De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 46
Wij hadden slechts tijd voor een vluchtig bezoek. Allereerst viel onze aandacht op een stal met een heilig paard, dat opgetuigd was als voor een steekspel en eenige uren later aan den optocht zou deelnemen. In de andere helft van dit gebouwtje zaten twee dansmeisjes in lange roode en witte gewaden, die voor een paar koperen muntstukken een heiligen dans uitvoerden. Met zedig neergeslagen oogen en langzamen cadans bewogen zij zich voor- en achterwaarts en vormden vreemde figuren, in de eene hand een waaier houdende en in de andere een handvat met koperen belletjes. Dan hurkten zij weer neder, bogen ten dank eenige malen diep met het hoofd op den grond, en zaten verder zwijgend en bewegingloos te wachten.
In het mausoleum van Iyeyasu, een beroemden "Shogun", bewonderden wij het prachtige snijwerk van deuren en plafonds, voorstellingen van beesten, vogels--waarbij de ibis een groote rol speelt--bloemen, vruchten, enz.
Onze schoenen moesten wij buiten de deur uittrekken; binnen heerschte een doodsche stilte en een mystiek halfduister, waarin het goud en koper van altaren en beelden een vreemden glans verkreeg.
Nog meer uitgesneden en beschilderde paneelen, elk weer een andere teekening vertoonende; nog meer begraafplaatsen van vermaarde "Daimyo's"; nog meer beelden van vroegere oorlogshelden, half naakt en nu eens groen, dan blauw van kleur, met woeste, grijnzende trekken en gespannen boog of getrokken zwaard. In één gebouw hing zelfs een schilderij van een modern slagschip en zat een symbolieke adelaar op den mond van een snelvuurkanon. Is het wonder, dat de Japanner slechts overwinnen of sterven kent, ondanks de leer van Boeddha, die verbiedt te dooden?
En langs de grijze, verweerde steenen trappen, waarop mos van eeuwen her, opklimmende naar weer andere poorten, naar weer fraaie torens, heeft men het oerwoud rondom.
Er waren vele bezoekers en de pleinen en gangen begonnen zich al te vullen met de deelnemers aan de jaarlijksche processie, gehouden ter nagedachtenis van Iyeyasu. Kleurige altaren en banieren, wonderlijke kleedingstukken en hoofddeksels, antieke wapens en wapenrustingen,... het beloofde een interessant schouwspel te zullen geven. Wij konden er helaas niet van genieten, daar de tijd van vertrek naderde. Alras waren wij op weg naar het station, na onze bagage te hebben gehaald van het Kanaya-hôtel, dat ik niet licht zal vergeten.
En dat niet wegens zijn onovertrefbare tomatensoep, niet om zijn overheerlijke zalm uit het bergmeer, noch om zijn delicieus pijnappelijs, zelfs niet wegens de donkere amandel-oogen zijner bekoorlijke, dienende geesten, die der volmaaktheid nabij komen en den onuitgesproken wensch gehoorzamen, maar enkel om het onvergelijkelijk natuurschoon in zijne nabijheid, om den zorgen-bannenden invloed zijner paradijsachtige omgeving.
En gij, globe-trotter, die geluisterd hebt naar het zoet-vloeiende "Dormi o bella" van den gondelier in den Venetiaanschen toovernacht en bij maanlicht den Nijl zijt afgevaren, terwijl uw bootje schuurde langs het papyrus-riet en een bruine gestalte op de voorplecht op zangerigen toon zijnen makkers verhalen deed uit de "Duizend-en-een-nacht"; die evengoed bekend zijt in den Harz als in de Ardennen; die het weemoedvolle lied van de Lorelei gezongen hebt aan den Rijn en de tintelende Marseillaise aan de boorden van de Seine; die gezworven hebt zoowel in de Schotsche hooglanden als in het Zwarte Woud; die de Alpen hebt beklommen en op een drijvend hôtel naar de Nieuwe Wereld zijt overgestoken; die het land der middernachtzon hebt leeren liefhebben en ook uw eigen vaderland hebt leeren waardeeren; die den zonsondergang hebt aanschouwd onder de linie ergens op den Oceaan en den zonsopgang aan het Vierwaldstädtermeer; die Napels hebt gezien zonder te sterven en Monte-Carlo zonder te spelen ... voor u herhaal ik:
"Nikko minai uchi wa, kikko to iuna!"
Ten 11 uur van Nikko vertrekkende, waren wij 4.15 te Tokyo en gingen precies 6 uur door met den nachttrein naar Kobe. We konden dus niets meer zien van Tokyo, zijne straten en paleizen, zijne schouwburgen en bazaars, zijne tempels en museums, zijne parken en vijvers. Dat was wel jammer, doch kon niet verholpen worden. De plicht gebood ons terug te keeren.
Wij hadden trouwens al veel meer ongezien moeten laten, zelfs in de plaatsen die wij bezochten.
In den trein was eene restauratie-wagen, waar men zeer smakelijk kon eten. Overal electrisch licht en dito waaiers.
Wat de spoorwegen aangaat is alles hier uitstekend in orde. Op alle stations vindt men duidelijke aanwijzingen in de Japansche en Engelsche taal aangaande den loop der treinen. Bordjes vermelden het eerstvolgende station aan beide kanten, en den afstand tot begin- en eindpunt der lijn. Nergens behoeft men de rails over te steken, want zelfs op de kleinste stations leidt een ruime brug, geheel overdekt, naar het 2de perron. Blijkbaar zijn de zaken hier van het begin af goed aangepakt en was er een ruime beurs voorhanden. Maar de Japanners konden ook dadelijk van de nieuwste uitvindingen gebruik maken en zoo den langen lijdensweg vermijden, dien men vaak in andere landen bewandelt, waar men, met primitief materiaal begonnen, slechts langzaam en geleidelijk verbeteringen invoert en nieuw materiaal aanschaft.
Rook- en dames-coupé's mist men hier, maar die zijn eigenlijk ook overbodig; immers de dames rooken ook.
Wat de reden is, dat wij gedurende onzen zesdaagschen tocht geen enkele japansche dame in de 1ste klasse zagen, weet ik niet.
De trein was vrij vol. Maar mij in een flauwe bocht opschietende, kon ik toch heel goed slapen, wat ik dan ook bijna den geheelen nacht deed. Tegenover mij zat een cavalerie-officier, die op een gegeven oogenblik zijn gespoorde laarzen uittrok, zijn sabel afgespte en toen als een kleermaker op de bank ging zitten. En wij vonden het niet eens vreemd meer!
We hadden dezelfde route als op de heenreis, passeerden midden in den nacht Nagoya zonder wakker te worden en kregen, toen het licht werd, af en toe een mooi gezicht op het Bima-meer, nabij Kyoto, dat wij gaarne hadden bezocht.
Gedurende het korte oponthoud te Kyoto maakten de japansche reizigers hun toilet op het perron, waartoe een tiental kranen met bassins gelegenheid gaven. Broederlijk stonden de passagiers der drie klassen naast elkaar, wieschen gelaat en handen en poetsten hunne tanden. Wij echter verkozen de toiletkamer in den trein boven deze openbaarheid.
Weldra ging het weer verder, en het was niet zonder weemoed, dat ik het einde der reis zag naderen, ofschoon toch vol dankbaarheid voor al het genotene.
Eene waarschuwing van mijn reisgenoot maakte een einde aan mijne overpeinzingen; want daar roldonderde reeds de trein het station te Kobe binnen, precies op tijd, 15 uren en 20 minuten na zijn vertrek uit Tokyo, en een half uur later roeide een sampang ons aan boord, alwaar de dienst mij onmiddellijk in beslag nam.
Terwijl ik dit schrijf, ben ik reeds weder duizenden mijlen van Japan verwijderd. Doch nogmaals doorleef ik in den geest die onvergetelijke dagen in het Land der Rijzende Zon, en zie opnieuw dat merkwaardig volk, waarvan Percival Lowell zegt:
"De Japanner is verliefd op de Natuur, en het schijnt bijna alsof Natuur zijn stil gebed hoorde en hem goedgunstig tegenlachte; alsof het liefdelicht aan haar gelaat de verhoogde schoonheid verleende, die het geeft aan dat der vrouw.
"Want nergens ter wereld waarschijnlijk is zij beminnelijker dan in Japan: een klimaat van lange, gelukkige gemiddelden en korte uitersten; maanden van lente en maanden van herfst met slechts weinig weken van winter er tusschen; een land van bloemen, waar de lotus en de kers, de pruim en de wisteria welig groeien zij aan zij; een land, waar het bamboe-gras den ahornboom omstrengelt, waar de pijnboom eindelijk zijn palm gevonden heeft, en de tropische en gematigde zone hun scheidende eenzelvigheid vergeten in een langen, zelfverloochenenden kus".
AANTEEKENING
[1] Spreek uit: Niko.
Reis naar de Nieuwe Hebriden en de Salomons-eilanden.
Naar het Fransch van
Dr. A. Hagen.
Officier van Gezondheid.
De ontwikkeling van de kolonisatie op het fransche eiland Nieuw-Caledonië heeft er sinds lang den invoer noodzakelijk gemaakt van vreemde arbeiders. De exploitatie der nikkelmijnen, de verbouw van koffie, tabak en maïs dwingen den europeeschen kolonist, gebruik te maken van werkkrachten uit Oceanië.
De reeders uit Nouméa, de hoofdstad van Nieuw-Caledonië rustten dus vaak schepen uit, die naar de Nieuwe Hebriden en de Salomonseilanden gingen, om inboorlingen mee terug te brengen, voor zwaren arbeid geschikt. Ongelukkig hadden er daarbij misbruiken plaats; er werd met geweld opgetreden tegen weerspannige Kanaken, die niet gezind waren, hun geboorteland te verlaten en het dolce far niente op te geven, waaraan ze bij zich te huis waren gewend.
Het werd noodig, orde te stellen op die handelingen van zoogenaamde recruteering. Ik vervulde toen mijn kolonialen diensttijd op Nieuw-Caledonië. De heer Pardon, gouverneur der kolonie, wilde mij wel het toezicht op de genoemde emigratie toevertrouwen en benoemde mij tot regeeringscommissaris aan boord van de _Lady Saint Aubyn_ en de _Mary Anderson_. Zoo heb ik verschillende reizen door den Stillen Oceaan gedaan en won daarbij allerlei inlichtingen in over de verschillende eilanden, die samen vormen de eilandengroepen der Nieuwe Hebriden en der Salomonseilanden.
Den 4en April 1891 ging ik aan boord van de _Lady Saint Aubyn_, een zeilschip van 150 ton.
Wij vertrokken op een reis van vele maanden naar weinig bekende landen, die zeer belangwekkend waren, en waarvan de bewoners nog boosaardige, woeste menscheneters heetten, die een zekere beruchtheid hadden gekregen door veel aanvallen op Europeanen. Maar dat zijn gevaren, waaraan men pas gaat denken op den dag, als ze zich juist voordoen; op het oogenblik van ons vertrek kenden we geen andere zorg dan de richting van den wind, want ons scheepje was niet voor stoom ingericht en onze grootste vijand was de tegenwind.
Wat dreigementen van de inboorlingen betreft, daartegen waren wij genoegzaam gewapend; de 200 geweren en 3000 patronen, die de _Lady Saint Aubyn_ meevoerde, zouden ons in staat stellen, het antwoord niet schuldig te blijven, als wij werden aangevallen, en ons leven duur te verkoopen.
Zoodra we uit de haven van Nouméa waren, voeren we vlug voorbij het eilandje Porc-Epic, dat wel zijn naam van Stekelvarkeneiland verdient om de vele pijnboomen, waarmee het bezet is en zetten onzen tocht voort langs het Zuiden der westkust van Nieuw-Caledonië. Er was daar niet veel plantengroei, en het aantal bewoners was gering sedert den opstand van 1878; maar deze kust bezit veel minerale rijkdommen, want nikkel en kobalt vindt men er in groote hoeveelheid, en van het dek van ons schip konden wij sporen ontdekken van oude en van nieuwe ontginningen.
Enkele inboorlingen voeren op zee rond, vroegen ons, waarheen wij gingen en wenschten ons goede reis. Zij kwamen van het Pijneiland met hun dubbele prauwen en waren op weg naar den zendingspost Saint-Louis, waar ze de mis zouden hooren. Vroeger was altijd de piloe-piloe met de gruwelijkste tooneelen van kannibalisme de reden van hunne bijeenkomsten en gaf aan hun feesten zulk een woest en afgrijselijk karakter.
De beschaving heeft hun zeden verzacht; maar dat is gegaan ten koste van het ras, dat meer en meer de neiging vertoont, om uit te sterven. "Er zijn geen Kanaken meer," zei Pila, een groote, forsche en intelligente inboorling. "Vóór de blanken hier kwamen, hadden wij aardappelen en knollen in overvloed; nu worden wij van ons land verjaagd, of men doodt ons door middel van sterken drank."
Tegen zes uur 's avonds kwamen we in de Yré-baai.
De richting van den wind liet niet toe, het kanaal over te steken en in open zee te komen. Wij wierpen het anker in die baai uit, dichtbij het eiland Wen. Het eiland ziet er zeer bijzonder uit, en in de verte lijkt het, alsof het overal met den ploeg is bewerkt van boven tot beneden, ja tot op den top der hoogste heuvels. Doch weldra ziet men, dat niemand lust heeft gehad, daar te zaaien of te oogsten. De prospectors, de goudzoekers, hebben er den grond zoo omgewoeld bij hun zoeken naar nikkel in den bodem. Hoeveel slachtoffers heeft die mijnkoorts al niet op hare rekening, en hoeveel maakt zij er nog steeds, ook nu op Nieuw-Caledonië!
Het schijnt trouwens wel, of het eiland niets anders bevat dan steenen van chroom en kobalt; en men vraagt zich af, hoe de weinige inboorlingen leven, die er heen zijn gedeporteerd ten gevolge van den opstand van 1878. Gelukkig is de zee dichtbij, en de Kanaak is een goed visscher, zoodat de uitstekende visch hem voldoende schadeloos stelt voor 't gemis van knollen en aardappels.
Op de ankerplaats aan de Yré-baai, toen niemand meer dacht aan de ellende van de zeereis, hadden wij ruimschoots gelegenheid, met elkander kennis te maken. Dus kan ik aan de lezers voorstellen, ten eerste B., onzen kapitein, een ouden zeerot, die al twintig jaren ongeveer in deze wateren vaart, een ervaren zeeman, maar een al te trouw dienaar van Bacchus; ten tweede Mac D., een Engelschman van iersche afkomst. Men kan zijns gelijke niet vinden in het winnen van het vertrouwen der Kanaken; hij kan hun de mooiste voorspiegelingen doen en hun 't heerlijkst leventje voorspellen, als ze naar Nouméa mee willen gaan. Dat is het Beloofde Land, wordt hun gezegd, waar men nooit werkt en altijd eet, wat voor een inboorling de hoogste zaligheid is.
Ons verblijf op het eiland Wen duurde maar kort, en den volgenden morgen zette de _Lady Saint Aubyn_ koers naar het Havannakanaal. Wij passeerden de Zuiderbaai, waar in zoete rust en in de verzekerdheid van een goede woning en goeden kost eenige honderden dwangarbeiders leefden, voor wie de regeering op moederlijke wijze zorgt. Als houthakkers werden zij aan het werk gezet bij het exploiteeren van de bosschen aan de Pronybaai, en hun arbeid zou den nijd kunnen opwekken van onze boeren uit de bosschen der Vogezen, wier leven zoo moeilijk is, en wier arbeid zoo slecht wordt betaald.
Toch zijn er eenige ontevredenen, en op het eiland Santa-Anna van de groep der Salomonseilanden, zullen wij drie van hen ontmoeten, die op deze afgelegen eilanden een schuilplaats zijn gaan zoeken, om tegen dwangarbeid beveiligd te zijn en voor de straffen van de bewakers. Zij hebben bij den ruil niet gewonnen.
Tegen den middag waren wij buiten den gordel van riffen, die Nieuw-Caledonië omgeeft. Nadat we het eiland Maré, een der Logally-eilanden, hadden verkend, wendden wij den steven naar de Nieuwe Hebriden, waarvan 300 mijlen ons scheidden.
Twee dagen hadden wij noodig, om dien afstand af te leggen; vier dagen na ons vertrek van Nouméa, lagen wij tegenover het eiland Tanna. Het werd ons al in de verte gewezen om zijn vulkaan, welks lichtend schijnsel wij wel 20 mijlen ver op zee konden waarnemen.
Wij gingen aan wal op de oostkust van het eiland. Op eenigen afstand gezien, bood het een zonderlingen aanblik aan. Rondom den vulkaan was de grond dor, volkomen kaal; noch plant, noch gras, noch boom kon men er bespeuren; maar op de noordelijke helft van het eiland groeide een prachtige plantengroei; er werd van alles door de inboorlingen verbouwd, en allerlei edele houtsoorten waren er in ruimen overvloed te vinden.
Onze eerste aanlegplaats moest Port Resolution zijn. Op den vastgestelden tijd, tien uur 's morgens, ankerden wij bij den ingang der haven; rotsen beletten ons, er binnen te varen, want er was slechts een nauwe doorgang, bijna niet bruikbaar voor zeer kleine vaartuigen. Dit was oudtijds de eenige haven van het eiland; een schip vond er een veilige schuilplaats gedurende hevige stormen of cyclonen, die in den archipel zoo veelvuldig voorkomen in de maanden December, Januari en Februari. Maar in 1878 is ten gevolge van hevige aardbevingen de zeebodem opgehoogd, en de diepte bedraagt nu niet meer dan 1.5 à 2 M., terwijl er acht M. stond, toen Cook er een eeuw ongeveer geleden kwam. Nu kwamen de inboorlingen, die ons op grooten afstand hadden gezien, naar de _Lady Saint Aubyn_ toe, om ons te waarschuwen tegen de gevaren, die elk schip bedreigen, dat zou willen binnenvaren.
Zoodra wij het anker hadden laten vallen, bracht een boot van het schip ons naar den wal; wij konden zien, welke wijzigingen de vulkaan achtereenvolgens aan de kust had teweeggebracht; een moerasje aan den linkerkant der haven was plotseling droog geworden, en wij zagen alleen de bedding; het had nu een zeer duidelijk in 't oog vallende helling, en al het water was weggevloeid naar de zee.
De inboorlingen, die in Port Resolution wonen, zijn ongeveer 300 in aantal, zij stonden spoedig allen om ons heen en vroegen ons zonder eenige schaamte of verlegenheid dadelijk om tabak en vooral om patronen, daar zij in oorlog zijn met de naburige stammen. Maar niemand van hen had lust, een verbintenis aan te gaan, ten einde in Nouméa te werken. Zij waren trouwens reeds tot het Christendom overgegaan en wel tot het protestantsche geloof, en de engelsche zendeling, die hier resideerde, overreedde hen niet te emigreeren, daar hij zijn kuddeke gaarne bijeen wilde houden.
Die herder was afwezig bij mijn bezoek; hij bracht in Engeland een zesmaandsch verlof door, dus kon ik aan zijn sierlijk woonhuis een bezoek brengen, dat, aan de linkerzijde der haven op een kleinen heuvel gelegen, groot en ruim van steen was opgetrokken en omringd was met een veranda en een grooten tuin, door de schaapjes van de kudde in orde gehouden. Van binnen was het huis deftig en geriefelijk gemeubeld, en ik vond er een welvoorziene bibliotheek, die den leeraar zeker in staat stelde, op amusante wijze zijn vrijen tijd te besteden. In het kort, de installatie liet niets te wenschen over, en ik kon niet laten, vergelijkingen te maken tusschen deze inrichting en die van onze fransche zendelingen, die in inboorlingenhutten wonen en wien het vaak hun prestige kost, dat zij hetzelfde leven moeten leiden als de inboorlingen.
Wij trokken door het Kanakendorp, dat aan den oever lag en wij konden er kennis maken met de zeden en gewoonten der bewoners. Bij onze aankomst lag een van hen op den grond en had zijn hoofd op een klein houten bankje gelegd; hij liet zich het haar vlechten door een anderen inboorling in kleine vlechtjes, die in den nek neerhingen. Dit is een bewerking, die een groote rol speelt in het leven van een inwoner van Tanna; het duurt een eindeloozen tijd en vereischt een geduld, als wij in ons oud Europa alleen aantreffen bij de zeer elegante dames, die zich zoo mooi mogelijk wenschen te maken voor een bal.
Die wilden besteden niet dezelfde zorg aan de bereiding van hun voedsel. Toen ik er was, zag ik hen op heetgemaakte steenen een grooten, achtarmigen zeepoliep braden; maar zonder te wachten, tot hij gaar was geworden, nam één van hen het dier en zette er zijn tanden in, terwijl een ander er ook naar greep, om zijn deel te krijgen; op een gegeven oogenblik scheurden de vijf om het vuur gezeten inboorlingen elkaâr het dier uit de handen en hapten er allen tegelijk in, als honden, die vechten om een been.
Zij eten ook aardknollen en bananen, en ik zag herhaaldelijk vrouwen, met die vruchten beladen, zich begeven naar den rechtschen kant der baai, ze laten de knollen namelijk gaar worden in de heetwaterbronnen, die er in menigte in het naburig gebergte worden aangetroffen, op welks top zich de krater bevindt. Die berg vertoont overal veel spleten, waardoor golven van stoom ontsnappen, gemengd met zwaveldampen. Men moet zeer voorzichtig zijn bij de bestijging; elk oogenblik loopt men gevaar te struikelen en in een dier spleten te vallen in onberekenbare diepte.
Wij gingen met een boot naar de Zwavelbaai, eenige mijlen van onze ankerplaats verwijderd en zoo genoemd naar de groote hoeveelheid zwavel, die men er vindt, en die eenige jaren geleden geleid heeft tot een poging ter ontginning van die terreinen. De baai is gewoonlijk uitgangspunt van de excursionnisten, die den vulkaan willen bestijgen, maar de herhaalde aanvallen van de inboorlingen dringen de toeristen, een talrijk gewapend geleide mee te nemen.
Het was ons niet mogelijk, voor den tocht tijd te vinden en wij stelden ons ermee tevreden, den vulkaan van het dek van ons schip te bewonderen. Op de ankerplaats van Port Resolution gevoelden wij zonder ophouden de schokken door de beving van de zeebedding aan ons anker meegedeeld of liever aan zijn ketting, en gedurende de vaart van Port Resolution naar Wassissi, die wij in één nacht volbrachten, konden we het schitterende licht waarnemen, dat uit den vulkaan uitstraalde en vele mijlen ver zichtbaar was. Ik genoot van een verheven schouwspel, toen ik eenige uren leunende tegen de verschansing, enorme steenen zag uitwerpen, die verscheiden honderden meters hoog werden opgeworpen, terwijl de gesmolten lava in stroomen langs de helling van den berg vloeide. Ik kreeg nog vrij wat stof over van het door den vulkaan uitgeworpen gesteente, en fijne stofdeeltjes drongen zelfs tot in de scheepshut door.
Wij legden te Wassissi aan in de diepte van een kleine, goed tegen den zuidoostenwind beschutte baai; twee honderd-vijftig inboorlingen wonen op deze plaats en leven geheel in wilden toestand. Ofschoon er zich een engelsche zendeling heeft gevestigd, blijven de inboorlingen weerspannig tegen zijn leer en nemen zijn raadgevingen niet aan. Van eenige beschaving is er bij hen nog geen sprake; daarvan is nog niets tot hen doorgedrongen; men bespeurt dat dadelijk, als men hun rudimentaire kleeding ziet, zooals zij naar de heerschende mode daar wordt gedragen. De mannen zijn zoo goed als geheel naakt. De vrouwen hebben enkel een gordel van pandanusbladeren, die om de lenden is geslagen bij de vrouwen, die moeders zijn, en de heupen onbedekt laat bij maagdelijke vrouwen.
Deze inboorlingen, die flink van bouw en zeer sterk zijn, zouden goede modellen zijn voor een beeldhouwer, sierlijkheid van vormen op prijs stellend en plastische schoonheid waardeerend. Men ziet zeer zelden zieken, en lepralijders, zooals er op deze eilanden zooveel voorkomen, treft men bij hen bijna niet aan; allen zijn ze gespierd en lenig.
Ons verblijf viel samen met den bananenoogst; deze is een voorwendsel voor openbare feestelijkheden. Wij vonden hier een mast om in te klimmen, behangen met geschenken, juist als bij nationale feesten in Europa. Men kiest daarvoor een vrij hoogen boom, aan welks takken op verschillende hoogten trossen bananen zijn opgehangen. Ieder inboorling moet tot den top erin klimmen en mag behouden, wat hij mee weet te nemen.
Ook voor het dansen bieden die feesten eene gelegenheid. Ik kon tegenwoordig zijn bij de dansen, waarin de schoone sekse in Tanna zooveel behagen schept. Alle leeftijden nemen er aan deel, van het kleine kind af, dat nog op de heupen der moeder wordt gedragen, tot het tandelooze oudje, dat zich zóó de genoegens harer jeugd herinnert. De dames dragen lappen van alle mogelijke kleuren en vormen een kring, waarbij bij beurten een vrouw zich afzondert. Zij heft een lied aan, en de andere danseressen antwoorden, nu eens op haar toe tredend, dan met sierlijke bewegingen achteruit wijkend. Zoo doen zij een muziek hooren, die ver van harmonieus is, en waar iemand, die ze voor 't eerst hoort, bijna doof van zou worden.