De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 55
Dezen keer echter was er geen tijd om lang te zoeken en onverwijld moest hij met den schout van het naaste dorp onderhandelen. Het trof mij, dat de plek een arabische doear was, een tentdorp, zooals de nomadische Arabieren in Marokko plegen op te richten, waar zij een merkwaardig middending zijn tusschen hun voorvaderen, die nomaden waren in de arabische woestijn, en de burgerlijk levende Berbers, wier land zij voor een deel bezet hebben. Zulk een doear ziet eruit als een kamp, dat op weg is een dorp te worden. Vorm en maaksel der woningen zijn nog geheel die der kampen, lage, lange hallen van gerstestroo en geitenhaar, zwartbruin en onaanzienlijk. Ook de inwendige inrichting, die eigenlijk door afwezigheid schittert en alleen het allernoodzakelijkste keukengerei vertoont, herinnert nog aan de tent van een zwervend volk, sterke tegenstelling dus tot de in de steden wonende Mooren, die zoo verweekelijkt zijn, zich graag met pracht en praal omgeven en zich in den laatsten tijd al druk amuseeren met photografietoestellen, speeldoozen en grammophonen.
Om de een of andere reden en, naar ik uit de verklaringen van mijn tolk meende te begrijpen, wegens oude stamvijandschap, weigerden de bewoners van dit jammerlijke dorp mijn mannen het verlof, om den nacht op hun grond door te brengen. Tegen mij als vreemdeling en ongeloovige hadden zij, merkwaardig genoeg, niets in te brengen. Mijn Berbers van den stam der Andsjera scheen men geen gastvrijheid te willen verleenen. Zoo kwam het tot heftige woorden en dreigende gebaren, en ten overvloede heette het, dat men ons met geweld verdrijven zou.
Ik beproefde het eenige verzoeningsmiddel, dat de reiziger in zulke gevallen heeft, dat krachtiger werkt dan alle wetten of alle goedheid, namelijk den snooden Mammon in den vorm van goede betaling voor alle moreele of politieke bedenkingen. Juist op dat oogenblik kwamen echter de uit de velden en weiden naar huis gedreven kudden aan. Lustig springend kwamen de jonge stieren binnenhuppelen in volle vrijheid. De jonge lammeren dartelden ertusschen, en ten laatste kwamen de merries met hun veulens, die zich dicht tegen hun voedingsbron aandrukten. Onze hengsten bleven niet onverschillig en waren bijna niet te houden en het algemeen tumult, dat daarbij ontstond, wekte een soort van verbroedering onder de menschen. Tegen goed geld kregen wij een plaats voor ons kamp, en de nacht verliep in alle kalmte. Den volgenden dag brachten wij een kort bezoek aan El Ksar, een zeer vuile stad, die onder de marokkaansche steden als de vuilste bekend is, hetgeen niet weinig wil zeggen. De nauwe, donkere straten lagen dik onder een vettig slijk; de zoogenaamde markt geleek een mesthoop.
Nu lag vóór ons een groot tafelland vol kloven, waar de insnijdingen weinig water voerden zelfs in den regentijd. Maar wij moesten op den weg naar Fez nog drie vrij belangrijke rivieren passeeren, de Wargha, de Seboe en de Sgota, eer we eindelijk weer op den eigenlijken reisweg, den van Tanger naar Fez leidenden karavaanweg, belandden. Het doorwaden der rivieren was telkens met veel last en moeite verbonden. Het water schoot zoo snel en krachtig door de bedding, die vol kleine eilandjes en hoopen steenen en afschuivingen van den oever lag, dat men wel hulp moest hebben bij den overtocht. En zelfs als ieder dier door een met de rivier bekend persoon aan den teugel gevoerd werd, terwijl die persoon geheel naakt zich een weg baande door den sterken stroom, was het nog een kunststuk, de geheele karavaan veilig over te brengen. De onder den buik der paarden met razende snelheid voortbruisende stroom werkte zoo verwarrend op mensch en dier, dat men er duizelig en half bedwelmd van werd en zich willoos overgaf aan de leiding der vooruitloopende, met het water worstelende mannen.
Reeds bij den overgang over de Seboe hadden zich bij mijn kleine karavaan veel andere reizigers aangesloten. Ofschoon ik deze rivier, die ondanks haar betrekkelijk korten loop van ongeveer 500 K.M. de belangrijkste, niet alleen van geheel Marokko, maar van geheel Noordwest-Afrika is, niet overging bij het kruispunt met den grooten karavaanweg, toonde toch de beweging aan de oevers, dat wij weer in meer bezochte oorden kwamen en dichter tot de hoofdstad waren genaderd. Inderdaad scheiden zich hier in den oostelijken hoek der groote, vruchtbare kustvlakte, die zich als een driehoek tusschen de rivieren Seboe en Boe Regrag uitstrekt, talrijke karavaanwegen, die alle zich naar Fez richten. En daar bij het bekende gebrek aan bruggen en veren ook de meest ervaren reizigers aangewezen zijn op de hulp en de kennis der inboorlingen, die met de doorwaadbare plaatsen vertrouwd zijn, kan men bij het wachten op de gidsen aan de oevers altijd een echt bont tooneel van oostersch karavaanleven aanschouwen.
Lange reeksen van zwaarbeladen, langzaam en gelijkmatig voortgaande kameelen, grootere en kleinere groepen muildieren en ezels met luid schreeuwende drijvers, trotsche en slecht gehumeurde ruiters met lange geweren en bescheiden voetgangers, allen zonder onderscheid moeten aan de steile hellingen der bedding wachten, terwijl de rivier vuilbruine golven haastig voortstuwt, tot eindelijk de gidsen weer van de overzij komen aanzetten. Men laat de dieren in de nabijheid grazen, verbetert eens wat aan de schikking der lasten op den rug der beladen beesten en gaat dan in het gras zitten, om een praatje te maken met den eerste den beste. Natuurlijk werden er tooneelen opgehangen van roof- en moordpartijen, terwijl de lust in fabeltjes vertellen, zoo sterk in dit oostersche land, bij ieder verhaal den spreker zelf in 't middelpunt der handeling plaatste en hem pochen deed op heldendaden en met moed doorgestane gevaren.
Van dit oogenblik af waren wij bijna nimmer meer alleen op marsch. Er zal geen uur verloopen zijn, waarin wij niet met andere reizigers of ten minste in het gezicht van andere groepjes langs den weg trokken, en ook deze zelfs liet het bespeuren, dat wij nader kwamen tot het doel, de groote hoofdstad en het handelsmiddelpunt van het land.
Zelfs de dieren schenen vlugger en beter de aanmoedigende woorden te begrijpen, ook zij ruiken het einde van de reis. Verwachting en ongeduld nemen toe, en de laatste mijlen worden een kwelling. Sommigen gaan vooruit, om te zien, of er nog altijd niets te bespeuren is van de schitterende sprookjesstad, keert dan weer naar de lastdieren terug, om hun gelijkmatigen reistred te bespoedigen door een ongeduldig bevel.
Eindelijk, eindelijk, daar ontdekken wij dikke, bruingrijze, lage stadsmuren met breede poorten, witte huizenblokken en lange, gelijkvormige rijen en daarboven oprijzend eenige minarets en een paar populieren en dadelpalmen. Alles is intusschen vlak en gedrukt, weinig zich verheffend boven de vlakte, niets, dat aan een hoofdstad of een residentie herinnert. De tolk tracht mij voor mijn teleurstelling te troosten en zegt, dat dit slechts het nieuwe onbeduidende deel van Fez is, dat wij, uit het Westen komend, het eerst te zien krijgen. De werkelijke stad, de Medina, met het beroemde heiligdom van Moelei Idris en de groote moskee, ligt verborgen en is van hier niet te zien. Het doffe, donkere, regenweêr doet met zijn nuchtere, grijze tinten het overige en zoo blijft er wel degelijk een gevoel van teleurstelling over, waarmee ik op den middag van mijn twee-en-twintigsten reisdag door de westelijke stadspoort, Bab es Segma, de heilige hoofdstad van den sjerif van Marokko binnenrijd.
Natuurlijk zou ik een bezoek aan het hof brengen en een uitnoodiging liet zich dan ook niet lang wachten. Ik was zelf afwezig, toen de bode van den sultan mij een invitatie bracht. Den dag daarna verscheen nog eens een afgezant van Moelei Abdul Aziz, dezen keer de aan het hof in groot aanzien zijnde engelsche instructeur der troepen kaïd Sir Harry de Vere Maclean, om mij nog eens in optima forma uit te noodigen. Ik was er zeer verbaasd over, daar ik opzettelijk vermeden had, mij gewoon voor een audiëntie aan te melden, ofschoon zij veelal de hartewensch is der talrijke reizigers, die Fez in de laatste jaren bezocht hebben.
Vooral de republikeinsche Amerikanen doen daar sterk aan; zij rusten niet, eer zij hun trotschen, vrijen burgerrug voor Zijne Sjerifiaansche Majesteit gebogen hebben. Sir Harry zegt mij, dat de sultan mij onlangs heeft gezien en naar den nieuwen Europeaan geïnformeerd heeft bij den minister van buitenlandsche zaken, die mij, dank zij een aanbevelingsbrief van onzen gezant, vrijheer van Mentzingen in Tanger, reeds kende. Z.M. had nu bevolen, dat ik aan hem voorgesteld zou worden. Er waren toen juist slechts zeer weinig Europeanen in de stad; men had om de woelige tijden, zooveel mogelijk, vreemdelingen geweerd.
De stad zag er intusschen levendig genoeg uit. De maand Rebia el Uwwel, de eerste lentemaand, was in het land gekomen en daarmee was de reeks van feestdagen begonnen, die de Mohammedaan ter eere van zijn Profeet viert, omdat de verjaardag van den godsdienststichter in die maand valt. Naar een oud gebruik brengen de onderworpen stammen hun schatting en hun eeregeschenken voor den sultan, en de gezantschappen worden door den sultan in persoon ontvangen. De ontvangst en het uitgeleide van die gezantschappen hebben telkens met grooten luister plaats. De lijfwacht van den vorst en alle in de hoofdstad aanwezige troepen worden in gala ontboden, het geheele hof is aanwezig, en een zeer breede kring van toeschouwers in feestkleedij omlijst het bonte tooneel, dat voor de beste gelegenheid doorgaat, om het sjerifiaansche hof in volle pracht te aanschouwen.
Om mij in elk geval van den aanblik dezer grootheid te verzekeren, was ik al den eersten dag in gezelschap van mijn soldaat Embarik naar het paleis gegaan en had de ontvangst der Kabylengezantschappen mee aangezien. Daarbij had de sultan mij opgemerkt, ofschoon ik niet te paard was, maar naast mijn rijdier stond. Maar buiten de officieren der vreemde gezantschappen was geen Europeaan aanwezig, en dus was hem de verschijning van den nieuweling dadelijk opgevallen. Toen hij bij het einde van het feest in het inwendige van het paleis zich terugtrok, kwam hij vrij dicht langs mijn standplaats, wierp mij een langen onderzoekenden blik toe, en het mishaagde hem, zooals mij kaïd Maclean mededeelde, dat ik hem niet groette. Ik wist inderdaad op dat oogenblik niet, hoe ik groeten moest. De kotau zal Z.M. toch wel niet verwacht hebben, den hoed afnemen is in mohammedaansche landen ver van een eerbewijs en ongeveer op twintig pas afstands een paar hoffelijke buigingen te maken, zou mijzelf zoo belachelijk zijn voorgekomen, dat ik ze toch niet in ernst had kunnen volvoeren. Zoo had ik mij uit deze _embarras de richesse_ van groetmogelijkheden gered, door eenvoudig niets van dat alles te doen, maar den heerscher recht in 't gelaat te zien, wat wel de aanleiding tot mijn audiëntie bij Moelei Abdul Aziz zal geweest zijn.
Den volgenden dag reed ik op het aangegeven uur weer het paleis binnen en begaf mij naar het feestterrein, de _Meschwar_. Daar steeg ik af en wachtte op de dingen, die komen zouden, mijn feestgewaad onder een langen stofmantel verbergend. Het geweldig groote plein ligt in het noordelijk deel van het zeer uitgebreide paleis en was thans door een dichte menschenmenigte omgeven, die zelve weer een lijst vormde om den in 't midden opengestelden vierhoek van soldaten. In het midden van het voorste gelid der eene lange zijde zag ik reeds in de verte den engelschen chef-instructeur in bovenaardsche pracht stralen. Hij droeg een vuurroode galajas, van boven tot beneden met zware gouden tressen bezet, ongeveer ter dubbele breedte van die der diplomatenuniform. Op het hoofd droeg hij de hooge, scharlakenroode sjasjia van de moorsche askari's, omwikkeld met een schitterend witten tulband, en om de schouders had hij, als bij de oude kruisridders, een wijden mantel zonder mouwen geslagen, gemaakt van 't fijnste, witte mousseline.
Toen na lang wachten de sultan zich vertoonde, door een schitterenden hofstoet omgeven, klonk uit de rijen der soldaten den krijgsroep: "Allah moge onzen heer de zege verschaffen!" _allah ianssar ssidna_, die altijd wordt geuit, zoodra de sultan verschijnt. Statig reed de vorst over het plein, en de engelsche chef-instructeur wenkte mij, hem binnen het regeeringsgebouw te volgen.
Daar had ik een kort onderhoud met den vorst, waarbij Sir Harry Maclean als tolk optrad. Het was een ongedwongen praatje, dat op aardrijks- en staatkundig gebied bleef. Ik maakte mijn verontschuldigingen over mijn niet-groeten, en het trof mij, hoe eenvoudig en waardig het optreden van den sultan was. Vriendelijk weerde hij mijn excuses af met het woord, dat men van den eersten dag van zijn verblijf in Marokko kan hooren uit den mond van hoog- en laaggeplaatsten: _la bass, la bass_ d.i. het doet er niet toe.
NASCHRIFT.
Dr. Genthe's Reisbrieven zijn in 1904 in de Kölnische Zeitung verschenen, en toen de laatste er van het licht zag, was de schrijver reeds niet meer onder de levenden. Hij heeft op droevige wijze in Marokko den dood gevonden.
In Maart 1904 was hij op het punt, Fez vaarwel te zeggen; den 10den zou hij opbreken naar de kust. Het had lang en zwaar geregend, en de doctor had zijn gewonen namiddagrit eenige dagen moeten missen. Den achtsten nu lokte hem een heerlijke voorjaarsdag naar buiten, en op zijn mooie Benni-Hassan-hengst reed hij tegen drie uur in den namiddag de westpoort uit, om niet weer terug te keeren. Hij was voor dat rijden alleen dikwijls gewaarschuwd, maar zijn kamers in Fez waren eng en benauwd, en er waren zooveel dingen geweest, waarvoor men hem had gewaarschuwd en die toch goed waren afgeloopen, dat men hem het niet euvel kan duiden, wanneer hij soms een raad in den wind sloeg.
Er was hem wel door de regeering een bereden soldaat toegevoegd; maar Genthe reed veelal zeer snel, om het geleide kwijt te raken en de regeering had, om haar paarden te sparen, reeds bepaald, dat hij alleen te voet gaande, begeleid zou worden. Zoo bleef ook toen de soldaat achter, en den 9den kwam de man op het duitsche consulaat melden, dat zijn heer niet terug was gekeerd.
Waarschijnlijk heeft de reiziger den dood gevonden onder moordenaarshand, en hebben roovers hem uitgeplunderd en daarna het lijk verduisterd. Er is wel in de Seboe in het laatst van April een lijk gevonden, dat als van een Europeaan voor het zijne is gehouden, maar het was gewond en geheel naakt, en met zekerheid heeft niemand het als het lijk van den Duitscher kunnen herkennen.
De weg, dien hij uitgereden was, is vooral in den regentijd zeer eenzaam, en het schijnt, dat een slecht befaamd individu El Chammar de daad heeft bedreven, niet onmogelijk met medeweten van Dr. Genthe's persoonlijken bediende. Allerlei nasporingen werden in het werk gesteld; het paard werd nog in September bij den stam der Beni Mtir teruggevonden en daaraan werden nieuwe onderzoekingen vastgeknoopt; maar volkomen opgehelderd is de zaak nooit.
Toch heeft men getracht, het rechtsgevoel bevrediging te schenken, 't geen vooral noodig werd, toen des keizers bezoek in Marokko was aangekondigd. De door de publieke opinie als moordenaars aangewezenen werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, en de marokkaansche regeering betaalde een som van 40.000 mark als schadeloosstelling voor de bloedverwanten van den vermoorde. Op die wijze wordt in den laatsten tijd vaker Marokko's schatkist aangesproken. Voor eenige maanden is de Franschman Charbonnier er vermoord, en in 't begin van Juli heeft het machzen in 100.000 francs schadevergoeding bewilligd.
AANTEEKENING
[1] Dit uittreksel is ontleend aan: Marokko, Reiseschilderungen von Dr. Siegfried Genthe. 2e aufl. Berlin, Allgem. Verein für Deutsche Literatur 1906.
Langs den Congo tot Brazzaville.
Door A. KLOOS.
Na een voorspoedige reis over een bijkans spiegelgladde zee had de _Albertville_, een der stoomschepen der Messageries Maritimes du Congo, het anker laten vallen in de ruime, slechts door een smalle landtong van den Oceaan gescheiden baai, door den machtigen Congostroom aan zijne uitmonding gevormd.
Al dadelijk bij het invaren maakt de rivier een grootschen indruk. Verscheidene K.M. breed, stuwt zij hare wateren, waarvan de gele kleur reeds den geheelen dag vóór onze aankomst den aanblik der zee veranderde, met groote snelheid en in ongelooflijke massa voort. Hare dichtbegroeide, vèrwijkende oevers verliezen zich in de oneindige verte; tot aan den horizon kunnen we stroomopwaarts de wateroppervlakte overzien,--slechts plekken eenige kleine eilanden, hier en daar verspreid, tegen de donkere kleur van het water of tegen den helderblauwen hemel af.
In al zijn rustige schoonheid vertoont zich de machtige stroom aan ons oog; niets dan een enkele kleine kano door rechtop staande inboorlingen voortbewogen, verraadt ons de nabijheid van menschen. Geen geluid dringt over die uitgestrektheid tot ons door, stil en indrukwekkend ligt de Congo, zich badende in het verblindend witte, tropische zonlicht, voor ons.
Alleen als we over de baai naar de landtong, die we straks bij het binnenkomen omstoomden, terugblikken, zien we dat onze aankomst opgemerkt werd.
Eenige sloepen, waarin ambtenaren van den Congostaat of vertegenwoordigers van hier gevestigde Europeesche handelshuizen gezeten zijn, bewegen zich over het water, en 't duurt niet lang of de inzittenden haasten zich aan boord, om bij het afdoen hunner zaken weer eens iets anders te zien dan hunne dagelijksche omgeving, die op 't stukje grond, tusschen rivier en oceaan gelegen, dat hun tot verblijfplaats dient, niet zeer afwisselend is; vooral ook, om het nieuws te vernemen, dat elke stoomer uit Europa medebrengt.
De voor ons liggende landtong, Banana geheeten, vertoont ons, op eenigen afstand gezien, een liefelijk beeld van rust en koelte; wuivende palmen overschaduwen met hunne sierlijke, waaiervormige bladerkronen eenige lage, witte huizen, die met hunne helderwitte daken scherp tegen het donkere groen afsteken. Nadere kennismaking met Banana echter valt niet mede, althans niet wat natuurschoon betreft. Als we ons aan land begeven hebben zien we, dat de bodem niet veel anders is dan het zandige zeestrand, en hoewel er palmen in overvloed op groeien, is er van anderen plantengroei bijna geen spoor te ontdekken. Aan zijn gunstige ligging heeft Banana het dan ook slechts te danken, dat zich hier verscheidene blanken gevestigd hebben.
Allereerst zien we de groote factorij van het belangrijkste handelshuis dat op den Congo handel drijft, het overal in het binnenland gevestigde Hollandsche Huis, eene te Rotterdam bestaande vennootschap, die hier haar hoofdkantoor voor Afrika heeft. Hare groote magazijnen, woningen voor geëmployeerden, kantoor, werkplaatsen etc. nemen een groot deel der oppervlakte in beslag. Al deze gebouwen zijn uitstekend onderhouden en het geheel maakt aanstonds den indruk van groote orde en netheid; het doet ons goed, boven deze groote vestiging onze vaderlandsche driekleur te zien waaien.
Nog eenige Belgische en Fransche maatschappijen hebben hier hunne factorijen, en meer landwaarts in ontwaren we de gebouwen van het Gouvernement van den onafhankelijken Congostaat, kantoren voor posterijen, voor douanedienst en dergelijke. Alle huizen zijn hier laag, van klei opgetrokken en met houten daken gedekt; over 't algemeen maken zij met hunne witgekalkte daken, die aan alle zijden een eind over de muren heensteken, een aangenamen indruk.
Behalve visch, die in overvloed gevangen wordt, levert de streek niets op, wat tot onderhoud der hier wonende blanken en zwarten dienen kan. Bananen, de heerlijke, gezonde vrucht, die we op den naam afgaande, hier zoeken zouden, zijn hier evenmin te vinden als andere vrachten. De naam Banana is afgeleid van het inlandsche woord, dat steenachtig beteekent.
Zelfs zoet water vindt men hier niet; het voor de bewoners benoodigde moet uren ver per kano gehaald worden. De landtong is bovendien zoo smal, dat bij sterken wind de golven van den Oceaan somtijds hun water tot over de halve breedte van de strook land voortstuwen, zoodat er dan zeewater aan de binnenzijde in de baai afvloeit.
Zijn gewicht voor den handel op den Congo ontleent Banana dan ook slechts aan het feit, dat het is de eerste aanlegplaats der schepen van over zee en het punt van waaruit massa's produkten van het Congobekken verscheept worden naar Europa. Doch ons stoomschip laat ons niet veel tijd ons hier lang op te houden; het maakt zich, na de mail afgegeven en verdere formaliteiten vervuld te hebben, gereed zijn weg rivieropwaarts te vervolgen.
Het is een tocht, rijk aan natuurschoon, dien we nu maken. De vaart van onze boot wordt hier aanmerkelijk getemperd door den sterken stroom en we hebben ruimschoots gelegenheid te genieten van de telkens afwisselende tafereelen, die rivier en oevers aanbieden. De weelderige plantengroei geeft aan de eilanden en boorden der rivier overal het voorkomen van ondoordringbare, uit het water oprijzende groene wallen. Nergens is een plekje gronds onbegroeid; van uit het water rijst het groen op, onafgebroken tot in de kruinen der boomen; zelfs het oog vermag niet meer dan enkele meters in die bosschen door te dringen. Een enkele maal passeeren we eenige bijeenstaande huizen en hutten, een handelsfactorij, gebouwd op een open plekje aan de rivier, dicht omringd door het onmetelijke woud, dat van alle zijden als ter herovering van dit gebied schijnt op te dringen.
Meestal vertelt ons de vlag, dat het een Hollandsche vestiging is.
Deze factorijen, die hier vroeger talrijker werden aangetroffen dan tegenwoordig, zijn de plaatsen, waar de inboorlingen hunne waren: ivoor, gom-elastiek, grondnoten en palmolie, tegen allerlei zaken van hunne gading komen inruilen. Vroeger was de handel hier aan den benedenloop der rivier zeer levendig, doch deze verplaatste zich allengs meer naar "boven" naarmate de blanken, voortdurend zoekende elkander de loef af te steken, telkens dieper landwaarts indrongen. Tegenwoordig zijn het hoofdzakelijk grondnoten en palmolie, die hier worden ingeruild, hoewel uit de streken, eenige dagen (karavaandagen) van de kust af gelegen, ook nog wel gom-elastiek en ivoor komen.
De belangrijke ivoor- en gom-elastiekhandel evenwel heeft hier zijn tijd gehad; de groote neger-karavanen, die deze producten zeer diep uit de binnenlanden naar de kust aanbrachten, worden hier niet meer gezien; de streken, van waar deze karavanen kwamen, worden rusteloos opgespoord door de handelshuizen, die zich, sedert het laatste tiental jaren vooral, overal in het binnenland gevestigd hebben, en de ruilhandel om deze voortbrengselen verlegde zich dientengevolge duizenden K.M. meer oostwaarts.
Door een loods gevoerd, volgt onze boot overal den stroomdraad. Nu eens tusschen talrijke eilandjes door, dan langs den eenen oever, dan weer langs den anderen varende, somtijds de rivier over bijna de geheele breedte dwars overstekende, vermijden we de vele zandbanken en rotsen, die, gevoegd bij den snellen stroom, de vaart hier zoo moeilijk en gevaarlijk maken. Na eindelijk de gevaarlijke Montèba-bank--de rivier is hier slechts 15-20 voet diep en de boot stoot er op verscheidene plaatsen aan den grond--gepasseerd te zijn, bereiken we nog denzelfden dag van ons vertrek van Banana de hoofdplaats van den Congo-Vrijstaat, Boma.
Een groote, ver in de rivier uitloopende pier maakt het aanleggen en ontschepen zeer gemakkelijk. Velen onzer medepassagiers zijn bestemd voorloopig hier te blijven. Belgen en Italianen, meestal in dienst van den Staat, de laatsten vooral als officieren, Portugeezen, Franschen en Hollanders voor verschillende handelshuizen, Zweden en Noren dikwijls, die als kapitein of stuurman gewild zijn, komen hier met elke boot aan, ter vervanging van hen, die na volbrachten diensttijd--meestal 2 of 3 jaren--naar Europa terugkeeren.