De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 44

Chapter 443,796 wordsPublic domain

Een vlucht van drie breede, steenen trappen bracht ons bij den eigenlijken tempel, waaromheen weer kleinere gebouwen zijn, die tezamen eene groote uitgestrektheid beslaan met tuinen er rondom, waarin vijvers, bloemperken, enz. Vóór wij binnengingen, werden ons een paar rood-linnen overschoenen aangetrokken met vervaarlijke punten (zoo ongeveer als de hofnar van Lodewijk XIV moet hebben gehad), en daarna werden we in het binnenste van den tempel toegelaten.

Het daglicht drong slechts getemperd tot hier door en het was er doodstil. Bewonderend keken wij rond. Een altaar, schitterende van goud, zilver, koper en lakwerk in alle kleuren, een prachtige troonhemel voor den opperpriester, groote bronzen stellages met tal van koperen klokjes behangen, vreemdsoortig snij- en lofwerk, nooit geziene muziekinstrumenten ... dat alles bracht ons in verwarring.

Ter zijde van het altaar een groot, koperen beeld van Boeddha, de beenen gekruist onder het lijf en de handen in den schoot met de palmen naar boven en de knokkels tegen elkaar, den indruk gevende van intense, passieve, passielooze rust.

Doch daar werd de stilte verbroken. Een op de hurken zittende bonze sloeg met een stok met dikken knop op een trom van zeer bijzonderen vorm; met dezelfde regelmatigheid als de balans eener machine ging zijn arm op en neer, terwijl hij met eentonige stem uit een voor hem liggend boek half zong, half las. Dof en somber weerklonken de slagen in de hooge gewelven. Wij haalden diep adem toen wij weer buiten kwamen, het contrast was ook zeer groot. Een vroolijk zonnetje scheen, vogels zongen in de boomen en bloemen geurden langs groenomzoomde vijvers, vol dartelende goudvischjes.

In een afzonderlijk gebouw hing een enorme bronzen klok, wegende 60000 kilo's. Een dikke, horizontale paal, op halver hoogte der klok opgehangen, kan er door middel van een touw tegenaan gerammeid worden. Het geluid moet zeer sterk zijn.

We reden voorts nog door een mooi park en daarna naar het station, teneinde een uitstapje te maken naar Kameoka, een klein plaatsje, een uur sporens van Kyoto gelegen.

De weg was steeds stijgende en we bevonden ons spoedig te midden der bergen. Prachtig was het uitzicht. Langs de spoorlijn stroomde de Hodzu-gawa, een woeste bergstroom, die, vooral waar steenen en rotsblokken zijn weg willen belemmeren, bruisend opstuift en schuimend verder gaat. Achtereenvolgens passeerden we acht tunnels, enkele zeer lang, en een brug over bovengenoemde rivier, die uit een enkele 85 Meter lange spanning bestaat. Ons plan was, van Kameoka met een bootje de Hodzu af te varen, een terecht vermaarde tocht, die geen enkel toerist mag verzuimen.

Om halfzes staken wij van wal in een platboôm-vaartuig, met vier Japs bemand. Twee roeiden langs de meer kalme gedeelten, één stond voorin met een stok, en één achterin, sturende met een riem. In 't begin was er weinig stroom, maar weldra begonnen de stroomversnellingen, en wanneer wij dan met vliegende vaart langs de overal verspreide rotsblokken schoten, terwijl het water onder ons en om ons kookte en ziedde en spatte, had de stuurman al zijne kalmte en koelbloedigheid noodig, om geen ongelukken te veroorzaken. Soms leek het ons toe, dat er geen uitweg was, als zouden wij te pletter slaan tegen een' grooten steen, die dreigend den weg versperde. Doch juist op het kritieke moment gaf een duw van den man vóór in de boot, of een behendige draai van den stuurman den steven eene andere wending, dadelijk gevolgd door dezelfde manoeuvre den tegenovergestelden kant uit, en het volgende oogenblik--rakelings langs de scherpe granietmassa's schietende, terwijl de platte bodem op en neer golfde door de aanraking met de bedding der rivier en het melkwitte schuim ons bespatte--waren wij de gevaarlijke bocht reeds gepasseerd.

Het was heerlijk, een nieuwe, geheel eenige emotie! En bij de kronkelingen van den stroom telkens een ander uitzicht, telkens een nieuw panorama van bergen. In de lente, als de oevers bezaaid zijn met roode azalea's, moet het bovenal mooi zijn.

Intusschen werd het reeds duister, doch nog geenszins verveelde ons de tocht. En toen spoedig daarna de volle maan boven de bergen rees en met zilveren licht en fluweelen schaduw speelde, werd het tooneel tooverachtig en maakte een diepen indruk op ons.

Eindelijk waren de stroomversnellingen achter den rug en dreven wij over den zich verbreedenden vloed kalm voort. Uit de theehuizen aan den waterkant klonk zang en dans van "geisja's", en bootjes vol jongelui voeren ons voorbij met muziek, die zachte, droomerige muziek der Japanners.

Het was zeven uur toen wij te Saga weer aan wal stapten en naar Kyoto terugspoorden. Wij aten in een Japansch restaurant, gelegen op een zeer druk punt, uitgebouwd boven de rivier en verlicht door kleurige lampions, waar wij door jonge meisjes in nationaal kostuum bediend werden--zooals trouwens in alle hôtels, restaurants, logementen en theehuizen in Japan;--daarna wandelden wij de stad eens door.

Indien het mooi weer is--en dat is het bijna altijd in dit bloemenland--heerscht er tot diep in den nacht voortdurend een vroolijke drukte op straat. Alles is uniek en zonderling en oefent eene ongewone bekoring uit op den vreemdeling, die hier voor het eerst komt.

Krijgt men van de koelies aan boord, met hunne half brutale, half bevreesde houding en eene mengeling van arrogantie en nieuwsgierigheid, geen gunstigen indruk, die indruk verdwijnt spoedig, indien men nader met het volk in aanraking komt. Hunne beleefdheid, ook jegens elkander, is spreekwoordelijk; nergens heb ik zóóveel zien buigen; zelfs wanneer twee ricksjakoelies elkander iets mededeelen, gaat zulks met vele strijkages gepaard; en het is werkelijk een typisch gezicht, als men eene familie eenige kennissen van den trein ziet halen. Waarlijk, in dit opzicht kunnen wij met onze westersche beschaving veel van hen leeren. En die beleefdheid gaat hen zoo natuurlijk af, dat men voelt dat zij uit het hart komt.

Het levendige gewoel door de meestal nauwe straten, de vreemde kleeding en typen die men ziet, de rijk voorziene winkels, waar zooveel moois uitgestald wordt dat men in Europa zelden of nooit tegenkomt,... dat alles maakte ons het scheiden moeilijk; eindelijk zochten wij toch ons hôtel op en begaven ons ter ruste.

De tweede dag was bestemd voor een bezoek aan Nara, een aardig stadje, 2 uren sporens van Kyoto. De weg er heen biedt mooie vergezichten aan; men vindt er uitgestrekte theeplantages.

Midden in het stadje is een groote vijver, die wemelt van schildpadden en roode en bruine karpers. Klapt men in de handen, dan komen zij allen aanzwemmen, en werpt men ze brood toe, dan is het een leuk gewemel van pooten en koppen en schilden en vinnen; en 't is geen ongewoon gezicht, een karper boven op een kluwen van schildpadden te zien spartelen, één voet boven het water. De visschen, met hun grooteren bek, zijn er het best aan toe; men zou dus gevoegelijk van karper-aandeel kunnen spreken. Na hier lang genoeg vertoefd te hebben, lieten wij ons naar den Kasuga-Miya brengen, een Shinto-tempel.

De Shinto-dienst is een inlandsche godsdienst en bestaat in de vereering der keizerlijke voorvaderen, helden of geleerde mannen, die veel voor het rijk opgeofferd hebben. Er zijn bijna 200.000 altaren en tempels, over geheel Japan verspreid, waarin meer dan 800 goden, halfgoden en heroën worden gehuldigd.

Men kan een Shinto-tempel altijd gemakkelijk van een Boeddha-tempel onderscheiden door de "Torii", een poort van bijzonderen vorm en van hout of steen vervaardigd; terwijl men tot de laatste toegang verkrijgt door de "Sanmon", een poort van twee verdiepingen. Ook zijn de eerste gewoonlijk veel eenvoudiger van constructie en minder mooi versierd.

Onder de rood-verlakte Torii doorgaande, voert een smalle weg, aan weerskanten beplant met eeuwenoude denneboomen, naar den tempel. Honderden tamme, heilige herten loopen hier vrij rond en eten uit onze hand de koekjes, die in kraampjes te koop worden aangeboden. Overal langs de lanen van het park, waarin deze tempel met nog eenige andere gelegen is, staan ijzeren of steenen lantarens van drie voet tot drie meter hoogte, die tezamen het respectabel aantal van 3000 bereiken, welke ééns per jaar van lampjes voorzien en aangestoken worden, het park herscheppende in een feeëntuin. Verder vindt men er gansche straten van winkels, waarin alleen voorwerpen worden verkocht, vervaardigd uit de geweien der heilige herten.

Geheele scharen bezoekers dwaalden door de kronkelende laantjes en bleven soms voor een of ander altaar staan, ten einde een kort gebed te doen of een handjevol rijst te offeren.

Het merkwaardigste was wel een stal met een heilig paard er in, dat men voor een paar centen een zekere hoeveelheid boonen te eten kon geven, benevens eenige gepoederde dansmeisjes, die, ook al weer voor geld, een heiligen dans uitvoerden.

Vervolgens reden wij naar het eigenlijke doel van den tocht: de Daibutsu of groote Boeddha, die zich bevindt in den tempel genaamd Todai-ji, gesticht in de 8ste eeuw. Deze tempel is 50 meter hoog, 90 meter lang en 55 meter breed en bevat weinig meer dan het enorme beeld, het grootste in geheel Japan. Met de beenen gekruist onder het lijf, zit de Boeddha op een lotus-bloem, die eveneens van koper is. In drie jaren tijds is men er, na herhaalde mislukkingen, in geslaagd dit beeld te gieten.

Wederom trof mij die massale rust, die glimlach van absolute onpersoonlijkheid; hier echter is de rechterhand waarschuwend opgeheven. De oogen staren oneindig ver weg, als om aan te duiden, dat de ziel van den Boeddha in het Nirwâna vertoeft.

Overweldigend moet de indruk van het beeld zijn op den eenvoudigen geloovige, die opziet naar zijn Meester. Niet de vrees van den wilden heiden, die slechts aarzelend zijn angstaanjagend afgodsbeeld nadert en door allerlei formules diens toorn en wraak zoekt te bezweren, maar eerbied en bewondering vervullen hem voor den mensch, voor Gautama, den Boeddha, den Indischen prins, die vóór vierentwintig eeuwen vrouw en kind, rijkdom en macht, troon en vaderland verliet om de Waarheid te zoeken, en Haar eindelijk, na lange jaren van lijden en ontbering, twijfel en dwaling, vallen en opstaan, vond in zijn eigen hart....

Niet ver van dezen tempel staat een pagode van vijf verdiepingen (er zijn er wel met tien), waarvan de fraaie lijnen onze bewondering afdwongen. De spits is zeer eigenaardig en doet denken aan een kurketrekker.

Daar hiermede het voornaamste van Nara was gezien, zochten wij een Japansch restaurant op. Hier vroeg men ons, zooals trouwens bijna overal, of wij Amerikanen waren; niet, omdat wij er zoo echt Yankee-achtig uitzagen, maar, naar ik veronderstel, omdat van de touristen de Amerikanen het grootste percentage vormen. Ze kenden echter allen Holland, ook al hadden ze dikwijls nooit van Amsterdam gehoord.

Doch niet alleen uit het Oosten, ook uit het Westen komen jaarlijks vele vreemdelingen Japan bezoeken. Het verwonderde mij daarom, dat wij altijd nog de aandacht trokken. Vaak merkte ik op, dat moeders ons hunnen kinderen aanwezen. Of dat steeds met even vleiende woorden gepaard ging, durf ik betwijfelen. Misschien vertelden zij de kleinen wel, dat dat nu "die blanke barbaren met hunne leelijke, ronde oogen" waren, of dat zoo ongeveer de groote Russen er uitzagen, die van de kleine Japanners zoo leelijk op hun gezicht kregen.

Stonden wij b.v. in een winkel, die veelal over dag aan de straatzijde geheel open is, dan verzamelde zich al spoedig een groepje menschen er voor en keek nieuwsgierig naar ons, maar week beleefd op zijde, als wij weer op straat kwamen. Was de winkelier soms aan het einde van zijn Engelsch gekomen, dan trad gewoonlijk iemand uit het publiek, die zich daartoe bekwaam achtte, naar voren en deed dienst als tolk. Hij glom dan van genoegen, zeker evenveel door het toonen van zijn kennis als het believen van den vreemdeling.

Over het algemeen spreken in Japan de lieden, die met Europeanen in aanraking komen, vrij goed Engelsch en dat is maar goed ook. Want hunne taal leert men niet spoedig, vooral omdat zij vreemde karakters gebruiken. In de havenplaatsen worden op uithangborden, naamplaatjes enz. wel altijd de gewone letters er onder gezet--waarbij soms vermakelijke fouten worden gemaakt--doch in het binnenland ziet men zulks zelden. En met gebarentaal ondervond ik altijd moeilijkheden. Niemand heeft die taal geleerd, hoewel elk haar kent, maar ieder kent blijkbaar een verschillende. Wanneer ik iets duidelijk meende uitgelegd te hebben, zoodat mijns inziens geen vergissing mogelijk was, bleek de andere iets geheel anders te hebben begrepen. En beiden vonden wij het erg dom en onbegrijpelijk van elkaar.

Om half vijf waren wij weer in Kyoto terug en gingen eten in het reeds genoemde restaurant, waar men een zeer goede, europeesche tafel krijgt voor niet veel geld.

Daarna bezochten wij een "Shibai" (theater). Kyoto is de bakermat der Japansche tooneelkunst. Een zijner inwoners verzamelde eeuwen geleden jongens en meisjes, die dansen konden, en deed hen opkomen op een stellage te midden van een grasveld. Vandaar de naam Shibai, d.i. "zittende op het gras".

In de zoogenaamde Theater-straat, die men hier in alle groote steden aantreft, is het dag en nacht een vroolijk gewoel, een kleurengewemel van prachtige zijden vlaggen, die, zeer lang en zeer smal, van hooge staken neerhangen of de geheele breedte der straat overkronkelen, en een geschitter van kleurige, papieren lampions, alsof het altijd feest ware.

Aan de gevels ziet men niet onverdienstelijk geschilderde dramatische scène's of komische tooneelen--de eerste het meest--afgebeeld, en van alle kanten hoort men de tonen der muziek, die voor bioscoop of acrobaten-troep het publiek moeten lokken. Kermisphotografen vindt men er in menigte, waarzeggers eveneens; theehuizen, curiositeitenwinkels en café-chantant's wisselen elkander af. Hier zitten in een winkel een zestal jonge meisjes met vaardige hand en veel smaak prentbriefkaarten te kleuren; daar is een wassenbeeldenspel, waarin men steeds dezelfde woeste krijgers in oud-nationaal kostuum met korte haarvlecht en wreede gelaatstrekken opmerkt, terwijl vóór den voorhang een kleine doch griezelige groep de aandacht moet trekken; ginds weer hoort men van de bovenzaal van een restaurant de banjo klinken.

En de ricksja's voeren geen lantarens, maar lampions; de krantenjongens roepen niet, maar hebben een bel rond hun middel gebonden; ieder loopt met een waaier; de vrouwen en meisjes dragen geen hoed, maar hebben allen bloemen in het donkere haar, dat bij de ongetrouwden op een bijzondere manier is opgemaakt, bij de getrouwden glad naar achteren weggestreken; zij dragen, evenals de mannen, klompjes, bestaande uit een plat stuk hout met twee verticale plankjes er onder--hoe vuiler de straat des te hooger de plankjes--, welke klompjes worden vastgehouden door bandjes, die tusschen de van een teen voorziene kous doorgaan. Bij het loopen hoort men een eigenaardig, klapperend geluid.

Wij traden het voornaamste theater binnen en ontvingen een programma, waarop in het Engelsch de naam van het drama en de prijzen der plaatsen vermeld stonden. De rest was geschreven met die kabalistische teekens, die, bij alle onaangename herinneringen aan evenwijdige streepjes, die nooit evenwijdig, en puthaakjes, waarvan er nooit twee gelijk waren, ons toch onszelven gelukkig doen prijzen, dat we geen Japansche schooljongens geweest zijn.

Als men in Japan een theater binnenkomt, merkt men altijd in het portaal, dat de geheele breedte van het gebouw beslaat, een ontzaglijke hoeveelheid klompjes op, die aan den wand hangen, allen genummerd. Behalve de Europeanen gaat n.l. ieder op zijne sokken binnen.

Het geheele gebouw is electrisch verlicht en het zacht glooiende parterre verdeeld in vierkante hokjes, slechts gescheiden door latten en met matten belegd, waarin vier personen kunnen plaats nemen, hetgeen zij doen hurkende of zittende op hunne knieën op een kussen. Het is dus wel werkelijk "par terre".

Twee gangen--feitelijk breede, onbelegde planken--die iets hooger zijn dan de zitplaatsen, loopen van den achterkant regelrecht naar het tooneel, dat op de gewone wijze is ingericht. Boven, aan den achterkant, zijn de zitplaatsen evenzoo, doch op zijde zijn het een soort van loges met schuifdeuren--alle deuren schuiven in een Japansch huis--en een iets hoogere afscheiding, welke echter nog niet tot de knieën reikt. Dat is de 1ste rang, waarop wij plaats namen, nadat men ons een laag bankje gebracht had. Achter de loges is een gang, van waar men bij de buren in huis of in een zijstraat kijkt.

Het eerste wat opvalt is een ontelbaar aantal waaiers, zoowel door ruwe knuisten als door poezele handjes in beweging gebracht, hetgeen een eigenaardig effect maakt, daar deze, soms schitterend gekleurde, in September hier nog onmisbare instrumenten nu in het licht, dan in de schaduw zijn. Verder is het opmerkelijk hoeveel kleine kinderen met hunne ouders meegaan, en hoe elke familie voorzien is van theeservies, gebak- en vruchtenschaal en aschbakje.

Ook wij bestelden thee--van groene, ongedroogde bladen, waaraan men eerst moet wennen--en bepaalden daarna onze aandacht bij het tooneel.

Het drama was reeds in vollen gang; er werd veel gepraat, handen gewrongen en geweend, alles met begeleiding van muziek, maar naar ons oordeel zat er niet veel actie in. Het midden van het tooneel was een draaibare schijf, zoodat onder het spel de mise-en-scène soms geheel veranderde. Na het vallen van het gordijn snelden vele bezoekers naar voren, gluurden er onder door of begaven zich er zelfs achter. Nu en dan kwamen de acteurs en actrices op, niet van achter de coulissen, maar over de zooeven genoemde gang, dus midden uit het publiek.

Wij snapten er natuurlijk niets van. Er was evenwel eene verrassing voor ons weggelegd. Blijkbaar was het een modern stuk, want op een gegeven oogenblik kwam een Europeaan op, een Japansch meisje medevoerende, aan wie hij in een mengelmoes van Engelsch en gebroken Japansch zijne liefde verklaarde op westersche wijze, hetgeen zeer den lachlust scheen op te wekken. Zij wilde echter niets van hem weten, waarop hij, vertoornd, een revolver nam en haar daarmede eenige malen over het tooneel achterna liep, herhaaldelijk uitroepende: "Stop! I will kill you". Voor hij evenwel aan zijn voornemen gevolg gaf,--gekund had hij het al lang--verscheen er een krantenjongen op het tooneel, beschermde het meisje en ontrukte den woestaard zijn wapen, die toen z'n jas uittrok en z'n tegenstander te lijf wilde, totdat deze hem in de knie schoot. Daarna kwam een andere Engelschman op. Deze wenkte een ricksja, welks bestuurder in zijn zenuwachtigheid heelemaal den gewonde niet hielp, doch ouder gewoonte eerst 'n voertuig afstofte en, nadat de wonde over alles heen met een zakdoek verbonden was, den snooden belager der onschuld langzaam wegvoerde, terwijl het meisje met haren bevrijder verdween.

Verscheidene blikken wendden zich naar boven om te zien, hoe wij die scène opnamen. Natuurlijk schaterden wij het uit.

Intusschen was het al laat geworden. Wij reden naar het station en namen te kwart na twaalf den nachttrein naar Nagoya.

Daar de beide banken van het rijtuig overlangs stonden en er slechts één passagier was, hadden wij ruimte genoeg. Een trein-beambte trok onze schoenen uit en bracht ons een paar sandalen benevens een waaier, en weldra staken wij de wacht op, n.l. de wacht te kooi, na den man order te hebben gegeven, ons een half uur voor aankomst te "porren". En terwijl de trein in den helderen maannacht met ons voortsnelde, voorbij Baba, Kusatsu, Osaki en Gifu, sliepen wij gerust.

's Morgens om 5 uur waren wij te Nagoya, een stad met ongeveer 1/4. millioen inwoners en bekend om hare porcelein-fabrieken en zijde-weverijen. Ons eerste bezoek gold het Kasteel, hetwelk dagteekent uit het begin der 17de eeuw. Het bestaat uit vijf verdiepingen, opgetrokken in den interessanten Japanschen bouwstijl, en is omringd door breede, hoewel droge grachten en enorm dikke steenen wallen.

Boven op de nok staan twee gouden dolfijnen, die nog heden ten dage met dezelfde glorieuse pracht in het zonlicht glinsteren als voorheen. Hunne hoogte is 2,5 Meter; zij zijn gemaakt van oude, Japansche goudstukken en worden gezegd eene waarde te vertegenwoordigen van f 4.000.000. Eén er van is in 1873 op de tentoonstelling te Weenen te zien geweest.

Daar wij geen permissie hadden het Kasteel te betreden,--waarvoor eene aanbeveling van den gezant te Tokyo noodig is--moesten wij ons met den buitenkant vergenoegen en onze fantazie te hulp roepen om eene voorstelling te krijgen van de pracht, die er binnen moet heerschen. Het behoort aan de keizerlijke familie.

Vervolgens bezochten wij de vermaarde oudheidwinkel van Asahina. Nooit heb ik zooveel antiquiteiten bij elkaar gezien. Harnassen, maliënkolders, helmen, zwaarden, dolken, speren, pijlen, bogen, lansen, beschermplaten voor paarden, stijgbeugels van wel 10 kilo gewicht, maskers, heidensche goden, altaren, reliquien, potten en pannen,... dat alles lag dooreengestapeld op de beide verdiepingen van het huis, zoodat men zich nauwelijks kon roeren. Afgodsbeelden om van te droomen, vaasjes om te stelen, porceleinen borden om van te watertanden, beschilderde waaiers van eeuwen her, soms half tot stof vergaan, en ik weet niet wat nog al meer. En ze gooien er met honderdtallen van jaren en tientallen van yen's (1 yen = ± f 1.25), dat men er wee van wordt. Men kan echter afdingen, maar dat is eigenlijk niet eens prettig, want na er b.v. 20% te hebben afgekregen, heeft men per slot van rekening later toch altijd het idée, minstens nog den dubbelen prijs te hebben betaald.

Buiten op het uithangbord staat: 800.000 curios. Of ze dat getal ook met zes verminderd hebben na ons vertrek? Ik denk, dat het altijd wel 800.000 zal blijven.

De ricksja-koelies, die al dien tijd getroost op ons hadden gewacht en zich den tijd gekort met het rooken van een onnoemelijk aantal pijpjes, brachten ons daarna op een plein, alwaar een gedenkteeken staat, opgericht ter eere van de gevallenen in den oorlog met China, 1894/95.

Het oude Japan stichtte tempels en altaren en feestdagen ter nagedachtenis zijner helden; het moderne Japan richt monumenten op, gekroond door een nieuwerwetsch projectiel, dat 's avonds omgeven wordt door een krans van electrische lampjes.

Het was inmiddels middag geworden, de scholen gingen uit en wij hadden gelegenheid, het jeugdige Nippon eens goed op te nemen. De meisjes, zonder hoed, maar allen gewapend met een zwarte parasol, hadden in zóóverre aan de westersche mode geofferd, dat haar kleeding van boven op een kimono en van onderen meer op een damesrok geleek, die dan bijna altijd donkerrood was. Ook droegen enkelen schoenen.

Bij de jongens kon men de verschillende scholen onderkennen. Sommigen liepen in de nationale kimono, met een grooten hoed op, terwijl van een andere school allen een wit pak aan hadden, met een pet. Er waren verscheidene intelligente gezichten bij.

Na in ons hotel geluncht te hebben, namen wij onze siësta totdat de grootste hitte ietwat geweken zou zijn.

Klokke vijf vond ons staande op de electrische tram, die van het station door de lange, breede en drukke hoofdstraat geheel Nagoya doorkruist en een half uur verder ergens buiten de stad eindigt. De conducteur verstond geen Engelsch en begreep er niets van toen wij, aan den terminus gekomen, slechts van balcon verwisselden en weer mee teruggingen. Het was evenwel een gemakkelijke en prettige manier, het leven in die drukke straat vol winkels, bazaar's, restaurants en theaters eens goed op te nemen.

Japan is het land der contrasten!