De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 42
Het tentoonstellingsplan dateert eigenlijk reeds van 1901. De werken van den Simplontunnel, in Augustus 1898 aangevangen, zouden in 5 jaar gereedkomen, dus in begin 1904. Voor een goede voorbereiding was men dan ook niets te vroeg. De ondernemers van den tunnelbouw--omtrent welk werk indertijd een geïllustreerde beschrijving in deze kolommen is opgenomen--de heeren Brand, Brandon en Co., hebben echter met reusachtige moeilijkheden te worstelen gehad, waardoor de arbeid telkens werd vertraagd en de opening herhaaldelijk moest worden uitgesteld.
Het tentoonstellingsplan ondervond daarvan den terugslag en zoo werd het daarmee een ware lijdensgeschiedenis, die het, zoo al niet verschoonbaar, dan toch verklaarbaar maakt, dat er allengs een stadium van verslapping aanbrak, dat zich, toen de solemneele ure naderde, begon te wreken in eindelooze verwarring en hopeloozen achterstand. De uitbarsting van den Vesuvius werd aangegrepen als een welkom voorwendsel om de opening nog een 8 dagen uit te stellen, maar eindelijk begrepen de Italiaansche leiders toch, dat zij er met een: "_Fortuna, e dormi!_", "heb geluk en slaap maar!" niet komen zouden. En zoo zag ik, in die dagen van de barensweeën der tentoonstelling reeds hier aanwezig, bevestigd wat een landgenoot, die hier reeds jaren woont en het volkskarakter uitnemend kent, mij voorspeld had: "In de laatste dagen, als 't er op aankomt, zult gij de Italianen wonderen zien doen."
Inderdaad, toen de dag der plechtige opening dáár was, scheen het of goede feeën in de stilte en de duisternis van den nacht rondgezweefd hadden over de terreinen en met tooverstaven in het leven hadden geroepen, wat luierende werklieden die liever in het zonnetje lagen te slapen en soldaten die wel onder tucht werkten maar wier handen verkeerd stonden voor dezen ongewonen arbeid, maar niet klaar konden krijgen, al stonden de commissieleden er ook handenwringend bij.
Het Uitvoerend Comité mocht van geluk spreken, dat het zóó ... den schijn wist te redden!
Trouwens, de kunst om het uiterlijk op te houden verstaan de Italianen uitnemend!
En wie zou niet gaarne veel vergeven aan een volk, dat, bij al zijn gebreken, zoo nauw verband houdend met zijn aard en opvoeding, aan den anderen kant zulke voortreffelijke eigenschappen toont!?...
Want te ontkennen valt het niet dat de tentoonstelling, zooals zij zich daar nu voordoet, getuigt van het scheppingsgenie en den hoog-ontwikkelden smaak der Italianen.
Zoowel in uitgebreidheid als in conceptie maakt de tentoonstelling een grootschen indruk. Indien men voor haar een ligging had kunnen vinden, zoo schilderachtig als de oevers van de Seine in Parijs en van de Maas in Luik, dan ware het panorama van deze tooverstad, marmerwit als het _Lipara_, dat Couperus' kunstenaarsoog zag, onder Italië's diepblauwen hemelkoepel met de intense lichtschittering van de zuidelijke zon onvergelijkelijk heerlijk geweest.
Het oorspronkelijk tentoonstellingsplan omvatte alleen het transportwezen: spoorwegen, scheepvaart, rijwielen en automobielen, luchtballons enz. Maar als gewoonlijk groeide het spoedig den ontwerpers boven het hoofd en kreeg het een omvang als men nimmer had vermoed of bedoeld. Decoratieve kunst, schilder- en beeldhouwkunst, kunstnijverheid, landbouw en vischteelt, telegrafie en telefonie, hygiëne, coöperatie en verzekeringswezen, dat alles werd in het definitieve plan opgenomen, welks uitvoering ruim 12 millioen lire heeft gekost. En naast die permanente tentoonstelling zullen nog tijdelijke tentoonstellingen gedurende de zomermaanden worden gehouden van voedingsmiddelen, chemische en pharmaceutisehe producten, fotografie, muziek-instrumenten, jachtwapenen enz.
Het eenige, wat deze internationale tentoonstelling dan nu ook onderscheidt van een _wereld_-tentoonstelling, dat is haar _niet algemeen_ karakter; de groot-industrie bv. is tot veler teleurstelling buitengesloten, daar slechts machines van een beperkt aantal paardenkrachten in gebruik bij de kunstnijverheid mochten ingezonden worden, terwijl in eenige afdeelingen, o.a. in die van schilder- en beeldhouwkunst, geen internationale mededinging is toegelaten, een maatregel die de beteekenis dezer sectie niet heeft verhoogd.
In uitgestrektheid doet de Milaansche tentoonstelling echter niet onder voor die van Luik en Düsseldorf, welke wereldtentoonstellingen werden genoemd; zij heeft een grootte van 980,000 M_2_, terwijl de overdekte hallen tezamen een oppervlakte beslaan van 245,000 M_2_, verdeeld over 125 groote gebouwen en kleinere paviljoenen.
Teneinde den lezers eenigszins een maatstaf ter vergelijking te geven, wil ik er hier aan herinneren, dat de Luiksche wereldtentoonstelling van 1905 een terrein van 11 H.A. besloeg met een overdekte ruimte van 110,000 M_2_; het aantal gebouwen en paviljoenen bedroeg in Luik 98.
In een stad, geheel in de vlakte gelegen en met oude vestingmuren omringd, viel het niet gemakkelijk voor een zóó groote tentoonstelling een geschikt terrein te vinden. De ruimte van het binnen de enceinte gelegen Park bood nauwelijks een derde van de oppervlakte die men noodig had. De aandacht viel toen op het buiten de bastions gelegen exercitieterrein van Milaan's groote garnizoen, de _Piazza d'Armi_, maar ook dit was nog te klein. Toen kwamen de ingenieurs op het lumineuze denkbeeld om de beide terreinen, door een nieuwe stadswijk van niet geringen omvang van elkander gescheiden, in gebruik te nemen en ze onderling te verbinden door een electrischen spoorweg over een viaduct, bijna lijnrecht loopend van het midden van het eene naar dat van het andere.
Met medewerking van de militaire en burgerlijke autoriteiten slaagde dit plan volkomen. En daaraan is het nu te danken, dat de hoofdingang van de tentoonstelling op nog geen 20 minuten afstands van het centrum der stad is gelegen.
Wanneer men van het _Cordusioplein_, waar het monumentale Beursgebouw en het paleis van de "Algemeene Verzekerings-Maatschappij" in elliptischen vorm rondgebouwd zijn, en dat vlak achter de noordwestelijke zijde van het Domplein, het centrum der oude stad, gelegen is, de _Via Dante_ ingaat, een der breedste en fraaiste hoofdstraten van Milaan, dan ziet men aan het einde daarvan op het _Foro Bonaparte_, dat een halven cirkel vormt, recht voor zich het beroemde en indrukwekkende _Castello Sforzesca_ met zijn massieve torens en heerlijke versieringen van Leonardo da Vinci en Bramante, de voormalige woonplaats der Visconti's, meermalen in den loop der eeuwen verwoest en weer opgebouwd, telkens weer verwaarloosd maar nu weer bijna geheel gerestaureerd tot een grootsch historisch monument en inwendig ingericht tot archeologisch en kunst-museum, verrijzen. Door de hoofdpoort, de _Torre del Filarete_, het _Castello_ binnentredende en recht overstekende door den eersten en tweeden binnenhof (_Piazza d'Armi_ en _Corte Ducale_) bereikt men door de tegenoverliggende poort aan de achterzijde het fraai aangelegde _Parco_, dat geheel beheerscht wordt door den ver op den achtergrond verrijzenden triomfboog met zijn mooie _bas-reliefs_, de _Arco della Pace_, oorspronkelijk bestemd om de heldendaden van Napoleon te eeren, maar later gewijd aan een herdenking van de nederlagen van den grooten Keizer, die bekroond wordt door het wonder-mooie werk van den beeldhouwer Sangiorgio, in brons gegoten door de gebroeders Manfredini en voorstellende de godin des vredes staande op haar met zes vurige paarden bespannen zegekar.
In dit park, begrensd door die beide monumenten en omringd door een voornaam kwartier van patricische huizen en villa's, ligt, schuilgaande grootendeels onder donkere cypressen en ander zwaar geboomte, het eene gedeelte der tentoonstelling en vandaar leidt de electrische spoorweg naar het grootere terrein, dat ruim 20 minuten loopens verder is gelegen.
Links van het _Castello_, aan het einde van het breede _Foro Bonaparte_, ligt de hoofdingang der tentoonstelling, een architectonisch goed gelukt bouwwerk, waarvan onze foto een duidelijk beeld geeft.
In dit ranke bouwwerk met zijn zuilengalerij, zijn sprekende versieringen en beelden, hebben de architecten--aan wier hoofd de bekwame Besana staat--veel vergoed van het gemis van een monumentaal hoofdgebouw en een panorama over heel de tentoonstelling. Toch ligt de beteekenis van deze rijke façade die 's avonds met duizenden gloeilampjes wordt verlicht meer in de beide Simplontunnels, waarvan zij de omlijsting vormt.
Aardiger _clou_ ware voor deze tentoonstelling wel niet uit te vinden geweest dan de bezoekers te doen binnengaan door een tunnel, waarmeê op bedriegelijke wijze de Simplontunnel nagebootst is. Dat is dan ook de groote attractie, het nieuwe en wonderbare. Het is dan ook aardig gedaan; de illusie is volkomen. Men schuift het zwarte gordijn even op zij en treedt de onbekende duisternis in; in de verte gloeien kleine lichtjes tegen den van kristallen glinsterenden rotswand; bij hun zwak schijnsel ziet men op den bodem de vage evenwijdige lijnen van de rails. Men hoort het gekletter van water en het snorren en stampen van machines. Het zijn de boormachine en de luchtververschingsinstallatie die hier in werking worden getoond. Door nauwe zijgangen, waarin men de scherven van rotsblokken onder de voeten hoort kraken, komt men in den tweeden tunnel, evenwijdig aan den eersten loopende, die, evenals in de werkelijkheid, met den eersten halverwege een punt van samenkomst heeft. In dezen tweeden tunnel heeft men kans gezien op vernuftige wijze duidelijk te maken, hoeveel last men bij den bouw gehad heeft met het van boven door de aderen in den bergwand doorsijpelende water, dat menigmaal de gangen blank zette. Uit den rotswand springt hier met geweldige kracht het heldere water van den bergstroom dat bruisend en schuimspattend zich neerstort temidden van de rotsblokken, juist zooals men dat in het hooggebergte ziet.
Men behoeft thans niet naar Iselle te reizen om zich een begrip te kunnen vormen van het grootsche werk, dat daar is geschied en welks voltooiing hier wordt gevierd. De kunst van nabootsen tracht de wezenlijke techniek in haar hooge vlucht te achterhalen. Alles toch is zoo natuurgetrouw, dat men werkelijk meent in het hart van de Hoog-Alpen te verkeeren.
Tusschen de beide tunnelingangen heeft de gevierde beeldhouwer Butti een beeldengroep aangebracht, die den moeizamen tunnel-arbeid voorstelt. Een mooi afgietsel in brons van deze sprekende groep is door het Uitvoerend Comité aan Z.M. den Koning als een aandenken aan de plechtige opening aangeboden.
De beide tunnelpoorten worden bekroond door een eleganten toren, dragende een Mercurius-beeld, en welks versieringen de beteekenis van het werk des vredes, door de samenwerking van Zwitserland en Italië tot stand gebracht, symboliseeren.
Aan weerszijden van den hoofdingang sluiten langwerpige vleugels zich aan dit smaakvolle bouwwerk aan. Rechts is de afdeeling "Visscherij", waarin Duitschland schitterend voor den dag is gekomen, ondergebracht, waarbij zich weer aansluit een zeer interessant aquarium; links vindt men een reeks van ineenloopende zalen, waar bijeengebracht is een hoogst belangwekkende verzameling oudheidkundige voorwerpen die betrekking hebben op het transportwezen te water en te land. Aan de medewerking zoowel van het Quirinaal als van het Vaticaan is het te danken, dat het een waar genot is deze retrospectieve afdeeling te doorwandelen, waaraan bovendien prof. Fumagalli door een methodische groepeering zekere wetenschappelijke waarde gegeven heeft. Men vindt er zoowel de draagstoel van Leopold II, Groot-hertog van Toscane als de staatsiekaros waarmee Paus Pius VII in 1814 zijn intocht hield in Modena; de berlina met koperen paneelen, rijk met zilver beslagen, van Ferdinand II van Bourbon (Corte di Napoli: 1839) als de rijk-gebeeldhouwde gala-koets, die gediend heeft in den begrafenisstoet van Victor Emanuel II in 1878 bij de overbrenging van het stoffelijk overschot van het Quirinaal naar het Panthéon; vergulde kardinaalskarossen en met acht paarden bespannen trouwkoetsen met beschilderde paneelen en van binnen met satijn bekleed van het Huis van Savoye.
Niet minder de moeite waard zijn de modellen van oude schepen; o.a. van de galjoen, waarmeê Maria de Medici in 1600 van Livorno naar Frankrijk is gevaren.
Ook het "voorheen en thans" op het gebied van de rijwielen wordt in een apart zaaltje vrij volledig te zien gegeven, terwijl de Italiaansche Posterijen en de Duitsche Rijkspost een belangrijke historische inzending hebben samengebracht, bestaande in modellen van oude postkoetsen, uniformen, gereedschappen, documenten enz.
Men kan gerust zeggen, dat deze afdeeling tot de best-geslaagde van de tentoonstelling behoort.
Na deze uitstapjes rechts en links van den hoofdingang gaan we nu het Park in, waarvan de aanleg getuigt van den smaak der Milaneesche tuinbouwkundigen; frisch en fleurig ziet er alles uit en de breed-uitgespreide waaierpalmen en bloeiende camelia's zouden wij wel zoo naar ons land willen meênemen! De stoomwals heeft de breede wegen geëffend, waarin de zware vrachtwagens diepe voren hadden getrokken; aan den rechterkant krijgen we nu de voornaamste tentoonstellingsgebouwen in het oog; zij rijzen geen van alle hoog op tusschen het geboomte en hun hagelwitte kleur zal bij den fellen Italiaanschen zonnebrand verblindend zijn voor de oogen, al helpt zij de hitte _buiten_ de zalen houden, maar overigens ... wat een superieuren smaak hebben de Italiaansche architecten getoond bij het ontwerpen dezer paleizen en paviljoenen! Schoon ook hier in hoofdzaak het onduurzaam tentoonstellingsmateriaal slechts dienst kon doen, wint Milaan het in dit opzicht verre van Luik en Düsseldorf en wordt Parijs van 1900 naar de kroon gestoken.
De liefde voor de schoone klassieke vormen was hier de leidstar van mannen als Besana, Bongi en Locati, meestere in hun vak. Hier wordt men herinnerd aan het Parthenon met zijn zuilen en bogen, daar aan Romeinsche thermen; ginds aan de Byzantijnsche bouwkunst, elders weer aan het Arabische Alhambra. Aan de Italiaansche en Fransche renaissance wordt recht gedaan; kortom, de historische architectuur viert hier hoogtij! En toch, hoe frisch, hoe oorspronkelijk bleven de ontwerpers daarbij; hoe gelukkig wisten zij in bouworde en versieringen uitdrukking te geven aan de bestemming van de verschillende gebouwen! Zeker, dat alles is _klein_ tegenover dien machtigen kolossus, den Dom, dien de christelijke kunst, als een prediking in marmer, midden in deze stad heeft gebouwd; en te _druk_ tegenover den stroeven ernst der middeleeuwsche kunst die spreekt uit de _palazza's_, welke de eeuwen hier hebben nagelaten en die thans de omlijsting vormen van deze onwezenlijke droomstad, waar alles klatergoud en namaak is en die straks weer zal verdwijnen, even spoedig als zij gekomen is.
Maar ... wie ontkomt aan de machtige bekoring die van dit alles uitgaat!? Die mengeling van architectuur en sculptuur, zij is een weelde voor het oog en spreekt tot de verbeelding van oorden, waar de schoonheid godheid is, waar het ideaal triumfeert in marmerwit en kronegoud!
Van het beeldhouwwerk gesproken: Al heeft de Italiaansche plastiek de schoone traditiën van het verleden niet weten hoog te houden, men mocht toch bij deze gelegenheid van de beeldhouwers in het land van Michel Angelo en Canova iets goeds verwachten.
In qualiteit hebben zij dan ook niet teleurgesteld, maar in de quantiteit hadden zij meer matiging kunnen betrachten. Overlading schaadt overal, zelfs op een tentoonstelling. Alle Olympische goden zijn er aan te pas gekomen. Het is of men een concurrentie heeft willen ondernemen met de permanente beelden-uitstalling op het beroemde, maar mij en velen, die onder een andere dan de zuidelijke zon zijn geboren, weinig sympathieke _Campo Santo_.
Maar zonder nu alles op gezag mooi te vinden, alleen omdat het van kunstenaars als Butti en Brivio, die op dit oogenblik in de gunst staan, afkomstig is, moet ik toch erkennen, dat er kracht en realiteit zit in menig beeld en in meer dan één groep.
Ga natuurlijk zoo'n compositiebeeld niet van nabij bekijken, dan is alle illusie weg! Maar een tentoonstelling hangt nu eenmaal van bedriegelijk decoratief aan elkaar. En niemand zal aan zoo'n _Victoria_ of _Mercurius_, die straks op een electrisch verlicht voetstuk zullen staan, hooge kunsteischen stellen!
Het is al veel waard, wanneer het gevoel niet wordt gekwetst door groven wansmaak of jammerlijke banaliteit. En daartegen hebben de artistieke en technische leiders der tentoonstelling met veel zorg gewaakt. Binnen die grenzen heeft men echter het eigen initiatief zooveel mogelijk vrijheid gelaten en zoo is er tusschen al die groote paleizen en paviljoenen een aardige afwisseling van Zwitsersche châlets, Schwartzwalder huisjes; Oostersche kiosken enz. Telkens wordt het oog weer geboeid door iets eigens en karakteristieks. Hoe jammer, dat ook Nederland, als te St.-Louis, niet met iets eigens, met een pittigen oud-hollandschen trapjesgevel bv., is kunnen komen! Maar de Milaneesche aannemers vroegen fabelachtige prijzen en de middelen waren gering. Nu heeft het Nederlandsch comité zich tevreden moeten stellen met 800 M_2_ in de gemengde afdeeling der decoratieve kunst, waar het Japan tot buurman heeft, en 200 M_2_ elders voor op zichzelf staande inzendingen als die van den baggermolen-fabrikant Smulders uit Schiedam. Het is nu maar te hopen, dat het inwendige (de versiering is bij den heer Kromhout uit Amsterdam zeker in goede handen) en de inzendingen goed zullen maken wat aan het uiterlijk ontbreekt. Maar daarvoor is nog wat geduld noodig. Niet vóór half Juni zal de Nederlandsche afdeeling geopend kunnen worden. Met dit wat achteraf gelegen gebouw schenen de heeren van de bouw-commissie het minste haast te hebben. En toen de gedelegeerde commissaris van Nederland herhaaldelijk aandrong op meer spoed, wijzende op het ergerlijk luieren der Italiaansche werklieden, die, als 't koud is, zich rond een houtvuurtje gaan warmen en als 't warm is, in 't zonnetje liggen te slapen, antwoordde men zoo philosophisch-laconiek als Italianen dat alleen kunnen: "Laat dan Nederlandsche werklieden komen om het gebouw af te maken. Zwitserland heeft ook eigen werklieden ontboden!"
Biedt een tentoonstelling kans van welslagen, al geeft ze ook nog zooveel interessants te zien, waar de leiders dergelijke luchthartige opvattingen koesteren?... De vertegenwoordigers van het buitenland, die ervaring hebben op dit gebied twijfelen er wel eens aan. Maar de Italianen zijn onverbeterlijke optimisten; zij kloppen de mopperaars gemoedelijk op den schouder en zeggen glimlachend: "_Al levar della tende si vedra_", of te wel: als de boel weer afgebroken wordt, zal _alles_ je duidelijk zijn. Een troost!?...
Wij zijn nu in de groote middenlaan van het Park, die dit gedeelte der toonstelling in twee groepen scheidt: rechts wetenschap en kunst; links de vermakelijkheden. Even wippen we binnen in het gebouw der "Schoone Kunsten". Dat was inwendig het eerst gereed omdat de Koning er doorheen wandelen zou op den openingsdag. Een openbaring is deze zuiver-nationale afdeeling niet; ook zijn vele doeken verkeerd of veel te sterk belicht. Er is in 't algemeen te veel gelegenheidswerk zoowel van schilders als beeldhouwers.
Eén zaal is geheel gereserveerd voor de productieve familie Ciardi, bestaande uit vader en twee zoons, die 32 werken heeft ingezonden, een andere zaal bevat alleen 28 stukken van den grooten Venetiaanschen meester, Ettore Tito. Ook Carcano heeft een zaal voor zich, terwijl Carlandi, bekend door zijn fijne zeegezichten, 84 aquarellen heeft ingezonden.
Onder het beeldhouwwerk is meer knappe copie dan oorspronkelijk werk. De _Unione artisti romani_ leverde hier het leeuwendeel, o.a. een reusachtige groep van Lazio.
Het paleis van de _Belle Arti_ bestaat uit twee vleugels in hoefijzervorm die samenkomen in een koepelvormige zaal. In deze feestzaal, waarvan wij een reproductie geven, had de plechtige opening der tentoonstelling plaats. Jammer genoeg mochten er toen geen photografische opnamen worden gemaakt--een maatregel die als vele andere verband hield met de veiligheid van den Vorst. Want toen langs alle lijnen electrische lichtjes fonkelden, ook in de lauwerkransen door de engelenfiguurtjes omhoog gehouden, en heel de zaal bezet met schitterende uniformen en galagewaden, waartusschen de bekoorlijkste damestoiletten in teere kleuren,--allen omringend de met bloemenguirlandes versierde estrade, waarop de Vorstelijke stoet had plaats genomen--toen bood dat geheel een betooverend gezicht, hoe weinig indrukwekkend de ceremonie ook overigens was, die onder een geestdriftige ovatie aan het Koninklijk Paar eindigde met een symbolische opening van de tentoonstelling door Koningin Elene, die een rood lint losmaakte, dat de estrade had afgesloten van den uitgang.
Uit den rechtervleugel de feestzaal binnengekomen treden wij nu door den hoofdingang, door zinrijke beeldengroepen geflankeerd, weer naar buiten. Aan de overzijde van de breede allée zien wij, verscholen in het frissche groen, drie kleine gebouwen liggen, evenveel verschillend van stijl als van bestemming; voornaam en mooi is de façade van het kleine paleis der stad Milaan, in Italiaansche renaissancestijl gebouwd, waarin het gemeentebestuur, dat een ruim aandeel genomen heeft in de totstandkoming der tentoonstelling en bij feestelijke gelegenheden de honneurs tegenover de gasten uit den vreemde waarneemt, een volledig overzicht geeft van de inrichting zijner model-bedrijven en van het vele wat Milaan doet op het gebied van onderwijs, armenzorg, hygiène en volkswelvaart. Zij die ook om iets te leeren de tentoonstelling bezoeken zullen hier een nuttig uurtje kunnen vertoeven in deze rustige omgeving.
Van een heel ander karakter is het Zwitsersche paviljoen dat natuurlijk van wege "de onverbrekelijke vriendschapsbanden" op deze tentoonstelling een eereplaats kreeg.
Het is een echt Zwitsersch châlet, in wit rood en bruin geschilderd hout met balcons en een luifeldak en pittig torentje; een juweeltje van dien karakteristieken bouwstijl van het Alpenland. "Een bescheiden huisje" noemde de Zwitsersche commissaris-generaal Siemen het, toen hij er uit naam van de Bondsregeering den Koning van Italië begroette, maar de jonge Vorst die zijn oogen altijd goed den kost geeft had het bij het rechte eind, toen hij den bescheiden Zwitser warme hulde bracht voor dat smaakvol paviljoen, een sieraad van de tentoonstelling.
Natuurlijk is de inhoud van het gebouw grootendeels gewijd aan de werken van St. Gotthard en Simplon, gesymboliseerd in een groot fresco in den voorgevel, en de vermaarde Zwitsersche kunstnijverheid.
Een honderd schreden verder ligt op een heuveltje, gelijk in hoogte aan de viaduct, het Park-station van den electrischen spoorweg, ook een aardig, luchtig gebouwtje, waaraan veel zorg is besteed.