De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 53

Chapter 533,753 wordsPublic domain

Als men pas aankomt en onder de in zuidelijke landen zoo opdringende pakjesdragers en roeiers en gidsen en tolken en bedienden zich een weg gebaand heeft, kan men niet zoo gemakkelijk aan al die gemakken gelooven, die volgens de mededeelingen der hôtelbedienden er te kust en te keur te vinden zijn. Heel anders dan men in een opkomende wereldstad zou verwachten, hebben de landing en het douane-onderzoek plaats. De schreeuwende pakjesdragers, die van de bekende stoïcijnsche kalmte van het morgenland geen flauw besef schijnen te hebben, ontrukken iemand alles, wat hij bij zich heeft en snellen ermee de hoogte in naar de stad.

Dadelijk bij den ingang, aan de Bab el Marssa, de lage, dikmurige havenpoort, wordt even halt gehouden. Hier zetelt de douane van den sultan. Onder koele gewelven zitten met de grootste waardigheid met onder zich gevouwen beenen in ruime, luchtige kleederen een paar mummelende grijsaards, die zich in scherpe tegenstelling tot de rumoerige pakjesdragers niet in het minst uit de plooi laten brengen door de aankomst der talrijke, met ons gelijktijdig van de stoomboot komende reizigers, wier bagage moet worden onderzocht. Wellicht wordt hun kalmte eerder een beetje verstoord, als groote vrachten en ladingen goederen de douane moeten passeeren, omdat zij er volgens de handelsverdragen tien percent der waarde van mogen heffen. Want dat is de belangrijkste, en vooral de regelmatigste bron van inkomsten van het land, die, evenals in China, van alle overigens zoo barbaarsch en willekeurig ingerichte takken van bedrijf nog het meest den heilzamen, europeeschen invloed heeft ondergaan.

Toen Spanje bij den vrede van Tetoean, na met moeite een einde te hebben gemaakt aan zijn zoo dwaselijk ondernomen oorlog, den sultan van Marokko een oorlogsschatting van 100 millioen peseta's, dat is naar den tegenwoordig koers (1904) van ongeveer 42 millioen gulden, oplegde, verzekerde het zich van die buitensporig hooge som, door beslag te leggen op de zeetollen. Tegelijk werd er een gemengd spaansch-engelsch bestuur ingesteld, dat door zijn eerlijkheid de wakkere moorsche tollenaren verbaasde en inderdaad in de jaren van 1860 tot 1863 de opbrengst van ongeveer zeven tot meer dan dertig millioen 's jaars verhoogde. Eerst in 1887 verliet de laatste spaansche ambtenaar het land, dat sedert dien tijd weer naar 's lands wijs havengelden en tollen heft. Den meestbiedende wordt het ambt van oppertollenaar afgestaan, en hij moet dan maar zien, hoe hij aan zijn geld komt. Intusschen schijnt het, of hij zoowel als de sultan er niet slecht bij varen, daar, vooral bij de zeer ingewikkelde berekening der uitvoerrechten, speelruimte te over is gegeven, waar de oostersche financiëele beambten zoozeer behoefte aan hebben. Bij den voortdurend meer vooruitgaanden handel van het land zijn de vooruitzichten bij dezen tak van bestuur werkelijk rooskleurig.

Dit bewustzijn heeft denkelijk de tolbeambten zoo aangenaam onverschillig gemaakt voor onze bagage. Niets kan in beschaafde landen iemand zulk een hekel aan het reizen geven, als de kleinzielige, peuterige, zoogenaamd nauwkeurige manier, waarop koffers worden dooreengewoeld aan de grenskantoren. Daar zijn bij voorbeeld de amerikaansche ambtenaren in New York heele bazen in. Aan de welwillende nonchalance, wanneer "de heer der tienden", zooals hij in Tanger heet, zich van zijn taak kweet, mogen overijverige tolbeambten uit andere landen gerust een voorbeeld nemen. Een vluchtige blik op de lange rij van koffers, een paar woorden met den vertegenwoordiger van 't hôtel, waarheen ik gaan wilde, een wenk voor de sjouwers om alles weer op te nemen, daarin bestond de visiteering. Natuurlijk beweerde mijn gids, een bruikbare, spaansch-moorsche jood uit Tanger, die Arabisch, Spaansch, Engelsch, Fransch en soms zelfs een weinig Duitsch sprak, dat hij door groote fooien mij dat zoo gemakkelijk had gemaakt en dat hij bevriend was met den douanedirecteur; maar ik bemerkte, dat ook de andere nieuwaangekomenen, Duitschers, Engelschen, Amerikanen, Franschen en Spanjaarden, die met mij van Cadix overgestoken waren, even snel en gemakkelijk door de gevreesde poort trokken en zich bij de lange karavaan van dragers konden aansluiten, die nu naar boven klommen naar de stad.

Zooals de meeste der noordwestafrikaansche havens aan de kust der Middellandsche Zee ligt Tanger op een kleine, hooge rotskaap, den hoeksteen van een mooie baai. Dat is niet alleen een hoogst schilderachtige, maar uit militair oogpunt ook een zeer gunstige ligging. En als er een goede ankerplaats bij komt, zooals hier in Tanger, dat voor de beste haven van geheel Marokko doorgaat, dan kan men reeds alleen uit deze geographische gegevens de plaats een groote toekomst voorspellen.

Wel valt er aan de haven niet veel te prijzen. De bocht is naar het Noordwesten open en levert tegen de van den Oceaan komende, noordelijke winden geen beschutting. Daarbij zijn voorloopig de aanlegplaatsen voor het laden en lossen nog zeer onvoldoende, daar er behalve de smalle, houten pier niets is, wat het havenverkeer vergemakkelijkt. In de zeventiende eeuw was dat een tijdlang anders. Zooals men weet, verwierf Karel II van Engeland bij zijn huwelijk met de portugeesche prinses Catharina van Braganza, een dochter van koning Johan VI, behalve een behoorlijken bruidsschat in rood goud de toen portugeesche koloniën Bombay en Tanger. In Engeland begroetten de ver vooruitziende kooplieden en leidende politici het bezit van zulke havens met groote blijdschap. De koning zelf verklaarde in het Parlement, dat Tanger een juweel van onschatbare waarde in de kroon was, en zijne ministers waren van oordeel, dat de nieuwe bezitting tegen alle andere engelsche koloniën opwoog. IJverig begon men het toen nog zeer kleine plaatsje uit te breiden. De inheemsche bevolking was nog zeer gering; maar de overplaatsing van een geheel regiment naar de van de Portugeezen overgenomen vesting deed er weldra honderden Engelschen, Joden, Spanjaarden en Italianen heen stroomen. Reuzensommen werden besteed aan vestingwerken; kerken, scholen, weeshuizen werden gesticht, in het kort, alles werd op groote schaal aangelegd, als voor een plaats die onbetwistbaar een groote toekomst te gemoet gaat.

Het duurste werk werd een prachtige havendam, die 400 M. ver in zee werd uitgebouwd. Op de aanzienlijke breedte van ongeveer 25 M. stonden huizen en sierlijke paviljoens en bijna duizend stukken geschut waren langs de geheele lengte aan beide zijden geplaatst, bediend door een compagnie kanonniers en bijna onafgebroken een kanonnade bulderend ter begroeting van binnenkomende en uitgaande of voorbijvarende schepen.

Helaas, beantwoordde aan dat schitterend begin de verdere ontwikkeling der kolonie in 't geheel niet. In die eerste dagen van overzeesche kolonisatie scheen men in Engeland het nog niet gansch en al verdwenen idee te hebben, dat voor den dienst in de koloniën de slechtste elementen goed genoeg waren. Zoo kwamen er bedenkelijke figuren naar Tanger; ook de ambtenaren, tot den stadhouder toe, waren niet beter dan de tuchtelooze bende der slechtbetaalde soldaten van de bezetting, en ten slotte waren de toestanden zóó geworden, dat men in het Huis der Gemeenten alle verdere uitgaven voor de dure kolonie afstemde.

Tanger werd aan de Mooren teruggegeven, nadat meer dan twintig millioen pond sterling nutteloos was uitgegeven. Ten overvloede werden ook nog alle gebouwen, vestingwerken, kerken, wallen en schansen vernield en ook de mooie pier liet men springen. Met dit kinderachtige verwoestingswerk eindigde in 1684 na twee-en-twintig jaar van wanbestuur de engelsche heerschappij aan de kust van Marokko.

Het dertig jaren later na den Spaanschen Erfopvolgingsoorlog verkregen Gibraltar was en is slechts een geringe vergoeding. De kale rots heeft geen natuurlijk achterland; voor meer dan negen millioen guldens per jaar moeten waren uit het moederland worden ingevoerd, terwijl soldaten zoowel als burgers, de rots-schorpioenen, zooals men hen daar noemt, voor hun behoefte aan versch vleesch en groenten geheel op het er tegenover gelegen Tanger aangewezen zijn.

Buiten een paar ruïnen van den grooten steenen havendam vindt men in de stad bijna geen sporen van de engelsche heerschappij. Evenmin van die der Portugeezen, die bijna twee eeuwen lang vóór de Engelschen er geheerscht hebben en onder meer niet minder dan zeventien kerken en kapellen hebben opgericht. Ook zij verwoestten bij hun aftocht gewetensvol de vruchten van hun werkzaamheid, en dezelfde geest van kleinzieligen naijver schijnt zich telkens vertoond te hebben, als de ongelukkige stad van eigenaar moest veranderen. En dat geschiedde ontelbare malen.

Na de dagen der Engelschen kwamen met afwisselend geluk Arabieren, Spanjaarden en Portugeezen elkander den buit betwisten, eenvoudig een vervolg dus van de veelvuldige oorlogen, waarvan de noordmarokkaansche kust sinds het begin der historische tijden het tooneel is geweest. Vanaf den tijd der mythen, toen de verhalen over de zuilen van Hercules en de tuinen der Hesperiden ontstonden, tot in onze twintigste eeuw zijn Marokko, en vooral zijn middellandsche kust, niet tot rust gekomen. De vermoede en ook waarschijnlijke rijkdom van den grond aan delfstoffen en de buitengewoon gunstige ligging hebben dit land, dat een aardsch paradijs kon zijn, tot slagveld gemaakt, waarop naijverige en op elkaar gebeten groote en kleine naties elkander te lijf gingen. Maar het moet al heel erg worden, als een volk en een land geheel ten onder zullen gaan.

Al is ook van de glansrijke dagen der Romeinen, buiten eenige resten van tempels en een paar verstrooide marmeren zuilen en pilaren van bruggen, niets overgebleven, dan de nog in den volksmond overgebleven naam van den Roemi voor den vreemdeling; al hebben Gothen en Vandalen, Spanjaarden, Portugeezen en Engelschen slechts zeer weinig sporen van hun heerschappij in het land achtergelaten, land en volk zelf leven nog en zijn nog onafgebroken, zijn gezond en tot ontwikkeling bereid en kunnen nog een groote toekomst bereiken, zoodra zij van de als een last op hen drukkende sultansmacht bevrijd zijn, waarbij barbaarsche bloedzuigers en bekrompen priesters de gezonde ontwikkeling tegenhouden.

Als een zinnebeeld van deze lange, afwisselende geschiedenis ligt Tanger aan den ingang tot het land; in plaats van een vrije, bloeiende handelsstad, zooals de natuurlijke poort naar een rijk land moest wezen, een klein, vuil nest, dat geen sporen van groote dagen vertoont en op 't armzalig kleed van zijn mohammedaansch-marokkaansche armoede maar al te zichtbaar een paar fel afstekende lappen heeft van vreemde, nieuwe kleur.

De indruk van nieuwheid, dien Tanger van de zeezijde maakt, raakt terstond verloren, als men in de straten en steegjes der stad een weinig heeft rondgekeken. Ze zijn krom en bochtig, steil en in 't geheel niet geplaveid. Men zoekt tevergeefs naar iets, wat aan het werk van bouwpolitie herinnert, en wie nog vijf uren te voren zich verheugde over de netheid en welverzorgdheid van de straten in Cadix, krijgt hier levendig het bewustzijn, van in een barbaarsch land te zijn. In de hoofdstraten echter, of liever de hoofdstraat, want er is eigenlijk maar één, staat het eene europeesche huis naast het andere, winkels, apotheken, bierhuizen, alle met uithangborden en spaansche, fransche of engelsche aanprijzingen, en tusschen die maar door enkele meters van de smalle, bochtige straat gescheiden huizen beweegt zich rumoerig en brutaal een dichte menigte, die ontnuchterend op den vreemdeling werkt.

Wel zal men geen minnut erover in twijfel zijn, dat de eigenlijke bevolking uit Mooren, Berbers en Negers bestaat in hun verschillende graden van raszuiverheid en vermenging; maar de europeesche figuren middenin dit afrikaansche gespuis zijn toch zeer talrijk. Naast den burnoes en de djellaba, de kaftan en den haïk van de inboorlingen, ontmoet men onafgebroken ook europeesche broeken en minder talrijk jassen en vesten. Niet altijd zijn het echte Europeanen, die deze nuchtere voorboden der beschaving dragen. Al zijn er onder de 35,000 inwoners, waarop men Tanger's bevolking thans schat, zeker een paar duizend Spanjaarden en dan minder trotsche hidalgo's dan wel arme slokkers van de laagste afkomst en het donkerste verleden vaak, toch kan men zich licht vergissen en een veel grooter aantal Europeanen vermoeden, omdat de talrijke marokkaansche Joden in Tanger reeds voor 't meerendeel de europeesche kleeding hebben aangenomen.

Storender werken echter in de oostersche stad de ontelbare echte Europeanen, de reizigers, die als sprinkhanenzwermen op de stad neervallen en gedurende een verblijf van enkele uren zich overgeven aan de aangename griezeling van te vertoeven in het onbekendste land der wereld te midden van de vreemdelingenhatende, bloeddorstige, dweepzieke Mooren, terwijl buiten op de reede, zoo dichtbij en binnen het bereik van hun oogen de stoomboot ligt, waar ze ieder oogenblik heen kunnen vluchten, als plotseling de groote moordpartij eens ging beginnen.

Daar er meer dan twintig stoombootlijnen zijn, die geregeld Tanger of Gibraltar aandoen, zal men zich kunnen voorstellen, welke scharen van pleizierreizigers, die op grootere reizen door de straat van Gibraltar gaan, of alleen aan de Middellandsche Zee en Spanje een bezoek brengen, de gemakkelijke gelegenheid aangrijpen, om een vluchtig kijkje in Tanger te nemen en aldus een echte, marokkaansche stad te zien. Vooral 's voorjaars en in het begin van den zomer, als de afrikaansche warmte nog niet lastig is geworden, zijn dag op dag de weinige hôtels van de stad overvol door steeds wisselende nieuwaangekomenen, onder wie natuurlijk, als in alle drukbereisde streken, Engelschen en Amerikanen in de meerderheid zijn. Maar ook Duitschers en Franschen zijn talrijk, en geen dag gaat voorbij, of men hoort vertellen van het gewone uitstapje naar Kaap Spartel en de vluchtige bezichtiging der stad op een ezels- of een muildierrug.

Het middelpunt van Tanger is de kleine markt, soek el daahl, zooals de inboorlingen, Soco chico, zooals de Joden en de vreemdelingen zeggen. Het is eigenlijk slechts een onbeduidende verwijding van de hoofdstraat, een pleintje, waar echter de meeste winkels, koffiehuizen en kantoren zijn. Ook zijn er het grootste hôtel, dan een bureau van het Comptoir d'Escompte national, de eenige in Marokko vertegenwoordigde buitenlandsche bank en het duitsche, fransche, engelsche en spaansche consulaat.

Alle nieuwtjes kan men op dit pleintje hooren, waar de babbelende en zwetsende menigte bijeenkomt en waar het tot laat in den avond druk is. Ook de gegoede klasse komt er bijeen in lokalen, die in beschaafde steden juist goed genoeg voor een koetsiersherberg zouden zijn; een fatsoenlijk clublokaal heeft Tanger niet, ook al doordat de kleine wereld van gezanten, consuls, tolken en geneesheeren zich afzondert en er nog weinig gezelligheid onder de andere buitenlanders heerscht.

Van Tanger naar Fez te reizen is niet zoo eenvoudig, als het lijkt bij het bezien der kaart. Men heeft slechts te doen met den geringen afstand van ongeveer 200 K.M., en de gesteldheid van den grond schijnt geen bijzondere bezwaren in den weg te leggen. Intusschen is de reis al ontelbare malen door Europeanen gedaan, niet alleen door de gezanten der vreemde regeeringen, die immers elke paar jaren den heerscher in een zijner hoofdsteden hun opwachting komen maken, doch ook door een groot aantal pleizierreizigers, die de platgetreden paden van andere landen moe zijn geworden en ook eens lust hebben in een avontuurlijke reis met veel ongerief en de prikkelende mogelijkheid van gevaarlijke avonturen. Zelfs dames hebben in de laatste jaren den weg wel afgelegd; vrouwen van diplomaten en moedige alleenreizende dames. Maar altijd moet in deze streken, die nog niet in het teeken des verkeers staan, met tenten en lastdieren en gewapende gidsen en tolken worden opgetrokken en al den omslag van uitrustingsvoorwerpen en voedingsmiddelen, die daarbij passen.

Tijdens mijn bezoek gaven de tijdsomstandigheden bijzondere zorg. Voor zoo ver men wist, werd de Sultan in zijn heerschappij bedreigd door een pretendent, die zich reeds een grooten aanhang had verworven, en men stond vóór de groote vraag, of het hem gelukken zou, den plotseling opgestanen tegenstander een beslissende neerlaag toe te brengen, eer de opstand verder om zich greep en ten slotte den troon van het regeerende geslacht zou doen wankelen of doen vallen, zooals reeds herhaaldelijk in de historie van het ongelukkige land gebeurd was, waar elke wisseling van heerscher verbonden is met bloedige oorlogen, met moord en verraad, opstand en burgeroorlog.

Dezen keer scheen niet alleen in het land zelf onder de helderziende vreemdelingen, door een langdurig verblijf vertrouwd geworden met de kunst, om achter den bedriegelijken schijn, de waarheid te ontdekken, maar ook bij de op de hoogte zijnde inboorlingen vast te staan, dat zulk een schok als de opstand van Boe Hamara het aan onrust en strijd zoo gewende land nog sinds menschenheugenis niet had getroffen.

Meestal heeft men bij den zoo goed als onafgebroken oorlogstoestand in Marokko te doen met pogingen van den sultan, om zijn gezag over de onwillige Berberstammen te handhaven, die het tot hun nationalen plicht schijnen te rekenen, het betalen van schatting te weigeren, tot ze er door wapengeweld toe worden gedwongen.

Met Boe Hamara nu was het niet de gewone weigering van enkele stammen, ook niet de aanspraak van een bloedverwant op den troon, maar het scheen een soort van nationale beweging te zijn met veel godsdienstige elementen erbij en in hoofdzaak gericht tegen den toenemenden invloed der vreemdelingen. Trots zijn afgeslotenheid heeft het land toch de tijden zien veranderen, en vooral in de jongste tientallen van jaren is er veel gewijzigd en zijn er nieuwigheden ingevoerd, die vroeger ondenkbaar zouden zijn geweest.

Enkel op zichzelf aangewezen en van de overige wereld afgesloten is Marokko nooit geweest; maar het is uit alle wisselingen in den loop der geschiedenis toch altijd als zelfstandig land te voorschijn gekomen, of als kern van een zeer groot machtsgebied. En kerkelijk is het in de oogen van de geheele mohammedaansche wereld altijd iets bijzonder heiligs en vereerenswaardigs geweest, sinds die nakomeling van den Profeet, Edris, in het land kwam en het eenige mohammedaansche heerschersgeslacht stichtte, dat op werkelijke familiebanden met den stichter van den godsdienst zich beroemen kan. Zooals de Islam, die zich in andere landen merkwaardig plooibaar getoond heeft, in Marokko streng zich heeft gehandhaafd in de rechtzinnigste vormen, zoo schijnen de Mooren als bewakers van de uiterste westgrens der mohammedaansche heerschappij het voor hun plicht te hebben gehouden, tegen de buitenwereld meesterachtig en afwerend op te treden. En dat is hun tot in den jongsten tijd gelukt.

Bij de onrust, die in het land heerschte ten gevolge van den opstand onder Boe Hamara scheen het gewaagd, de reis naar Fez te ondernemen; maar ik liet mij daardoor niet weerhouden. De eerste moeilijkheid was gelegen in 't verkrijgen van een goed rijpaard en van een betrouwbaren bediende of tolk. Aan goede paarden is natuurlijk in een zoo beslist ruitersland als Marokko geen gebrek, en in een door toeristen overstroomde havenstad allerminst. Maar juist daarin was de moeilijkheid gelegen. Met het oog op die pleizierreizigers, die in de voorjaarsmaanden en in het begin van den zomer in Tanger opduiken, willen de paardenkooplui hun dieren niet verkoopen. Het is voor hen veel voordeeliger, dag op dag de paarden aan de hôtels en hun klanten te verhuren. Dan wordt bijna altijd het korte uitstapje naar kaap Spartel gemaakt of naar de schilderachtig gelegen en slechts een dagreis verwijderde stad Tetoean. Op die wijze brengt hun ieder paard dagelijks 5 à 10 peseta's en meer binnen, terwijl de verkoop hun hoogstens 100 à 300 opbrengt.

Eindelijk na veel probeerens was een rijpaard gevonden, dat een goed reispaard scheen te zullen zijn en dan ook duur betaald moest worden, en eveneens met moeite werd een Moor gehuurd, die als karavaanleider dienen en met zijn bescheiden kennis van het Spaansch en van de kookkunst ook eenigszins de diensten van een tolk en kok kon bewijzen. In 't minst geen last had ik echter met de muildierdrijvers. Bij die alleen scheen op de markt het aanbod de vraag te overtreffen, en zij waren allen zonder bezwaren bereid, de reis naar Fez te ondernemen. Dat leek mij een gunstig teeken. Zulke menschen, die hun gansche leven op den grooten weg en in de karavanserai's doorbrengen, hebben op de politieke toestanden, voor zoo ver die de veiligheid raken, een uitstekenden blik.

Zoo trok ik dan op een mooien dag onder het geleide van de beste wenschen van de vrienden, die ik onder mijn landgenooten in Tanger had gemaakt, de stad uit. Ik zou vroeg 's morgens vertrekken; maar eer alles goed gepakt was, de lasten behoorlijk over de muildieren verdeeld waren en elke kant van hun sterke ruggen gelijkmatig was belast, werd het middag en namiddag. Een drom van bedelaars dringt zich dan erbij om fooien voor het wenschen van een goede reis, 't geen ook niet weinig ophoudt.

Het was een verlichting, toen de karavaan zich eindelijk in beweging zette. Het was maar een bescheiden karavaan, aan welker spits ik reed. Eenige Engelschen en een Duitscher, dien ik in 't hôtel had leeren kennen, hadden mij herhaaldelijk gevraagd, met hen te zamen de reis te maken. Maar met vreemden, wier reisgewoonten en neigingen men niet juist kent, zoo nauw verbonden te leven, als karavaan en tent noodzakelijk maken, is een leelijk ding voor iemand, die graag onafhankelijk blijft en over richting, wijze en duur der reis zelfstandig wil beslissen. Dus had ik hun voorstel afgewezen en was de eenige Europeaan en daardoor mijn eigen baas.

Dat was van te meer beteekenis voor mij, omdat ik, naar men mij in Tanger had verteld, er dagelijks op voorbereid moest zijn, door rooverbenden te worden aangevallen. Om in zoo'n geval toch iets aan mijn mislukte reis te kunnen hebben, had ik mij voorgenomen, niet den gewonen karavaanweg te volgen, die zonder eenige plaats van beteekenis aan te doen, rechtuit naar de hoofdstad voert, maar langs kleine omwegen mijn route zóó te kiezen, dat ik vóór mijn aankomst in Fez vier of vijf belangrijke plaatsen van dit noordwestelijk deel van Marokko zou hebben leeren kennen. Natuurlijk kreeg ik door bemiddeling van ons gezantschap den soldaatgeleider mee, die elken vreemdeling vergezelt en in naam van den sultan eerbied en bescherming voor hem vraagt.

Mijn mokhasni, zooals zijn naam is, welke naam beteekent bewaarder van de schatkamer, liet zich trotsch kaïd Mohammed noemen, want zonder hoogdravende titels gaat het hier niet, en de muildierdrijvers haastten zich dan ook, hem altijd als "kaïd" aan te spreken of liever als Aïd, zooals men hier met negeering van den keelklank altijd doet. De waardige heer maakte een statigen indruk op zijn groot paard met het eindeloos lange geweer en het groote zwaard op zij. Een lange, grijze baard golfde over zijn breede heldenborst en als men achter den fraaien hals van zijn hengst de stijf opgerichte gestalte van den krijgshaftigen grijsaard zag opduiken, zou men aan den Cid Campeador kunnen denken, zooals hij, in zijn witten mantel gehuld, tegen de ongeloovigen te velde trekt.

Van dichtbij beschouwd, veranderde echter de oude soldaat in een vreedzaam menschenkind, dat niet aan moord en bloedvergieten dacht. Als hij afsteeg, kon men wel zijn hooge gestalte bewonderen, maar ook zien, dat hij hinkte en aan één zijde verlamd was, terwijl het paard eveneens oud en gebrekkig bleek. Maar schilderachtig was mijn oude krijgsman, en dat is de hoofdzaak in dit land, waar alles zoo anders is dan in Europa.