De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 54
Hier was nu niets, dat het beeld van oostersch leven en noordafrikaansche natuur verstoorde, geen vorm, geen klank, die niet pasten in dit beeld, dat misschien juist zoo is als voor duizenden van jaren. De wegen zijn nog dezelfde, niet anders dan de breede platgetreden sporen van vele geslachten van lastdieren en drijvers; de verzending van goederen geschiedt nog als in de oudste tijden in hoogst eenvoudige uit en riet en alfagras gevlochten hangende manden op den rug van ezels of muildieren, en ook de koopwaren zullen op weinig uitzondering nog dezelfde zijn als in anno zooveel. Zelfs de menschen zullen weinig veranderd zijn sinds den aanvang der marokkaansche geschiedenis, en zeker in 't geheel niet na de mohammedaansche verovering.
De menschen, die ik in Tanger in mijn dienst had genomen, behoorden volgens hunne afkomst tot de meest verschillende stammen, waaruit Marokko's bonte bevolking bestaat. Er was een Berber van den stam der Andsjera's, die het bergland ten oosten van Tanger langs de straat van Gibraltar bewonen; daar was Hamed er Rifi, een levende vertegenwoordiger van de gevreesde Rifpiraten, maar feitelijk een gemoedelijke drijver, steeds bereid tot scherts en zang, en alleen van de anderen zich gunstig onderscheidend door meer kracht en grootere volharding. Hij droeg over zijn gespierd lichaam niet anders dan de dsjellaba, het grove, wollen hemd met korte mouwen, dat door de bergbewoners van het geheele land wordt gedragen. Het laat de beenen en de knieën geheel bloot en is voor geharde menschen wel een bijzonder gemakkelijk kleedingstuk. Zijn gele leêren pantoffels droeg hij bijna steeds in de eene hand, terwijl hij in de andere zijn trouwe buks had, zoodat hij er vrij komisch uitzag, maar er keken onder zijn kortgeschoren blond haar zulk een paar eerlijke, trouwhartige oogen uit, dat men wel pleizier in hem moest hebben.
Een heel ander man was mijn tolk, Abd-es Slam el Gharbi, een van die sterk door de beschaving aangedane Arabieren uit Noord-Afrika, die het vlakke Westen van Marokko, el Gharb, bewonen. Hij was een echte Moor, waaronder men niet alleen moet begrijpen een Marokkaan, maar een nakomeling der vroeger in Spanje gevestigde en door Ferdinand den Katholieke daaruit verdreven mohammedaansche veroveraars. Zij hadden zich in Spanje sterk met keltische, germaansche en joodsche elementen vermengd en waren ten slotte een geheel nieuw volk geworden, dat met de stamvaderen in Marokko weinig meer dan het geloof en de taal gemeen had. Zij waren de Moro's der Spanjaarden, die merkwaardige Afrikanen, die zich niet enkel in Granada en Andaluzië, maar ook in vele, meer oostelijk gelegen havens aan de Middellandsche Zee onderscheiden door hun rijke begaafdheid, hun prachtlievendheid en hartstochtelijk optreden. Shakespere's Othello was een Moro, een Moor, man van vrij lichte huidskleur en een fijn, smal gelaat met scherpe, semietische trekken. Mijn Moor had de voorname, afgemeten bewegingen en de beleefde spreekwijze van den beschaafden oosterling.
Dan had ik veel dienst van een echten Arabier, achter wiens gewoon ezeldrijversgezicht niemand de hooge waardigheid vermoed zou hebben, die hij bekleedde. Hij was namelijk een sjerif, en dat zegt in Marokko alles. Een sjerif is het kort begrip van alle hoogs en heiligs en onaantastbaars. Het woord, waarvan het meervoud sjürfa luidt, beteekent in 't Arabisch niet anders dan voornaam; maar in Marokko is het de vaste betiteling geworden van hen, die zich nakomelingen van Mohammed noemen, zooals zij in de oostelijke landen sajid of sejid heeten en zich daar door den groenen tulband onderscheiden, dien niemand anders dragen mag. Tegenwoordig is het aantal sjerifs in Marokko legio; maar toch was de aanwezigheid van zulk een heilige persoonlijkheid een groote rust. Een sjerif kan bijna altijd vrede stichten en onheil verhoeden.
De eerste groote plaats, die ik mij voorgesteld had, aan te doen, was de stad Asaila. Nadat ik een dag lang over de in voorjaarstooi prijkende uitloopers van den Djebel Habib was getrokken, stiet ik op den morgen van den derden dag, naar het Westen afslaand, op de groote strandvlakte, waarop de lange golven van den Atlantischen Oceaan den zandigen grond tot een prachtigen, gladden rijweg hadden geëffend. Voor menschen zoowel als dieren was het na de zware klauterpartij in de bergen een weldadige verkwikking, daar zich voort te bewegen, zonder ieder oogenblik op puin en wortels en groote steenen te moeten letten.
Maar het was gloeiend heet. De verkwikkende winden, die boven, op 300 M. hoogte, gewaaid hadden en in de buurt van de zee gestadig woeien, waren beneden niet meer te bespeuren. Zij schenen ingeslapen en moe te zijn geworden in de middaghitte, juist als wij. Toen was op eens de eindelooze strandvlakte als afgesneden; een breede, vestingachtige muur brak haar af en vulde de ruimte tusschen de zee en het heuvelland, en wij zagen tinnen en torens en wallen, bijna zwart van tint in het helle, recht neervallende licht. Dat is Asaila of Arsila of Arzilla, zooals de kaarten het geven; maar de Mooren en de andere inboorlingen spreken geen _r_ uit, zij zeggen Asaila, zooals zij Tanger uitspreken als Tandsja.
Voor ik hier mijn reis afbrak, wenschte ik mij met een bad in zee te verkwikken. Ik zond dus mijn muildierdrijvers vooruit met het bevel, de tent tegen zonsondergang op een ongeveer dertig kilometer verder zuidelijk gelegen plek aan de kust op te slaan. Alleen de tolk en de soldaat bleven bij mij, om tijdens het bad mijn goed te bewaken. Nauwelijks was ik in het water, dat trots de warmte van 20° C. zeer verkwikkend en opwekkend werkte, of daar kwamen van de stad haastig groepjes mannen en kinderen aanloopen. Het waren Joden, die uit de verte waarschijnlijk reeds de aankomst van den Europeaan hadden gezien en nu den vreemden gast van nabij wilden bekijken. In hun stadje zijn geen Europeanen en een naakten blanke hielden zij stellig voor iets zeer bezienswaardigs, waar men het voor over moest hebben in gloeiende middaghitte een poosje te draven. Beschroomd en nieuwsgierig stonden zij daar nu te kijken, hoe ik rondzwom en fluisterden elkander op- en aanmerkingen toe. Dan werden ze moediger en bekeken mijn op het zand liggende kleederen, laarzen, rijzweep en de photografietoestellen, die de tolk steeds bij zich moest hebben en voor 't gebruik moest gereedhouden. Zoodra echter een neuswijze, kleine jodenjongen zijn hand uitstrekte, om den zilveren knop van mijn rijzweep te bevoelen, sloeg mijn mokhasni, die tot nu toe onverschillig naast mijn kleêren op het zand had gezeten, met de kolf van zijn geweer tegen het been van den knaap, zoodat de arme zondaar op het zand viel. Natuurlijk algemeen geweeklaag, geschimp en gevloek.
De soldaat voelt zich nu als vertegenwoordiger van den sultan en komt nader, zijn lam been achter zich aansleepend en dreigend het geweer zwaaiend. Ik roep den tolk toe, dat hij die menschen rustig moet laten gaan; maar te laat, de soldaat treedt krachtig op en jaagt de menschen weg met schoppen en kolfslagen. De tolk echter, wien ik van het water uit verwijten toeslinger, heeft geen ander antwoord dan; "_Son Judios, Senor_". En als 't "maar Joden" zijn, heeft men in Marokko niets ertegen in te brengen.
Kort daarna besteeg ik den muur van de oude vesting, een getuige van de vroegere grootheid van Asaila. Terwijl ik nog bezig was, een gunstig plekje voor mijn photografietoestel te zoeken, hoorde ik beneden mij plotseling een luid geschreeuw, en ik zag tot mijn schrik, dat een dichte hoop gepeupel saâmgeloopen was en al mijn bewegingen volgde, terwijl mij allerlei onverstaanbare woorden werden toegeroepen. Dat het niet veel welwillends was, wat men mij aan 't verstand wenschte te brengen, zag ik aan de snelle bewegingen der menschen en de talrijke, dreigende vuisten, die tot mij werden opgeheven.
Door het rumoer alleen had ik niet tot die conclusie kunnen komen, want deze brave Marokkanen verliezen hun veelgeroemde rust bij de geringste aanleiding, en hoe minder zij aan feitelijkheden denken, des te krachtiger gebruiken ze hun stemmiddelen. Eindelijk verstond ik het woord _dsjama! dsjama!_ en nu was de oplossing van het raadsel spoedig gevonden. Ik was bij mijn rondwandelen op de uitgebreide vestingwerken op een plek gekomen, waar ik de verschere kalklaag niet had opgemerkt. En juist dit stuk van Oud-Asaila was het eenige, waar de menschen beneden belang in stelden. Men had in deze resten van de oude vesting een moskee gebouwd, zonder minaret en zonder eenig ander uitwendig teeken dan de nette, witte kalklaag, en zonder te weten, welken gewijden bodem ik met mijn laarzen van een christenhond betrad, was ik op 't dak geweest der moskee of _dsjama_ van Asaila.
Mijn tolk was niet in de buurt, zoodat de mooie toespraak, die ik nu boven van den vestingmuur tot het beneden staande volk hield, wel tot de bekende parelen zal moeten worden gerekend, die men een zeker nuttig huisdier niet moet presenteeren. Daar ik er echter vriendelijke gebaren aan toevoegde en snel van het moskeedak verdween, om van een andere plek mijn kiekjes te nemen, verliep het avontuur zonder erge gevolgen.
Nu had ik eindelijk tijd en rust, het zich vóór mijn oogen uitbreidende wonderschoone tooneel op te nemen. Een stuk europeesche Middeleeuwen verplaatst aan de kust van den Atlantischen Oceaan en verlevendigd door oostersche figuren in witte gewaden, alles beschenen door de afrikaansche zon. Er is iets weemoedigs in zulke steden van vervallen grootheid, iets dat ook aan Ravenna en aan Brugge eigen is of aan Goa in Voor-Indië. De geweldige stadsmuur heeft in Asaila nog reuzenpoorten voor een plaatsje, dat naar zijn tegenwoordig aantal inwoners niet meer is dan een dorp en nog maar een bescheiden dorp. Twee groote torens verrijzen uit het steencomplex; de een lijkt de minaret eener verdwenen groote moskee, de andere de klokketoren van een even spoorloos verdwenen christelijke kerk. Nu nestelen ooievaars op de tinnen, en in de spleten en gaten van het begroeide muurwerk waren hagedissen en vleermuizen, zwaluwen en torenvalken. Van den vroegeren havenaanleg is niets meer te zien; de monding van het kleine riviertje, dat even ten noorden van de stad in zee valt, is hopeloos verzand, en de branding van den Oceaan slaat in lange golven tegen een ledige, verlaten kust.
En inwendig ziet men geen drukker leven. Ik steeg op het dak van het hoogste huis, welks eigenaar, Amram Roif, voor den rijksten jood der stad doorging. Van het ruime terras van zijn dak zag men neer in de smalle, vuile hoofdstraat, aan beide zijden bezet met die lage winkeltjes, waarin de moorsche koopman zijn geheelen dag doorbrengt. Vóór elk winkeltje was een soort van schermpje neergelaten ter bescherming van mensch en koopwaar tegen de gloeiende hitte.
De slechts 40 K.M. lange weg naar El Araisch, de naaste groote stad aan de kust, had ik mij als het gemakkelijkste en aangenaamste deel der reis voorgesteld. De weg ligt onmiddellijk aan het strand en loopt in zuid-zuidwestelijke richting zonder anderen hinderpaal dan twee rivieren, die men onmiddellijk aan hun monding heeft te passeeren. Daar echter dezen keer de voorjaarsregens uitgebleven waren in dit noordwestelijk deel van het land, dat uit het oogpunt van klimaat tegelijk onder den invloed van den Atlantischen Oceaan en van de Middellandsche zee staat, mocht men hopen, zonder al te groote moeilijkheden de niet overbrugde rivieren te passeeren. Naar het gewoon verloop der dingen moeten deze voorjaarsregens de noodzakelijke voorwaarde voor een goeden oogst zijn. Zij beginnen meestal op 't eind van December en duren dan met een tusschenpoos in Januari tot Mei toe. Voor reizigers in Marokko is echter de droogte een groot gemak bij het tijdroovend en gevaarlijk passeeren der rivieren.
Het rijden over 't vlakke, effen strand duurde echter niet lang; de soldaat beweerde, dat wij om de afgesproken plek voor ons kamp te bereiken, weer het land in moesten gaan. En dus trokken wij weer voort tusschen de heuvels, die ons schadeloos stelden door het prachtig uitzicht op de zee en de oostelijke bergen. Alles groende en bloeide, en geheele velden erica en brem bedekten de hellingen.
Een lange optocht van inboorlingenvrouwen, in losse groepjes verdeeld, kwam ons tegen en kondigde door gezang zich al in de verte aan. Het waren Berbervrouwen, die, zooals mijn gevolg meende, van een bruiloft terugkeerden. Heele dorpen schenen uitgetrokken, want telkens ontmoetten wij vroolijke drommen in dit stille berglandschap, waarin dorpen en kampen zeldzaam waren. Naar oud Berbergebruik, dat zelfs door de strenge voorschriften van den Islam niet op zij gezet is, waren alle vrouwen ongesluierd. Met trotsch opgericht hoofd, in haar kortgerokte kleeding, die niets heeft van de vermomming, waarin de arabische vrouw zich op straat beweegt, lieten deze Berberinnen zich door den Roemi bekijken. Zij zagen mij wederkeerig onbeschroomd aan, open en vriendelijk, eerder met welwillende belangstelling dan met boosheid of beschaamdheid. Er waren niet veel jonge vrouwen bij; maar alle hadden regelmatige trekken en mooie oogen.
Reeds lang had ik bemerkt, dat mijn brave soldaat zich niet meer zeker voelde van den weg. Op den gewonen karavaanweg tusschen Tanger en Fez, dien hij ontelbare malen was gevolgd, zal hij wel elke plek kennen; maar hier begon hij de voorbijtrekkende ezeldrijvers te vragen, en nu en dan keek hij bezorgd om zich heen. Ten slotte toen de zon al zeer laag stond, en de voorbijgangers zeer schaarsch werden, zei hij, dat wij beproeven moesten, de sporen der vooruitgezonden lastdieren in het zand langs de kust te vinden. Geheel in duister moesten wij nu weer afdalen naar de zee, en werkelijk konden wij dichtbij het water de lijnrecht voortloopende sporen der muildieren herkennen. Wij volgden die, zoo lang het ging. Op eens waren ze niet meer te zien.
Of de karavaan zich van het strand verwijderd had, of dat wij in onze slaperigheid niet goed toezagen, maar in elk geval was de aansluiting verbroken, en de soldaat weigerde, den weg langs de zee verder te volgen. Wij zouden bij de rivier komen en gevaar loopen, in het drijfzand te raken, als wij in donker verder reden. Hij meende, dat niets anders overbleef, dan op den opgang der maan te wachten en dan verder te gaan, want het dorp, waar de tenten opgeslagen waren, kon niet ver meer af zijn.
Het was afnemende maan, voorbij laatste kwartier, en dus konden er nog eenige uren verloopen, eer de smalle sikkel verschijnen zou, om 't onbekende land gebrekkig te verlichten. Niet ver van het strand stegen wij af en gaven onszelven en onzen paarden eenige rust; maar de honger plaagde ons. Ik had sinds den morgen niets anders gebruikt dan een paar sinaasappelen in Asaila en wat zure melk, die een der Berbervrouwen ons onderweg geschonken had.
Dus moest ik mij hongerig en dorstig in bet zand neerleggen en met een sigaret de knagende maag tot rust brengen. Het duurde niet lang, of daar begonnen de bleeke sterren aan den hemel zich achter een sluier van wolken te verbergen, en een ondoordringbare duisternis omhulde zee en hemel, strand en duinen. Spoedig werd het zoo donker, dat ik niet eens meer mijn schimmel, dien de tolk op een paar pas afstands van mij bij den teugel hield, kon onderscheiden.
Toen volgde er plotseling een windstoot, een paar bliksemstralen en bijna op hetzelfde oogenblik een regenbui, die ons door en door nat maakte. Ik had mijn regenmantel bij de bagage der beladen muildieren gelaten, daar den geheelen dag de lucht noch de barometer regen hadden voorspeld. En toen ze kwamen aanloopen met een paardedek, nog warm van den rug van een paard, om mij daarin te hullen, was ik al geheel doorweekt. Toch gelukte het mij met behulp van dat kleed en met mijn eigen lichaamswarmte na verloop van enkele uren weer droog te worden en de plaats in het zand, waar ik lag niet doorweekt te krijgen. De maan verscheen natuurlijk in 't geheel niet; dus moest het daglicht worden afgewacht, dat tegen vijf uur 's morgens met moeite door de zware regenwolken brak.
Dit was het sein voor vertrek. Het was een droevige optocht. Menschen en dieren waren nat, hongerig, dorstig, moe, stijf en koud. De paarden hadden den geheelen nacht in den kletterenden regen gestaan; ze lieten den kop hangen en zagen er bedroevend uit. Ook bij ons, menschen, was de levensmoed tot een laag peil gezonken, en hij steeg niet, toen de soldaat ook 's morgens den weg nog niet kon vinden.
Met mijn kijker zocht ik den omtrek af, maar zag niets van een kamp of van onze beladen muildieren. Geen dorp, geen tent, geen dieren te zien. Maar daar ontdekte ik op een paar honderd pas afstands de bruine dsjellaba van een Moor, als om te drogen, over een struik gehangen. Waar het kleed is, kan de drager niet ver verwijderd zijn; ik reed erop af en was hoogst verbaasd, plotseling een man hard op mij te zien toeloopen, terwijl hij mij met alle teekenen van vreugde begroette als een hond zijn teruggekeerden meester.
Het was een van mijn eigen muildierdrijvers. De lieden waren met de tenten en dieren dicht in de buurt, en wij hadden niet meer dan een paar duizend passen van hen verwijderd in de open lucht zonder beschutting en voedsel den nacht doorgebracht! Het was om te lachen, maar de vermoeide paarden namen aan de vroolijkheid niet recht deel. In een laagte, door opuntia's en agaven en allerlei doornstruiken omringd, hadden zij een uitstekend, veilig kamp ingericht; maar ik was te ongeduldig, om naar El Araisch, de naaste stad, te komen, dan dat ik van het kamp gebruik wilde maken.
Het ging weer snel zuidwaarts langs het strand, tot de hooge muren en torens van El Araisch vóór ons oprezen, veel statiger en schilderachtiger nog dan die van Asaila.
El Araisch is ook een van de sterk achteruitgegane plaatsen van Marokko, en weer trof mij het middeleeuwsche karakter der stad. Mijn aankomst trok er sterk de aandacht. Europeesche bezoekers zijn hier schaarsch en vooral in deze tijden van onrust werden ze bijna niet gezien. Wij moesten over de rivier de Wadi el Koes gezet worden, om tot de stad te naderen, en met de eerste boot, die van de stad naar de overzijde kwam; waar ik met mijn dieren wachtte, zond ik dadelijk een paar regels aan een spaanschen koopman, aan wien de duitsche postdirecteur in Tanger mij had gerecommandeerd, om van hem raad te vragen, waar ik het best mijn tenten zou opslaan.
Het heen en weer gaan van de kleine booten, die altijd slechts één of twee van mijn lastdieren konden overzetten, duurde geruimen tijd. Toen ik eindelijk als laatste mijner karavaan aan de stadszijde der rivier was afgezet, begroette mij een Europeaan, die mij tot mijn verbazing in het Duitsch aanspraak. Hij was de eenige Duitscher in de plaats, een oudmachinist van de keizerlijke marine, die hier als kapitein van een der booten van den sultan tegelijk de plichten van een havenmeester vervult.
Onder alle steden van Marokko is El Araisch bekend om het mooiste marktplein. Het is inderdaad een echt oostersche markt, veel schilderachtiger dan alle andere, die ik tot nog toe in Marokko had gezien. Maar ook zij draagt den stempel der vergankelijkheid, alle kenteekenen van niet meer te passen in den tegenwoordigen tijd, zooals met zooveel dingen in deze vervallende atlantische havens het geval is, waar maar geen nieuw leven uit de ruïnen wil opbloeien. Wat deze soek of markt van alle andere onderscheidt, is de lange rij van mooie gewelfde zuilengalerijen, die aan twee zijden het plein begrenzen en zulk een geschikte lijst vormen voor het bonte beeld van kleinsteedsch handelsverkeer dat zij omsluiten. Er zijn wel bijna honderd van die nauwe kooiachtige stalletjes, die van Noordwest-Afrika tot in Midden-Azië de plaats van onze winkels innemen. Alle zijn ze naar één model naast elkaâr gezet en met even hooge koepels bekroond.
Een moorsche Rue de Rivoli, maar voor de schitterende étalages van de parijsche winkels krijgt men hier de moorsche kooplui zelf te midden van een bescheiden hoopje alledaagsche goederen, die duidelijk genoeg toonen, dat men voor pracht hier geld heeft noch waardeering. Vier moskeeën steken boven het plein op; aan de oostzij wordt het door een prachtige, oude poort afgesloten en naar het Westen door den vestingachtigen ingang naar de kasba, den burcht van den stadhouder, welks geweldige muren uit den tijd der Spanjaarden in de 16de eeuw nog versterkt zijn. Zooals de Portugeezen in Asaila hebben de Spanjaarden in El Araisch getracht, door de havens te behouden, hun gezag in het land te handhaven. Maar reeds in 1691 maakte sultan Mulei Ismaël met behulp van fransche fregatten een einde aan de spaansche heerschappij.
Voor de kleine spaansche gemeente, die nog heden in El Araisch woont, moet het smartelijk zijn, al die getuigen van voorbijgegane spaansche grootheid steeds voor oogen te hebben. Het sterkst krijgt men dien indruk van troosteloos verval, als men van de zeezijde de forsche vestingwerken aanschouwt. En 's morgens, als ik mijn bad nam, zaten dan als getuigen van het belachelijke heden mijn soldaat en mijn Berber als levende bewijzen van den zwaktetoestand der tegenwoordige sultansheerschappij, die het niet waagt, zich flink tegen een oproerigen onderdaan en zijn aanhang te verweren. Alsof het hier buiten aan het eenzame strand van bloeddorstige aanhangers van Boe Hamara wemelde of een sluipmoordenaar achter elk rotsblok zich verschool, zaten daar de wakkere beschermers van mijn leven, de mokhasni met zijn oud verroest geweer, en de Berber met in de eene hand een knuppel en in de andere een klein vuursteenpistool, dat misschien na den tijd van den dertigjarigen oorlog niet meer was gebruikt.
Van El Araisch naar El Ksar el Kbir, de volgende stad, die ik wilde bezoeken, was slechts een weg van 33 kilometer door vlak land met slechts een enkelen rivierovergang. Men had mij telkens willen tegenhouden om de gevaren, die het oproer meebracht, maar gelukkig had ik mij niet laten terughouden. Als dit het "vlammend oproer" was, dat Marokko in brand had gezet, dan moeten marokkaansche opstanden toch al heel weinig beteekenen en niet met woelingen in andere landen te vergelijken zijn.
Een bloeiend landschap, heuvelachtig weideland vol bloemen, vreedzaam voorttrekkende karavanen met trotsche kameelen, vlugge muildieren en zingende drijvers, mooie kudden glad rundvee, wollige schapen en langharige geiten, slechts door een enkelen grijsaard bewaakt of door een paar halfnaakte, bruine kinderen, was dat een land, bedreigd door burgeroorlog en bestuurswisseling, waar dreigende moordenaars huishielden? Waar waren toch de rookende dorpen, de verwoeste oogsten, de met lijken bedekte wegen, die ons voor twee jaren in China hadden geleerd, wat opstand en burgeroorlog beteekenen? In andere deelen van het rijk was het mogelijk erger; bij de noordkust en aan de algerijnsche grens, maar hier was het land rustig en de kalmte ongestoord.
Toch leek het eerst nog, of er zich bezwaren zouden voordoen, want reizigers, die pas den weg waren gegaan, berichtten dat regenbuien hem onbegaanbaar hadden gemaakt en de rivier hadden doen zwellen. Dus wilde ik eerst nog een kamp opslaan in een niet ver van El Araisch gelegen dorp. Meestal zocht de mokhasni de plaats voor het kamp uit en wel op een plaats, waar hij goede bekenden had en een goed onderkomen kon vinden, natuurlijk kosteloos, opdat hem de anderhalven doero kostgeld, die ik hem volgens onze overeenkomst dagelijks moest betalen, als zuivere winst ten deel vielen.