De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 45
Welk een zonderlingen indruk maakt het niet, wanneer men in een kapperswinkel, slechts door een gordijn van kralen van het trottoir gescheiden, den barbier in zwembroekje en lang hemd het hoofd van een even ongekleeden bezoeker ziet behandelen, edoch met de allernieuwste tondeuse, terwijl de klant bij het electrisch licht in de courant de allerlaatste telegrammen uit de geheele wereld leest en een electrische waaier hem intusschen een heerlijk koeltje toewuift! Of wanneer men in een nauwe straat een warnet van telegraaf- en telefoon-draden ziet, terwijl de huizen van gloeilampjes zijn voorzien en de straatverlichting uit booglampen bestaat! Of ook, als men in een steeg eenige onaanzienlijke winkels binnentreedt en daar verrast wordt door de nieuwste snufjes op elk gebied! En in de haven! Bijna overal zijn het vrouwen, die de schepen met steenkolen beladen. Moeders dragen onder dat werk haar zuigelingen op den rug, en deze blijven rustig doorslapen onder het doorgeven der mandjes kolen. Wordt er even gerust, dan krijgt de kleine de borst, en ondertusschen stopt mama een pijpje en dampt en spuwt er lustig op los.
Daarentegen wordt men b.v. in het post- en telegraafkantoor te Tokyo geholpen door allerliefste jonge dames, die, gekleed naar de voorlaatste Parijsche mode, den vreemdeling vriendelijk en in onberispelijk Engelsch te woord staan.
Een koelie, in meergemeld zwembroekje en met of zonder hemd, trekt een kar voort. Hij rust even uit, vuil en bezweet. Maar in plaats van een roode katoenen zakdoek, neemt hij van zijn kar een keurigen waaier en gebruikt dezen niet geheel zonder gratie.
En zoo zou ik nog veel meer kunnen opnoemen.
Toen het donker werd, gingen wij naar het hôtel terug en gebruikten na het diner de thee op het balcon, waar Sjiso en Nóbo, de dochters van den hôtelhouder, ons gezelschap hielden.
Wij spraken over allerlei dingen, en natuurlijk ook over den oorlog. Tegen de Kussen waren zij bitter gestemd, hetgeen wij des te beter konden begrijpen, toen zij ons vertelden dat een broer van haar in den slag aan de Yaloe gesneuveld was.
Het lawaai der stad klonk als het ruischen eener rusteloos deinende zee in de verte; aan den helderen sterrenhemel straalde de maan, en beneden in den tuin klaagde een banjo....
Dit alles was zeer poëtisch, maar aan alles komt een einde, en vier minuten na middernacht zaten wij weder in den sneltrein naar Tokyo. Sayonara (vaarwel), Nagoya! Sayonara, Sjiso! Sayonara, Nobo!
Wij troffen het minder goed dan den vorigen nacht. De banken waren bijna geheel ingenomen door slapende reizigers, allen in meer of minder bekoorlijk négligé, en wij moesten ons met een zitplaats vergenoegen. Van slapen was dus voor mij geen sprake. Ik deed maar net alsof ik de "hondewacht" had en trachtte rookende en lezende den tijd te dooden.
Spookachtig gleed het landschap ons in het blauwe maanlicht voorbij; soms ging het vlak langs de kust en zagen wij den Grooten Oceaan glinsteren. Mijn reisgenoot was weldra ingeslapen; wat mij betreft, een zachte plank om op te liggen is mij voldoende, doch zittende kan ik niet slapen. Er was wel een slaapwaggon, maar dat was ons te duur.
Mijn buurman, een roode Ier, bood mij zeer vriendelijk eenige malen zijn whisky-flesch aan, met het gezegde: "a small drip in the morning is better than a lot in the day". Ik bedankte echter en verdacht hem, van ook "a lot in the day" niet afkeerig te zijn. Gelukkig brak om 5 uur de dag aan; het werd levendig in den waggon, van die ongegeneerde levendigheid, welke ontwakenden personen eigen is. Van toilet-maken was evenwel pas sprake toen wij Tokyo naderden.
Japan is dicht bevolkt en volgt daarin op België en Nederland. Wij snelden langs steden en dorpen, over rivieren en door tunnels, voorbij heuvels en valleien, met voortdurend de Fuji-Yama in de blauwe verte, de heilige berg van Japan, 12.400 voet hoog, welke men overal afgebeeld ziet: op waaiers en photo's, op porcelein en lakwerk, en die, als een oude, trouwe waker, met zijn besneeuwde kruin de wacht schijnt te houden over gansch Nippon, en zoowel de Japansche Zee als den Stillen Oceaan domineert.
Half tien arriveerden wij te Tokyo. De stad heeft ruim 1.400.000 inwoners en beslaat de enorme uitgestrektheid van honderd vierkante mijlen, wat niet te verwonderen is, als men bedenkt dat de huizen over 't algemeen laag zijn en zelden meer dan ééne verdieping hebben. De ministeries en andere gouvernementsgebouwen, de vreemde legaties en paleizen maken hierop natuurlijk eene uitzondering. Deze zijn alle gebouwd in westerschen stijl.
Het paleis van den Mikado daarentegen is echt Japansch. Het staat in het centrum der stad, omringd door wallen en grachten. Oorspronkelijk was het een fort, de sterkte der Tokagawa-regenten, gebouwd in de 13de eeuw, toen Yeddo nog slechts een klein dorpje was. In 1868 werd deze naam veranderd in Tokyo, hetgeen beteekent: "Oostelijke hoofdstad", om het te onderscheiden van Saikyo of "Westelijke hoofdstad", den naam, ter zelfder tijd aan Kyoto gegeven. Verscheidene malen door brand vernield, dateert het tegenwoordige gebouw slechts van 1889.
Wij besloten, voor de curiositeit eens in een Japansch logement te overnachten. Ook voor de deur van zoo'n logement staat het vol klompjes. Binnenshuis draagt de Japanner sandalen van gevlochten stroo, zonder de vroeger vermelde verhoogingen er onder. Het loopen op die klompjes--waarbij wij gevaar zouden loopen onze enkels te verstuiken--is nu juist niet elegant, daar de voeten binnenwaarts gekeerd zijn. Ook geeft het een eenigzins hulpeloos idée, vooral bij vrouwen, ofschoon ze er toch vrij vlug op voort kunnen en het nog een zeer groot verschil maakt met de hulpeloosheid hunner Chineesche zusteren, die zonder steun bijna niet kunnen loopen op haar walgelijk verminkte voetstompjes. Alles wijst er echter op, in den tegenwoordigen tijd, dat China ontwaakt, en zoo is er ook pas eene vereeniging opgericht tegen die gruwelijke misvorming. Les idées marchent!
In het eerste logement, waar wij afstapten, sprak men bijna geen Engelsch, in het tweede kon men ons geen europeesche tafel verstrekken. Bovendien zag de kamer, waarin ik een kijkje nam, na mijne schoenen te hebben uitgetrokken, er wel netjes, maar zeer ongezellig uit, doordat zoowel stoelen als tafel ontbraken. Bedden waren er ook niet; men slaapt op den grond op matten en kussens, en eet op zijn kamer met houten of beenen stokjes, terwijl men daarbij zijne houding voor 't kiezen heeft. Het leek ons minder aangenaam toe, en ten slotte kwamen wij toch weer in het Hôtel Métropole terecht, alwaar wij onze vermoeide ledematen op een behoorlijk bed uitstrekten en vervolgens lunchten in een vroolijke zaal, uitzicht gevende op de haven, onder tal van slingerende "poenka's", door bedienden buiten de zaal in beweging gebracht.
Een kleine lofrede op de hôtels in Japan is hier wellicht op hare plaats. En eene lofrede moet het zijn, want, hetzij onder Europeesch, hetzij onder Japansch beheer, de bediening is er uitstekend, de keuken uitmuntend, het menu uitvoerig en het bed uitlokkend. Ze zijn van de nieuwste gemakken voorzien, het personeel is zeer attent, men behoeft nooit iets tweemaal te vragen en slechts te zinspelen op het een of ander om het te krijgen, als het ten minste mogelijk is.
Na den middag spoorden wij naar Yokohama, waar het schip lag, gingen even aan boord, ontdeden ons van de overtollige bagage en spoorden daarna weer terug naar Tokyo.
In beide steden zag men overal voor openbare gebouwen, legaties, consulaten, hôtels, enz. politie geposteerd, versterkt door soldaten. Het was juist in de historische dagen na het bekend worden der vredesvoorwaarden, die de beruchte troebelen ten gevolge hadden. Opmerkelijk, dat het volk tot gewelddadigheden overging alleen in die plaatsen, waar vele vreemdelingen wonen, n.l. Tokyo, Yokohama, Osaka en Kobé. Toch merkten wij nergens iets van eene anti-vreemdelingen-stemming, niemand veroorzaakte ons ooit eenigen last, integendeel, men kwam ons vaak tegemoet met den Japanschen groet: "Ohayo" (eigenlijk: goeden morgen), en was steeds beleefd en hulpvaardig.
Ook voor ons hôtel in Tokyo was een tent opgeslagen en liep een gewapende schildwacht heen en weer. Toen wij 's avonds langs de haven wandelden, door haar geringe diepte slechts bereikbaar voor kleine schepen, en door de opening der tent de soldaten zagen rooken en praten bij het flauwe licht van een olielamp, werden onze gedachten als vanzelf gevoerd naar de doodenvelden van Manchourije.
Voor de poort, die toegang gaf tot den tuin, had de schildwacht het geheele bediendenpersoneel om zich heen verzameld, dat aandachtig naar hem luisterde. Waarschijnlijk vertelde hij hen van de slagvelden aan gindsche zijde der Japansche Zee, van den moed der Russen, de nog grootere doodsverachting hunner tegenstanders, en van de overwinningen, die altijd waren aan de zijde van het grootste intellect, den onverzettelijksten wil en de vurigste vaderlandsliefde.
Wij begaven ons vroeg ter ruste, want een lange dag wachtte ons.
Den volgenden morgen zaten wij om 4 uur reeds in de ricksja, daar de trein een uur later van het Uyeno-station vertrok, gelegen aan het andere einde van Tokyo. Het begon pas te schemeren en de stad lag nog in diepe rust. Hier en daar een enkele voetganger, een patrouilleerende agent of soldaat, of een ricksja-koelie, die in zijn voertuig zat te slapen, door een deken beschermd tegen de ochtendkoelte, was het eenige, dat de egale grauwheid van den September-morgen verstoorde. De lage, houten huizen met hunne oploopende dakvorsten staken grijs af tegen de heldere sterrenlucht, die wederom een prachtigen dag beloofde; achter hunne gesloten luiken, van waar geen enkel lichtje uitstraalde, leken zij wel gepantserde blokhuizen.
En zoo draafden onze koelies door een warnet van straten drie kwartier lang voort, rechts-om, links-om, rechts-om, links-om ... zonder ooit een oogenblik te aarzelen.
Aan het station vroeg ik aan de jonge dame achter het loket--aan de groote stations vindt men hier veel dames-employées--in het Japansch twee kaartjes naar Nikko [1], maar dat bekwam mij slecht. Zij vroeg mij op haar beurt iets in dezelfde taal en toen bleek mijne onkunde en moest ik wel terugkrabbelen en Engelsch spreken.
Wij reisden tweede klasse, een zuinigheidsmaatregel, want het geld is in Japan minstens even rond als ergens anders en de winkels zijn er verleidelijker. De tweede klasse is echter zeer netjes; even goed als in Europa.
Vrouwen en meisjes schijnen in Japan tamelijk veel vrijheid te genieten, maar van de galanterie der mannen heb ik geen zeer hoogen dunk. Ten minste, wij zaten naast een echtpaar, waarvan _zij_ last had van de zon. _Hij_ dacht er blijkbaar niet aan, met haar van plaats te verwisselen, en nadat onze pogingen, de jalouzie op te trekken, gefaald hadden, stonden wij haar onze plaats af en kwamen zoodoende tusschen hen in te zitten. De echtgenoot vond zulks waarschijnlijk geheel overbodig, want toen zij een half uur later uitstapten, deed hij zulks zonder boe of ba te zeggen of ons met een blik te verwaardigen, terwijl zij dankend boog. Dit kleine lesje in westersche beleefdheid jegens het schoone geslacht viel schijnbaar niet in goede aarde.
Krijgt een burgerman eenigszins aanzienlijk bezoek, dan zitten vrouw en dochters niet mede aan, doch bedienen en bewaaieren den gastheer en zijne gasten. Na afloop van den maaltijd mogen zij gaan eten. En toch is er te Tokyo eene universiteit voor vrouwen!
Tegenover ons zat eene dame in een keurige kimono. Het zitten op de gewone manier verveelde haar zeker na eenigen tijd, zoodat zij hare sandalen uittrok en met de knieën onder het lichaam plaats nam. Dit bewerkstelligde zij op haar nauwe plaats door eerst met het gezicht naar den wand te gaan zitten, in welke houding zij zich in den korst mogelijken tijd op de kleinst mogelijke ruimte wist om te draaien.
Even later nam zij uit haar wijde, afhangende ondermouw, welke voor zak dient, een keurig zijden doekje en ontrolde dit, waarna te voorschijn kwamen een keurig zijden foudraaltje, waarin een tabakspijpje met klein, koperen kopje, een keurig zijden tabakszakje en een doosje lucifers. Zij stopte het pijpje en stak het aan. Na eenige trekjes was het al leeg; deze manoeuvre nu werd een keer of vier herhaald, waarna alles weer werd opgeborgen. Het maakte een wonderlijk effect.
De weg was eenigszins eentonig: het ging voortdurend door vlak en vruchtbaar bouwland. Doch in de verte vertoonden zich als een belofte de bergen, die wij naderden. Ten 8 uur moesten wij overstappen te Utsunomiya en hadden daar ruim een half uur tijd. Daarna duurde de rit nog zeven kwartier.
Wij hadden eene afdeeling van twee coupé's geheel voor ons alleen. Weldra begon de weg sterk te stijgen, de natuur veranderde en het duurde niet lang of wij hadden geen oogen genoeg. Wij liepen van 't eene raampje naar het andere, keken nu voor-, dan achteruit en werden niet moede, elkaar op de prachtige vergezichten opmerkzaam te maken.
Nu eens boeiden ons de trotsche bergen, bedekt met donkergroene pijnboomwouden, afgewisseld door het lichtere groen der eiken; dan weer rustte het oog met niet te beschrijven verrukking op glanzende valleien met blinkende meren; soms werd onze aandacht gevangen door een enkel boschje glinsterende berken, als een fijn grijs-groen getinte schilderij, gevat in bruin-fluweelen omlijsting van beuken, of een idyllisch dorpje, half verscholen achter teer sparregroen; even later omvatte onze blik een golvende vlakte, bekoorlijk door de oneindige kleurschakeeringen van duizenden veldbloemen.
En waar af en toe de flanken der bergen elkander naderden en slechts luttele ruimte overlieten voor de ijzeren baan, die door het puffende, achtwielige monster slechts langzaam veroverd werd, den blik begrenzende, de zon verbergende, daar was het uitzicht des te verrassender, als zich wederom de gansche omtrek aan ons oog vertoonde, badende in het gouden zonnelicht, dat de dalen vulde en de bergen streelde, dat de wouden kuste en op de watervlakten danste, dat minnen _moest_ dit zijn land, dit land der zonne, der rijzende zonne.... Het was onvergelijkelijk schoon.
De temperatuur was zeer aangenaam en een heerlijke dennengeur vervulde de lucht. Een prachtige weg, aan weerszijden beplant met eene dubbele rij eeuwenoude dennen, voerde van Utsunomiya naar Nikko en liep het laatste gedeelte vlak langs den spoorweg.
Half elf arriveerden wij op onze bestemmingsplaats, waarvan een Japansch spreekwoord zegt: "Nikko minai uchi wa, kikko to iuna", hetgeen beteekent: "Totdat gij Nikko gezien hebt, zeg niet kikko", d.i. magnifiek.
Nikko ligt op eene hoogte van 2000 voet te midden der bergen en wouden, heeft een koel klimaat en is dan ook een druk bezocht zomerverblijf. In den omtrek wemelt het van watervallen, warme bronnen en kopermijnen.
Wij lieten ons naar het prachtig gelegen Kanaya-hôtel brengen, waar nog juist twee kamers disponibel waren. Overigens was het geheel bezet, zeker wel eenigszins het gevolg van de groote, jaarlijksche processie, die den volgenden dag zou gehouden worden.
Wij lunchten in de eetzaal en ik wenschte wel, dat ik daarvan een goed idée kon geven. Het was een ruime, lichte zaal, voorzien van een vroolijk beschilderd plafond en met tal van typische, japansche schilderijen aan den muur. Aan de overal verspreide tafeltjes, bedekt met flonkerend kristal en veelkleurige bloemen, zat een opgewekt, internationaal gezelschap, en daartusschen bewogen zich een twaalftal lieve japansche meisjes met haar eigenaardige dribbelpasjes, gekleed in lichte kimono en kleurige, zijden obi, een breede ceintuur, die eenige malen om de middel gewonden wordt en van achteren zóódanig opgenomen, dat het net lijkt, alsof zij een kussentje op den rug hebben; met een frisschen, door de gezonde berglucht veroorzaakten blos op de wangen, en bloemen in de glanzend zwarte lokken; welke meisjes met sympathieken blik, zachte stem en gracieus gebaar de gasten bedienden.
Rondom de geheele zaal liep een glazen veranda, die een prachtig uitzicht vergunde op de bergen, terwijl beneden in de diepte een wilde bergstroom zijn eeuwigdurend lied zong....
Daar wij den volgenden morgen weer terug moesten, wilden wij dienzelfden dag nog de Kegon-waterval bezoeken, den hoogsten van Nippon. Het is een vrij verre tocht, dien men doet te paard, per ricksja of in een draagstoel. Wij kozen het eerste en stegen om half twee in het zadel. Een groom werd ons meegegeven om den weg te wijzen.
Een hulpbrug bracht ons aan de andere zijde der rivier. De rood-verlakte heilige brug, welke anders daarvoor dienst doet, was kort geleden door de golven meegesleurd, hetgeen bewijst dat voor de elementen niets heilig is. De tocht ging eerst langs de rivierbedding en soms een eind er door. Het landschap was buitengewoon mooi. De weelderige, afwisselende plantengroei op de hellingen der ons aan alle zijden omringende bergreuzen, helaas nog geen sterk geprononceerde herfsttinten vertoonende; de steile rotsen, soms in woeste wanorde langs het pad oprijzende; de overhangende boomen, hun grillige kronkelvormen afteekenende tegen de blauwe lucht; de diepe kloven, waarlangs de paarden met rustige zekerheid voortdraafden; de schitterende bloemen, tegen de met mos en varens begroeide granietwanden opklimmende tot onbereikbare hoogten; het vogelenheir, zingende in het geboomte ... dat alles maakte op ons een onvergetelijken indruk.
Op sommige mooie punten, een magnifieke kiek biedende op een waterval of rotspartij, stonden theehuizen. Wij hadden echter haast en hielden ons nergens op. De weg werd steil en zigzagwijze ging het naar boven. Onze groom was, naar wij meenden, achtergebleven, maar op een zeker punt zagen wij hem in een theehuis zitten rooken en drinken, terwijl hij op ons wachtte. Hij had n.l. het veel kortere, voor paarden onbegaanbare voetpad gevolgd.
Om 4 uur waren wij bij den beroemden waterval, die van eene hoogte van 250 voet naar beneden stort. Wij daalden langs een smal paadje naar beneden en bevonden er ons vlak tegenover, aan den anderen kant van het ravijn, waaruit een fijne mist opsteeg, die den bodem geheel verborg. Het was een grootsch gezicht. Uit het donkere oerbosch te voorschijn snellende viel de breede waterkolom met donderend geraas naar beneden; door een sluier van duizende in het zonlicht glinsterende waterdroppels zagen wij den mozaïekwand der rots, op vreemde manier met scherpe, naar beneden wijzende punten uitgesleten en begroeid met bloemen, varens en rood, bruin en groen mos.
Slechts noode verwijderden wij ons van dit schouwspel. Een ritje van 5 minuten bracht ons bij het bergmeer van Chuzenji, 4400 voet boven den zeespiegel gelegen, 12 K.M. lang en 4 K.M. breed. Het voedt den grooten waterval.
Op de brug, die naar het Lake-Side-hôtel voert en waaronder het water slechts langzaam voortstroomt, om echter spoedig te versnellen, bleven wij vol bewondering staan. De zon had zich achter een donkere wolk verborgen, welks gekartelde randen zij gouden kleurde, en hare stralen vielen heel in de verte op het kalme meer, op den achtergrond van bergen en op den 8800 voet hoogen vulkaan Shirane-San.
Het contrast met het even te voren geziene was groot. Hier de liefelijke kalmte der uitgestrekte watervlakte, daar de woeste grootschheid der ontbonden natuurkrachten; hier de zachtkens kabbelende golfjes aan den oever, daar de vrijgelaten bruisende watermassa's.
Kinderen speelden aan den kant, zwaluwen scheerden langs de oppervlakte, witte zeilen gleden over den vloed en jonge menschen waren aan 't spelevaren in slanke roeibootjes.
Het was een ideaal plekje, een Eden op aarde!
Wij rustten wat uit in het hôtel, welks uitgestrekte tuin een pracht van lelies en een kleurenweelde van chrysanthen vertoonde, en stegen toen weder te paard.
De lucht betrok en weldra reden wij in een vochtigen nevel, waarin het gebergte dreigende, spookachtige gedaanten aannam. Onder het zware geboomte werd het spoedig duister, zoodat wij stapvoets moesten gaan. De paarden schenen bij voorkeur vlak langs den kant van het ravijn te loopen, waar één misstap den dood beteekende. Doch waar is de jeugd, voor wie het gevaar geen aantrekkingskracht bezit?
Bovendien zijn zij zeer vertrouwd en zóózeer op hun eigen veiligheid bedacht, dat wij ze gewoon hun gang lieten gaan.
Spoedig werd de weg minder steil en konden wij draven. Mijn paard had blijkbaar zwakke voorpooten, het was al een paar malen gestruikeld en juist toen wij in de schemering met flinke snelheid eene helling afgingen, viel het op zijne knieën en wierp mij af. Wat doet ook een zeeman boven op een biek!
Gelukkig had ik mij heelemaal niet bezeerd; erger was evenwel, dat wij ons allebei al zoo ongeveer doorgereden hadden. Of het kwam door het Japansche zadel, of door den hoogen gang der dieren, ik weet het niet, maar het was met opeengeklemde tanden,--hoewel in sierlijken draf, daar wij niet konden vergeten, dat wij in dit cosmopolitisch gezelschap "Nederland" vertegenwoordigden--dat wij om 7 uur voor ons hôtel aankwamen, waarna de marteling van het laatste uur een einde nam.
Aan tafel veroorzaakte het eenige hilariteit, toen ik de lieftallige Hebe, die ons bediende, met gebaren duidelijk maakte, dat ik gaarne een kussen op mijn stoel wenschte te hebben. Mijn reisgenoot versmaadde dit verzachtingsmiddel, doch trok dan ook onder het eten van de soep gezichten, die veel te denken gaven, echter niet omtrent de soep.
Nog lang bleven wij rooken en praten in de heerlijk koele avondlucht, totdat vermoeidheid ons naar bed dreef.
En zoo brak dan de laatste dag van mijn verlof aan, een donkere, trieste morgen. Het motregende af en toe. Wij lieten ons daardoor evenwel niet afschrikken en zaten om half zeven al weer in de ricksja, teneinde nog zooveel mogelijk te kunnen zien. Daar we naar boven moesten, hadden we aan één koelie niet genoeg en kwam er nog een tweede bij, die genoemd wordt "ato-oshi", d.i.: duwer. Hortend en stootend hobbelden de ricksja's over den weg, wat in onze omstandigheden nu juist niet bijster aangenaam was.
Millioenen regendruppels schitterden in ontelbare spinnewebben tusschen het lage hout; tegen de bergen lag een blauw waas, waarin de dennen kleurloos stonden, als op het punt van te vervluchtigen. Na een half uur stapten we af bij een theehuis en daarna bracht eene wandeling van tien minuten, nu eens stijgende, dan weer dalende, over een smal pad langs den rand eener kloof ons bij een rustiek bruggetje op den bodem van een ravijn, vlak onder den Urami-waterval, die 50 voet hoog is. Het was een woest brokje natuur.
Wild dooreengeworpen rotsblokken rondom, waaruit overal groote en kleine waterkolommen te voorschijn kwamen, die zich beneden vereenigden en zich daar, bruisend en spattend, een weg baanden over den steenigen bodem; hoog boven ons een stukje grauwe hemel, waarin langzaam overdrijvende nevels van hunnen last afgaven aan de takken der boomen, welke dien weder druppelend op ons deden nederstorten; en nergens eenig teeken van leven te bespeuren. Langs denzelfden weg wandelden wij terug, dronken een kopje thee, kochten als souvenir eenige photo's en stukken kopererts van de mijnen daar in de buurt, en waren ten 8 uur bij den Yasu-tempel, den mooisten Shinto-tempel van Japan.
Eene beschrijving van dit complex van gebouwen zou boekdeelen vullen, en eveneens de verklaring der beteekenis van al hetgeen men hier ziet. Er is misschien geen enkele Europeaan, die dit laatste zou kunnen.