt, werpt lichtjes op de muren van La Valette, dat in onbepaalde omtrekken zich aan het oog vertoont.
La Valette, dat ik vroeger slechts terloops had gezien onder een brandende zon, met zijn wallen en bastions en al, wat denken deed aan een heftigen strijd, die wel aanstaande scheen, dreef daar boven de zee als in een wazig spiegelbeeld. Teêr gekleurde wolken verborgen de op rijen staande kanonnen voor ons oog en verzachtten den aanblik der groote, fel dreigende, versterkte rots. Een damp dreef rustig op de oppervlakte van het water in golvende sluiers en zweefde door de lucht als een fijne wolk, die langzamerhand uiteenrafelde en zich oploste in het etherische licht van den morgen.
Naarmate wij dichterbij kwamen, ontdeed de stad zich van haar sluiers, om forsch en frisch, maar dor en koud, tevens het heldere zonlicht op te vangen. De aanblik is nog niet veranderd sinds den tijd, reeds lang geleden, toen de stad de zeeën beheerschte. Zij wekt nog altijd herinneringen aan oorlogsgeweld en krijgsmansglorie.
De beroemde stichter der stad, de Grootmeester Jean Parisot de la Valette, had als plaats voor de stad gekozen den berg Scebarras, een groote, kale rots, een soort van schiereiland tusschen twee ruime baaien, die de twee belangrijkste havens zijn geworden, Marsa en de quarantainehaven, Marsa-Muscet geheeten.
Het was in 1565 na de nederlaag van het leger van Soliman den Tweede, die het eiland had willen veroveren. De Grootmeester besloot partij te trekken van een oogenblik van rust in den strijd, om de door de Turken vernielde wallen weer te herstellen en de beide havens te verdedigen door het aanleggen van een nieuw fort op het schiereiland tusschen hen beide in. Op datzelfde schiereiland ging hij toen een stad bouwen, omringd door vestingwerken, waar het klooster en de woning der ridders veilig zouden zijn.
Met dat doel en vooral om den niet onaanzienlijken financiëelen steun te erlangen, dien hij noodig had, wendde de Grootmeester zich door tusschenkomst van de bij de hoven geaccrediteerde gezanten rechtsstreeks tot de koningen van Frankrijk, Spanje en Portugal en tot den Paus, evenals tot verschillende italiaansche vorsten. Die gezanten zetten uiteen, dat het niet voldoende was, Malta door een hardnekkigen tegenstand te hebben gered, maar dat men, nu het eiland nog door een handigen tegenstander kon veroverd worden, verplicht was, het zoo spoedig mogelijk te versterken, dat er nieuwe verdedigingswerken moesten worden aangelegd, nadat de gevolgen van het doorgestane beleg waren verholpen.
De afgevaardigden legden vooral den nadruk op die punten, welke voor de afzonderlijke regeeringen, tot wie zij zich wendden, in het bijzonder van belang waren, en toen ze melding maakten van het voornemen van den Grootmeester, om een stad te bouwen, legden zij de plannen over ter ondersteuning van het denkbeeld.
Al de vorsten, getroffen door de grootschheid en het nut van de voorstellen, beloofden, ze te steunen en La Valette bij deze onderneming te helpen. De Paus beloofde, eraan deel te nemen met vijftien duizend kronen, de koning van Frankrijk met veertig duizend livres, Filips de Tweede, met negentig duizend en de koning van Portugal met dertig duizend. De commandeurs der Orde stonden in edele belangeloosheid hun bezittingen af en gaven hun kostbaarste meubelen, om de onderneming te doen slagen.
Zonder tijd te verliezen, liet La Valette dadelijk ingenieurs, bouwmeesters en werklieden uit Italië komen, en kort daarna begaf zich de Grootmeester in plechtig ambtsgewaad, vergezeld door den Raad van Bestuur der Orde en gevolgd door al de ridders, naar den berg Scebarras, waar hij den eersten steen legde voor de nieuwe stad. Op dien steen stond gegrift het besluit van den Raad, dat wij hier vertaald uit het Latijn laten volgen.