De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 47

Chapter 473,799 wordsPublic domain

Ik bleef niet lang in het gezelschap van die nieuw-hebridische schoonheden, en ik begaf mij naar het strand der zee langs een voetpad, dat door de aanplantingen van den stam leidde. De velden waren goed onderhouden; er was geen onkruid te zien, en ze waren door rijen opgehoopte steenen beveiligd tegen de invallen van wilde varkens. Midden in het veld vond ik een kleine hoogte, waar voedingsmiddelen op waren neergelegd, aardappels, knollen, bananen en visschen. Mijn gids vertelde mij, dat die voorraad bestemd was voor de godin Teapolo, die den landbouw beschermde. Elke inboorling zorgt, dat zij hem gunstig is gezind, niet door te bidden, maar door haar geschenken aan te bieden, dan is hij er van verzekerd, dat zijn oogst goed zal zijn.

Op het strand aangekomen, ging ik voorbij een klein huis, waarin ik mannen op matten zag liggen; hun heftig schitterende oogen en karakteristiek dronkemansuiterlijk deden mij zien, dat zij te veel hadden genoten van het brouwsel, dat de inboorlingen vervaardigen, de kawa. Elken avond tegen vier uur moet een jongen van ongeveer vijftien jaren de wortels van die plant kauwen; hij spuwt het sap uit in een daarvoor bestemden bak, waar hij het laat gisten. Dat is de inlandsche drank; ieder dorpeling, die den mannelijken leeftijd heeft bereikt, mag uit den voorraad drinken en hij heeft het recht, om in het gemeenschappelijke huis de gevolgen te laten voorbijgaan van dien sterk bedwelmenden drank, die op de Zuidzee-eilanden zoo algemeen wordt gedronken. Om de kawa klaar te maken, kiezen ze bij voorkeur een knaap, wiens gebit volmaakt in orde is; en ik heb hen een allernauwkeurigst onderzoek zien instellen naar zijn kaken, om te zien, of geen zijner tanden was aangestoken.

Te Wassissi heb ik voor de eerste maal gebruik moeten maken van het gezag, dat mij mijn functie als commissaris der regeering verschafte, om het nieuwe reglement, betreffende de emigratie, tot uitvoering te brengen. Ziehier, in welke omstandigheden. De super-cargo van ons schip had twee vrouwen gerecruteerd. Maar pas was ik aan boord teruggekeerd, of een Kanaak kwam een van haar, Yamé genaamd, opeischen. Hij beweerde, dat zij zijn vrouw was, en dat hij haar niet mee wilde laten gaan naar Nouméa, terwijl hij aanbood, den prijs voor haar ontvangen, terug te betalen. Ik ondervroeg Yamé, die mij antwoordde, dat die man haar echtgenoot niet was; zij weigerde categorisch weer aan wal te gaan.

Ondanks de smeekingen van den Kanaak en de tranen, die hij in massa stortte, ondanks de ontroering, die den man overweldigde, bleef Yamé onverbiddelijk en hield hare ontkenning vol. Toch vertrouwde ik haar woorden niet recht en ging informeeren bij de andere Kanaken. Zij vertelden mij, dat zij wèl zijn vrouw was, en dat zij zijn toestemming, om te mogen vertrekken, niet had gevraagd. Ik heb toen haar engagement moeten schrappen en moest haar teruggeven aan haar heer en meester. Ik vrees zeer, dat de ontvangen stokslagen haar niet zullen hebben genezen van haar zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid. Maar de meest elementaire voorzichtigheid eischte, dat die vrouw aan haren man werd teruggegeven; maar al te dikwijls hebben de aanvallen op Europeanen tot oorzaak gehad een roof van weggevoerde Kanaken, zonder toestemming van den stam ontvoerd; onze opvolgers aan deze kusten zouden aan weerwraak hebben blootgestaan, en ons gedrag zou die dan hebben uitgelokt.

Na Wassissi te hebben verlaten, voeren wij langs de noordelijke helft der oostkust van Tanna en om kaap Lamtahim heen, die bewoond werd door een onrustigen stam; wij hadden het voornemen, op de westkust het anker te laten vallen bij Sangalli. De invloed van den vulkaan is in dit deel van het eiland minder merkbaar; men bespeurt nog in de verte de wolk van rook, die Tanna steeds bedekt houdt en in niet onbelangrijke mate de meteorologische toestanden er wijzigt; alle voorspellingen der zeelui omtrent het te verwachten weder brengt die rook in de war. Maar het stof, dat uit de opening naar buiten komt, vliegt niet tot deze plek en verbrandt er de planten niet, terwijl de plantengroei er inderdaad vrij weelderig is en den top der heuvels zelfs bedekt.

Aan deze kust waren niet veel menschen; men moet tot aan het Zwarte Strand gaan op de westkust, om eenigszins belangrijke volksstammen te ontmoeten. Ik ging hier aan wal op den oever van een rivier, waar zoet water in overvloed te krijgen was; de gelegenheid was gunstig, om een uitstapje in het binnenland te doen. Een kronkelend pad volgend, dat door den regen van de voorafgaande dagen glibberig was geworden, ging ik door een dicht bosch, waar geen zonnestraal doordrong; de grond was er zeer vruchtbaar en humus was er in een laag van aanmerkelijke diepte afgezet. In een meer of minder ver verwijderde toekomst zal dit plekje een geschikt punt van uitgang zijn voor een proef met een landbouwkolonie; de uitstekende ankerplaats, de betrekkelijke gezondheid van de plaats, het goede rivierwater, dat men er heeft, en eindelijk de rijkdom van het land, al die omstandigheden zijn bij uitstek gunstig voor het welslagen van een europeesche kolonie.

Weldra naderden wij Sangalli, waar wij eenige dagen dachten te blijven. De ankerplaats was er niet uitstekend; van het dek van ons schip konden wij de overblijfselen zien van de engelsche stoomboot _Fijian_, die in 1887 schipbreuk heeft geleden; de passagiers hebben zich kunnen redden, maar het schip was geheel verloren en de lading werd door de inboorlingen geplunderd. Onze reeder verschaft zich er tegen lage prijzen voorwerpen van europeesch maaksel, als messen, couverts, groote en kleine lantaarns en allerlei levensmiddelen.

Zoodra de _Lady Saint Aubyn_ het anker had uitgeworpen, zagen wij het hoofd Gemmy aankomen, wel bekend bij de kooplieden. Met een in flarden gescheurd hemd aan, zonder broek, met een pijp in den mond en op het hoofd een gibus, stapte hij aan boord, om ons zijn diensten aan te bieden tegen betaling. Het gezicht van een flesch jenever bracht een glimlach op zijn dikke lippen, en 't ontvangen van een geweer zette zijn blijdschap de kroon op.

Wij hebben ons over zijn gedrag niet te beklagen gehad, en uit zijn stam konden wij enkele arbeiders tot meegaan bewegen. Maar hij had zich ons verblijf ten nutte weten te maken, en de herinnering aan onze goedgeefschheid zal lang levendig bij hem blijven. Zoolang wij daar bleven, werd hij aan onze tafel toegelaten, en hij trok er de aandacht, zoo niet door uitgezochte zindelijkheid, dan toch door een onverzadelijken eetlust en onleschbaren dorst. Hij zag ons met leedwezen vertrekken en gaf ons zelfs de plechtige belofte, schitterend wraak te zullen nemen op een van zijn buren, een aanzienlijk hoofd, Maki geheeten, wiens onverwachte aanval ons haastig tot vertrek had doen besluiten.

Ziehier, wat er gebeurd was. In den namiddag tegen 4 uur, terwijl een onzer walvischsloepen bezig was te recruteeren op de zuidwestkust van het eiland Tanna beneden Sangalli, had de andere sloep zich naar de noordwestkust begeven. Deze laatste was aan land gegaan juist op de plek, waar de _Fijian_ schipbreuk had geleden. Plotseling werden verscheiden geweerschoten gelost door de inboorlingen op het strand; een matroos kreeg een kogel in het linkerbeen, zoodat hij drie dagen later aan tetanus stierf. De boot keerde dadelijk naar boord terug, na eenige geweerschoten te hebben gewisseld met de aanvallers. Ik stelde een onderzoek in. Het hoofd van den vijandelijken stam beweerde, dat een vrouw uit zijn dorp was gevlucht en zich op ons schip had verborgen. Hij was in den morgen er geweest, om haar te zoeken, en toen hij haar niet had kunnen vinden, vertrok hij in de overtuiging, dat wij haar hadden verborgen.

Hij was weer naar den wal gegaan en had ons aangevallen, om zich te wreken over een roof, dien wij niet hadden gepleegd. Overigens werd deze kust altijd als hoogst gevaarlijk aangewezen; de _Nouméa_, de _Télégraphe_ en nog een schip uit Queensland hadden herhaaldelijk zich over de inboorlingen te beklagen.

Bij zulk een reis ter afsluiting van huurcontracten met inboorlingen is het voorzichtig, zoo gauw mogelijk te vertrekken, als dergelijke gevallen zich voordoen, want dat zijn slechte voorteekenen. Het schijnt, dat er dan dadelijk een teeken wordt gegeven, dat het geheele eiland over wordt verstaan en dat het consigne blijkt, om alle verkeer tusschen de vreemdelingen en den vasten wal te breken.

Wij maakten ons dadelijk zeilklaar en verlieten Tanna, na even Kwamera te hebben aangedaan in het Zuiden van het eiland. De inboorlingen zijn er rustig, en zijn bekeerd tot het protestantisme. Zij doen aan landbouw, dus konden wij er allerlei voorraad opdoen, oranjes en bananen, suikerriet en knollen.

Wij wendden ons naar het eiland Erromango, dat 35 mijlen ongeveer van Tanna was verwijderd. Een krachtige zuidoostenwind bracht ons weldra in het gezicht der westkust, en om elf uur 's avonds voeren wij de Cooksbaai binnen, na om de Verraderskaap te zijn heengezeild, zoo genoemd door den beroemden engelschen zeevaarder, die er door de inboorlingen werd aangevallen. Wij bleven den geheelen nacht onder zeil; de baai is zeer weinig beschut en men kan er dus enkel bij windstilte landen, terwijl men ieder oogenblik gereed moet zijn, weer zee te kiezen.

Om zeven uur 's morgens zette een boot ons in de buurt van het dorp aan land; die kust is nog al bevolkt en wij merkten drie stammen op, aan de baai gevestigd. Eertijds waren de bewoners zeer gevaarlijk en zonder op te klimmen tot den aanval, waaraan Cook indertijd blootstond, zou ik kunnen herinneren aan den zendeling Gordon, die er in 1869 gedood werd met knotsslagen, en nog korter geleden aan de bemanning van een engelsch schip, die er in 1875 vermoord en opgegeten werd.

Bij ons bezoek liepen vreemdelingen niet meer zooveel gevaar; de invloed van den zendeling, aan de oostkust gevestigd in de Dillonbaai, heeft zich tot hier doen gevoelen; hij heeft in de dorpen enkele scholen gesticht, en de onderwijzers brengen den inboorlingen beschavingsdenkbeelden bij. Wij kunnen dus onbevreesd aan land gaan en met hen betrekkingen aanknoopen.

Wij kwamen op een Zondag in de Cooksbaai; de inboorlingen, al half bekeerd, hadden hun mooiste kleederen aangetrokken; mannen en vrouwen hadden de nationale kleeding, bestaande uit een lapje of gordel van pandanenbladeren, vaarwel gezegd. Nu dragen beide seksen hemden en broeken, en de jonge dames van Erromango zijn hoogelijk ingenomen met gekleurde jurken, hoeden met veêren en zelfs met het corset. Ik geloof, dat de winkels van Nouméa hier al hun overtolligheden slijten. Zoo dan al het schaamtegevoel bij deze transformatie der zeden heeft gewonnen, in schilderachtigheid zijn die menschen er niet op vooruitgegaan. De originaliteit dezer eilanden gaat langzamerhand te niet, en weldra zal de beschaving den eigenaardigen stempel hebben doen verdwijnen, die hen nog onder de aandacht deed vallen.

Onze werving had er niet veel succes; een enkele inboorling wilde meegaan naar Nouméa; maar hij vroeg, of het schip voor anker wilde blijven liggen, want hij kon geen contract sluiten op Zondag; hij mocht geen betaling aannemen op een dag, die geheel en al moet zijn gewijd aan overdenking en godsdienstoefening.

Weldra verlieten wij deze streken, die reeds al te beschaafd waren, en in de richting van de Dillonbaai varend, volgden wij de noordkust van het eiland en een gedeelte van de westkust.

Erromango zag er meer begroeid uit dan Tanna, het eiland is boschrijker en niet zoo vulkanisch en bergachtig als het andere, er zijn wel enkele heuvels in het binnenland; maar men heeft er ook vlakten waar aan veeteelt zou kunnen worden gedaan. Daarbij is het eiland goed besproeid, en de kust is gemakkelijk toegankelijk.

Als men bij de Dillonbaai komt, ontdekt men aan den oever der rivier de prachtige installatie van den protestantschen zendeling R., die sedert 1872 op het eiland woont; in de buurt is een kerk gebouwd, waar men op een houten bord kan lezen, welke feiten Engelands aandacht op dit eiland hebben gevestigd en het zoo bekend hebben gemaakt. Sedert 1839 zijn vijf anglicaansche zendelingen gedood door inboorlingen uit Erromango.

Langen tijd ging dit eiland door voor het gevaarlijkste van de groep der Nieuwe Hebriden. De Kanaken werden voorgesteld als de bloeddorstigste en gevaarlijkste wilden uit den geheelen archipel. Vijftig jaren geleden ongeveer kwamen op Erromango veel Europeanen; in de Dillonbaai kan men nog de overblijfselen vinden van eene belangrijke vestiging, bestemd voor de exploitatie van sandelhoutaanplantingen. Die werkte er van 1855 tot 1864, en van dien tijd dagteekent de vijandige gezindheid, bij de bewoners opgemerkt, waardoor niet alleen onder de zendelingen, maar ook onder de toevallig aankomende zeevaarders zooveel slachtoffers zijn gemaakt.

Inderdaad werpen de handelingen, door de houtinzamelaars volbracht, om arbeiders te krijgen, hun blijkbaar kwade trouw bij het sluiten van handelsovereenkomsten, de moord op veel inboorlingen voldoende licht op de daden van geweld, door de inboorlingen begaan, en op de weerwraak, door hen genomen op onschuldigen, met hun leven boetend voor de misdaden van anderen.

Aan boord van ons schip luisterde ik naar de mededeelingen van onzen werver F., die vroeger ambtenaar was in een exploitatiezaak van sandelhout, en hij zei tot mij: "Als dit eiland Erromango spreken kon, zou het dingen kunnen vertellen, die iemand de haren zouden doen te berge rijzen".

Het scheen mij toe, dat de bevolking er minder dicht was dan op Tanna; volgens ter plaatse ingewonnen inlichtingen heeft men er ongeveer 2500 inwoners, waarvan 1200 tot het Christendom bekeerd zijn en 1300 nog heidenen zouden wezen. Maar de vorderingen, die de zendeling R. maakt, zijn niet weg te cijferen, en langzamerhand dringt zijn invloed door tot in de afgelegenste gedeelten van het eiland. Zoo heeft hij drie-en-dertig kleine zendingsposten in 't leven kunnen roepen, geleid door een dergelijk aantal vermaners, en toen ik er was, had hij reeds 150 kinderen gedoopt.

Ik hoop, dat deze pogingen tot het maken van proselieten volkomen slagen; zij zullen mogelijk de ontvolking van het eiland tegengaan, waar sinds dertig jaren het aantal bewoners van 3000 tot 2000 is gedaald. Ik heb kunnen waarnemen, dat de inboorlingen van Erromango minder forsch zijn dan die uit Tanna. Hun gestalte is kleiner, hun kleur donkerder; ze zijn magerder en hebben een minder gezond gestel dan hun buren; de wapens, die zij gebruiken, als bogen en pijlen en knotsen, zijn kleiner en geheel in overeenstemming met den tengerder lichaamsbouw, die bij alle bewoners valt op te merken.

Uit het oogpunt van het intellect, komt dit ras mij het minst ontwikkeld voor van die, welke ik nog in den archipel heb ontmoet. De inboorlingen beoefenen in 't geheel geen industrie, en hun verstand is niet ontwikkeld. Men bemerkt, dat zij den invloed niet hebben ondervonden van de Polynesiërs, die op de andere eilanden de autochthone bevolking hebben opgeheven, haar nieuw bloed hebben bijgebracht en haar in alle opzichten hebben vooruitgeholpen. De Kanaak uit Erromango is nog de zuivere Negrito of wel de Papoea, die nog in niets is veranderd, die vrij gebleven is van elken vreemden invloed en een der laagst staande rassen vormt van de groote menschenfamilie.

De gezondheid van 't klimaat op het eiland is verschillend op de oost- en de westkust; de Cooksbaai lijkt gezond en wel geschikt voor eene europeesche vestiging; maar daarentegen hebben mijn tochten in en om de Dillonbaai mij overtuigd van de ongunstige ligging dier plaats. Het dal is vruchtbaar, en de rivier brengt zoet water aan in overvloed, maar miasmen worden ontwikkeld op de moerassige oevers der rivier, en de baai ligt te zeer beschut voor de heerschende zuidoostenwinden. Het verbaasde mij niet, dat de heer R. en zijn gezin ziek waren tijdens ons bezoek en zich genoodzaakt hadden gezien, tot herstel van gezondheid de australische koloniën op te zoeken.

Van Erromango voeren wij naar het Noordwesten en stevenden naar het eiland Vaté of Sandwich, waarvan wij ongeveer 70 mijlen verwijderd waren. Het deed mij genoegen, dit eiland nogmaals aan te doen; vier jaren geleden was ik er een half jaar gestationneerd geweest met nog een luitenant en vijftig soldaten. Dat was in den tijd, toen Frankrijk den archipel in bezit had genomen en posten had gevestigd te Vaté en te Mallicolo. Maar het verzet van Engeland en van de presbyteriaansche zendelingen leidden tot de ontruiming van het land door onze troepen, en ik had met leedwezen moeten aanzien, hoe onze driekleur er was verdwenen.

Twee dagen, nadat wij Erromango hadden verlaten, verkenden wij het Sandwicheiland. Cook beschouwde het als de parel van de groep der Nieuwe Hebriden en het verdient dien naam, terwijl de beschrijving, die hij ervan geeft, zich niet aan overdrijving schuldig maakt. Dit is het voor den landbouw 't best geschikte eiland; men vindt er breede, goed besproeide dalen, waar de grond verrassend rijk en vruchtbaar is; de heuvels dragen niet veel bosschen, maar er zijn weidenrijke plateaux, en op veel plaatsen wacht de grond er maar op, in cultuur te worden gebracht, om de overvloedigste oogsten te leveren. De kolonist behoeft hier geen voorbereidenden arbeid te doen, hij vindt een ontgonnen terrein en dadelijk na zijn aankomst kan hij er maïs en koffie gaan planten. De noordwestkust is rijk aan zeer goede, veilige havens; alleen voor de oostkust ligt een gevaarlijke klip, maar die is best te vermijden.

Wij voeren de Pangobaai binnen en zouden bij Port Vila voor anker gaan, een haven, zoo ruim, dat er wel een vloot in geborgen kon worden. Het is 't belangrijkste punt van de groep der Nieuwe Hebriden, bestemd voor eene groote toekomst, en nu reeds neemt het een eerste plaats in, wat handel en landbouw betreft.

Port-Vila is dan ook de hoofdstad der Nieuwe-Hebriden, centrum van de kleine, fransche kolonie, die de natuurlijke schatten van den grond exploiteert en deze eilanden, die zoo rijk en productief zijn, voor Frankrijk wil trachten te winnen. De naam Franceville, die der plaats ook wel wordt gegeven, herinnert aan het moederland en aan de gevoelens, die onze landgenooten koesteren voor Frankrijk, waarvan zij door 6000 à 7000 mijlen land en zee gescheiden zijn.

Ondanks hunne grootere getalsterkte zijn de inboorlingen als verloren onder de blanken, die Port-Vila bewonen; zij zijn voor 't grootste deel verwezen naar de twee eilanden Vila en Mélé, die wij tijdens ons verblijf alhier nog willen bezoeken.

Vijftig Europeanen ongeveer wonen te Franceville; zij behooren tot verschillende nationaliteiten; men ziet er Franschen, Zweden, Engelschen, Noren, Amerikanen en Duitschers. Allen doen aan landbouw en drijven handel.

Ons eerste bezoek gold den agent van de _Compagnie Calédonienne_, die te Anabroe woont. Die maatschappij, in 1882 opgericht, heeft veel grondgebied verworven in den Archipel; zij heeft kantoren ingesteld op de verschillende eilanden en houdt zich ernstig bezig met het stichten van landbouwkoloniën.

De vertegenwoordiger van de maatschappij, de heer A., stelde vriendelijk een paard te mijner beschikking, en zoo kon ik een prettig wandelritje doen door de aanplantingen; er gingen verscheiden uren met een rit over de plantages heen. Tegenwoordig zijn reeds 30000 H.A. in cultuur; 120000 koffieboomen geven een jaarlijksche opbrengst van 40 tonnen en 1000 kokospalmen zullen het volgend jaar voor 't eerst vruchten leveren.

Het was een waar genoegen, het binnenland van Vaté of het Sandwich-eiland in te gaan, dat vroeger geheel aan de inboorlingen was overgelaten en nu bijna uitsluitend door Europeanen is bezet, die de natuurlijke hulpbronnen er exploiteeren; daar zijn er onder hen, die zich met geduld en volharding een zoo niet schitterende, dan toch zeer dragelijke positie hebben veroverd.

Zoo kwamen wij te Freshwater, reden door bananenaanplantingen, die zeer winstgevend zullen zijn, zoodra de kolonisten de vruchten ter markt zullen kunnen brengen te Sydney en te Melbourne en dus met voordeel zullen kunnen wedijveren met de voortbrengers op de Fidsji-eilanden. Na de Freshwaterrivier te zijn overgegaan, bereikten wij het dorp Tagabé, door onze landgenooten bewoond. Zes jaren geleden ongeveer liet een fransche kolonisatie-maatschappij naar Port-Vila een groep kolonisten uitgaan, die lust hadden in landverhuizing en die elders eens hun fortuin wilden beproeven. Sommigen werden al gauw ontmoedigd en keerden naar het moederland terug; anderen, die zich niet lieten afschrikken door tegenspoed en inspanning, bleven en hebben ten laatste het welvarende dorp gesticht, dat er nu is verrezen.

Elk van hen heeft een kleine bezitting, waarop hij een huisje heeft gebouwd met bijgebouwtjes voor varkens en kippen; enkele woningen waren artistiek versierd; er was een engelsche tuin aangelegd met nette paden, grasvelden en keur van bloemperken.

Allen leefden van de opbrengst van hun land; hun koffieaanplantingen, en de bouw van bananen en maïs leverden hun een welstand, die hun in Frankrijk niet zou zijn te beurt gevallen; hun bestaan is vrij en onafhankelijk en kent geen dwang van conventie of mode, waardoor in Europa zooveel individueel initiatief wordt tegengehouden.

Ik kwam te Franceville terug en begaf mij naar de woning van den ouden maire dier plaats, den heer C. De blanken te Port-Vila vormen inderdaad een afzonderlijke groep, met een burgemeester en verdere ambtenaren, die de aangelegenheden van openbaar belang behartigen; de quaesties omtrent de wegen, de reiniging, de haven worden bestudeerd, en binnen korten tijd zal men goede rijwegen te Port-Vila hebben, leidend naar andere centra van kolonisatie.

Er is zelfs sprake van, een weg te leggen naar den anderen kant van het eiland, naar Port-Havannah, en het zal een weg zijn voor allerlei vervoermiddelen geschikt. Zoo vertelt mij de heer C., dien ik reeds had leeren kennen op een vorige reis. Hij noodigde mij uit, zijn bezitting te gaan zien, die in de laatste jaren aanmerkelijk was vergroot, en stelde mij voor, den volgenden dag met hem een uitstapje naar het inlandsche dorp Mélé te maken. Ik nam het aanbod gretig aan, was precies op tijd op de afgesproken plaats, namelijk om zes uur 's morgens voor den winkel van de Maatschappij der Nieuwe-Hebriden.

Wij deden den tocht te paard. Port-Vila is het eenige punt op de Hebriden, waar men van die beweegkracht gebruik kan maken; er zijn sinds eenige jaren paarden ingevoerd van het eiland Norfolk. Zij bewijzen er groote diensten, want nu kunnen de kolonisten te paard hunne uitgebreide plantages bezoeken. Bij 't verlaten van Port-Vila kwamen wij in een bosch, waarvan de dichte boomen den mooien weg, die naar het dorp Mélé leidde, heerlijk tegen de brandende zonnestralen beschutten.

Na een half uur verlieten wij het bosch en kwamen uit vlak bij de Pangobaai, waar rustig ons schip, de _Lady Saint Aubyn_ lag. Wij volgden het strand, en na nog een paar plantages te hebben bezichtigd van zweedsche families, die er reeds vijf-en-twintig jaren woonden, kwamen we bij een open ruimte, waar vijf- of zeshonderd inboorlingen schreeuwden en gesticuleerden en zich aan allerlei lichaamsverdraaiingen te buiten gingen.

Dat waren de bewoners van het dorp Mélé, die door hun dansen den aardknollenoogst vierden. In rood en in wit katoen gekleed, met veêren in het haar en een rood en zwart beschilderd gezicht, ieder met een knots en een paar messen gewapend, stonden ze in vier of vijf gelederen en kwamen al zingend naar voren, met de voeten trappend op de maat van inlandsche trommels.